U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Het besluit van 23 november 2006, nr. CPP2006/737M, wordt
opnieuw uitgebracht. Dit besluit is geactualiseerd (o.a. met de
spaarrekening eigen woning en het beleggingsrecht eigen woning) en
aangevuld met nieuwe beleidsstandpunten. Ook zijn redactionele
aanpassingen aangebracht die geen inhoudelijke wijzigingen
behelzen.
In dit besluit zijn de beleidsstandpunten opgenomen op het terrein van de kapitaalverzekering eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) en het beleggingsrecht eigen woning (BEW). Met ingang van 1 januari 2008 geldt de fiscale faciliëring voor een KEW op overeenkomstige wijze ook voor een spaarrekening en een beleggingsrecht eigen woning. De voorwaarden die aan een KEW zijn gesteld, zijn zoveel mogelijk overgenomen voor de SEW en de BEW, behalve voor zover er verschillen zijn die voortkomen uit het verschil in karakter tussen verzekeringen en spaarrekeningen. Waar in dit besluit wordt gesproken over een SEW wordt eenvoudshalve ook een BEW bedoeld.
Ook zijn de beleidsstandpunten opgenomen over vóór 2001 gesloten
kapitaalverzekeringen die met toepassing van de Invoeringswet zijn
of worden omgezet in een KEW.
Daarnaast zijn de beleidsstandpunten opgenomen die met het oog op
de toepassing van de Invoeringswet zijn ingenomen. Deze
beleidsstandpunten zien op vóór 2001 gesloten kapitaalverzekeringen
die niet zijn omgezet in een KEW. In vrijwel alle gevallen gaat het
om kapitaalverzekeringen die behoren tot box 3. Voor dergelijke
kapitaalverzekeringen blijft gedurende de gehele looptijd de Wet IB
1964 mede van toepassing.
De beleidsstandpunten uit het besluit van 3 juni 2008, nr.
CPP2008/288M (Echtscheidingsbesluit; kapitaalverzekering eigen
woning en “oude” kapitaalverzekeringen) zijn in dit besluit
opgenomen (paragrafen 2.1.2 en 7.5.4). Het echtscheidingsbesluit
heeft daardoor zijn belang verloren en wordt ingetrokken.
Naast de aanpassingen van het besluit aan de SEW zijn in dit
besluit nieuwe standpunten opgenomen over, dan wel toegevoegd aan
de volgende onderwerpen:
- Verzekering gesplitst in een KEW die uitkeert
bij in leven zijn en een overlijdensuitkering die behoort tot de
grondslag van box 3 (paragraaf 2.4).
- SEW; doorschuiven bij overlijden; redelijke
termijn (paragraaf 2.5).
- Herstel administratieve fout met terugwerkende
kracht voor kapitaalverzekeringen (paragraaf 2.6).
- Wijziging wetgeving (WIA); premieverlaging voor
premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid (paragraaf 3.1.5).
- Aanpassing kapitaalverzekering bij
echtscheiding; wijziging verzekerde persoon en premiebandbreedte
(paragraaf 3.1.6).
- Toerekening van betaalde premies of inleggelden
aan de verzekerings- of contractjaren (paragraaf 3.5).
- Vrijstellingen bij fictieve uitkeringen of
deblokkeringen; aflossingseis (paragraaf 4.3).
- SEW; waardeveranderingen tussen tijdstip van
overlijden en tijdstip van aflossen eigenwoningschuld (paragraaf
4.6).
- Overschrijding 30-jaarstermijn KEW (paragraaf
4.7).
- Gevolgen afkoop of deblokkering; omzetting bij
echtscheiding (paragraaf 5.2).
- KEW voortgekomen uit Pré Brede
Herwaarderingpolis (paragraaf 6.2).
- Begeleiding omzetting kapitaalverzekering
gesloten vóór 2001 in een SEW (paragraaf 6.2).
- Beëindiging KEW; voortzetting in box 3 met
bijzondere waardevrijstelling (paragraaf 6.4).
- Wijziging wetgeving (WIA); verhoging verzekerd
kapitaal (paragraaf 7.8).
De geactualiseerde standpunten zijn thematisch gerangschikt en
zoveel mogelijk samengevoegd.
|
Wet inkomstenbelasting 2001
|
Wet IB 2001
|
|
Wet op de inkomstenbelasting 1964
|
Wet IB 1964
|
|
Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001
|
Invoeringswet
|
|
Algemene wet inzake rijksbelastingen
|
AWR
|
|
Kapitaalverzekering eigen woning
|
KEW
|
|
Spaarrekening eigen woning
|
SEW
|
|
Beleggingsrecht eigen woning
|
BEW
|
|
Wet op het financieel toezicht
|
Wft
|
|
Wet IB 1964; regime 1992 t/m 2000
|
Brede Herwaardering
|
|
Wet IB 1964; regime vóór 1992
|
Pré Brede Herwaardering
|
Per 1 maart 2005 is in artikel 3.116 van de Wet IB 2001 het
begrip “schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen
woning” vervangen door het begrip “eigenwoningschuld”. Ook is het
begrip ”gemeenschappelijke huishouding” vervangen door
”gezamenlijke huishouding”. Deze wijzigingen kunnen gevolgen hebben
voor de uitvoeringspraktijk.
Goedkeuring
Om te voorkomen dat de administratieve lasten toenemen en om aan de
praktijk ruimte te gunnen om de nieuwe wettelijke formulering in de
programmatuur op te nemen, keur ik op grond van artikel 63 van de
AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. Een KEW die is
afgesloten vóór 1 oktober 2005 en die voldoet aan de formele
vereisten van artikel 3.116 van de Wet IB 2001 (tekst tot en met 28
februari 2005) wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden van
artikel 3.116 van de Wet IB 2001 (tekst met ingang van 1 maart
2005). Het is dus niet noodzakelijk om in deze polissen de
verwijzing naar ”schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de
eigen woning” en ”gemeenschappelijke huishouding” aan te passen in
een verwijzing naar ”eigenwoningschuld” respectievelijk
”gezamenlijke huishouding”.
Verzekeringen die zijn afgesloten op of na 1 oktober 2005
De polisredactie van verzekeringen gesloten op of na 1 oktober 2005
moet onverkort aansluiten bij de geldende tekst van artikel 3.116
van de Wet IB 2001. Zolang dat niet het geval is, behoort de
kapitaalverzekering tot de heffingsgrondslag van box 3.
Kapitaaluitkering uit KEW vanaf 1 maart 2005
Deze goedkeuring laat onverlet dat voor een op of na 1 maart 2005
ontvangen kapitaaluitkering de tekst van artikel 3.118 van de Wet
IB 2001 met ingang van die datum van toepassing is. Dit betekent
dat van de kapitaaluitkering geen hoger bedrag kan zijn vrijgesteld
dan het bedrag van de “eigenwoningschuld” op het tijdstip van
uitkering. Dit houdt ook in dat met ingang van 1 maart 2005 met de
uitkering ten hoogste het bedrag van de “eigenwoningschuld” hoeft
te worden afgelost en dus niet langer de “schulden ter zake van de
eigen woning”.
Per 1 maart 2005 is de Wet IB 2001 op een aantal punten
gewijzigd:
- De voorheen in artikel 3.116, tweede lid,
onderdeel c, van de Wet IB 2001 opgenomen kring van personen die
kunnen fungeren als verzekerde persoon voor een KEW is vervallen.
- In het kader van het aangaan of beëindigen van
een huwelijk of een duurzame gezamenlijke huishouding is het
mogelijk om daarmee samenhangende wijzigingen aan te brengen in de
persoon van de verzekeringnemer of begunstigde van een KEW (artikel
3.116, derde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001).
- De omzettingsbepaling is zodanig aangepast dat
ook een gedeeltelijke omzetting van een KEW in een andere KEW
fiscaal geruisloos mogelijk wordt (artikel 3.119 van de Wet IB
2001).
Goedkeuring
Ik keur op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed
dat deze wijzigingen per 1 maart 2005 met terugwerkende kracht tot
en met 1 januari 2001 kunnen worden toegepast.
Als in de polis van een kapitaalverzekering de volgende clausule
is opgenomen, voldoet deze verzekering in ieder geval aan de
formele eisen die op dit punt aan een KEW worden gesteld (artikel
3.116 van de Wet IB 2001): ”De begunstigde zal de verzekerde
uitkering (…) aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld in
de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de verzekeringnemer,
van de echtgeno(o)t(e) of van degene met wie de verzekeringnemer
duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.”
Als in de voorwaarden van een spaarrekening de volgende clausule is
opgenomen, voldoet deze spaarrekening in ieder geval aan de formele
eisen die op dit punt aan een SEW worden gesteld (artikel 3.116a
van de Wet IB 2001): “De rekeninghouder zal het opgebouwde tegoed
aanwenden ter aflossing van zijn/haar eigenwoningschuld in de zin
van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Andere formuleringen waarin inhoudelijk dezelfde elementen worden
genoemd voldoen uiteraard ook.
Eén van de voorwaarden die wordt gesteld aan een KEW is dat er
een kapitaaluitkering uit levensverzekering moet zijn (artikel
3.116, eerste lid, van de Wet IB 2001). Een levensverzekering is
een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1
van de Wft (artikel 3.117 van de Wet IB 2001). Hierna geef ik aan
welke (fiscale) inhoud het begrip levensverzekering heeft en welke
nadere criteria daarvoor zijn opgesteld. De Nederlandsche Bank is
belast met de uitvoering van de Wft en bepaalt de inhoud van het
begrip levensverzekering.
In het rapport van de werkgroep levensverzekeringen WTV-Wet IB (van
4 juni 1993, gepubliceerd in FED 1993/525) zijn nadere criteria
opgenomen over de inhoud van het begrip levensverzekering. Deze
nadere criteria houden (samengevat) in dat van een
levensverzekering pas sprake kan zijn als de
verzekeringnemer/begunstigde een gerede kans heeft dat de
overeenkomst hem substantieel meer oplevert dan de waarde van de
betaalde premies vermeerderd met het door de verzekeraar behaalde
rendement (de zogenoemde bonus). De nadere criteria hebben geleid
tot rekenregels die in het rapport zijn opgenomen.
Overgangsrecht
De Nederlandsche Bank hanteert de nadere criteria voor
overeenkomsten die zijn gesloten na 30 juni 1993 evenals voor
overeenkomsten die na die datum zijn gewijzigd. Overeenkomsten die
zijn afgesloten vóór 1 juli 1993 en die niet voldoen aan de nadere
criteria merkt De Nederlandsche Bank ook aan als overeenkomsten van
levensverzekering (eerbiedigende werking).
Aansluiting bij uitleg door De Nederlandsche Bank
Voor de toepassing van de Wet IB 2001 sluit ik aan bij de uitleg
die De Nederlandsche Bank geeft aan het begrip levensverzekering.
Dit standpunt brengt mee dat op of na 1 januari 2001 gesloten
overeenkomsten van levensverzekering moeten voldoen aan de door De
Nederlandsche Bank gehanteerde nadere criteria zoals opgenomen in
het eerder genoemde rapport. Het is dus niet voldoende als de
afhankelijkheid van leven en/of sterven (slechts) formeel in de
overeenkomst wordt opgenomen.
Eén van de voorwaarden die wordt gesteld aan een KEW is dat in
de polis tot uitdrukking moet zijn gebracht dat er recht bestaat op
een eenmalige uitkering bij leven of ten gevolge van overlijden
(artikel 3.116, tweede lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). Dit
houdt in dat de verzekering in beginsel in zijn geheel tot
uitkering moet komen. Bij een gedeeltelijke uitkering wordt de
verzekering geacht (fictief) in zijn geheel tot uitkering te zijn
gekomen.
Overigens wordt bij gemengde verzekeringen aan de wettelijke
voorwaarde voldaan omdat één van beide uitkeringen zal
plaatsvinden. Bij een dergelijke verzekering is een uitkering bij
in leven zijn op een bepaalde datum verzekerd én een uitkering bij
eerder overlijden.
Voor een SEW wordt de voorwaarde gesteld dat de rekening
geblokkeerd is en slechts eenmalig gedeblokkeerd wordt voor de
aflossing van de eigenwoningschuld (artikel 3.116a, tweede lid,
onderdeel b en derde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Dit
houdt ook in dat het tegoed in zijn geheel gedeblokkeerd moet
worden. Bij een gedeeltelijke deblokkering wordt de spaarrekening
geacht (fictief) in zijn geheel tot uitkering te komen.
Redelijke wetstoepassing
De uitkering uit KEW kent een (lage) vrijstelling na ten minste 15
verzekeringsjaren onafgebroken premiebetaling (artikel 3.118,
eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). Een redelijke
wetstoepassing brengt mee dat ook als KEW zijn aan te merken
overeenkomsten waarbij een uitkering bij in leven zijn na ten
minste 15 verzekeringsjaren premiebetaling en tevens een uitkering
bij in leven zijn na ten minste 20 verzekeringsjaren premiebetaling
is verzekerd. Dit kan eventueel zijn aangevuld met een uitkering
bij vooroverlijden van hetzelfde verzekerde lijf.
Voor het tegoed uit SEW geldt dezelfde vrijstelling na ten minste
15 contractjaren inleg (artikel 3.118a van de Wet IB 2001). Ook
hier brengt een redelijke wetstoepassing mee dat spaarrekeningen
waarbij een uitkering is voorzien na ten minste 15 en tevens na 20
contractjaren onafgebroken inleg als SEW zijn aan te merken.
In het algemeen hebben kapitaalverzekeringen die worden gesloten
in verband met de financiering van de eigen woning, een verzekerde
uitkering bij in leven zijn op een bepaalde datum en een verzekerde
uitkering ten gevolge van eerder overlijden. Het
overlijdensgedeelte van een dergelijke verzekering kan daarbij
behoren tot de grondslag van box 3, terwijl de uitkering bij leven
een KEW vormt. Beide verzekerde uitkeringen moeten worden
vormgegeven als zelfstandige overeenkomsten, ook als beide
verzekeringen worden opgenomen in één polis. Dit houdt in dat de
premies in beginsel afzonderlijk moeten worden berekend en als
zodanig worden opgenomen in de polis of polissen.
Omwille van de eenvoud en uitvoerbaarheid kan als alternatief ook
worden uitgegaan van een premieberekening van het levengedeelte en
van het overlijdensgedeelte die overeenkomt met een van de wijzen
van premiesplitsing zoals voor de toepassing van de Successiewet is
beschreven in het Besluit van 13 februari 2007, nr. CPP2007/130M,
Stcrt. nr. 38 (Successiewet. Fictieve verkrijging;
levensverzekering en derdenbeding).
Fiscaal gevolg gesplitste behandeling
Bij de kapitaaluitkering bij leven is het rentebestanddeel belast
(behalve voor zover de vrijstelling van toepassing is). Het
rentebestanddeel is het bedrag waarmee de uitkering de voor de
verzekering betaalde premies overtreft. Bij fiscaal gesplitste
verzekeringen zoals hiervóór beschreven, worden de premies die zijn
betaald voor de uitkering bij overlijden echter niet in aanmerking
genomen voor de berekening van het belastbare rentebestanddeel in
de uitkering bij leven.
Voor de bandbreedte-eis van de premies voor de KEW - hoogste premie
niet meer dan 10 maal de laagste premie - tellen de premies voor de
overlijdensrisicoverzekering evenmin mee.
Unit-linked
Bij een verzekering op beleggingsbasis (unit-linked) mogen voor de
box-3-overlijdensrisicoverzekering uitsluitend premies worden
onttrokken aan de beleggingswaarde van die
overlijdensrisicoverzekering. Dus niet aan de beleggingswaarde van
de KEW die uitkeert bij in leven zijn op een bepaalde datum.
Als de kapitaalverzekering is gesplitst in een levendeel (box 1)
en een overlijdensdeel (box 3) (zie paragraaf 2.4.1) kan op het
laatste deel de vrijstelling van artikel 5.10, onderdeel a, van de
Wet IB 2001 van toepassing zijn. Het overlijdensdeel heeft dan
immers de kenmerken van een zelfstandige verzekering waardoor deze
uitsluitend voorziet in een uitkering bij overlijden van de
verzekerde(n). Als het overlijdensdeel echter tevens recht geeft op
een (mogelijke) uitkering bij in leven zijn op de einddatum, wordt
niet aan die voorwaarde van artikel 5.10, onderdeel a, van de Wet
IB 2001 voldaan. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een verzekering
die uitkeert bij overlijden in combinatie met een winst- of
overrentedeling als het overlijden niet plaatsvindt in de
verzekerde periode.
Als de rekeninghouder van een SEW overlijdt, wordt zijn rekening
op grond van de Wet IB 2001 in beginsel gedeblokkeerd. Als de
echtgeno(o)t(e) of degene met wie de rekeninghouder duurzaam een
gezamenlijke huishouding voerde de rekening continueert, blijft de
rekening geblokkeerd (artikel 3.116a, vierde lid, onderdeel f,
juncto onderdeel b, van de Wet IB 2001). De rekening wordt
gecontinueerd als de instelling waar de rekening wordt aangehouden,
de rekening op naam heeft gezet van de echtgeno(o)t(e) of degene
met wie de rekeninghouder duurzaam een gezamenlijke huishouding
voerde.
De echtgeno(o)t(e) of degene met wie de rekeninghouder duurzaam een
gezamenlijke huishouding voerde, moet de instelling binnen een
redelijke termijn mededelen dat hij de rekening wenst te
continueren. Deze termijn bedraagt in ieder geval 12 maanden vanaf
het tijdstip van overlijden. Als er bijzondere omstandigheden zijn
waardoor het niet mogelijk was het verzoek binnen die termijn te
doen, is een langere termijn mogelijk. In een dergelijke situatie
moet degene die de rekening wil continueren de bijzondere
omstandigheid aannemelijk maken bij de inspecteur die bevoegd is
voor de overleden rekeninghouder.
Herstel van een polis is mogelijk als op grond van een
aanvraagformulier, een offerte, de hoogte van de betaalde premies
en dergelijke aannemelijk is dat de polis niet de juiste weergave
is van wat partijen beoogden overeen te komen. De tussenpersoon of
de verzekeringsmaatschappij heeft dan een administratieve fout
gemaakt. Na het herstel wordt de polis geacht met inachtneming van
de correctie te zijn opgemaakt vanaf het oorspronkelijke tijdstip
van sluiten van de overeenkomst. Met andere woorden, het herstel
heeft fiscaal terugwerkende kracht.
Herstel kan ook plaatsvinden als aannemelijk is dat bij de
omzetting van een verzekering in een andere zodanige verzekering
een administratieve fout is gemaakt.
Van een administratieve fout als zodanig is geen sprake indien een
polis is opgemaakt op grond van een foutief fiscaal inzicht bij de
verzekeringnemer, de tussenpersoon of de verzekeringsmaatschappij.
Verzoeken om toepassing van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) die
hierop zien, wijs ik af.
Dergelijke administratieve fouten kunnen ook gemaakt worden bij het
afsluiten van een SEW. De hiervoor genoemde mogelijkheid van
herstel is dan van overeenkomstige toepassing.
Zowel voor de vormvereisten van een KEW en SEW als voor de
vrijstelling van een uitkering uit een KEW en SEW geldt dat de
betaalde bedragen binnen een bepaalde bandbreedte moeten blijven.
Deze bandbreedte-eis houdt in dat het hoogste bedrag op jaarbasis
niet meer mag zijn dan het tienvoud van het laagste. Uitgangspunt
bij de beoordeling van de bandbreedte-eis is het verzekerings- of
contractjaar.
Premiebetalingen voor een KEW en inlegbedragen voor een SEW
kunnen luiden in vreemde valuta. De bedragen die in vreemde valuta
zijn betaald, moeten voor de toetsing aan de bandbreedte-eis niet
worden herrekend naar Nederlandse valuta. De beoordeling of is
voldaan aan de bandbreedte vindt uitsluitend plaats op basis van de
vreemde valuta.
Als de bandbreedte gerekend naar de vreemde valuta wordt
overschreden, is de kapitaaluitkering of het tegoed niet
vrijgesteld. Het is hierbij niet van belang dat bij omrekening naar
Nederlandse valuta de in vreemde valuta voldane bedragen wel binnen
de vereiste bandbreedte zouden zijn gebleven.
Partners/echtgenoten sluiten vaak onderling verbonden KEW’s bij
één verzekeringsmaatschappij. Zij doen dit om tot een zodanige
premiebetaling voor iedere partner/echtgenoot te komen dat in het
geval een uitkering bij overlijden mocht plaatsvinden, de
overblijvende partner/echtgenoot ter zake geen successierecht is
verschuldigd (artikel 13 van de Successiewet 1956).
In dergelijke gevallen tellen de premies betaald door beide
partners mee voor de toepassing van de bandbreedte-eis. De
kapitaalverzekeringen vormen als gevolg van de onderlinge
verbindingsclausules namelijk één gemengde kapitaalverzekering
(uitkering bij in leven zijn op een vooraf vastgestelde datum of
ten gevolge van eerder overlijden).
Voor de vrijstelling geldt dat de hoogste premie niet meer mag
bedragen dan het tienvoud van de laagste (artikel 3.118, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001). Bij verbonden KEW’s wordt om
administratieve redenen die bandbreedte soms benut door de hoge
premie(s) op te nemen in de ene polis en de lage, reguliere premies
in een andere polis.
In een dergelijke situatie zijn de vrijstellingen voor een KEW
uitsluitend van toepassing als uit een verbindingsclausule blijkt
dat de twee polissen samen de juridische weergave van één
overeenkomst inhouden. In die verbindingsclausule moet zijn
aangegeven dat de gedeelten van de overeenkomst niet zonder elkaar
kunnen voortbestaan.
Vanaf 1 januari 2004 hebben werkgevers bij ziekte een
loondoorbetalingverplichting van twee jaar (Wet verlenging
loondoorbetalingverplichting bij ziekte 2003). Vóór 1 januari 2004
gold een termijn van één jaar. Door deze wetswijziging zijn de
premies voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid verlaagd.
De premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid van een
kapitaalverzekering kan gekoppeld zijn aan de criteria van de WAO.
Een verlaging van de premie voor de premievrijstelling bij
arbeidsongeschiktheid kan dan tevens leiden tot een verlaging van
de premie voor de KEW (artikel 3.116, zevende lid, van de Wet IB
2001). De verlaging van de premie kan leiden tot overschrijding van
de bandbreedte-eis voor de premies en daarmee gaat het recht op
vrijstelling van de uitkering verloren.
Goedkeuring
Omdat hier sprake is van een bijzondere omstandigheid
(wetswijziging) waarop de bij de kapitaalverzekering betrokken
partijen geen invloed hebben gehad, keur ik op grond van artikel 63
van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. Een verlaging van
de premie voor de KEW louter als gevolg van de bedoelde verlaging
van de premie voor de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid,
leidt niet tot een in aanmerking te nemen overschrijding van de
bandbreedte-eis (zie ook paragraaf 7.7).
Vanaf 1 januari 2006 geldt als gevolg van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen (WIA) dat de op kapitaalverzekeringen
meeverzekerde rechten van premievrijstelling bij
arbeidsongeschiktheid worden aangepast in verband met het
verdwijnen van de WAO. Deze dekkingen worden in overeenstemming
gebracht met de bepalingen van de WIA. De premievrijstelling bij
arbeidsongeschiktheid van een kapitaalverzekering is gekoppeld aan
de criteria van de WAO. De aangehaalde wetswijziging leidt dan tot
een verlaging van de premies voor de premievrijstelling bij
arbeidsongeschiktheid. Dit leidt tevens tot een verlaging van de
premie voor de KEW. De verlaging van de premie kan leiden tot
overschrijding van de bandbreedte-eis voor de premies en daarmee
gaat het recht op vrijstelling van de uitkering verloren.
Goedkeuring
Omdat hier sprake is van een bijzondere omstandigheid
(wetswijziging) waarop de bij de kapitaalverzekering betrokken
partijen geen invloed hebben gehad, keur ik op grond van artikel 63
van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. Een verlaging van
de premie voor een kapitaalverzekering louter als gevolg van de
wijziging van de WIA die leidt tot overschrijding van de
bandbreedte-eis voor de premies, leidt niet tot een in aanmerking
te nemen overschrijding van de bandbreedte-eis (zie ook paragraaf
3.1.4).
Deze goedkeuring is van overeenkomstige toepassing op
kapitaalverzekeringen waarop op grond van de onderdelen AL en AM
van de Invoeringswet de bepalingen van de Wet IB 1964, zoals deze
luidden op 31 december 2000, van toepassing blijven.
Bij echtscheiding of beëindiging van een duurzaam gezamenlijk
gevoerde huishouding kan de kapitaalverzekering, die oorspronkelijk
op twee levens was gesloten, worden gewijzigd in een op één leven
gesloten verzekering. Dit kan onder meer leiden tot overschrijding
van de bandbreedte-eis voor de premies. Een dergelijke
overschrijding van de bandbreedte heeft tot gevolg dat het recht op
de vrijstelling KEW vervalt.
Goedkeuring
Ik vind het maatschappelijk ongewenst dat in deze situaties het
recht op de vrijstelling van de kapitaaluitkering mogelijk verloren
gaat. Ik keur daarom op grond van artikel 63 van de AWR
(hardheidsclausule) goed dat in dergelijke situaties de wijziging
van de verzekerde persoon niet tot overschrijding van de
bandbreedte-eis leidt. Ik stel hierbij de voorwaarde dat buiten
deze aanpassing de premiebetaling geen wijzigingen ondergaat.
Deze goedkeuring is van overeenkomstige toepassing voor
kapitaalverzekeringen waarop op grond van de onderdelen AL en AM
van de Invoeringswet de bepalingen van de Wet IB 1964, zoals deze
luidden op 31 december 2000, van toepassing blijven.
Verschillende verzekeringsmaatschappijen bieden
verzekeringnemers de mogelijkheid om voor alle of een aantal
premies voor een levensverzekering een premiedepot te vormen. De
verzekeringsmaatschappij administreert het gestorte bedrag
afzonderlijk en het bedrag is rentedragend. De rente wordt op het
depot bijgeschreven.
Op de premievervaldagen worden de premies van het depot afgeboekt.
Het bedrag van de depotstorting wordt meestal zodanig berekend dat
het samen met de bij te schrijven rente voldoende zal zijn om
daaruit de premies te betalen waarvoor het depot werd gevormd.
Overlijdt de verzekerde voordat alle premies verschenen zijn dan
keert de verzekeringsmaatschappij het restant van het depot aan de
erfgenamen uitgekeerd.
Alleen als er sprake is van een reëel premiedepot voldoen de
periodieke premiebetalingen ten laste van het depot aan de
bandbreedte-eis (als ook aan de overige voorwaarden is voldaan) die
geldt voor een KEW.
Er is sprake van een reëel premiedepot als de verzekeringnemer
(of erfgenamen) ten opzichte van de verzekeraar de
beschikkingsmacht over de in depot gestorte gelden in voldoende
mate blijft behouden. Dit geldt zowel bij leven als in het geval
van overlijden. Van een premiedepot kan niet worden gesproken als
de verzekeraar tegenover de verzekeringnemer wezenlijke
belemmeringen kan opwerpen bij het voortijdige opeisen van het
saldo van de depotrekening. Een dergelijke belemmering is
bijvoorbeeld een hertoets van de financiële verplichtingen van de
verzekeringnemer.
Het vormt geen belemmering als een andere instantie dan de
verzekeraar, bijvoorbeeld een gemeente of een bank, met betrekking
tot de opname van het premiedepot voorwaarden heeft opgenomen. Voor
het beoordelen of sprake is van een reëel premiedepot gaat het
alleen om de beschikkingsmacht ten opzichte van de verzekeraar.
Als de depotvoorwaarden de beschikkingsmacht van de
verzekeringnemer over de in "depot" gestorte gelden in de weg
staan, is sprake van vooruitbetaalde premies of van een
koopsomstorting. Bij zogenoemde levenhypotheken met depot dienen
alle relevante omstandigheden in de beoordeling te worden
betrokken. Dus ook de (eventuele) bepalingen in de hypotheekakte
met betrekking tot de beschikkingsmacht over de in depot gestorte
gelden.
Er bestaat voor de verzekeringnemer voldoende beschikkingsmacht
over het premiedepot als de verzekeraar geen voorwaarden stelt. De
hierna volgende voorwaarden vormen ook geen belemmering voor het
bestaan van een reëel premiedepot:
a. voor opzegging van het premiedepot geldt een opzegtermijn van
ten hoogste drie maanden;
b. als de vergoeding die de verzekeraar bij opzegging vraagt voor
administratiekosten mag geen te hoge drempel opwerpen voor opname
van het depot. Een vergoeding van bij voorbeeld 1% van de
depotwaarde met een minimum van € 100 is zowel in relatieve als in
absolute zin geen drempel opwerpende vergoeding;
c. als bij opzegging in verband met wijziging van de rentestand een
vergoeding in rekening wordt gebracht, mag deze niet hoger zijn dan
overeenkomt met het door de financiële instelling te lijden
rentenadeel.
Ik merk premiedepots die slechts één of meer van de genoemde
voorwaarden kennen, in ieder geval aan als reële premiedepots. De
desbetreffende financiële instellingen hoeven hun depotvoorwaarden
niet aan mij voor te leggen.
Het aanmerken van een storting als een premievooruitbetaling of
als een koopsomstorting leidt er (bijvoorbeeld) toe dat een
kapitaalverzekering niet (meer) voldoet aan de voorwaarden zoals
deze gelden voor een zogenoemde KEW. Dit betekent dat deze
verzekering geacht wordt geheel tot uitkering te zijn gekomen en
vervolgens gaat behoren tot de rendementsgrondslag van box 3.
Als het premiedepot wordt aangemerkt als een premievooruitbetaling
of koopsomstorting, maakt het als zodanig geen (zelfstandig) deel
uit van de rendementsgrondslag in box 3. De koopsomstorting
verhoogt namelijk de waarde in het economisch verkeer van de
kapitaalverzekering. Een reëel premiedepot vormt wel een
(zelfstandig) bestanddeel van de rendementsgrondslag in box 3.
Eén van de voorwaarden voor een KEW is de bandbreedte-eis. Deze
eis houdt in dat op jaarbasis de hoogste premie niet meer mag
bedragen dan het tienvoud van de laagste (artikel 3.116, tweede
lid, onderdeel b en artikel 3.118, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet IB 2001).
De belastbare rente begrepen in een uitkering uit een KEW wordt
gesteld op het bedrag van de kapitaaluitkering verminderd met het
bedrag van de betaalde premies (artikel 3.116, zesde lid, van de
Wet IB 2001). Als premies voor kapitaaluitkeringen bij leven en ten
gevolge van overlijden tellen globaal gesproken eveneens mee de
premies voor de in artikel 3.116, zevende lid, van de Wet IB 2001
meeverzekerde (kapitaals)uitkeringen. Deze uitkeringen mogen
gezamenlijk niet meer bedragen dan drie maal het verzekerde
kapitaal van de hoofdverzekering (meetelregel). Voor zover die
laatste grens wordt overschreden, tellen de daarmee gemoeide
premiedelen niet mee als premie voor de hoofdverzekering.
Voor de toepassing van de meetelregel mogen de meeverzekerde
uitkeringen gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het
verzekerde kapitaal bij leven dan wel ten gevolge van overlijden.
Dit geldt niet voor meeverzekerde periodieke uitkeringen bij
invaliditeit, omdat een dergelijk recht geen kapitaaluitkering uit
levensverzekering betreft. Het desbetreffende premie-element moet
worden afgesplitst van de premie voor de KEW en kan in aanmerking
komen voor aftrek als een uitgave voor inkomensvoorzieningen
(artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001).
Bij de KEW waarbij ook premievrijstelling bij invaliditeit is
meeverzekerd, wordt de meetelregel als volgt toegepast.
Vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit leidt niet tot een
feitelijke uitkering. Deze verzekeringscomponent speelt dus geen
rol bij de beoordeling of de meeverzekerde kapitalen niet meer
bedragen dan driemaal het verzekerde kapitaal bij leven of ten
gevolge van overlijden. Het premie-element dat is betaald voor de
vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit, telt zonder meer
mee als premie voor de toepassing van de saldomethode en voor de
bandbreedte-eis (artikel 3.116, tweede lid, onderdeel b en artikel
3.118, eerste lid, van de Wet IB 2001).
Er zijn polissen waarin de meeverzekerde uitkering geen
gelijkenis vertoont met de "hoofdverzekering". Bij voorbeeld in de
situatie waarin bij invaliditeit een vaste reeks van uitkeringen -
niet zijnde een recht op periodieke uitkeringen - is meeverzekerd.
Voor de toepassing van de meetelregel moeten in een dergelijk geval
de meeverzekerde uitkeringen zo veel mogelijk worden omgerekend
naar de verzekerde grootheid van de hoofdverzekering. Het tijdstip
van waardering is daarbij het tijdstip van het aangaan van de
overeenkomst dan wel latere wijziging daarvan. Daarbij zijn
uitsluitend de verzekerde grootheden relevant en niet eventuele
winstuitkeringen, tenzij deze zijn gegarandeerd. In de situatie van
een vaste reeks uitkeringen moet naar het tijdstip van het aangaan
van de overeenkomst de waarde van de reeks worden herleid tot één
verzekerd kapitaal.
Voor het begrip jaar wordt uitgegaan van een verzekerings- of
contractjaar en niet van het kalenderjaar. Het verzekerings- of
contractjaar van een KEW of SEW begint op het tijdstip van het
aangaan van de verzekeringsovereenkomst of van het spaarcontract.
De term jaarlijks houdt in dat onafgebroken - dat wil zeggen in elk
jaar - gedurende 15 onderscheidenlijk 20 verzekerings- of
contractjarenpremies moeten worden voldaan of bedragen moeten
worden overgemaakt om voor de desbetreffende vrijstellingen in
aanmerking te kunnen komen. Daarbij kan het uiteraard ook gaan om
maandelijks of driemaandelijks verschuldigde bedragen. Voor de
bandbreedte-eis worden de in totaal in het jaar betaalde bedragen
in aanmerking genomen.
In de praktijk komt het vaak voor dat voor een KEW de voor
vrijstelling vereiste 15 of 20 verzekeringsjaren zijn volgemaakt
met onafgebroken premiebetalingen en dat er vervolgens na een
volledig verzekeringsjaar nog één of meer maandpremies worden
voldaan voordat de verzekering tot uitkering komt. Die maandpremies
zijn dan wat hoogte betreft evenredig aan de op jaarbasis in de
voorafgaande verzekeringsjaren voldane premies. Hiermee wordt niet
gehandeld in strijd met de bandbreedte-eis. Voor de bepaling of aan
de bandbreedte-eis wordt voldaan, worden immers de premies die
regulier op jaarbasis worden voldaan en ook feitelijk zijn voldaan
als maatstaf gehanteerd. Bij de beëindiging van de KEW kan het gaan
om de contractueel overeengekomen uitkering bij in leven zijn, om
de uitkering ten gevolge van overlijden en ook om de uitkering in
verband met de afkoop van de KEW.
Deze evenredigheidstoets geldt niet voor de situatie waarin de KEW
premievrij wordt voortgezet nadat één of meer maandpremies in het
verzekeringsjaar zijn voldaan. In die situatie geldt uiteraard de
feitelijk per verzekeringsjaar voldane premie als maatstaf voor de
bandbreedte-eis.
Een jaar zonder premiebetaling met behoud van het karakter van een
KEW is alleen mogelijk na tenminste 15 jaren premiebetaling. Als na
die15 jaren in een verzekeringsjaar in het geheel geen premie wordt
voldaan, ontstaat geen strijdigheid met de bandbreedte-eis, omdat
een premie van nihil niet geldt als premie.
Voor de inleg op een SEW geldt hetzelfde standpunt.
De eis van jaarlijks betalen van premies en de bandbreedte-eis
zijn in de wet opgenomen om oneigenlijk gebruik van het vereiste
aantal jaren premiebetaling te voorkomen. Op deze wijze kunnen
uitsluitend kapitaalverzekeringen waarvoor de premies zoveel
mogelijk evenwichtig gespreid over een aantal jaren zijn betaald,
voor de vrijstellingen in aanmerking komen. In de praktijk bestaat
onduidelijkheid over de toerekening van betaalde premies aan de
verzekeringsjaren. Om deze onduidelijkheid weg te nemen, maak ik
onderscheid tussen de volgende situaties van premiebetaling.
Enerzijds de betaling van premies die voor de duur van de
verzekeringsperiode contractueel zijn overeengekomen en die op in
de polis vastgelegde data vervallen. Anderzijds de betaling van
premies die de verzekeringnemer additioneel - als de overeenkomst
dat mogelijk maakt - vrijwillig voldoet ter verhoging van de
oorspronkelijk verzekerde rechten. Wat in deze paragraaf is
opgenomen ten aanzien van de toerekening van betaalde premies aan
verzekeringsjaren bij een KEW geldt ook voor de toerekening van
inleggelden aan contractjaren bij een SEW.
Indien een kapitaalverzekering is aan te merken als een KEW
voldoet de overeenkomst zelf per definitie aan de wettelijke eisen
inzake het aantal jaren van premiebetaling en van de bandbreedte in
hoogte van de premies. Dit komt tot uitdrukking in de verschuldigde
premies die in de polis zijn vastgelegd, zodat tevens duidelijk is
op welk verzekeringsjaar dergelijke premies contractueel betrekking
hebben. Deze kapitaalverzekering voldoet als de contractuele,
reguliere premies van de KEW door de verzekeraar daadwerkelijk
worden geïnd op een wijze die in het maatschappelijk verkeer
gebruikelijk is. Voor de toerekening van de contractueel
verschuldigde premie aan een verzekeringsjaar is het feitelijke
tijdstip van betaling van de premie dus niet van belang. Als een
contractueel verschuldigde premie echter na de reguliere
inningsmaatregelen van de verzekeraar nog niet is voldaan, is die
premie voor de fiscaliteit eveneens niet voldaan.
Voor de vaststelling op welk verzekeringsjaar vrijwillig
betaalde extra premies betrekking hebben, is het feitelijke
tijdstip van betaling wel van betekenis. Ik wil daarbij wel enige
ruimte bieden aan de verzekeringnemer om te kunnen voldoen aan de
fiscale vereisten voor de KEW. Als de verzekeringnemer een
vrijwillig voldane premie betaalt binnen één maand vóór het begin
van een verzekeringsjaar of binnen twee maanden daarna kan hij naar
keuze de premie geheel of gedeeltelijk aan één van de beide
verzekeringsjaren toerekenen.
De eis van de jaarlijkse premiebetalingen en de bandbreedte-eis
zijn in de wet opgenomen om oneigenlijk gebruik te voorkomen.
Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule
kapitaaluitkeringen vrij te stellen terwijl niet voldaan werd aan
de criteria voor vrijstelling, wijs ik daarom af.
In de praktijk komt het echter voor dat verzekeringnemers,
verzekeraars of tussenpersonen fouten maken met de KEW waardoor een
vrijstelling verloren gaat. In dergelijke gevallen is in het
algemeen geen sprake van oneigenlijk gebruik. De gevolgen van een
gemaakte fout op het punt van de premiebetaling zijn meestal zeer
ingrijpend voor de belanghebbende. Bij een kapitaalverzekering
gesloten in verband met de eigen woning kunnen die fiscale gevolgen
de financiering van de eigen woning bemoeilijken.
Goedkeuring
Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR
(hardheidsclausule) het volgende goed. De verzekeringnemer kan
fouten die zijn gemaakt bij de betaling van premies in een
verzekeringsjaar, (laten) herstellen tot uiterlijk 6 maanden na
afloop van het verzekeringsjaar dat volgt op het einde van het
verzekeringsjaar waarin de fout met de premiebetaling is gemaakt.
Als de verzekeringnemer geen of te weinig premies heeft betaald,
bestaat het herstel erin dat hij alsnog (een deel van) de premies
voldoet. Als de verzekeringnemer in het verzekeringsjaar een te
hoge premie heeft betaald, kan de verzekeraar in die situatie een
(deel van een) premie terugstorten. Deze goedkeuring is van
overeenkomstige toepassing op de inleg op een SEW.
Voorbeeld
Belanghebbende heeft een kapitaalverzekering met een
verzekeringsjaar dat loopt van 1 mei tot en met 30 april. In het
verzekeringsjaar 1 mei 2007 tot en met 30 april 2008 heeft hij €
1000 te veel aan premie betaald, gelet op de voor vrijstelling
vereiste bandbreedte van de premies. Belanghebbende kan deze fout
herstellen door de te veel betaalde premie uiterlijk 31 oktober
2009 (binnen 6 maanden na afloop van het verzekeringsjaar 1 mei
2008 tot en met 30 april 2009) door de verzekeraar terug te laten
betalen. Deze terugbetaling kan ook plaatsvinden door met de
verzekeraar een verrekening met een nog verschuldigde premie
overeen te komen. Op deze manier voldoet belanghebbende de premie
in overeenstemming met de wettelijke eisen die gelden voor
premiebetaling en bandbreedte.
Wat in paragraaf 3.5 is opgenomen ten aanzien van de KEW is van
overeenkomstige toepassing op kapitaalverzekeringen waarop op grond
van de onderdelen AL en AM van de Invoeringswet de bepalingen van
de Wet IB 1964, zoals deze luidden op 31 december 2000, van
toepassing blijven.
De regels voor toerekening van inkomensbestanddelen van
minderjarige kinderen en fiscale partners (artikel 2.15 en 2.17 van
de Wet IB 2001) gelden niet voor het gebruik van de vrijstellingen
voor de KEW en SEW. Deze vrijstellingen gelden namelijk per
belastingplichtige en zijn niet overdraagbaar. Volgens de
wettelijke systematiek moet eerst worden vastgesteld of, en zo ja
tot welk bedrag, een belastingplichtige inkomsten geniet. Pas
daarna komt de inkomenstoerekening op de voet van artikel 2.15 en
2.17 van de Wet IB 2001 aan de orde. Dit betekent dat voor zover de
rente begrepen in een kapitaaluitkering of het rendement begrepen
in een tegoed is vrijgesteld (op grond van artikel 3.118 en 3.118a
van de Wet IB 2001), die rente of dat rendement niet wordt
toegerekend aan de ouder of aan de echtgenoot of degene met wie de
belastingplichtige een gezamenlijke huishouding voert.
Samenwonenden kunnen gezamenlijk een zo hoog mogelijk bedrag aan
vrijstellingen benutten, als ze er voor zorgen dat beiden
zelfstandig begunstigde zijn van één of meer kapitaaluitkeringen of
beiden – al dan niet door middel van een gezamenlijke rekening –
zelfstandig gerechtigd zijn tot het tegoed van een SEW. Dit geldt
ook voor echtgenoten.
Als uitzondering op deze systematiek geldt dat bij een
kapitaaluitkering in verband met het overlijden van de echtgenoot
of degene met wie de overledene duurzaam een gezamenlijke
huishouding voerde (hierna partner) het vrijstellingsbedrag van de
overblijvende partner wordt verhoogd met het vrijstellingsbedrag
dat bij de overleden partner nog niet in aanmerking is genomen
(artikel 3.118, zevende lid, van de Wet IB 2001). Dat bedrag van de
verhoging bedraagt echter maximaal de uitkering uit de
kapitaalverzekering ten gevolge van het overlijden van de partner.
Bij een SEW kan bij overlijden van de partner alleen diens
overgebleven vrijstelling overgaan op de overblijvende partner
indien deze ervoor kiest de SEW van zijn partner te continueren
(artikel 3.118a juncto artikel 3.116a, vierde lid, onderdeel b, van
de Wet IB 2001). De resterende vrijstelling die kan worden
doorgeschoven naar de overblijfende partner is gemaximeerd tot de
hoogte van het aandeel van de overleden partner in het tegoed op de
SEW.
Als ten minste 20 verzekerings- of contractjaren onafgebroken
premies zijn voldaan of bedragen zijn overgemaakt, geldt de hoge
vrijstelling. Als ten minste 15 verzekerings- of contractjaren
onafgebroken premies zijn voldaan of bedragen zijn overgemaakt,
geldt de lage vrijstelling (artikel 3.118, eerste lid, en 3.118a
van de Wet IB 2001).
Als een kapitaaluitkering bij leven wordt genoten of een
spaarrekening wordt gedeblokkeerd terwijl daarop beide
vrijstellingen kunnen worden toegepast, mogen de vrijstellingen
worden toegepast in de volgorde die voor de belastingplichtige het
meest gunstig is. Dit brengt mee dat de uitkering of het tegoed
eerst wordt afgeboekt van de vrijstelling voor een verzekering of
tegoed waarvoor ten minste 20 verzekeringsjaren onafgebroken
premies of inleg is betaald, aangezien de voorwaarden voor die
vrijstelling stringenter zijn dan die voor de lage vrijstelling.
Als in één kalenderjaar twee of meer uitkeringen uit een KEW of SEW
worden genoten, dan worden de vrijstellingen toegepast in de
volgorde van expiratie van de verzekeringen dan wel van de
deblokkering van de spaarrekening. Als twee verzekeringen of
spaarrekeningen op dezelfde dag eindigen, mogen de vrijstellingen
worden toegepast op de voor de gerechtigde meest gunstige wijze.
Voor het kunnen benutten van de vrijstellingen voor de KEW en
SEW (artikel 3.118, eerste lid, en 3.118a van de Wet IB 2001) geldt
in het algemeen als voorwaarde dat met de kapitaaluitkering of het
tegoed van de rekening de eigenwoningschuld zoveel mogelijk wordt
afgelost (zie voor de twee uitzonderingen hierop artikel 3.118,
tweede lid, van de Wet IB 2001). De vrijstellingen kunnen ook
worden benut in de situatie waarin een KEW of SEW fictief tot
uitkering komt of wordt gedeblokkeerd anders dan op de
overeengekomen einddatum, bijvoorbeeld als een KEW wordt vervreemd
of als de persoon van de rekeninghouder bij een SEW wordt
gewijzigd. Analoog aan de situatie van reguliere afwikkeling van de
KEW of SEW geldt ook dan dat de eigenwoningschuld zoveel mogelijk
moet worden afgelost met de waarde van de kapitaalverzekering ten
tijde van de fictieve uitkering respectievelijk met het tegoed op
de spaarrekening ten tijde van de deblokkering. Dit brengt mee dat
de kapitaalverzekering moet worden afgekocht en het tegoed van de
spaarrekening moet worden opgenomen om de eigenwoningschuld zoveel
mogelijk af te lossen. Uiteraard moet ook zijn voldaan aan de
overige wettelijke voorwaarden voor vrijstelling, namelijk dat de
premies c.q. inlegbetalingen steeds binnen de vereiste bandbreedte
zijn gebleven en dat ten minste gedurende het minimum aantal jaren
jaarlijks premies zijn betaald dan wel inlegbetalingen zijn gedaan.
Redelijke termijn voor aflossing eigenwoningschuld
Aangezien in de beschreven situaties geen sprake is van reguliere
afwikkeling van de KEW en SEW, is op grond van de overeenkomst niet
voorzien in automatische aflossing van de eigenwoningschuld.
Bovendien zal in een aantal gevallen niet direct op het fiscaal
relevante tijdstip voor de betrokkenen duidelijk zijn dat de KEW
fictief tot uitkering is gekomen of de SEW is gedeblokkeerd. Een
redelijke wetstoepassing brengt mee dat aan de verzekeringnemer of
de rekeninghouder in dergelijke gevallen een redelijke termijn
toekomt om tot afkoop van de kapitaalverzekering respectievelijk
opname van het tegoed over te gaan en om daarmee de
eigenwoningschuld zo veel mogelijk af te lossen. In dit verband
acht ik een termijn van 6 maanden na het tijdstip van fictief tot
uitkering komen c.q. deblokkering, een redelijke termijn. Als de
belanghebbende bij overschrijding van die termijn tegenover de
inspecteur aannemelijk maakt dat de overschrijding niet aan hem is
te wijten, is een langere termijn aanvaardbaar.
Deze redelijke termijn is ook van toepassing bij een reguliere
afwikkeling van een KEW of SEW.
Als de verzekeraar of kredietinstelling een gedeeltelijke
uitkering doet terwijl nog geen 15 verzekerings- of contractjaren
onafgebroken premies zijn voldaan of bedragen zijn overgemaakt,
zijn de vrijstellingen in de toekomst op de verzekering dan wel
spaarrekening niet meer van toepassing. Als gevolg van de
gedeeltelijke uitkering wordt de gehele verzekering of
spaarrekening namelijk geacht volledig tot uitkering te zijn
gekomen, dan wel te zijn gedeblokkeerd (artikel 3.116, derde lid,
en 3.116a, vierde lid, van de Wet IB 2001). Op de (fictieve)
uitkering of deblokkering is geen vrijstelling van toepassing omdat
nog geen 15 verzekerings- of contractjaren onafgebroken premies
zijn voldaan of bedragen zijn overgemaakt. De verzekering of
spaarrekening gaat vanaf het moment van de uitkering behoren tot
box 3.
In verband met het aangaan van een hypothecaire lening voor de
eigen woning wordt tot meerdere zekerheid van de aflossing van de
schuld de KEW vaak verpand aan de hypotheeknemer. In
huwelijkssituaties worden dan de beide echtgenoten als tweede
begunstigde aangewezen. Als verzekeringnemer is een van de
echtgenoten opgenomen in de polis.
De vrijstellingen kunnen worden toegepast omdat hetgeen een
pandnemer uit hoofde van een overdracht tot zekerheid van een
kapitaalverzekering voor rekening van de pandgever ontvangt, moet
worden aangemerkt als een door de pandgever genoten
kapitaaluitkering uit levensverzekering. De hypotheeknemer is
alleen in verband met de verpanding als eerste begunstigde
opgenomen in de polis. Beide echtgenoten die als (tweede)
begunstigden zijn aangewezen na de hypotheeknemer kunnen als
gerechtigden tot de kapitaaluitkering bij leven (op einddatum)
worden beschouwd voor de toepassing van de vrijstellingen. Het is
hierbij niet van belang bij wie van de echtgenoten het
verzekeringnemerschap berust.
Een beleggingsrekening kan onderdeel uitmaken van een SEW. Als
gevolg daarvan is het mogelijk dat na het overlijden van een
rekeninghouder het tegoed van de SEW door waardedalingen lager
wordt dan het tegoed op het tijdstip van overlijden. Door het
overlijden vindt echter deblokkering van de rekening plaats ter
grootte van het tegoed op het tijdstip van overlijden. Op dat
laatste tegoed kan de vrijstelling slechts van toepassing zijn als
tot dat bedrag de eigenwoningschuld wordt afgelost (artikel 3.116a,
vierde lid, onderdeel f, van de Wet IB 2001). Bij een waardedaling
van het tegoed van de SEW na overlijden is op het tijdstip van
aflossing het tegoed niet volledig meer aanwezig.
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de vrijstelling in deze
situatie niet verloren gaat. De vrijstelling blijft in ieder geval
van toepassing op het tegoed dat wordt gebruikt voor aflossing van
de eigenwoningschuld. Als voorts het voor aflossing ontbrekende
bedrag - als gevolg van de waardedaling - uit andere middelen wordt
aangevuld is in zoverre ook de vrijstelling van toepassing. Op deze
wijze wordt in totaal alsnog een bedrag ter grootte van het op
overlijdensdatum aanwezige tegoed voor de aflossing van de
eigenwoningschuld gebruikt en is vrijgesteld.
Voorbeeld
Op het tijdstip van overlijden bedraagt de waarde van het SEW
tegoed € 100 000. Als twee maanden later de eigenwoningschuld wordt
afgelost, is de waarde van het tegoed als gevolg van koersdalingen
nog maar € 95 000 waard. De belastingplichtige heeft nog niet
eerder van de vrijstelling gebruik gemaakt.
De vrijstelling is in ieder geval van toepassing op € 95 000 als
daarmee de eigenwoningschuld wordt afgelost. De belastingplichtige
kan desgewenst € 5 000 aflossen uit andere middelen als gevolg
waarvan € 100 000 is vrijgesteld. Als het tegoed van de SEW door
koersstijgingen hoger wordt dan het tegoed op het tijdstip van
overlijden, dan blijft de vrijstelling op het tegoed van € 100 000
van toepassing. Het hogere bedrag hoeft niet te worden aangewend
voor de aflossing van de eigenwoningschuld en behoort tot box 3.
Bij overschrijding van de 30-jaarstermijn van een KEW wordt op
grond van artikel 3.116, derde lid, onderdeel g, Wet IB 2001 de KEW
geacht geheel tot uitkering te zijn gekomen. Voor de bepaling of de
30-jaarstermijn wordt overschreden, tellen ook mee de
verzekeringsjaren vóór 2001 van de kapitaalverzekering die is
omgezet in de KEW. Deze systematiek is in de praktijk in een aantal
gevallen onvoldoende onderkend, mede als gevolg van het feit dat
voor de 30-jaarsperiode van de renteaftrek de periode vóór 2001
juist niet meetelde. Als gevolg hiervan zijn de afgelopen jaren een
aantal KEW’s fictief tot uitkering gekomen zonder dat dit is
onderkend en zonder dat aflossing van de eigenwoningschuld heeft
plaatsgevonden om vrijstelling van de uitkering mogelijk te maken.
Ik acht dit een maatschappelijk onwenselijke situatie.
Goedkeuring
Ik keur op grond van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule)
goed dat in de thans ontdekte gevallen van termijnoverschrijding de
fictieve uitkeringen uit de KEW alsnog voor de vrijstellingen van
het KEW-regime in aanmerking kunnen komen. Ik stel hierbij de
voorwaarde dat de eigenwoningschuld in 2009 zoveel mogelijk wordt
afgelost met een bedrag ter grootte van de fictieve uitkering (de
waarde van de KEW op het tijdstip van termijnoverschrijding). Voor
thans nog niet ontdekte gevallen stel ik de verzekeraars in de
gelegenheid deze te inventariseren. Ook in deze gevallen is gebruik
van de vrijstellingen mogelijk mits in 2009 de eigenwoningschuld
zoveel mogelijk wordt afgelost.
De verzekeraars moeten de fictieve uitkeringen renseigneren naar
het jaar en tijdstip van de overschrijding van de 30-jaarstermijn.
Ze moeten daarbij de waarde van de KEW op het tijdstip van die
overschrijding renseigneren. Inzoverre de KEW een hogere waarde
bereikt dan de waarde daarvan ten tijde van de
termijnoverschrijding, is er sprake van een box-3-bestanddeel dat
daarom belastingvrij kan worden uitgekeerd.
Het is mogelijk om één KEW of SEW fiscaal geruisloos in twee
soortgelijke producten om te zetten (artikel 3.119 van de Wet IB
2001). Op welke wijze de premies of inlegbedragen moeten worden
toegerekend aan de nieuwe producten is onder meer van belang voor
de bandbreedte-eis. De toerekening van de in het verleden voldane
premies of inlegbedragen moet plaatsvinden naar rato van de waarden
van de twee nieuwe KEW’s of SEW’s op het tijdstip van het ontstaan
daarvan (de inbrengwaarden). De twee nieuwe producten worden geacht
een voortzetting te zijn van de eerste. Dit geldt voor beide
producten gezamenlijk. Als één van deze producten geheel of
gedeeltelijk wordt afgekocht of gedeblokkeerd voordat gedurende 15
of 20 jaren onafgebroken jaarlijks premies zijn voldaan dan wel
bedragen zijn ingelegd, heeft dit ook voor het andere product
gevolgen. De vrijstellingen kunnen in die situatie op beide
producten niet meer van toepassing zijn. Het niet afgekochte of
niet-gedeblokkeerde product houdt op een KEW respectievelijk SEW te
zijn en gaat na afrekening behoren tot de grondslag van box 3.
Als na omzetting één van deze producten geheel of gedeeltelijk
wordt afgekocht of gedeblokkeerd voordat gedurende 15 dan wel 20
verzekerings- of contractjaren onafgebroken jaarlijks premies zijn
voldaan dan wel bedragen zijn ingelegd, heeft dit ook voor het
andere product gevolgen. De vrijstellingen kunnen op beide
producten nooit meer van toepassing zijn. Bij een echtscheiding kan
dit tot de volgende situatie leiden. De ex-echtgenoten krijgen vaak
ieder de helft van een bestaande KEW of SEW toebedeeld. Op grond
van artikel 3.119 van de Wet IB 2001 vormen beide delen een
voortzetting van de vorige KEW of SEW. Als één van de
ex-echtgenoten één van beide delen binnen de periode van 15 dan wel
20 verzekerings- of contractjaren afkoopt of deblokkeert heeft dit
tot gevolg dat ook het niet-afgekochte deel van de andere
ex-echtgenoot niet meer kan delen in de vrijstelling.
Goedkeuring
Ik vind het maatschappelijk ongewenst dat in deze situatie de
vrijstelling voor de KEW en SEW verloren gaat. Ik keur daarom op
grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed dat na
echtscheiding de toepassing van de vrijstelling niet verloren gaat
voor het niet-afgekochte deel van de KEW of SEW.
Een KEW of SEW kan worden omgezet in een KEW of SEW bij een
andere levensverzekeraar of kredietinstelling. Als de
verzekeringnemer of rekeninghouder hierbij niet de beschikking
heeft gekregen over de waarde van de verzekering of spaarrekening
kan de omzetting geruisloos verlopen (artikel 3.119 van de Wet IB
2001). Met het oog op de omzetting wordt soms de waarde van de
eerste verzekering geboekt op een derdenrekening van een door de
belastingplichtige aangewezen notaris. De notaris maakt vervolgens
de waarde over aan de nieuwe levensverzekeraar of
kredietinstelling. In de nieuwe polis of het nieuwe spaarrekening
is opgenomen dat deze een voortzetting is van de polis of
spaarrekening bij de eerste levensverzekeraar of kredietinstelling.
Hierbij is de gehele waarde van de beëindigde KEW of SEW ingebracht
in het nieuwe product.
Standpunt
In deze situatie is de gehele overdrachtswaarde door de notaris
ontvangen met het oog op doorstorting aan de maatschappij waarbij
de belastingplichtige het product wenst voort te zetten. De waarde
van de verzekering of spaarrekening is niet aan de
belastingplichtige zelf ter beschikking gesteld. Het tweede product
wordt dan ook aangemerkt als een voortzetting van de KEW of SEW.
Deze omzetting kan fiscaal geruisloos verlopen.
Als een op 31 december 2000 bestaande kapitaalverzekering wordt omgezet in een KEW, dan zijn er over de dan verstreken looptijd ook premies betaald. Deze premiebetalingen tellen mee - evenals voor de toepassing van de saldomethode van artikel 3.116, zesde lid, Wet IB 2001 - voor de vaststelling gedurende hoeveel jaren voor de KEW premies zijn voldaan. Er wordt met andere woorden geen onderscheid gemaakt tussen premiebetalingen die vóór 1 januari 2001 hebben plaatsgevonden en premiebetalingen die zijn gedaan op of na die datum.
Aan omzetting in een KEW van een bestaande kapitaalverzekering
staat niet in de weg dat deze op grond van de polis een looptijd
heeft van meer dan 30 jaren. De polis hoeft op dat punt niet te
worden aangepast omdat in artikel 3.116, tweede lid, van de Wet IB
2001, niet de eis is opgenomen dat de kapitaalverzekering een
looptijd van maximaal 30 jaren moet hebben. Zodra echter de
looptijd van 30 jaren wordt overschreden, wordt een fictieve
uitkering in aanmerking genomen ter grootte van de waarde in het
economische verkeer van de verzekering (artikel 3.116, derde lid,
onderdeel g, van de Wet IB 2001). De looptijd vóór 1 januari 2001
telt hierbij mee.
De verzekeringnemer moet om van de vrijstellingen gebruik te kunnen
maken uiterlijk op het tijdstip waarop de looptijd van 30 jaren
wordt bereikt, de verzekering afkopen. De afkoopsom moet vervolgens
worden aangewend voor aflossing van de eigenwoningschuld (artikel
3.118, eerste lid, van de Wet IB 2001). Een andere mogelijkheid is
de looptijd van de verzekering in te korten tot maximaal 30 jaren
en met de reguliere kapitaaluitkering op einddatum de
eigenwoningschuld af te lossen.
Uitsluitend als een kapitaalverzekering die tot stand is gekomen
vóór 1 januari 1992, door een verzoek bij de aangifte over het
kalenderjaar 2001 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 is
aangemerkt als een KEW, wordt het bedrag van de vrijstellingen
verhoogd met de waarde van die kapitaalverzekering op 1 januari
2001 (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AO, eerste lid, van de
Invoeringswet). Zonder dit specifieke verzoek in de aangifte geldt
de verhoging dus niet. Deze verhoging geldt uitsluitend als het
verzekerde kapitaal na 31 december 1991 niet is verhoogd.
In de wettekst is geen beperking opgenomen tot verhogingen die
hebben plaatsgevonden vóór 2001 en er is ook geen grond om een
dergelijke beperking te hanteren. Ook een verhoging van het
verzekerd kapitaal na het jaar 2000 leidt dus - tenzij deze
plaatsvond op grond van een normale en gebruikelijke optieclausule
- tot verlies van de verhoging van de vrijstellingen.
Indien een KEW waarvoor recht bestaat op de beschreven verhoging
van de vrijstelling van het KEW-regime, op enig tijdstip wordt
omgezet in een SEW, komt het recht op die verhoging als gevolg van
die omzetting niet te vervallen. De SEW wordt immers geacht een
voortzetting te zijn van de KEW op grond van artikel 3.119 van de
Wet IB 2001. Uiteraard gelden voor het behoud van die verhoging van
de vrijstelling ook voor de SEW de beschreven voorwaarden op het
punt van de hoogte van het eindtegoed van de rekening.
In de Invoeringswet zijn nog enkele bepalingen opgenomen voor de
fiscale behandeling van de omzetting van vóór 1 januari 2001
gesloten kapitaalverzekeringen in een KEW per 1 januari 2001 of op
een later tijdstip. Zo kan een Pré-Brede
Herwaarderingkapitaalverzekering met een premiebandbreedte die
hoger is dan 10:1 toch worden omgezet in een KEW. In die situatie
kunnen ook de vrijstellingen van het regime van de KEW van
toepassing zijn (onderdeel AO, tweede lid, onderdelen b en c, van
de Invoeringswet). Deze fiscale behandeling blijft in stand als een
dergelijke KEW wordt omgezet in een SEW. Een redelijke
wetstoepassing brengt mee dat deze toepassing van de
bandbreedte-eis ook geldt als een Pre Brede
Herwaarderingkapitaalverzekering die niet eerst is omgezet in een
KEW, maar tot box 3 behoort, wordt omgezet in een SEW. Voor de
toepassing van onderdeel AO, tweede lid, onderdeel a, van de
Invoeringswet geldt mutatis mutandis dezelfde systematiek.
Na de invoering van de Wet IB 2001 heeft een groot aantal
belastingplichtigen op grond van verkeerde veronderstellingen hun
kapitaalverzekering omgezet in een KEW. Omdat de
overgangsmaatregelen voor kapitaalverzekeringen complex zijn, heb
ik goedgekeurd dat een belastingplichtige zijn keuze voor omzetting
van een kapitaalverzekering in een KEW kon herzien. Daarbij moest
de belastingplichtige uiterlijk op 31 december 2003 de verzekeraar
verzoeken om die kapitaalverzekering eenmalig zodanig te wijzigen
dat geen sprake meer is van een KEW. Aan deze wijziging werden dan
niet de reguliere fiscale gevolgen verbonden (artikel 3.116, derde
lid, van de Wet IB 2001). Het gevolg was dat de desbetreffende
kapitaalverzekering fiscaal geruisloos over kon gaan naar box 3.
Deze goedkeuring geldt niet als het verzoek of de wijziging van de
polis heeft plaatsgevonden na afloop van de hiervoor gestelde
termijn. Verzoeken om daarna met toepassing van artikel 63 van de
AWR (hardheidsclausule) de KEW fiscaal geruisloos om te zetten met
terugwerkende kracht wijs ik af.
Ook verzoeken om met toepassing van artikel 63 van de AWR
(hardheidsclausule) kapitaalverzekeringen met terugwerkende kracht
te kunnen aanmerken als KEW wijs ik af. De regeling die daartoe is
opgenomen in Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, tweede lid, van
de Invoeringswet was ruim voldoende. Ook als van die regeling geen
gebruik is gemaakt, kan een kapitaalverzekering die behoort tot box
3 steeds zonder fiscaal nadelige gevolgen worden omgezet in een
KEW. Uiteraard moet de kapitaalverzekering voldoen aan de
voorwaarden van artikel 3.116 van de Wet IB 2001. Terugwerkende
kracht van de omzetting tot 1 januari 2001 is dan echter niet meer
mogelijk.
Indien een KEW niet langer voldoet aan de wettelijke
voorwaarden, moet over de waarde daarvan in box 1 worden
afgerekend. De KEW wordt geacht geheel tot uitkering te zijn
gekomen. In een aantal gevallen kan daarbij een vrijstelling van
het regime van de KEW worden benut. Na afrekening gaat de
kapitaalverzekering tot de grondslag van box 3 behoren indien de
waarde daarvan niet wordt uitgekeerd. Voor op 14 september 1999
bestaande kapitaalverzekeringen geldt gezamenlijk in box 3 de
bijzondere waardevrijstelling van ten hoogste € 123 428 (onderdeel
AN van de Invoeringswet) mits aan de voorwaarden van het vierde lid
van die bepaling wordt voldaan. Op grond van de letterlijke
wettekst geldt deze bijzondere waardevrijstelling ook voor rechten
op kapitaaluitkeringen van een uiterlijk op 14 september 1999 tot
stand gekomen kapitaalverzekering die op enig tijdstip is omgezet
in een KEW en waarover op de hiervóór beschreven wijze is
afgerekend in box 1 en die vervolgens is gaan behoren tot de
grondslag van box 3. Om misverstanden te voorkomen, wijs ik er op
dat op uitkeringsniveau de Wet IB 1964 niet herleeft.
Voor rechten op tegoeden van een SEW voortkomend uit de omzetting
van een op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekering, al dan
niet na omzetting in een KEW, waarover is afgerekend en die is
overgegaan naar box 3, geldt de bijzondere waardevrijstelling op
grond van de wettekst niet omdat die niet geldt voor
spaarrekeningen in box 3.
Spaarbeleg Kas NV (hierna: Spaarbeleg) heeft een regeling
getroffen met een groep houders van zogenoemde spaarkascontracten
(hierna: spaarders). Spaarbeleg heeft gedurende een zekere periode
spaarkasproducten verkocht zonder op de polis expliciet de premie
voor de in het product aanwezige overlijdensrisicoverzekering te
vermelden. Een dergelijke vermelding was echter wel verplicht.
Begin 1999 is deze fout gesignaleerd en is er een stichting
opgericht, de Stichting Spaardersbelangen, om op te komen voor een
ieder die hierdoor zou zijn benadeeld. Met deze partijen heeft
Spaarbeleg een schikking bereikt. Onderdeel van die schikking maken
de volgende punten uit:
1. Alle spaarders die hun polis vóór 1 januari 1996 hebben
afgesloten, ontvangen aan het eind van de volledige looptijd van
hun polis een extra uitkering, waarvan de hoogte afhankelijk is van
hun leeftijd en van de looptijd van de polis.
2. Spaarders die een polis hebben afgesloten vóór 1 januari
1996 en die na 1 januari 1996 hun inleg hebben verhoogd, ontvangen
bovendien voor het verhoogde deel van de inleg een extra uitkering
als hun polis afloopt.
De deelnemers gaan niet meer betalen, hun maandelijkse inleg blijft
gelijk. Er is van de zijde van de deelnemer dus geen sprake van een
tegenprestatie.
Deze schikking is tot stand gekomen in verband met het herstel van
een fout in de oorspronkelijke overeenkomsten. De in verband met de
schikking gewijzigde aanspraak op een uitkering bij leven heeft
vanaf het sluiten van de spaarkasovereenkomst in het contract
besloten gelegen. Op grond hiervan is er geen sprake van een
verhoging van het verzekerde kapitaal bij leven. Bij uitvoering van
de schikking zoals hiervoor omschreven is dus geen sprake van een
zodanige verhoging van het verzekerde kapitaal dat de eerbiedigende
werking van artikel 76 van de Wet IB 1964 voor de desbetreffende
kapitaalverzekeringen verloren gaat. Ook voor de toepassing van
onderdeel AN van de Invoeringswet is geen sprake van een verhoging
van het verzekerde kapitaal.
Voor op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekeringen geldt
een bijzondere waardevrijstelling in box 3 van in totaal € 123.428
(onderdeel AN, eerste lid, van de Invoeringswet). De vrijstelling
geldt uitsluitend als aan de voorwaarden van het vierde lid is
voldaan waaronder de eis dat het verzekerd kapitaal daarvan na 13
september 1999 niet is verhoogd (onderdeel AN, vierde lid,
onderdeel a, van de Invoeringswet). Er zijn
verzekeringsovereenkomsten waarvan het verzekerd kapitaal is
verhoogd of nog kan worden verhoogd op grond van een indexclausule
of optieclausule. De bepaling over de verhoging van het verzekerde
kapitaal moet zoveel mogelijk worden toegepast in overeenstemming
met artikel 76 van de Wet IB 1964, zoals die bepaling luidde op 31
december 2000. Dit betekent onder meer dat verhogingen op grond van
indexclausules of “normale en gebruikelijke” optieclausules niet
leiden tot het verlies van de vrijstelling in box 3. Voorwaarde
hierbij is dat die clausules al vóór 14 september 1999 deel
uitmaakten van de overeenkomst.
Er zijn verzekeringsovereenkomsten waarvan het verzekerde
kapitaal na 13 september 1999 is verhoogd door het benutten van de
wettelijke ruimte van de werknemersspaarregelingen. Het gaat dan om
situaties waar in de overeenkomst geen index- of optieclausule is
opgenomen. Goedkeuring
Ik keur op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed
dat in een dergelijk geval de vrijstelling in box 3 voor de
kapitaalverzekering niet verloren gaat (onderdeel AN, eerste lid,
van de Invoeringswet). Voorwaarde hierbij is dat de werknemer in
een dergelijke situatie uiterlijk op 14 september 1999 in het kader
van zijn werknemersspaarregeling de overeenkomst inzake de
kapitaalverzekering moet hebben gesloten.
Ik heb in 2001 goedgekeurd dat een verhoging van het verzekerd
kapitaal die leidt tot het verlies van de vrijstelling in box 3
ongedaan kon worden gemaakt. Dit kon door de extra premie door de
verzekeraar te laten terugstorten aan de verzekeringnemer en tevens
de overeenkomst aan te passen. Deze verhoging moest vóór 1 juli
2001 ongedaan zijn gemaakt. Dezelfde goedkeuring gold voor de
verlenging van de looptijd van de verzekering. Verzoeken om
toepassing van de hardheidsclausule de verhoging van het verzekerd
kapitaal of de verlenging van de looptijd buiten de termijn van
deze goedkeuring terug te draaien, wijs ik af.
Voor kapitaalverzekeringen gesloten vóór de invoering van de Wet IB 2001 bestaan twee regelingen met eerbiedigende werking. In de eerste plaats de regeling voor kapitaalverzekeringen die zijn gesloten vóór 1 januari 1992 om de werking van het regime van de Wet IB 1964 te behouden (artikel 76 van de Wet IB 1964). In de tweede plaats gaat het om de bijzondere waardevrijstelling die in box 3 kan gelden voor kapitaalverzekeringen gesloten vóór 15 september 1999 (onderdeel AN van de Invoeringswet). Bij de omzetting van een kapitaalverzekering in een andere kapitaalverzekering mag het verzekerde kapitaal niet worden verhoogd als men het regime van vóór 1 januari 1992 van de Wet IB 1964 wil behouden. Dezelfde voorwaarde geldt voor het behoud van het recht op de bijzondere waardevrijstelling van € 123 428 in box 3 voor de omgezette kapitaalverzekering. Als een verzekerd kapitaal ontbreekt bij een unit-linked-verzekering – geldt als voorwaarde dat het bedrag van de premies niet is verhoogd. Een verhoging van het verzekerd kapitaal, dan wel een verhoging van de premies, die plaatsvindt op grond van een normale en gebruikelijke optieclausule wordt hierbij niet beschouwd als een verhoging.
Bij omzettingen van euroverzekeringen naar
unit-linkedverzekeringen en omgekeerd van unit-linkedverzekering
naar euroverzekering kunnen zich problemen voordoen. Onder
euroverzekeringen worden hierna verstaan kapitaalverzekeringen met
een verzekerd kapitaal in euro’s of andere valuta. Onder
unit-linkedverzekeringen worden hierna verstaan
kapitaalverzekeringen zonder verzekerd kapitaal in euro’s of andere
valuta. Hiertoe behoren ook zogenoemde universal life
kapitaalverzekeringen. Bij de beoordeling of de eerbiedigende
werking is behouden, geldt dat de verzekerde rechten bij in leven
zijn en ten gevolge van overlijden afzonderlijk moeten worden
getoetst. Het gevolg van deze gesplitste beoordeling is dat een
eventuele verhoging van het verzekerde kapitaal of van de premies
voor overlijden niet leidt tot verlies van de eerbiedigende werking
voor de uitkering bij leven.
Bij euroverzekeringen levert deze gesplitste toets bij omzetting in
een andere euroverzekering geen problemen op omdat de hoogte van de
verzekerde kapitalen een goed te hanteren maatstaf vormt.
Bij unit-linkedverzekeringen vormen de afzonderlijke premiedelen
voor leven en overlijden de toets of de eerbiedigende werking is
behouden. Dus niet de in totaal betaalde premie. Ook die toets
leidt niet tot problemen bij omzetting in een andere
unit-linkedverzekering. Wel ontstaan problemen bij omzetting van
euroverzekeringen in unit-linkedverzekeringen en omgekeerd, van
unit-linkedverzekering naar euroverzekering. De beoordeling of de
eerbiedigende werking wordt behouden is bij dat soort omzettingen
uitsluitend mogelijk op basis van de betaalde premies. Voor beide
typen kapitaalverzekering worden wel premies betaald, maar voor de
unit-linkedverzekering ontbreekt ieder verzekerd kapitaal in
euro’s. Complicerende factor is dat de overlijdensrisicodekkingen
bij unit-linkedverzekeringen en met name bij universal life
verzekeringen, vaak niet aansluiten - ook rekenkundig niet - bij
die van euroverzekeringen. Ik vind het ongewenst dat in dergelijke
situaties de eerbiedigende werking verloren zou gaan.
Goedkeuring
Daarom keur ik op grond van artikel 63 van de AWR
(hardheidsclausule) het volgende goed. Bij omzetting van een
gemengde kapitaalverzekering kunnen desgewenst de in totaal
overeengekomen en betaalde premies op jaarbasis (dus de premiedelen
voor de uitkering bij leven en ten gevolge van overlijden samen)
als maatstaf worden genomen. De eerbiedigende werking van artikel
76 van de Wet IB 1964 en onderdeel AN van de Invoeringswet blijft
behouden als die totaalpremie in het kader van de omzetting niet
wordt verhoogd.
Ik stel hierbij de volgende cumulatieve voorwaarden:
a. Er vindt bij de omzetting geen verlenging van de premiebetalende
periode plaats.
b. Er vindt bij de omzetting geen verlenging van de looptijd van de
verzekering plaats.
c. Er vindt geen wijziging plaats van het verzekerd lijf.
d. Een nieuw verzekerd risico bij overlijden betreft qua hoogte een
normale en gebruikelijke verzekerde uitkering bij overlijden.
Van een normale en gebruikelijke verzekerde uitkering bij
overlijden is bijvoorbeeld sprake bij een omzetting in een gemengde
universal life verzekering (een verzekering die uitkeert bij in
leven zijn op een bepaalde datum of bij eerder overlijden) waarbij
in geval van overlijden 90% of 110% van de waarde van de units
(beleggingen) wordt uitgekeerd.
Als een unit-linkedverzekering wordt omgezet in een gemengde
euroverzekering, is bijvoorbeeld sprake van een normale en
gebruikelijke verzekerde uitkering bij overlijden als bij
overlijden hetzelfde bedrag als bij in leven zijn of de restitutie
van de betaalde of de in totaal te betalen premies wordt verzekerd.
Als een belastingplichtige geen gebruik maakt van de goedkeuring
genoemd in paragraaf 7.5.2 omdat de omzetting niet aan de daaraan
verbonden voorwaarden voldoet, geldt de volgende mogelijkheid. Deze
mogelijkheid ziet uitsluitend op de omzetting van euroverzekeringen
in unit-linkedverzekeringen en niet op de omgekeerde omzetting. De
eerbiedigende werking bij omzetting van een euroverzekering in een
unit-linkedverzekering blijft ook behouden in de volgende situatie:
1. De totale brutopremie voor de unit-linkedverzekering wordt niet
verhoogd ten opzichte van de premie van de te vervangen
euroverzekering en
2. uit een prognoseberekening blijkt dat op basis van de totale
premie voor de unit-linkedverzekering het geprognosticeerde,
fictieve kapitaal bij leven ten hoogste gelijk of lager is dan het
in de euroverzekering gegarandeerde verzekerde kapitaal bij leven
(inclusief de opgebouwde respectievelijk de bij aanvang of latere
aanpassing van de euroverzekering gegarandeerde winstrechten).
Als uit de prognoseberekening blijkt dat het geprognosticeerde,
fictieve kapitaal bij leven hoger uitkomt dan het voorheen in de
euroverzekering verzekerde kapitaal bij leven, moet de nieuwe
premie zodanig worden verlaagd dat het fictieve prognosekapitaal
niet hoger is dan het verzekerde kapitaal bij leven van de
euroverzekering.
De prognoseberekening moet plaats vinden op basis van de
kostenstructuur zoals deze voor de unit-linkedverzekering geldt en
op basis van de door de verzekeringnemer gekozen
overlijdensdekking. Als prognoserendement moet in de
prognoseberekening worden uitgegaan van het nettorendement dat in
de om te zetten euroverzekering werd gegarandeerd. Als voor een
euroverzekering bij aanvang of latere wijziging van de verzekering
sprake is geweest van een winstgarantie moet als prognoserendement
worden genomen het nettorendement dat ten grondslag heeft gelegen
aan de winstgarantie. Als inbrengwaarde van de euroverzekering moet
de volledige waarde van het gegarandeerde verzekerde kapitaal
worden aangemerkt (inclusief de waarde van de al toegekende
winstdeling).
Bij echtscheiding en beëindiging van een duurzaam gezamenlijk
gevoerde huishouding kan het noodzakelijk zijn om bij omzetting van
kapitaalverzekeringen de verzekerde persoon te wijzigen. Hierdoor
is het mogelijk dat het verzekerd risico wijzigt. Dit kan gevolgen
hebben voor zowel de hoogte van het deel van de totale premie dat
betrekking heeft op de verzekerde uitkering bij leven, als voor het
deel van de premie dat betrekking heeft op de verzekerde uitkering
bij overlijden. Bij een verhoging van één van die premiedelen kan
de eerbiedigende werking (artikel 76 van de Wet IB 1964 en
onderdeel AN van Hoofdstuk 2, artikel I, van de Invoeringswet) voor
de daarmee overeenkomende verzekerde uitkering verloren gaan.
Goedkeuring
Ik vind het maatschappelijk ongewenst dat in deze situaties de
eerbiedigende werking voor kapitaalverzekeringen mogelijk verloren
gaat. Ik keur daarom op grond van artikel 63 van de AWR
(hardheidsclausule) goed dat in dergelijke situaties de
eerbiedigende werking louter als gevolg van de wijziging van de
verzekerde persoon niet verloren gaat. Ik stel hierbij de
voorwaarde dat de (gezamenlijke) premie die is verschuldigd voor de
verzekerde uitkering bij leven en bij overlijden niet hoger wordt.
In verband met de omzetting van gulden naar eurobedragen hebben
sommige verzekeringsmaatschappijen na toepassing van de wettelijke
omrekenregels het verzekerd kapitaal van kapitaalverzekeringen in
het voordeel van de belanghebbende naar boven afgerond op een hele
euro.
Deze geringe afronding leidt niet tot verlies van de bijzondere
waardevrijstelling in box 3 (onderdeel AN van de Invoeringswet) of
tot verlies van de eerbiedigende werking van artikel 76 van de Wet
IB 1964. Ik stel hierbij de voorwaarde dat voor het overige de
juiste omrekenregels zijn toegepast. Voor zover
verzekeringsmaatschappijen niet de juiste regels hebben toegepast –
bij voorbeeld te globale omrekenverhoudingen hebben toegepast – is
de bijzondere waardevrijstelling behouden gebleven als uiterlijk in
het jaar 2001 herstel heeft plaatsgevonden.
In paragraaf 3.1.4 is aangegeven dat de premievrijstelling bij
arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2004 kan leiden tot verlaging
van de premie voor de KEW. Als in deze situatie de contractueel
verschuldigde totale premie niet wordt aangepast, heeft dit
automatisch tot gevolg dat het verzekerde kapitaal van de
kapitaalverzekering wordt verhoogd. Deze verhoging kan tot gevolg
hebben dat de bijzondere waardevrijstelling in box 3 voor bestaande
kapitaalverzekeringen (onderdeel AN van de Invoeringswet) en van de
eerbiedigende werking van artikel 76 van de Wet IB 1964 voor de
belastingheffing over kapitaaluitkeringen niet meer van toepassing
is.
Goedkeuring
Hier is sprake van een bijzondere omstandigheid (wetswijziging)
waarop de bij de kapitaalverzekering betrokken partijen geen
invloed hebben gehad. Ik keur daarom op grond van artikel 63 van de
AWR (hardheidsclausule) goed, dat de verhoging van het kapitaal bij
leven die het gevolg is van de bedoelde wijziging van de WAO, niet
leidt tot verlies van de bijzondere waardevrijstelling in box 3 en
van de eerbiedigende werking.
De in paragraaf 3.1.5 genoemde wijziging van de WIA leidt tot
een verlaging van een premie voor een kapitaalverzekering. Als de
contractueel verschuldigde totaalpremie gelijk blijft, leidt deze
premieverlaging ertoe dat het verzekerde kapitaal van de
kapitaalverzekering automatisch wordt verhoogd. Een verhoging van
het verzekerde kapitaal van een kapitaalverzekering die op 14
september 1999 of op 31 december 1991 bestond leidt er toe dat de
bijzondere waardevrijstelling in box 3 (onderdeel AN van de
Invoeringswet) respectievelijk de eerbiedigende werking van artikel
76 van de Wet IB 1964 voor de belastingheffing over
kapitaaluitkeringen niet meer van toepassing zijn.
Goedkeuring
Omdat hier sprake is van een bijzondere omstandigheid
(wetswijziging) waarop de bij de kapitaalverzekering betrokken
partijen geen invloed hebben gehad, keur ik op grond van artikel 63
van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. Een verhoging van
het verzekerde kapitaal louter als gevolg van de wijziging van de
WIA leidt niet tot verlies van de bijzondere waardevrijstelling in
box 3 en van de eerbiedigende werking van artikel 76 van de Wet IB
1964.
De volgende besluiten zijn met ingang van de dagtekening van dit
besluit ingetrokken: - Besluit van 23 november 2006, nr.
CPP2006/737M.
- Besluit van 3 juni 2008, nr. CPP2008/288M.
Het besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot de dagtekening van dit besluit.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 28 april 2009.
De staatssecetaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager.
Besluit / beleidsregel |
28-04-2009
|
PDF bestand, 140 Kb