U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
In dit besluit staan vragen en antwoorden over de fiscale partnerregeling en heffingskortingen. Dit besluit vervangt de besluiten van 1 februari 2006, nr. CPP2006/195M en 31 juli 2007, nr. CPP2007/583M.
In dit besluit staan vragen en antwoorden over de fiscale partnerregeling en heffingskortingen. De enige wijziging ten opzichte van het besluit van1 februari 2006, nr. CPP2006/195M, is dat vraag 2.13 is aangepast. Die vraag betreft de termijn waarbinnen partners de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementstoeslag kunnen wijzigen. In het besluit van 31 juli 2007, nr. CPP 2007/583M, was hiervoor een goedkeuring opgenomen. In de praktijk was er onduidelijkheid over de in dat besluit opgenomen terugwerkende kracht. Het besluit van 31 juli 2007 wordt daarom ingetrokken. Vraag 2.13 in het onderhavige besluit vervangt het besluit van 31 juli 2007 en werkt terug tot en met 31 juli 2007 (zie onderdeel 4). Verder is geen beleidswijziging beoogd. Begin 2008 wordt dit besluit verder aangepast. Dan worden ook de eventuele wetswijzigingen per 1 januari 2008 verwerkt.
Vraag
In de Wet IB 2001 wordt op diverse plaatsen een referentieperiode van zes
maanden genoemd, zoals bijvoorbeeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel
b, ten eerste, en bij diverse bepalingen van Hoofdstuk 8 van de Wet IB
2001. Hoe wordt deze zesmaandsperiode precies vastgesteld?
Antwoord
Voor de beoordeling of aan de referentieperiode is voldaan kunnen zowel de dag
van aanvang als de dag van beëindiging van de gezamenlijke huishouding me
etellen. Als een belastingplichtige bijvoorbeeld vanaf 3 januari tot en met 2
juli een gezamenlijke huishouding voert met een andere belastingplichtige, voert
hij tenminste gedurende zes maanden een gezamenlijke huishouding. Als een
belastingplichtige bijvoorbeeld vanaf 3 januari tot en met 3 juli een
gezamenlijke huishouding voert met een andere belastingplichtige, voert hij
tenminste gedurende meer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding.
Vraag
In mei 2005 treden belastingplichtige en zijn partner in het huwelijk, nadat zij
enige tijd ongehuwd hebben samengeleefd. Kunnen deze belastingplichtigen voor de
periode in 2005 dat zij ongehuwd samenleefden, kiezen voor het partnerschap?
Antwoord
Ja, mits binnen het kalenderjaar in totaal gedurende meer dan zes maanden
onafgebroken een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd en de meerderjarige
partners gedurende die tijd op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens. De huwelijksperiode telt dus mee voor de
periode van zes maanden (zie: Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 727, nr.
79; V-N BP 21/7.5, blz. 2610).
Vraag
Een zestienjarige vrouw voert in 2005 een gezamenlijke huishouding met haar
meerderjarige partner. In de basisadministratie persoonsgegevens staan zij heel
2005 op hetzelfde woonadres ingeschreven. In maart 2005 bevalt de vrouw van een
kind. Zij verzoekt de kinderrechter om haar op grond van artikel 253ha Boek 1
van het Burgerlijk Wetboek meerderjarig te verklaren. De kinderrechter beslist
op 13 augustus 2005 positief op dit verzoek. De beslissing kent geen
terugwerkende kracht, zodat de vrouw eerst per 13 augustus 2005 meerderjarig is.
Kan de vrouw samen met haar meerderjarige huisgenoot ervoor kiezen om het gehele
jaar 2005 als fiscale partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet IB 2001 te
worden aangemerkt?
Antwoord
Nee. Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001 biedt
deze keuzemogelijkheid aan een meerderjarige belastingplichtige die gedurende
het kalenderjaar meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding
voert met een andere meerderjarige belastingplichtige. Aangezien
belastingplichtige eerst op 13 augustus 2005 meerderjarig wordt, voert zij in
2005 niet meer dan zes maanden als meerderjarige een gezamenlijke huishouding.
Goedkeuring
Het vorenbedoelde gevolg acht ik niet in overeenstemming met de achtergrond van
de regeling. Ik keur daarom met toepassing van de hardheidsclausule goed dat in
situaties waarin een minderjarige vrouw de leeftijd van zestien jaar heeft
bereikt en door de kinderrechter meerderjarig wordt verklaard, zij voor de
toepassing van artikel 1.2 van de Wet IB 2001 geacht wordt meerderjarig te zijn
vanaf het moment dat haar kind wordt geboren. Benadrukt zij dat betrokkene niet
eerder geacht wordt meerderjarig te zijn dan vanaf het tijdstip waarop zij zowel
zestien jaar is als het kind is geboren.
Vraag
Twee ongehuwde meerderjarigen wonen samen aan boord van een binnenschip. Het
binnenschip heeft geen vaste ligplaats. Inschrijven op een woonadres in de
basisadministratie persoonsgegevens is als gevolg daarvan niet mogelijk. Zij
staan wel ingeschreven op hetzelfde briefadres.
Ongehuwd samenwonende meerderjarigen kunnen kiezen voor de kwalificatie van
partner voor de inkomstenbelasting. Eén van de voorwaarden is, dat beide
belastingplichtigen gedurende meer dan zes maanden staan ingeschreven op
hetzelfde woonadres (artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b, ten eerste,
van de Wet IB 2001).
Kunnen twee ongehuwd meerderjarigen die samen op een binnenschip zonder vaste
ligplaats wonen en zich ingeschreven hebben op hetzelfde briefadres, ook kiezen
voor de kwalificatie als partner?
Antwoord
Nee, twee ongehuwde meerderjarigen die samen op een binnenschip zonder vaste
ligplaats wonen en niet ingeschreven staan op hetzelfde woonadres, kunnen niet
kiezen voor de kwalificatie als partner. Om te kunnen kiezen voor de
kwalificatie als partner, is een van de voorwaarden dat belastingplichtigen in
het kalenderjaar meer dan zes maanden op hetzelfde woonadres staan ingeschreven
in de basisadministratie persoonsgegevens.
Goedkeuring
De situatie dat ongehuwd samenwonende meerderjarigen niet kunnen kiezen voor
partner omdat inschrijving op een woonadres niet mogelijk is, acht ik niet in
overeenstemming met de achtergrond van de regeling.
Daarom keur ik met toepassing van de hardheidsclausule goed dat de keuze voor kwalificatie als partner toch mogelijk is in de situatie dat twee ongehuwd samenwonende meerderjarigen niet op een woonadres kunnen worden ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en zij bij het ontbreken van een woonadres staan ingeschreven op hetzelfde briefadres. Wel dient voldoende aannemelijk te zijn dat feitelijk in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd.
Vraag
X en Y hebben samengewoond en zijn inmiddels uit elkaar gegaan. X en Y hebben in
een voorgaand jaar gekozen voor fiscaal partnerschap in de zin van artikel 1.2
van de Wet IB 2001.
Zijn X en Y aan te merken als elkaars gewezen partner in de zin van de Wet IB
2001?
Antwoord
Ja, X en Y zijn aan te merken als elkaars gewezen partner in de zin van de
Wet IB 2001.
Bepalend is of X en Y in een voorgaande periode elkaars fiscaal partner waren in
de zin van artikel 1.2 van de Wet IB 2001. Daarbij is niet alleen van belang of
belastingplichtigen elkaars fiscaal partner waren in het jaar van verbreking van
de samenleving of het huwelijk. Belastingplichtigen zijn ook elkaars gewezen pa
rtner wanneer zij in een voorgaand jaar of een gedeelte daarvan elkaars fiscaal
partner waren.
Als belastingplichtigen niet aan te merken waren als elkaars fiscaal partner,
zijn zij ook niet aan te merken als elkaars gewezen partner in de zin van de Wet
IB 2001.
Voorbeeld 1
X en Y wonen samen sinds 5 januari 2003 en gaan op 28 november 2003 uit elkaar.
X en Y kiezen voor 2003 voor fiscaal partnerschap in de zin van artikel 1.2 van
de Wet IB 2001. Omdat X en Y een deel van 2003 waren aan te merken als elkaars
fiscaal partner, zijn zij vanaf 28 november 2003 aan te merken als elkaars
gewezen partner in de zin van de Wet IB 2001.
Voorbeeld 2
X en Y wonen samen sinds 22 april 1999 en gaan op 28 november 2003 uit elkaar. X
en Y hebben in geen van de voorgaande jaren of gedeelten daarvan gekozen voor
fiscaal partnerschap. Om die reden zijn X en Y vanaf 28 november 2003 niet aan
te merken als elkaars gewezen partner in de zin van de Wet IB 2001. Daarvan zou
bijvoorbeeld al wel sprake zijn als zij uitsluitend voor het jaar 2001 hebben
gekozen voor fiscaal partnerschap.
Vraag
Kunnen ongehuwd samenwonende meerderjarigen die op grond van artikel 1.3, eerste
lid, van de Wet IB 2001 in hun aangifte gekozen hebben voor fiscaal
partnerschap, die keuze nog herzien?
Antwoord
Nee, in artikel 1.3, vierde lid, van de Wet IB 2001 is nadrukkelijk bepaald dat
op de bij aangifte gemaakte keuze voor de kwalificatie als partner niet kan
worden teruggekomen. Als echter het verzoek om keuzeherziening van beide
belastingplichtigen aan de inspecteur feitelijk kenbaar wordt op een tijdstip
waarop de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen van de
belastingplichtige en zijn partner nog rekening kan houden met de
keuzeherziening, zal daarmee bij de vaststelling van de aanslagen rekening
worden gehouden. Het verzoek om keuzeherziening wordt dan aangemerkt als een
aanvulling op de aangifte.
Vraag
Kunnen ongehuwd samenwonende meerderjarigen die bij de aangifte niet hebben
gekozen voor kwalificatie als partner zoals bedoeld in artikel 1.3, eerste lid,
van de Wet IB 2001, die keuze alsnog doen nadat de aangifte is ingediend?
Antwoord
Ja, een bij de aangifte te maken keuze kan, tenzij uitdrukkelijk anders is
bepaald, worden gemaakt tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige
of zijn beoogde partner onherroepelijk vaststaat. Nadat de aanslag van de
belastingplichtige of zijn beoogde partner onherroepelijk is komen vast te
staan, kan de keuze niet meer worden gemaakt voor het desbetreffende
kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in het Besluit van 25 maart 1991,
DB89/735, zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 3 juni 1996, AFZ96/1125M,
zal, mede gelet op de wetsgeschiedenis, geen ambtshalve vermindering worden
verleend als het verzoek te laat wordt ingediend.
Vraag
Deeljaarpartners kunnen op grond van artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB
2001 er gezamenlijk voor kiezen om voor de toepassing van artikel 2.17 van de
Wet IB 2001 als voljaarpartners te worden aangemerkt. Als gevolg van deze keuze
kunnen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de
rendementsgrondslag aan de partners worden toegerekend in de onderlinge
verhouding die zij hiervoor kiezen.
Voor deze keuzeregeling geldt dat de gemaakte keuze kan worden herzien tot het
moment dat de aanslag van de belastingplichtige of zijn partner onherroepelijk
vaststaat.
Moet een dergelijke keuzeherziening door beide partners gezamenlijk worden
gedaan?
Antwoord
Ja, aangezien de keuze om voor toepassing van artikel 2.17 van de Wet IB 2001
het hele kalenderjaar als partners te worden aangemerkt een gezamenlijke keuze
is, dient ook de herziening van deze keuze door beide partners gezamenlijk te
worden gedaan.
Vraag
Deeljaarpartners kunnen op grond van artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB
2001 er gezamenlijk voor kiezen om voor de toepassing van artikel 2.17 van de
Wet IB 2001 als voljaarpartners te worden aangemerkt.
Kunnen deeljaarpartners die bij de aangifte niet hebben gekozen voor
voljaarpartnerschap, deze keuze alsnog doen nadat de aangifte is ingediend?
Antwoord
Ja, een bij de aangifte te maken keuze kan, tenzij uitdrukkelijk anders is
bepaald, worden gemaakt tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige
of zijn deeljaarpartner onherroepelijk vaststaat. Nadat de aanslag van de
belastingplichtige of zijn deeljaarpartner onherroepelijk is komen vast te
staan, kan de keuze voor voljaarpartnerschap niet meer worden gemaakt voor het
desbetreffende kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in het Besluit van 25
maart 1991, DB89/735, zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 3 juni 1996,
AFZ96/1125M, zal geen ambtshalve vermindering worden verleend als het verzoek te
laat wordt ingediend.
Vraag
A (kind) woont gedurende de periode van 1 januari 2005 tot 15 juli 2005 samen
met B (ouder). A en B voldoen aan alle voorwaarden voor het partnerschap. Op 1
augustus 2005 treedt A in het huwelijk met C. Bij de aangifte inkomstenbelasting
2005 kiezen A en B voor het partnerschap, waardoor B in aanmerking komt voor de
verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 van de Wet IB
2001. Kunnen A en C daarnaast op grond van artikel 2.17, zevende lid ervoor
kiezen gedurende het gehele jaar 2005 als partner van elkaar te worden
aangemerkt?
Antwoord
Ja. Het verdelen van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen of bestanddelen van
de rendementsgrondslag kan alleen als de belastingplichtige gedurende het gehele
kalenderjaar dezelfde partner heeft. A kan in beginsel over het kalenderjaar
2005 geen inkomensbestanddelen of bestanddelen van de rendementsgrondslag
verdelen, niet met B en niet met C. Beiden zijn immers niet het gehele jaar 2005
partner van A geweest. Artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001 biedt
echter een tegemoetkoming. A kan geacht worden of met B of met C het gehele jaar
partner te zijn geweest, als beiden daarvoor kiezen. In de casus brengt A samen
met C die keus uit. A had ook samen met B die keus kunnen uitbrengen.
De keuze van A en C om het gehele kalenderjaar 2005 elkaars partner te zijn
staat los van de keuze van A en B voor het partnerschap. De keuze van A en C
geldt immers volgens artikel 2.17, zevende lid, alleen voor de toepassing van
dat artikel. De keuze van A en B geschiedt op grond van artikel 1.2, eerste lid,
onderdeel b, en artikel 1.3 van de Wet IB 2001 en betreft alleen de
periode 1 januari 2005 tot en met 15 juli 2005.
Vraag
A en B zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. A overlijdt op 1 mei 2005. B is
zijn enige erfgenaam. Tot de gemeenschap behoren spaartegoeden van € 200.000 per
1 januari en € 205.000 per 1 mei en een vakantiewoning met een waarde van €
150.000 zowel per 1 januari als per 1 mei. Per 31 december bedragen de
spaartegoeden van B € 215.000 en de waarde van de vakantiewoning € 150.000. Hoe
wordt de rendementsgrondslag bepaald?
Antwoord
Als B en de erfgenaam van A, zijnde B, gebruik maken van de keuze om voor de
toerekening het hele kalenderjaar als partner te worden aangemerkt, is de
uitwerking als volgt.
Per 1 januari mogen de bestanddelen van de rendementgrondslag vrij worden
verdeeld over beide partners. Ook 31 december mogen de bestanddelen van de
rendementgrondslag vrij worden verdeeld over beide partners.
Als B en de erven van A geen gebruik maken van de keuze om voor de toerekening
het hele kalenderjaar als partner te worden aangemerkt, kan er geen vrije
toerekening plaatsvinden tussen de partners. Ieder geeft zijn eigen bezittingen
en schulden op de peildata aan.
Vraag
In artikel 2.17, vijfde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 is de
persoonsgebonden aftrek als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel
gekwalificeerd. Betekent dit dat de persoonsgebonden aftrek als één
inkomensbestanddeel mag worden verdeeld, of kunnen partners per persoonsgebonden
aftrekpost een verdeling kiezen?
Antwoord
Partners kunnen per persoonsgebonden aftrekpost een verdeling kiezen.
Vraag
Belastingplichtige en zijn partner hebben in hun aangiften inkomstenbelasting
2005 de per saldo negatieve inkomsten uit eigen woning toegerekend aan de
partner van belastingplichtige. De aanslag over 2005 van belastingplichtige
wordt op 31 mei 2007 vastgesteld. Op dat moment staat de aanslag van zijn
partner al onherroepelijk vast. De aanslag van belastingplichtige is met een
correctie vastgesteld. Hierdoor is de toerekening van de inkomsten uit eigen
woning aan de partner van belastingplichtige ongunstig. Kunnen
belastingplichtige en zijn partner de toerekening alsnog wijzigen?
Antwoord
De belastingplichtige en zijn partner kunnen de in de aangifte
inkomstenbelasting opgenomen toerekening van hun gemeenschappelijke
inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag gezamenlijk
wijzigen. De termijn waarbinnen dit kan, is begrensd tot het moment waarop de
aanslag van één van beide partners onherroepelijk vaststaat (artikel 2.17,
vierde lid, Wet IB 2001). De begrenzing van deze termijn is in de wet opgenomen
voor de uitvoerbaarheid van de regeling. In de praktijk kan dit problemen
opleveren als de inspecteur de aanslagen van de partners niet tegelijkertijd
vaststelt. Het kan dan gebeuren dat de aanslag van de ene partner al
onherroepelijk vaststaat op het moment dat die van de ander wordt opgelegd. Dit
leidt tot problemen als de inspecteur de aanslag van die andere partner niet
conform de ingediende aangifte vaststelt. Als gevolg van de aangebrachte
correcties kan een wijziging in de toerekening dan gewenst zijn. Hetzelfde
probleem kan optreden als aan een van de partners een navorderingsaanslag wordt
opgelegd of als de aanslag van een van de partners wordt verminderd. Maar ook
los van niet conform de ingediende aangifte vastgestelde aanslagen,
navorderingsaanslagen of verminderingen kan, nadat één van beide aanslagen
onherroepelijk vaststaat, blijken dat de gekozen verdeling fiscaal gezien niet
de meest gunstige is.
Bovenstaand probleem doet zich met name voor bij aanslagen over de kalenderjaren
vanaf 2005. Bij de aanslagregeling over 2001 tot en met 2004 was het
geautomatiseerde proces van de Belastingdienst zo ingericht dat de aanslagen
inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van fiscale partners zoveel
mogelijk gelijktijdig werden opgelegd. Door een wijziging in het
geautomatiseerde proces is dat voor de aanslagen over de kalenderjaren vanaf
2005 niet meer het geval. Deze wijziging heeft overigens tot gevolg dat
belastingplichtigen hun definitieve aanslag eerder ontvangen.
Goedkeuring
Ik acht het niet wenselijk dat fiscale partners als gevolg van het werkproces
van de Belastingdienst geen invloed meer hebben op voornoemde toerekening
terwijl één van beide aanslagen nog niet onherroepelijk vaststaat. Ik keur
daarom, vooruitlopend op wetswijziging, het volgende goed.
a. Als de aanslag van één van de partners onherroepelijk vaststaat,
wordt bovenbedoelde toerekening op verzoek van beide partners alsnog gewijzigd.
Dit verzoek kan worden gedaan totdat de aanslagen van beide partners onhe
rroepelijk vaststaan. Als wijziging van de toerekening tot gevolg heeft dat de
onherroepelijk vaststaande aanslag van de ene partner te laag is vastgesteld,
geldt de goedkeuring alleen als die partner instemt met het opleggen van een
navorderingsaanslag.
Deze goedkeuring betreft aanslagen over de kalenderjaren vanaf 2001 en geldt ook
als het inkomen van één van de partners door het opleggen van een
navorderingsaanslag wordt gewijzigd. Het verzoek is dan mogelijk totdat de
navorderingsaanslag onherroepelijk vaststaat.
Zoals uit onderdeel 4 van dit besluit blijkt, geldt deze goedkeuring alleen voor
verzoeken die zijn gedaan vanaf 31 juli 2007.
b. Indien de aanslagen van beide fiscale partners inmiddels onherroepelijk vaststaan, kan ook een beroep op de onder a genoemde goedkeuring worden gedaan indien de aanslagen betrekking hebben op de kalenderjaren 2005 en volgende. In dit geval verleent de inspecteur de tegemoetkoming ambtshalve, doch slechts indien het verzoek daartoe, inclusief de instemming van de partner tot navordering, is ingediend vóór 1 januari 2008.
Vraag
Een binnenlandse belastingplichtige en zijn echtgenote emigreren in 2005 naar
Spanje. Zij maken geen gebruik van de keuzeregeling van artikel 2.5, eerste lid,
van de Wet IB 2001. Is vrije toerekening van inkomensbestanddelen en
bestanddelen van de rendementsgrondslag in 2005 mogelijk?
Antwoord
Nee. De inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn echtgenote worden
in aanmerking genomen bij degene door wie deze zijn genoten of op wie deze
drukken. De bestanddelen van de rendementsgrondslag worden in aanmerking genomen
bij degene tot wiens vermogen deze behoren. Vrije toerekening van
gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de
rendementsgrondslag is alleen mogelijk als de belastingplichtige gedurende het
gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft (artikel 2.17, vijfde lid, van de Wet
IB 2001), hetgeen hier niet het geval is. Op grond van artikel 1.2, derde lid,
onderdeel b, van de Wet IB 2001 kan een persoon die niet in Nederland
woont en niet kiest voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige, niet
als partner worden aangemerkt.
Als de belastingplichtige en zijn echtgenote wél zouden kiezen voor behandeling
als binnenlandse belastingplichtige worden zij gedurende het gehele kalenderjaar
als partners aangemerkt en mogen de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en
bestanddelen van de rendementsgrondslag wel in een onderlinge verhouding naar
keuze worden verdeeld.
Goedkeuring
Ingeval door emigratie sprake is van een beperkte periode van binnenlandse
belastingplicht kan de toerekeningsregeling onbillijk uitwerken. Gelet op doel
en strekking van de toerekeningsregeling keur ik daarom met toepassing van de
hardheidsclausule goed dat artikel 2.17, tweede tot en met zevende lid, van de
Wet IB 2001 in het jaar van emigratie van toepassing is op gemeenschappelijke
inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag die in
aanmerking worden genomen gedurende de periode van binnenlandse belastingplicht,
mits de binnenlandse belastingplicht van de belastingplichtige en die van zijn
echtgenote gelijktijdig eindigt.
De goedkeuring is van overeenkomstige toepassing:
- ten aanzien van ongehuwd samenwonenden die voor kwalificatie als partner
kunnen kiezen;
- ten aanzien van belastingplichtigen van wie de binnenlandse belastingplicht in
de loop van het kalenderjaar aanvangt.
Vraag
Fiscale partners A en B willen de aandelen van A voor de toepassing van de
rendementsgrondslag toerekenen aan B. B is de niet-verdienende partner. A en B
zijn het gehele jaar fiscale partners. Op het desbetreffende aandelenpakket is
dividend uitgekeerd, waarop dividendbelasting is ingehouden. Bij wie moet de
geheven dividendbelasting worden verrekend: bij A die eigenaar van de aandelen
is of bij B aan wie de aandelen worden toegerekend?
Antwoord
De geheven dividendbelasting kan in beginsel alleen worden verrekend door de
partner te wiens laste de dividendbelasting is ingehouden.
Goedkeuring
Onverkorte toerekening van de geheven dividendbelasting aan de partner te wiens
laste de dividendbelasting is ingehouden kan leiden tot gevolgen die niet in
overeenstemming zijn met de achtergrond van de toerekeningsregeling voor fiscale
partners. Ik keur daarom met toepassing van de hardheidsclausule goed dat
fiscale partners het totaal van de geheven dividendbelasting mogen verdelen in
de onderlinge verhouding die zij daarvoor kiezen. Aan deze goedkeuring zijn de
volgende voorwaarden verbonden. In totaal mag niet meer dan 100% van de geheven
dividendbelasting worden verrekend. De goedkeuring geldt uitsluitend voor
dividendbelasting die is ingehouden op dividenden uit vermogensbestanddelen die
onder hoofdstuk 4 (Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang) en hoofdstuk 5
(Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen) vallen. Daarnaast geldt dat deze
verdeling alleen is toegestaan als sprake is van fiscaal partnerschap gedurende
het gehele jaar. Onder fiscaal partnerschap gedurende het gehele jaar wordt in
dit geval eveneens verstaan de keuze op basis van artikel 2.17, zevende lid, van
de Wet IB 2001, om voor de toepassing van de toerekeningsregels het gehele jaar
als fiscale partners te worden aangemerkt. Bij een onvolkomen of onjuiste
verdeling van de geheven dividendbelasting, wordt teruggevallen op de in het
antwoord omschreven hoofdregel. In dat geval wordt de dividendbelasting
verrekend bij de fiscale partner te wiens laste de dividendbelasting is
ingehouden.
In de situatie van A en B heeft het bovenstaande tot gevolg dat de ingehouden dividendbelasting in beginsel alleen door A kan worden verrekend. Nu A en B het gehele jaar elkaars fiscale partner zijn, mag de ingehouden dividendbelasting worden verdeeld tussen A en B. Het totaal van de geheven dividendbelasting mag dan aan B worden toegerekend en door B worden verrekend.
Vraag
Fiscale partners A en B willen de buitenlandse aandelen voor de toepassing
van de rendementsgrondslag toerekenen aan B. B is de niet-verdienende partner. A
en B zijn het gehele jaar fiscale partners. Op het desbetreffende aandelenpakket
is dividend uitgekeerd, waarop buitenlandse bronbelasting is ingehouden. Bij wie
moet de geheven buitenlands (bron)belasting in aanmerking worden genomen voor
verrekening met de inkomstenbelasting ter voorkoming van dubbele belasting? Bij
A die eigenaar van de buitenlandse aandelen is of bij B aan wie de buitenlandse
aandelen worden toegerekend?
Antwoord
Verrekening van buitenlandse (bron)belasting kan alleen aan de orde komen
voorzover de aandelen waarop het dividend is uitgekeerd, bij de
belastingplichtige tot de rendementsgrondslag behoren (grondslageis). In dit
verband wordt de te verrekenen buitenlandse (bron)belasting bij de fiscale
partners in dezelfde verhouding in aanmerking genomen als de toerekening van de
bestanddelen van de rendementsgrondslag. Als de buitenlandse aandelen op de voet
van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 aan B worden toegerekend, kan alleen B de
buitenlandse (bron)belasting verrekenen.
Fiscale partners die op grond van artikel 2.17, tweede lid, van de Wet IB 2001 kiezen voor vrije toerekening van (buitenlandse) gemeenschappelijke inkomensbestanddelen of (buitenlandse) bestanddelen van de rendementsgrondslag dienen de daarop betrekking hebbende te verrekenen buitenlandse (bron)belasting in dezelfde verhouding als de desbetreffende bestanddelen in aanmerking te nemen.
Deze wijze van verrekening bij vrije toerekening van (buitenlandse) gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag geldt voor (bron)belasting die is ingehouden of is voldaan op dividenden, interest en royalty’s uit vermogensbestanddelen die onder hoofdstuk 4 (Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang) en hoofdstuk 5 (Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen) van de Wet IB 2001 vallen. In totaal mag uiteraard niet meer dan 100% van de (bron)belasting die op grond van de regelingen ter voorkoming van dubbele belasting voor verrekening in aanmerking komt, worden verrekend. Daarnaast geldt dat deze verdeling van (buitenlandse) inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag alleen is toegestaan als sprake is van fiscaal partnerschap gedurende het gehele jaar. Van fiscaal partnerschap gedurende het gehele jaar is in dit geval eveneens sprake als de partners hebben verzocht om op basis van artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001, voor de toepassing van de toerekeningsregels het gehele jaar als fiscale partners te worden aangemerkt. De gekozen verdeling kan worden herzien tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige of zijn fiscale partner onherroepelijk vaststaat (artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001).
Nadrukkelijk merk ik op dat deze wijze van in aanmerking nemen van buitenlandse (bron)belasting niet ziet op het op grond van artikel 20 of artikel 25a van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 bij beschikking vastgestelde bedrag aan niet verrekende buitenlandse belasting dat wordt voortgewenteld. Deze belasting is slechts verrekenbaar bij de persoon op wiens naam de beschikking staat
Vraag
Een kind woont samen met zijn ouder(s)/verzorger(s) aan boord van een
binnenschip. Het binnenschip heeft geen vaste ligplaats. Inschrijven op een
woonadres in de basisadministratie persoonsgegevens is als gevolg daarvan niet
mogelijk. Zij staan wel ingeschreven op hetzelfde briefadres.
Voor de [aanvullende] kinderkorting, [aanvullende] combinatiekorting en
[aanvullende] alleenstaande-ouderkorting geldt onder meer als voorwaarde dat het
kind op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de
basisadministratie persoonsgegevens.
Kunnen belastingplichtigen die samen met een kind aan boord wonen van een
binnenschip zonder vaste ligplaats en zich ingeschreven hebben op hetzelfde
briefadres, in aanmerking komen voor genoemde heffingskortingen als verder aan
de overige voorwaarden wordt voldaan?
Antwoord
Nee, belastingplichtigen die samen met een kind aan boord wonen van een
binnenschip zonder vaste ligplaats en zich ingeschreven hebben op hetzelfde
briefadres, kunnen niet in aanmerking komen voor genoemde heffingskortingen, ook
als verder aan de overige voorwaarden wordt voldaan.
Voor de [aanvullende] kinderkorting, [aanvullende] combinatiekorting en
[aanvullende] alleenstaande-ouderkorting is namelijk één van de voorwaarden dat
het kind op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in
de basisadministratie persoonsgegevens.
Goedkeuring
De situatie dat belastingplichtigen die samen met een kind aan boord wonen
van een binnenschip zonder vaste ligplaats, niet in aanmerking kunnen komen voor
genoemde heffingskortingen omdat inschrijving op een woonadres niet mogelijk is,
acht ik niet in overeenstemming met de achtergrond van de regeling.
Daarom keur ik met toepassing van de hardheidsclausule goed dat de
belastingplichtige die samen met een kind aan boord woont van een binnenschip
zonder vaste ligplaats, in aanmerking kan komen voor genoemde heffingskortingen
als:
- de belastingplichtige en het kind niet op een woonadres ingeschreven kunnen
staan in de basisadministratie persoonsgegevens; en
- de belastingplichtige en het kind wel op hetzelfde briefadres staan
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens; en
- verder aan de overige voorwaarden voor toepassing van genoemde
heffingskortingen wordt voldaan.
Vraag
Geldt de (aanvullende) kinderkorting ook voor de belastingplichtige tot
wiens huishouding op 1 januari van het kalenderjaar geen kind behoorde maar in
de loop van het jaar wel, doordat op bijvoorbeeld 3 maart 2005 een kind wordt
geboren?
Antwoord
Ja. In dit geval behoort immers in het kalenderjaar gedurende meer dan zes
maanden een kind tot het huishouden van de belastingplichtige. Voor de in
artikel 8.12, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 bedoelde
leeftijdstoets bij de aanvang van het kalenderjaar worden nog niet geboren
kinderen geacht nul jaar te zijn.
Vraag
X en Y zijn gehuwd en hebben een kind van 10 jaar. X en Y gaan op 3
november 2005 duurzaam gescheiden leven.
a. Welke partner(s) komt/komen in aanmerking voor de kinderkorting?
b. Welk inkomen is relevant om te bepalen of aan de inkomenseis van
artikel 8.12, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 wordt
voldaan?
Antwoord
a. Artikel 8.12, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 stelt onder meer de eis dat gedurende meer dan zes maanden tot het huishouden van de belastingplichtige een kind moet behoren. Bij verbreking van de samenleving na 1 juli van het kalenderjaar - zoals in de onderhavige casus - voldoen beide partners aan deze voorwaarde. Het bepalen welke partner voor de kinderkorting in aanmerking komt geschiedt in die situatie volgens artikel 8.12, derde lid, van de Wet IB 2001.
b. Aangezien beide partners voldoen aan de voorwaarden voor de kinderkorting (zie onder a) is ook het gezamenlijke verzamelinkomen van X en Y relevant om te bepalen of aan de inkomenseis wordt voldaan.
Dezelfde systematiek is van toepassing op de aanvullende kinderkorting.
Vraag
W en Z zijn gehuwd en hebben een kind van 10 jaar. W en Z gaan op 3 juni
2005 duurzaam gescheiden leven en vanaf die datum woont het kind bij Z.
a. Wie komt/komen in aanmerking voor de kinderkorting?
b. Welk inkomen is relevant om te bepalen of aan de inkomenseis van
artikel 8.12, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 wordt
voldaan?
Antwoord
a. Artikel 8.12, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 stelt onder meer de eis dat gedurende meer dan zes maanden tot het huishouden van de belastingplichtige een kind moet behoren. In dit geval komt alleen Z in aanmerking voor de kinderkorting omdat het kind meer dan zes maanden tot het huishouden van Z behoort. In deze situatie is artikel 8.12, derde lid, van de Wet IB 2001 niet van toepassing.
b. Aangezien alleen Z in aanmerking komt voor de kinderkorting, is ook alleen het verzamelinkomen van Z relevant om te bepalen of aan de inkomenseis wordt voldaan.
Dezelfde systematiek is van toepassing op de aanvullende kinderkorting.
Vraag
Partner A en B hebben een kind dat bij de aanvang van het kalenderjaar 14
jaar is. Op 3 mei 2005 overlijdt partner A.
a. Wie komt/komen voor 2005 in aanmerking voor de kinderkorting?
b. Welk inkomen is relevant om te bepalen of aan de inkomenseis van
artikel 8.12, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 wordt
voldaan?
Antwoord
a. In beginsel komen beide partners voor 2005 in aanmerking voor de
kinderkorting. Op grond van artikel 8.12, vijfde lid, van de Wet IB 2001 wordt
partner A geacht te hebben voldaan aan de in artikel 8.12, eerste lid, van de
Wet IB 2001 bedoelde termijn van zes maanden. Het bepalen welke partner voor de
kinderkorting in aanmerking komt geschiedt in deze situatie volgens artikel
8.12, derde lid, van de Wet IB 2001.
b. Aangezien beide partners voldoen aan de voorwaarden voor de
kinderkorting (zie onder a), is ook het gezamenlijke verzamelinkomen
van A en B relevant om te bepalen of aan de inkomenseis wordt voldaan.
Dezelfde systematiek is van toepassing op de aanvullende kinderkorting.
Vraag
Als ongehuwd samenlevenden met kinderen niet kiezen voor het partnerschap,
kunnen zij dan beiden voor de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting in
aanmerking komen?
Antwoord
Nee. Op grond van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet IB 2001 geldt dat,
als de ongehuwd samenlevenden voldoen aan de voorwaarden van artikel 3.91,
tweede lid, onderdeel b, ten tweede tot en met ten vijfde, van de Wet
IB 2001, zij voor de toepassing van de (aanvullende) kinderkorting worden
aangemerkt als partners. Als beide ongehuwd samenlevenden voldoen aan de
voorwaarden voor toepassing van de kinderkorting, wordt volgens artikel 8.12,
derde lid, van de Wet IB 2001 bepaald wie van beiden in aanmerking komt voor de
kinderkorting. In dat geval wordt het inkomen van beide ongehuwd samenlevenden
samengeteld voor de bepaling of aan de voorwaarden voor de kortingen wordt
voldaan.
De benadering in de antwoorden 3.3 t/m 3.5 kan van overeenkomstige toepassing
zijn.
Vraag
De belastingplichtige woont en werkt in 2005 in Nederland. Hij is gehuwd
met A; zij leven niet duurzaam gescheiden. A woont met kinderen van 8 en 10 jaar
in Marokko. A heeft geen inkomen maar wordt in Marokko in beginsel wel als
inwoner betrokken in de belastingheffing. Marokko is een mogendheid waarmee
Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen
die voorziet in uitwisseling van inlichtingen. Het gezamenlijke verzamelinkomen
van de belastingplichtige en zijn echtgenoot blijft onder de grens van € 60.447
(bedrag 2005).
a. Komt de belastingplichtige in het jaar 2005 voor de kinderkorting in
aanmerking?
b. Komt zijn echtgenoot A in het jaar 2005 voor de kinderkorting in
aanmerking?
c. Kan A haar recht op kinderkorting overdragen aan de
belastingplichtige?
Antwoord
a. Nee, de belastingplichtige komt niet in aanmerking voor de
kinderkorting omdat de kinderen niet tot zijn huishouden behoren.
b. Ja, mits A op basis van artikel 2.5 van de Wet IB 2001 kiest voor de
toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen en A voldoet aan
de overige voorwaarden voor de kinderkorting.
c. Nee, de in artikel 8.12, derde lid, van de Wet IB 2001 opgenomen
toerekening van de kinderkorting bij partners geldt alleen als beide partners
recht hebben op de kinderkorting. In situaties als de onderhavige, waarin
slechts één van de partners recht heeft op de kinderkorting, wordt de
kinderkorting toegekend aan de partner die daar recht op heeft. De uitbetaling
van de kinderkorting (en de algemene heffingskorting) aan A geschiedt op grond v
an artikel 8.9 en artikel 8.9a van de Wet IB 2001. Voorwaarde is wel dat de door
de belastingplichtige verschuldigde belasting en premie volksverzekeringen,
verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting, tenminste de aan A uit te
betalen gecombineerde heffingskorting bedraagt.
Vraag
Onder welke omstandigheden hebben personen die in Nederland asiel zoeken,
recht op heffingskortingen?
Antwoord
Voor het beantwoorden van de vraag of asielzoekers recht hebben op
heffingskortingen moet onderscheid worden gemaakt tussen de inkomstenbelasting
en de volksverzekeringen.
Voor de inkomstenbelasting geldt het volgende. Voor het antwoord op de vraag
of iemand recht heeft op de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is van
belang of hij in Nederland woont en dus een binnenlandse belastingplichtige is.
Of iemand in Nederland woont wordt volgens artikel 4, eerste lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen naar de omstandigheden beoordeeld. Als hij
niet in Nederland woont, zijn uiteraard de regels van toepassing voor
buitenlandse belastingplichtigen.
Om voor de heffingskortingen voor de volksverzekeringen in aanmerking te komen
is de status van de asielzoeker relevant. Een asielzoeker die na 1 juli 1998 in
de procedure zit en nog geen juridische binding met Nederland heeft, zal in het
algemeen op grond van de bepalingen van de Koppelingswet (in samenhang met de
Vreemdelingenwet), artikel 6 AOW (en de overige volksverzekeringswetten) en het
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 niet
tot de kring der verzekerden behoren. Alsdan komt die asielzoeker niet in
aanmerking voor de heffingskortingen voor de volksverzekeringen.
Vraag
X en Y zijn gehuwd en gaan op 3 november 2005 scheiden. X heeft gedurende
de huwelijkse periode geen inkomen, Y is kostwinner. Na de echtscheiding gaat X
werken (en dus inkomen genieten).
a .Komt X in aanmerking voor de verhoging van de gecombineerde
heffingskorting volgens artikel 8.9 van de Wet IB 2001?
b. Welk inkomen van Y is relevant om te bepalen of de door Y
verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde
heffingskorting voldoende is om de verhoging van de gecombineerde
heffingskorting bij X te rechtvaardigen?
Antwoord
a. X voldoet aan de zesmaandstermijn van artikel 8.9 van de Wet IB
2001. X komt in aanmerking voor de verhoging van de gecombineerde
heffingskorting als de verschuldigde gecombineerde inkomensheffing over haar
jaarinkomen lager is dan het bedrag van haar gecombineerde heffingskorting. Het
jaarinkomen is het inkomen van de huwelijkse periode en dat van de nahuwelijkse
periode tezamen.
b. De verschuldigde inkomensheffing over het inkomen van Y gedurende
het gehele jaar 2005 is relevant. De in artikel 8.9, tweede lid, van de Wet IB
2001 bedoelde, door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing
verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting, wordt immers in beginsel over
de periode van een jaar vastgesteld.
Vraag
Een belastingplichtige is 45 jaar. Hij is als Nederlands ingezetene
premieplichtig voor de volksverzekeringen. Belastingplichtige heeft recht op de
algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de korting voor maatschappelijke
beleggingen. In 2005 is de gecombineerde inkomensheffing hoger dan de
gecombineerde heffingskorting. De berekende inkomstenbelasting is echter lager
dan de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, terwijl de berekende premie
voor de volksverzekeringen hoger is dan de heffingskorting voor de
volksverzekeringen.
Door de wijze waarop de heffingskorting voor maatschappelijke beleggingen wordt
gesplitst in een deel inkomstenbelasting en een deel premie volksverzekeringen
(waarbij het AOW-deel op nihil wordt gesteld; zie artikel 8.7, eerste lid, van
de Wet IB 2001), blijft een bedrag aan heffingskorting voor de
inkomstenbelasting onverrekend, terwijl belastingplichtige premie
volksverzekeringen verschuldigd is.
Kan het niet verrekende deel van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting
worden verrekend met de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen?
Antwoord
Nee, in de Wet financiering volksverzekeringen (hierna: de WFV) is geen
bepaling opgenomen die verrekening van heffingskorting voor de
inkomstenbelasting met verschuldigde premie volksverzekeringen toelaat. Er is in
de WFV geen bepaling opgenomen vergelijkbaar met artikel 2.7, tweede lid, van de
Wet IB 2001. Laatstgenoemde bepaling geldt uitsluitend voor verrekening van
heffingskorting voor de volksverzekeringen met verschuldigde inkomstenbelasting.
Goedkeuring
Het in de vraagstelling gesignaleerde gevolg waarbij in een bijzondere
situatie een deel van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting onverrekend
blijft, terwijl belastingplichtige wel premie volksverzekeringen verschuldigd
is, acht ik niet in overeenstemming met de achtergrond van de regeling. Ik keur
daarom met toepassing van de hardheidsclausule goed dat, in situaties waarin de
berekende inkomstenbelasting (= de verschuldigde inkomstenbelasting na
toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting) lager is dan de
heffingskorting voor de inkomstenbelasting, het niet verrekende deel van de
heffingskorting voor de inkomstenbelasting in mindering wordt gebracht op de
verschuldigde premie voor de volksverzekeringen. Hiermee wordt bereikt dat de
gecombineerde heffingskorting volledig kan worden verrekend met de berekende
inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, als deze gecombineerde
inkomensheffing een hoger bedrag beloopt dan de gecombineerde heffingskorting.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit. Voor wat betreft onderdeel 2.13 werkt het terug tot en met 31 juli 2007.
Het besluit van 31 juli 2007, nr. CPP2007/583M, wordt met terugwerkende kracht tot en met 31 juli 2007 ingetrokken. Het besluit van 1 februari 2006, nr. CPP2006/195M, wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.
Den Haag, 12 december 2007.
De staatssecretaris van Financiën,
namens deze:
de directeur-generaal Belastingdienst,
mr. J. Thunnissen.
09-06-2008
|
PDF bestand, 63 Kb