U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Dit
besluit is een samenvoeging, actualisering en intrekking van
besluiten die zijn gepubliceerd over de toepassing van de Wet op de
omzetbelasting 1968 en de Wet op het BTW-compensatiefonds bij
publiekrechtelijke lichamen. In het algemeen is hiermee geen
verandering in het bestaande beleid bedoeld. Dat is anders bij de
onderwerpen die worden behandeld in onderdeel 2.4 (Aftrek van
omzetbelasting) en paragraaf 2.5.2.2 (Heffing van omzetbelasting en
overdrachtsbelasting met betrekking tot gemeentelijke
bestemmingsplannen).Niet meer opgenomen is de goedkeuring om
handelingen die niet als ondernemer worden verricht, voor de
toepassing van de herzieningsbepalingen te behandelen als ware het
vrijgestelde handelingen. Jurisprudentie van het Hof van Justitie
leidt tot intrekking van deze faciliteit 1). In paragraaf
2.3.6 is goedgekeurd dat in sommige gevallen de verleggingsregeling
bouw buiten toepassing blijft. In paragraaf 2.5.5 is een regeling
getroffen voor de heffing van reinigingsrecht/afvalstoffenheffing
via de verkoop van vuilniszakken.
.....
1) HvJ 2 juni 2005, nr. C-378/02 (Waterschap Zeeuws
Vlaanderen).
Dit besluit behandelt de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 en de Wet op het BTW-compensatiefonds bij publiekrechtelijke lichamen. Hoofdstuk 2 van dit besluit gaat over de heffing van omzetbelasting. Ieder publiekrechtelijk lichaam kan met deze heffing in aanraking komen. In hoofdstuk 3 komt de Wet op het BTW-compensatiefonds aan de orde. Deze wet is ingevoerd per 1 januari 2003 en is van toepassing op provincies, gemeenten en regionale openbare lichamen. In hoofdstuk 4 zijn de besluiten opgenomen die bij de inwerkingtreding van dit besluit worden ingetrokken. Hoofdstuk 5 regelt de inwerkingtreding van dit besluit.
|
Wet OB
|
Wet op de omzetbelasting 1968
|
|
Besluit OB
|
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
|
|
Beschikking OB
|
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968
|
|
BUA
|
Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968
|
|
Teruggaafbeschikking
|
Teruggaafbeschikking omzetbelasting 1968 |
|
Toelichting Teruggaafbeschikking
|
Toelichting Teruggaafbeschikking omzetbelasting 1968
|
|
Overgangsbeschikking
|
Overgangsbeschikking omzetbelasting 1968 |
|
Toelichting Overgangsbeschikking |
Toelichting Overgangsbeschikking omzetbelasting 1968
|
|
WBR
|
Wet op belastingen van rechtsverkeer
|
|
AWR
|
Algemene wet inzake rijksbelastingen
|
|
Wet BCF
|
Wet op het BTW-compensatiefonds
|
|
Besluit BCF
|
Uitvoeringsbesluit BTW-compensatiefonds
|
|
Beschikking BCF |
Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds |
|
regionaal openbaar lichaam
|
Een lichaam als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet BCF |
|
compensatiegerechtigd lichaam
|
Een lichaam als bedoeld in artikel 1, onderdelen c en d, van de
Wet BCF
|
|
btw-richtlijn
|
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU L347, gewijzigd d.d. 19 december 2006, PbEU L384) |
|
Hoge Raad/HR
|
Hoge Raad der Nederlanden
|
|
Hof van Justitie/HvJ
|
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
|
|
EU
|
Europese Unie
|
Publiekrechtelijke lichamen treden niet op als ondernemer indien zij als overheid activiteiten verrichten. Daarnaast treden publiekrechtelijke lichamen soms op als ondernemer. Zij zijn dan omzetbelasting verschuldigd, tenzij er sprake is van vrijgestelde handelingen. Het komt echter ook voor dat een publiekrechtelijk lichaam niet optreedt als overheid maar ook niet als ondernemer. In de hoedanigheid van niet ondernemer komt heffing van omzetbelasting in beginsel niet aan de orde (zie echter ook § 2.3). Bij publiekrechtelijke lichamen is het dus van belang na te gaan, wanneer zo’n lichaam optreedt als ondernemer en wanneer dat niet het geval is. Deze beoordeling doet zich het meest prominent voor bij gemeenten, daarom is de inhoud van dit hoofdstuk voor een belangrijk deel toegesneden op gemeenten. De paragrafen 2.1 tot en met 2.4 hebben echter een vrij algemeen karakter, waardoor zij ook betekenis hebben voor andere publiekrechtelijke lichamen dan gemeenten. In paragraaf 2.5 komt vervolgens een aantal specifieke onderwerpen aan de orde.
Een publiekrechtelijk lichaam wordt voor de handelingen die het
als overheid verricht, niet aangemerkt als ondernemer (in de zin
van artikel 7 van de Wet OB). In de Wet OB en in de btw-richtlijn
(artikel 13) is niet specifiek aangegeven welke handelingen van een
publiekrechtelijk lichaam als overheidshandelingen zijn te
beschouwen.In de nationale en communautaire jurisprudentie zijn
lijnen uitgezet over de reikwijdte van het overheidshandelen. De
volgende twee voorwaarden gelden cumulatief:
I. een publiekrechtelijk lichaam moet de
(overheids)werkzaamheden verrichten 1). Privaatrechtelijke
(rechts)personen zoals notarissen en gerechtsdeurwaarders kunnen
dus niet als overheid optreden, ook niet als publiekrechtelijke
lichamen aan hen overheidsactiviteiten uitbesteden.
.....
1) HvJ 26 maart 1987, nr. 235/85 (notarissen en
gerechtsdeurwaarders).
II. het publiekrechtelijk lichaam moet de
werkzaamheden verrichten in het kader van het specifiek voor dat
publiekrechtelijke lichaam geldende juridische regime, met
uitsluiting van de werkzaamheden die publiekrechtelijke lichamen
onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere economische
subjecten verrichten 1).
.....
1) HvJ 17 oktober 89, nr. 231/87 en 129/88; Carpaneto
Piacentino.
De jurisprudentie verschaft bepaalde aanknopingspunten voor de
betekenis van de zinsnede "specifiek juridisch regime voor
publiekrechtelijke lichamen". Van een specifiek juridisch regime
voor publiekrechtelijke lichamen is sprake wanneer:
a. een publiekrechtelijk lichaam gebruik maakt van zgn.
overheidsprerogatieven 1). De term "overheidsprerogatieven" heeft
betrekking op voorrechten of bevoegdheden, die uitsluitend door een
overheidslichaam mogen worden gebruikt of uitgeoefend. In het
Porto-arrest bestonden de overheidsprerogatieven uit het door het
gemeentebestuur van Porto tegen vergoeding toestaan van het
parkeren van voertuigen op een openbare weg of het beperken
daarvan. Ook legde de gemeente Porto boetes op bij overschrijding
van de toegestane parkeertijd. Ook voor Nederlandse gemeenten geldt
dat zij optreden in de hoedanigheid van overheid, als zij op de
hiervoor omschreven wijze gelegenheid geven tot het parkeren van
voertuigen op terreinen of weggedeelten die voor het openbaar
verkeer openstaan.
.....
1) HvJ 14 december 2000, nr. C-446/98; Porto.
In dit verband is van belang hetgeen in de Wegenwet hierover is
bepaald. In deze wet is de juridische openbaarheid van wegen
geregeld (dit is anders in de Wegenverkeerswet 1994 die betrekking
heeft op het feitelijke gebruik van wegen) 1). Onder "voor het
openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten" kunnen ook
parkeergarages en parkeerdekken vallen. Dit is het geval als deze
niet door een slagboom of een andere fysieke barrière (al dan niet
tijdelijk) van de openbare weg zijn afgesloten 1).
.....
1) HR 22 februari 2005, nr. 01185/04 (arrest inzake
Wegenverkeerswet).
2) HvJ 16 september 2008, nr. C-288/07 (Isle of Wight) heeft
geen gevolgen voor dit standpunt.
b. een publiekrechtelijk lichaam handelt ter uitvoering van een
opdracht van een hogere wetgever 1). Te denken valt aan de situatie
waarin:
- gemeenten inlichtingen uit het bevolkingsregister
verstrekken (op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie);
- gemeenten binnen hun grondgebied afval van particuliere
huishoudens ophalen (op grond van de Wet milieubeheer);
- publiekrechtelijke lichamen binnen hun grondgebied wegen
aanleggen, beheren en onderhouden, waarvan zij eigenaar zijn (op
grond van o.a. de Wegenwet);
- gemeenten een openbaar rioleringssysteem, inclusief de
aftakkingen tot aan de perceelgrens, aanleggen en onderhouden (op
grond van de Wet milieubeheer);
- het ministerie van Verkeer en Waterstaat een rijksweg over
een grotere afstand verdiept aanlegt op verzoek van en tegen
voldoening van de méérkosten door bijvoorbeeld een gemeente.
.....
1) HR 5 april 1978, nr. 18 345 en nr. 18 474.
Een publiekrechtelijk lichaam treedt op als ondernemer, als dat
lichaam een bedrijf uitoefent of een vermogensbestanddeel
exploiteert om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (zie artikel
7, eerste en tweede lid, van de Wet OB).
Door de ruime formulering van het begrip "bedrijf" is er al snel
sprake van ondernemerschap.
Voorbeelden van ondernemersactiviteiten van publiekrechtelijke
lichamen zijn:
- het uitlenen van boeken e.d. door een gemeentelijke
bibliotheek;
- het leveren van kavels bouwgrond door een gemeente;
- het door een publiekrechtelijk lichaam aanleggen of
onderhouden van infrastructurele voorzieningen, die in eigendom
toebehoren aan bijvoorbeeld een ander publiekrechtelijk lichaam;
- het ophalen van bedrijfsafval;
- het ophalen van huisvuil in andere gemeenten.
Publiekrechtelijke lichamen die ook als ondernemer handelingen
verrichten (bijvoorbeeld in het kader van het grondbedrijf) zijn
belastingplichtig voor het tegen vergoeding verrichten van
leveringen. Dit geldt ook voor een incidentele levering, dat wil
zeggen de levering van een zaak die het lichaam gewoonlijk niet
levert. De levering tegen vergoeding is alleen dan niet aan te
merken als een economische activiteit (en dus niet belastbaar) als:
- de levering moet worden aangemerkt als overheidshandelen,
of
- het gaat om een levering van een zaak die het lichaam heeft
aangeschaft en (uitsluitend) gebruikt voor het verrichten van
andere activiteiten dan economische activiteiten (waaronder
begrepen handelingen of werkzaamheden verricht als overheid) 1).
.....
1) Zie HR 10 oktober 2008, nr. 41.570 (levering containers).
Het is mogelijk dat een gemeente investeringsgoederen aanschaft en
deze goederen in gebruik neemt voor zowel ondernemersactiviteiten
als voor overheidsactiviteiten (zie ook onderdeel 2.4). In dat
geval kan de gemeente het goed slechts als ondernemersvermogen
aanmerken voor zover zij het goed als ondernemer gebruikt 1). Bij
latere levering van deze goederen geldt dat de gemeente alleen als
ondernemer kwalificeert voor zover de goederen tot het
ondernemersvermogen behoren. Dit kan tot gevolg hebben dat slechts
een deel van de vergoeding is belast met omzetbelasting.
.....
1) HvJ, 12 februari 2009, nr. C-515/07, VNLTO.
Als een publiekrechtelijk lichaam niet optreedt in de
hoedanigheid van overheid, is niet automatisch sprake van
ondernemerschap. Het niet handelen als overheid en ook niet als
ondernemer doet zich bijvoorbeeld voor als een publiekrechtelijk
lichaam een evenement organiseert dat voor iedereen gratis
toegankelijk is.
Van een publiekrechtelijk lichaam wordt omzetbelasting geheven
als dat lichaam in de hoedanigheid van ondernemer belaste
handelingen aan derden verricht (zie paragraaf 2.2, onderdeel
2.2.2). Daarnaast is er een aantal bijzondere situaties waarin
omzetbelasting wordt geheven. De situaties die voor
publiekrechtelijke lichamen ook van belang kunnen zijn, komen
hierna aan de orde.
Bepaalde handelingen worden soms gelijkgesteld met een levering
waardoor heffing van omzetbelasting plaatsvindt. Dat is het geval
als goederen die tot het ondernemingsvermogen behoren worden
onttrokken voor privé-doeleinden van het personeel of worden
bestemd voor andere dan bedrijfsdoeleinden, zonder dat hiervoor een
vergoeding wordt ontvangen. Dit is overigens alleen aan de orde als
voor die goederen recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van
omzetbelasting is ontstaan (zie artikel 3, derde lid, onderdeel a).
Ook het zelf vervaardigen van goederen, of het onder ter
beschikking stelling van stoffen (zoals grond) laten vervaardigen
van goederen, kan soms leiden tot de heffing van omzetbelasting.
Dat is het geval bij het in gebruik nemen van in de
ondernemingssfeer vervaardigde goederen die gebruikt worden voor
handelingen (bijvoorbeeld vrijgestelde verhuur) waarvoor geen recht
op aftrek van omzetbelasting bestaat (zie artikel 3, derde lid,
onderdeel b, van de Wet OB (tot 1 januari 2007: artikel 3, eerste
lid, onderdeel h, van die wet)).
Naast de hiervoor bedoelde gelijkgestelde leveringen is ook
denkbaar dat een gemeente vanuit haar ondernemerssfeer
(bijvoorbeeld) aan haar personeel diensten verricht als bedoeld in
artikel 4, tweede lid, van de Wet OB (bijvoorbeeld het gemeentelijk
vervoerbedrijf dat haar personeel en/of de gezinsleden daarvan
gratis vervoert). In die gevallen vindt dit artikel uiteraard
onverkort toepassing.
Onder bepaalde voorwaarden zijn publiekrechtelijke lichamen
omzetbelasting verschuldigd voor de intracommunautaire verwerving
van goederen in Nederland. Als een publiekrechtelijk lichaam
goederen intracommunautair verwerft in de hoedanigheid van
ondernemer, is dat lichaam hiervoor omzetbelasting verschuldigd.
Bij de intracommunautaire verwerving van accijnsgoederen en nieuwe
vervoermiddelen is de gemeente altijd omzetbelasting verschuldigd.
Daarbij is dus niet van belang in welke hoedanigheid de gemeente
die goederen verwerft.
Verwerft een publiekrechtelijk lichaam in de hoedanigheid van
overheid intracommunautair andere goederen dan accijnsgoederen en
nieuwe vervoermiddelen, dan is dat lichaam pas omzetbelasting
verschuldigd als het totaal van de vergoedingen van deze
verwervingen in een kalenderjaar meer bedraagt dan € 10.000. Doet
deze situatie zich voor, dan moet dat lichaam in ieder geval ook in
het daarop volgende jaar omzetbelasting voldoen over haar
verwervingen (ook als die verwervingen in het opvolgende jaar
minder bedragen dan € 10.000 (zie artikel 1a, tweede lid, onderdeel
c, van de Wet OB)).
Een publiekrechtelijk lichaam dat als overheid goederen
intracommunautair verwerft, kan bij de inspecteur een verzoek
indienen om voor die verwervingen altijd in de heffing van
omzetbelasting te worden betrokken. Als de inspecteur het verzoek
inwilligt, geldt dat tot wederopzegging door het publiekrechtelijke
lichaam, maar ten minste voor twee kalenderjaren.
Als een publiekrechtelijk lichaam uit landen buiten de EU
goederen invoert of laat invoeren, is dat lichaam omzetbelasting
verschuldigd, ongeacht de hoedanigheid waarin het de goederen
afneemt (artikel 1, onderdeel d, in samenhang met artikel 18 van de
Wet OB). In beginsel wordt deze omzetbelasting voldaan bij de
aangifte ten invoer. Onder bepaalde voorwaarden kan de inspecteur
vergunning verlenen om de bij invoer verschuldigde omzetbelasting
te voldoen op de periodieke aangifte omzetbelasting (de zgn.
verlegging bij invoer; zie artikel 23 van de Wet OB en de artikelen
17 tot en met 18b van de Beschikking OB).
In een aantal situaties wordt de heffing van omzetbelasting
verlegd naar de afnemer van goederen en diensten (zie artikel 12
van de Wet OB). Dat is het geval als een in het buitenland
gevestigde ondernemer een prestatie verricht die volgens de Wet OB
in Nederland wordt verricht (artikel 12, derde lid, van de Wet OB).
In de praktijk komt de verlegging van de heffing van omzetbelasting
vooral voor bij dienstverlening. Ter verduidelijking worden hierna
enkele voorbeelden gegeven waarbij de heffing van omzetbelasting
wordt verlegd naar het lichaam dat de prestatie afneemt:
- een publiekrechtelijk lichaam neemt diensten af die betrekking
hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken. Te denken valt aan
een dienst van een in het buitenland gevestigde architect. Deze
dienst wordt in Nederland verricht (zie artikel 6, tweede lid,
onderdeel a, van de Wet OB). Het is in dit geval niet van belang of
het lichaam ondernemer is of niet;
- een publiekrechtelijk lichaam verricht (ook) handelingen als
ondernemer en neemt daarnaast diensten af van een in de EU
gevestigd adviesbureau. De diensten van het adviesbureau worden in
Nederland verricht (artikel 6, tweede lid, onderdeel d, 3°, van de
Wet OB). Niet van belang is in welke hoedanigheid het lichaam deze
dienst afneemt 1). Verricht het lichaam in het geheel geen
handelingen als ondernemer, dan verricht het adviesbureau de dienst
in het land van vestiging. Aan heffing van Nederlandse
omzetbelasting wordt dan niet toegekomen.
- een publiekrechtelijk lichaam neemt als overheid
telecommunicatiediensten af of huurt vervoermiddelen van
ondernemers die buiten de EU zijn gevestigd. Deze diensten worden
in Nederland verricht als het werkelijke gebruik en de werkelijke
exploitatie van de dienst in Nederland plaatsvindt (artikel 6,
tweede lid, onderdeel e, 2° en 3°, van de Wet OB).
.....
1) HvJ, 6 november 2008, nr. C0291/07 (TRR).
Als een gemeentelijk grondbedrijf grond bouwrijp maakt om deze
bijvoorbeeld te verkopen, in erfpacht uit te geven of te verhuren,
treedt het grondbedrijf voor een dergelijke activiteit op als
eigenbouwer. Een gemeentelijk grondbedrijf handelt niet als
ondernemer bij de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen zoals bijv.
openbare straten, plantsoenen e.d. bij de gemeente in eigendom
blijvende voorzieningen. De gemeente treedt in een dergelijk geval
op als overheid hetgeen een handelen als eigenbouwer uitsluit. Dit
leidt ertoe dat de gemeente bijvoorbeeld bij de realisatie van een
bestemmingsplan in twee gedaanten kan optreden, nl. als eigenbouwer
voor zover zij optreedt als ondernemer en als opdrachtgever voor
zover het betreft de werkzaamheden die zij verricht als overheid.
Dit kan aanleiding geven tot problemen bij het toepassen van de
verleggingsregeling. Daarom keur ik het volgende goed:
Goedkeuring
Om splitsingsmoeilijkheden te voorkomen keur ik goed dat in
dergelijke gevallen wordt afgezien van het toepassen van de
verleggingsregeling omzetbelasting. De onderaannemer dient dan op
de gebruikelijke wijze omzetbelasting in rekening te brengen.
Dit geldt ook als een publiekrechtelijk lichaam als ondernemer een
hier bedoelde prestatie verricht aan een ander publiekrechtelijk
lichaam.
De hoedanigheid waarin een publiekrechtelijk lichaam optreedt,
is ook van belang voor de aftrek van omzetbelasting. Alleen als een
publiekrechtelijk lichaam optreedt als ondernemer en belaste
handelingen verricht, heeft dat lichaam recht op aftrek van de haar
in rekening gebrachte omzetbelasting (zie artikel 15 van de Wet
OB). Dat geldt ook voor de omzetbelasting die het
publiekrechtelijke lichaam zelf verschuldigd wordt (zie paragraaf
2.3).
Het is mogelijk dat een gemeente een investeringsgoed in gebruik
neemt dat slechts gedeeltelijk tot het ondernemersvermogen kan
worden gerekend (zie onderdeel 2.2.2). In dat geval wordt het recht
op aftrek van aan deze goederen toe te rekenen omzetbelasting op de
gebruikelijke wijze bepaald door toepassing van de aftrekregels. De
gemeente heeft dus recht op aftrek voor zover zij het goed gebruikt
voor belaste handelingen. Herziening van de omzetbelasting is niet
mogelijk indien een wijziging optreedt tussen het gebruik voor
ondernemersactiviteiten en overheidsactiviteiten.
Een publiekrechtelijk lichaam kan goederen en diensten aanschaffen
en die goederen en diensten zowel voor belaste als vrijgestelde
handelingen gebruiken. In die situatie komt van de omzetbelasting
alleen het deel voor aftrek in aanmerking, dat kan worden
toegerekend aan de belaste handelingen (zie artikel 15 van de Wet
OB en de artikelen 11 en 12 van de Beschikking OB). Gaat het om
investeringsgoederen dan wordt het gebruik van die goederen
gedurende een aantal jaren gevolgd. Voor roerende zaken is dat 4
jaren en voor onroerende zaken 9 jaren, te rekenen vanaf het einde
van het boekjaar waarin de zaak in gebruik is genomen. De
ondernemer moet de in aftrek gebrachte omzetbelasting herzien als
het gebruik voor belaste en vrijgestelde handelingen verandering
ondergaat (zie de artikelen 12, 13 en 13a van de Beschikking OB).
Als een publiekrechtelijk lichaam een goed aanschaft en dit goed
nog niet direct in gebruik neemt, is aftrek mogelijk als het
lichaam aannemelijk maakt dat het goed bestemd is voor belaste
handelingen. Als de bestemming geen gebruik voor belaste
handelingen inhoudt is aftrek niet mogelijk. Als bij het
daadwerkelijk in gebruik nemen blijkt dat de goederen en/of
diensten tóch (mede) voor andere handelingen worden gebruikt dan
oorspronkelijk was voorzien, vindt herziening plaats (artikel 15,
vierde lid, Wet OB) 1). Afhankelijk van de oorspronkelijke
bestemming wordt het lichaam de omzetbelasting die aanvankelijk in
aftrek is gebracht alsnog (geheel of gedeeltelijk) verschuldigd of
ontstaat op het moment van ingebruikneming alsnog recht op (geheel
of gedeeltelijke) aftrek. .....
1) HR 10 oktober 2008, nr. 41.570 (levering containers).
Als een gemeente goederen koopt die zij alleen voor
niet-ondernemersactiviteiten (waaronder begrepen
overheidsactiviteiten) in gebruik neemt, bestaat niet de
mogelijkheid om deze goederen tot haar ondernemersvermogen te
rekenen. De gemeente mist ter zake immers de status van ondernemer.
Het gevolg hiervan is dat zij geen omzetbelasting in aftrek kan
brengen, ook niet als zij dit goed in een later stadium wél als
(belaste) ondernemer gaat bezigen 1). Toepassing van de artikelen
11 t/m 14 van de Beschikking OB (herziening) is hier dus niet
mogelijk.
.....
1) HvJ 2 juni 2005, nr. C-378/02 (Waterschap
Zeeuws Vlaanderen).
Bij de inwerkingtreding van de Wet OB is een overgangsregeling
getroffen in verband met de overgang van de Wet op de
Omzetbelasting 1954 naar de Wet OB. De overgangsregeling heeft
onder meer betrekking op de heffing en teruggaaf van omzetbelasting
ten aanzien van goederen die ondernemers per 1 januari 1969 in
voorraad hadden. Deze overgangsregeling kan voor gemeenten nog van
belang zijn, indien zij nog grond in voorraad hebben die per 1
januari 1969 geheel of gedeeltelijk bouwrijp is gemaakt. In de
volgende paragrafen wordt op deze overgangsregeling ingegaan.
Een gemeente kon aanspraak maken op teruggaaf van omzetbelasting
die betrekking had op geheel of gedeeltelijk bouwrijp gemaakte
grond, die de gemeente op 1 januari 1969 voor verkoop in voorraad
had (zie artikel 5, eerste lid, van de Teruggaafbeschikking 1).
Heeft een gemeente van die mogelijkheid gebruik gemaakt, dan is de
gemeente bij een latere levering van deze grond omzetbelasting
verschuldigd over de volledige vergoeding. In § 16 Toelichting
Teruggaafbeschikking is onder meer aangegeven, dat de teruggaaf
betrekking heeft op onroerend goed dat nog door niemand is gebruikt
en dat de ondernemer (i.c. de gemeente) op 1 januari 1969 anders
dan als bedrijfsmiddel in voorraad had. De latere levering van de
grond is wel vrijgesteld van overdrachtsbelasting, omdat de
gemeente de grond niet als bedrijfsmiddel heeft gebruikt (zie
artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de WBR).
.....
1) De tekst van artikel 5, eerste lid, van de Teruggaafbeschikking
luidt:
“1. Met afwijking van de artikelen 2 en 3 (van de
Teruggaafbeschikking) bedraagt de teruggaaf voor onroerend goed 8
percent van de aanschaffingsprijs. Indien blijkt, dat de in die
prijs begrepen omzetbelasting in betekenende mate afwijkt van het
percentage van 8, kan de inspecteur - al dan niet op verzoek - bij
beschikking een ander percentage vaststellen."
In § 16 van de Toelichting Teruggaafbeschikking is onder meer
aangegeven, dat het percentage van 8 de bestaande gemiddelde
omzetbelastingdruk op onroerend goed weergeeft. Als de werkelijke
omzetbelastingdruk 0,5 punt of meer afwijkt van het percentage van
8, kan de inspecteur een ander teruggaafpercentage vaststellen.
Een gemeente kan hebben afgezien van het recht op teruggaaf van
omzetbelasting zoals bedoeld in onderdeel 2.5.1.2. Is dat het
geval, dan mag zij de grond vervolgens vrij van omzetbelasting en
overdrachtsbelasting leveren (zie § 17, onderdeel 4, van de
Toelichting Overgangsbeschikking).
Heeft de gemeente in deze situatie afgezien van het recht op
teruggaaf van omzetbelasting, dan geldt het volgende. De gemeente
kan de grond vrij van omzetbelasting en van overdrachtsbelasting
leveren, als zij de omzetbelasting die haar terzake van het verder
bouwrijp maken van die grond in rekening is gebracht, niet in
aftrek brengt. Heeft de gemeente deze omzetbelasting wel in aftrek
gebracht, dan kan bij latere levering slechts een deel van de
vergoeding buiten de heffing van omzetbelasting en
overdrachtsbelasting blijven. Dat deel komt overeen met de waarde
die op 31 december 1968 aan de gedeeltelijk bouwrijp gemaakte grond
kon worden toegekend. Over het resterende gedeelte van de
verkoopprijs van de grond (exclusief omzetbelasting) is
omzetbelasting verschuldigd. Voor dat gedeelte blijft heffing van
overdrachtsbelasting achterwege.
De ondernemer aan wie een gemeente geheel of gedeeltelijk
bouwrijp gemaakte grond heeft geleverd met toepassing van de in §
17, onderdeel 4, van de Toelichting Overgangsbeschikking opgenomen
regeling en die de grond als bedrijfsmiddel gebruikt, wordt een
aanvullende aftrek van omzetbelasting verleend. Daarbij geldt de
voorwaarde dat de ondernemer aan hem in rekening gebrachte
omzetbelasting terzake van de levering van de grond in aftrek zou
hebben kunnen brengen. De aanvullende aftrek vormt een bepaald
percentage van de waarde van de grond op 31 december 1968 (zie
artikel 7, vijfde lid, van de Overgangsbeschikking 1).
.....
1) Uit artikel 7, vijfde lid, van de Overgangsbeschikking valt af
te leiden, dat de aanvullende aftrek bij levering van de grond in
1969, 1970, 1971, 1972 of latere jaren 30 percent, respectievelijk
30, 60, 67 of 100 percent bedraagt van 8 percent van de waarde van
de grond op 31 december 1968.
Uit § 16 van de Toelichting Overgangsbeschikking blijkt, dat de
aanvullende aftrek wordt verleend om de ondernemer niet in een
ongunstiger positie te plaatsen dan het geval zou zijn als de
levering van de grond in de heffing van omzetbelasting zou zijn
betrokken, met het daaraan verbonden recht op aftrek van
omzetbelasting. Het percentage van 8 geeft de bestaande gemiddelde
omzetbelastingdruk op onroerend goed weer, met inbegrip van de
terzake van de oplevering voldane omzetbelasting. Als de ondernemer
aantoont dat de werkelijke belastingdruk 0,5 punt of meer afwijkt
van het percentage van 8, stelt de inspecteur een ander percentage
vast.
Ook bij volgende leveringen van vóór 1969 geheel of gedeeltelijk
bouwrijp gemaakte grond, kan over het bedrag dat bij (eerste)
levering door de gemeente op grond van onderdeel 2.5.1.3 of
onderdeel 2.5.1.4 buiten de heffing bleef, heffing van
omzetbelasting achterwege blijven. De onroerende zaak mag dan
echter niet als bedrijfsmiddel zijn gebruikt. De afnemer die de
onroerende zaak als bedrijfsmiddel gebruikt, komt in aanmerking
voor de in artikel 7, vijfde lid, van de Overgangsbeschikking
bedoelde aanvullende aftrek 1).
.....
1) Uit artikel 7, vijfde lid, van de Overgangsbeschikking valt af
te leiden, dat de aanvullende aftrek bij levering van de grond in
1969, 1970, 1971, 1972 of latere jaren 30 percent, respectievelijk
30, 60, 67 of 100 percent bedraagt van 8 percent van de waarde van
de grond op 31 december 1968.
Uit § 16 van de Toelichting Overgangsbeschikking blijkt, dat de
aanvullende aftrek wordt verleend om de ondernemer niet in een
ongunstiger positie te plaatsen dan het geval zou zijn als de
levering van de grond in de heffing van omzetbelasting zou zijn
betrokken, met het daaraan verbonden recht op aftrek van
omzetbelasting. Het percentage van 8 geeft de bestaande gemiddelde
omzetbelastingdruk op onroerend goed weer, met inbegrip van de
terzake van de oplevering voldane omzetbelasting. Als de ondernemer
aantoont dat de werkelijke belastingdruk 0,5 punt of meer afwijkt
van het percentage van 8, stelt de inspecteur een ander percentage
vast.
Gemeenten kunnen een bestemmingsplan zelf uitvoeren of laten uitvoeren door een projectontwikkelaar. Het zelf uitvoeren is opgenomen in § 2.5.2.2, de uitvoering door een projectontwikkelaar is verwerkt in § 2.5.2.3.
Omzetbelasting
Als een gemeente een bestemmingsplan zelf uitvoert, treedt de
gemeente op in twee hoedanigheden. Voor de levering van bouwgrond
treedt zo’n gemeente op als ondernemer. Afhankelijk van de
feitelijke omstandigheden is de levering van grond belast met of
vrijgesteld van omzetbelasting (zie artikel 11, eerste lid,
onderdeel a, en derde en vierde lid, van de Wet OB). Als de
levering belast is met omzetbelasting komt de aan die levering toe
te rekenen omzetbelasting voor aftrek in aanmerking. De
gemeenschapsvoorzieningen die een gemeente binnen een
bestemmingsplan realiseert blijven in eigendom bij de gemeente. Bij
de aanleg van die voorzieningen neemt een gemeente niet deel aan
het economische verkeer en treedt zij dus niet op als ondernemer.
Aftrek van de op die aanleg betrekking hebbende omzetbelasting komt
dan ook niet aan de orde. Deze omzetbelasting komt echter wel in
aanmerking voor compensatie op de voet van de Wet BCF (zie
hoofdstuk 3 van dit besluit).
Overdrachtsbelasting
Als de levering van grond belast is met omzetbelasting, zal heffing
van overdrachtbelasting achterwege blijven (zie artikel 15, eerste
lid, onderdeel a, van de WBR). Dat is anders als de grond beneden
de waarde in het economisch verkeer dan wel de kostprijs wordt
geleverd en de koper de omzetbelasting niet of niet nagenoeg geheel
in aftrek kan brengen (zie artikel 15, vierde lid, van de WBR). Als
de gemeente de grond vrijgesteld levert, is de koper
overdrachtsbelasting verschuldigd.
Omzetbelasting
Vaak besteedt een gemeente de uitvoering van een bestemmingsplan
geheel of gedeeltelijk uit aan een bouwexploitatiemaatschappij c.q.
een projectontwikkelingsmaatschappij (hierna: projectontwikkelaar).
De levering van bouwgronden en de aftrek van daarop betrekking
hebbende omzetbelasting verloopt bij de projectontwikkelaar op
dezelfde manier als hiervoor is uiteengezet bij uitvoering van een
bestemmingsplan door de gemeente zelf.
Naast de levering van bouwgrond, legt de projectontwikkelaar in het
bestemmingsplan meestal ook gemeenschapsvoorzieningen aan. Die
voorzieningen draagt de projectontwikkelaar (vaak om niet) in
eigendom over aan de gemeente. De leveringen en/of diensten die
onderdeel uitmaken van de overdracht van de
gemeenschapsvoorzieningen worden naar mijn mening, gezien de
bijzondere omstandigheden die zich bij de uitvoering van een
bestemmingsplan voordoen, door de projectontwikkelaar steeds als
ondernemer verricht.
Overdrachtsbelasting
Met betrekking tot de bouwgronden geldt voor de
projectontwikkelaar, respectievelijk de kopers van de bouwgronden,
hetzelfde als hiervoor is opgemerkt bij de
bestemmingsplanexploitatie door de gemeente zelf.
De verkrijging van de gemeenschapsvoorzieningen door de gemeente is
in beginsel vrijgesteld van de heffing van overdrachtsbelasting
(zie artikel 15, eerste lid, onderdeel c, van de WBR). Zoals
hiervoor is uiteengezet, levert de projectontwikkelaar deze
voorzieningen vaak voor een bedrag ver onder de waarde of de
kostprijs van die voorzieningen. In zo’n situatie vervalt de
vrijstelling van overdrachtbelasting (zie artikel 15, vierde lid,
van de WBR). Gezien de bijzondere situatie die zich voordoet bij de
ontwikkeling van bestemmingsplannen door een projectontwikkelaar en
het doel van artikel 15, vierde lid, van de WBR, acht ik het
vervallen van de vrijstelling voor overdrachtsbelasting niet
gewenst. Daarom keur ik het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat artikel 15, vierde lid, van de WBR buiten
toepassing blijft, in de situatie waarin een projectontwikkelaar
gemeenschapsvoorzieningen aan een gemeente overdraagt voor een
bedrag dat lager is dan de waarde of de kostprijs van die
voorzieningen. Van deze goedkeuring zijn uitgesloten
gemeenschapsvoorzieningen waarvoor (gelet op de zich voordoende
feiten) geen aanspraak op compensatie van omzetbelasting op de voet
van de Wet BCF zou bestaan, als die voorzieningen met
omzetbelasting aan de gemeente zouden worden geleverd. Opgemerkt
wordt dat een eventuele exploitatiebijdrage niet van invloed is op
het vaststellen van de kostprijs.
Exploitanten van elektrische, gas- en waterleidingen en centrale
antenne- en telefoonkabels verrichten aan die leidingen en kabels
regelmatig werkzaamheden. Om dat mogelijk te maken voeren
publiekrechtelijke lichamen, zoals gemeenten, provincies en
waterschappen, straatwerken uit (openbreken en herstellen van
straten, wegen e.d.) of laten zij die werkzaamheden door derden
uitvoeren. De kosten van de straatwerken berekenen deze lichamen
door aan de exploitanten van de leidingen en kabels. Deze bedragen
zijn niet de vergoeding voor handelingen die door die lichamen aan
de exploitanten worden verricht. De bedragen hebben het karakter
van een schadevergoeding die aan de publiekrechtelijke lichamen als
eigenaar van de straten, wegen e.d. wordt betaald. Dit betekent dat
publiekrechtelijke lichamen over deze bedragen geen omzetbelasting
zijn verschuldigd. Zij hebben daardoor ook geen recht op aftrek of
teruggaaf van de aan hen in rekening gebrachte omzetbelasting die
betrekking heeft op het opbreken en/of herstellen van de
bestrating.
Op een deel van de hier bedoelde publiekrechtelijke lichamen is de
Wet BCF van toepassing (m.n. provincies en gemeenten). De niet
aftrekbare omzetbelasting op de straatwerken komt bij hen in
beginsel op de voet van die wet voor compensatie in aanmerking.
Voor publiekrechtelijke lichamen die geen beroep kunnen doen op de
Wet BCF, heb ik aanleiding gevonden het volgende goed te keuren.
Goedkeuring
Ik keur goed dat publiekrechtelijke lichamen die geen recht hebben
op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds voor de uitvoering van
de hier bedoelde straatwerken als ondernemer omzetbelasting
voldoen. Aan de exploitanten van de leidingen en kabels reiken zij
facturen uit met berekening van omzetbelasting (zie artikel 35 van
de Wet OB). De op de straatwerken drukkende omzetbelasting komt dan
voor aftrek in aanmerking.
In het verleden is goedgekeurd 1) dat afzonderlijke
ondernemingen van gemeenten (bijv. een gemeentelijk ziekenhuis of
energiebedrijf) voor prestaties aan de niet-ondernemerssfeer van de
gemeente buiten de heffing van de omzetbelasting konden blijven.
Hetzelfde geldt voor lichamen waarvan uitsluitend een gemeente
onmiddellijk of middellijk aandeelhouder, deelnemer of lid was en
voor lichamen waarvan de bestuurders uitsluitend door een gemeente
onmiddellijk of middellijk werden benoemd en ontslagen en waarvan
het vermogen bij liquidatie uitsluitend ter beschikking van de
gemeente zou komen.
.....
1) Deze goedkeuring was opgenomen in paragraaf 8 van het besluit
van 25 april 1969, nr. D69/4141, OB/BTW-104 (Bijlage M). De tekst
van deze regeling luidde als volgt:
“1. Bij overheveling van goederen door onderdelen van een gemeente
als ondernemer naar onderdelen die niet als ondernemer optreden (de
niet-ondernemerssfeer) is sprake van het beschikken over goederen
voor andere dan bedrijfsdoeleinden, ten gevolge waarvan deze
goederen het bedrijfsvermogen van de ondernemer verlaten. Hier is
dan een levering in de zin van artikel 3, 1, g, van de wet (Gedoeld
wordt op de Wet op de omzetbelasting 1968). Ter zake daarvan is
belasting verschuldigd over de aanschaffings- of
voortbrengingskosten van de goederen (artikel 8, 4, van de wet).
2. Verrichtingen - andere dan bedoeld onder 1 - vanuit de
ondernemerssfeer van de gemeente ten behoeve van de
niet-ondernemerssfeer zijn niet aan de heffing onderworpen.
3. Hoewel zulks alleen voor de aanleg en het onderhoud van tuinen
uitdrukkelijk is bepaald, kan voorshands ook ter zake van het ten
behoeve van de niet-ondernemerssfeer verrichten van de andere in
artikel 3, Uitv. besch. OB ’68 (Gedoeld wordt op de
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968) aangewezen prestaties
heffing van belasting achterwege blijven, mits aan de in § 11, 4,
gegeven regelen voor de toepassing van de vooraftrek de hand wordt
gehouden (zie in dit verband ook de memorie van antwoord aan de
Tweede Kamer betreffende het ontwerp van Wet OB ’68, hoofdstuk
VIII, artikel 7, lid 3, tweede alinea). Mitsdien behoeft wegens het
ten behoeve van de niet-ondernemerssfeer verrichten van in artikel
3 Uitv. besch. OB ’68 aangewezen prestaties geen belasting te
worden voldaan.
4. De afzonderlijke ondernemingen, bedoeld in § 7,2 (gedoeld wordt
op bedrijven of diensten van met name grotere gemeenten (bijv. een
gemeentelijk ziekenhuis of energiebedrijf), die zelfstandig
deelnemen aan het maatschappelijk verkeer), blijven, wat de
verhouding tot de niet-ondernemerssfeer betreft, onderdelen van de
gemeente. Voor de toepassing van 1, 2 of 3 is daarom het
onderscheiden in verschillende ondernemingen niet van belang. Ook
op lichamen waarvan uitsluitend een gemeente onmiddellijk of
middellijk aandeelhouder, deelnemer of lid is, alsmede lichamen
waarvan de bestuurders uitsluitend door een gemeente onmiddellijk
of middellijk worden benoemd en ontslagen en waarvan het vermogen
bij liquidatie uitsluitend ter beschikking van de gemeente komt,
kan 1, 2 of 3 toepassing vinden.”
Verder is in het verleden goedgekeurd 1) dat samenwerkingsverbanden
van gemeenten voor het verrichten van handelingen die bij de
deelnemende gemeenten niet tot de ondernemerssfeer behoren voor de
toepassing van de omzetbelasting worden beschouwd als te behoren
tot de deelnemende gemeenten. Onderlinge handelingen tussen zo’n
samenwerkingsverband en de deelnemende gemeenten werden daarmee als
interne handelingen beschouwd. Deze goedkeuringen zijn vervallen
per 1 januari 2003. Dit zou voor een aantal van die lichamen en
samenwerkingsverbanden tot gevolg hebben dat zij vanaf 1 januari
2003 voor deze handelingen in de heffing van omzetbelasting moeten
worden betrokken. Daarbij kan de vraag gesteld worden of deze
lichamen en samenwerkingsverbanden in aanmerking komen voor
herziening van de omzetbelasting op de (on)roerende zaken die zij
voor 1 januari 2003 (ook) gebruikten voor handelingen die op grond
van de goedkeuringen buiten de heffing bleven. Dit geeft mij
aanleiding om het volgende goed te keuren.
.....
1) Deze goedkeuring was opgenomen in paragraaf 10, eerste lid, van
het besluit van 25 april 1969, nr. D69/4141, OB/BTW-104 (Bijlage
M). De tekst van deze regeling luidde als volgt
“1 Worden bepaalde handelingen welke, zo zij door de gemeente zelf
zouden worden verricht, niet tot de ondernemerssfeer zouden
behoren, bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke ordening, bouw-
en woningtoezicht, administratie en controle, uitgeoefend door een
samenwerkingsverband tussen verschillende gemeenten - dat zelf ook
een publiekrechtelijk lichaam kan zijn op grond van de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1950, K 120) - dan kan dit
verband voor de toepassing van de omzetbelasting worden beschouwd
als te behoren tot de deelnemende gemeenten. Onderlinge prestaties
tussen een dergelijk samenwerkingsverband en de deelnemende
gemeenten kunnen dus als interne prestaties worden beschouwd.
2. Andere samenwerkingsverbanden dan de onder 1 bedoelde kunnen
niet zonder meer met de deelnemende gemeenten worden vereenzelvigd.
Deze treden als ondernemer op, indien zij zelfstandig een bedrijf
uitoefenen.”
Goedkeuring
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat aan deze lichamen en
samenwerkingsverbanden herziening van omzetbelasting wordt verleend
op de voet van artikel 15 van de Wet OB en de artikelen 11 tot en
met 14 van de Beschikking OB.
Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
Deze lichamen en samenwerkingsverbanden zijn:
- tot 1 januari 2003 met een rechtsgeldig beroep op paragraaf 8,
onderdeel 4, respectievelijk paragraaf 10 van de Toelichting
Gemeenten, buiten de heffing van omzetbelasting gebleven;
- vanwege de intrekking van deze faciliteiten vanaf 1 januari 2003
in de heffing van omzetbelasting betrokken.
Gemeenten gaan er soms toe over om reinigingsrechten of de
afvalstoffenheffing te heffen via de verkoop van vuilniszakken.
Inwoners mogen dan uitsluitend met gebruikmaking van speciale
vuilniszakken hun huisvuil aanbieden. De verkoopprijs bestaat in
dat geval uit (tenminste) de kostprijs van de vuilniszakken
vermeerderd met het reinigingsrecht. Een aldus handelende gemeente
is hiervoor aan te merken als ondernemer en is in beginsel over de
gehele vergoeding omzetbelasting verschuldigd. Dit heeft tot gevolg
dat ook over het deel dat als reinigingsrecht of
afvalstoffenheffing wordt geheven omzetbelasting moet worden
afgedragen. Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend heb
ik aanleiding het volgende goed te keuren.
Goedkeuring
Ik keur goed dat heffing van omzetbelasting in alle schakels
achterwege blijft voor het gedeelte van de vergoeding dat
betrekking heeft op het voor de inzameling van huishoudelijk afval
verschuldigde reinigingsrecht of afvalstoffenheffing.
Voorwaarde
Hierbij geldt als voorwaarde dat voor het betreffende gedeelte van
de vergoeding geen omzetbelasting in aftrek wordt gebracht.
Deze goedkeuring geldt zowel voor de situatie waarin gemeenten de
onderhavige vuilniszakken rechtstreeks verkopen, als voor de
situatie waarin de verkoop van de vuilniszakken plaatsvindt via
privaatrechtelijke ondernemers. Indien en voor zover
privaatrechtelijke ondernemers voor de verkoop van vuilniszakken
een bepaalde (verkoop- of bemiddelings)marge berekenen, dienen deze
ondernemers over deze marge (uiteraard) omzetbelasting naar het
algemene tarief te voldoen.
In paragraaf 2.2 is ingegaan op de hoedanigheden waarin
publiekrechtelijke lichamen kunnen optreden. Treden
publiekrechtelijke lichamen op als ondernemer dan is in zoverre de
Wet OB op hen van toepassing. In die hoedanigheid komt de aan een
publiekrechtelijk lichaam in rekening gebrachte omzetbelasting in
beginsel voor aftrek in aanmerking, tenzij sprake is van
vrijgestelde handelingen. Voor een publiekrechtelijk lichaam dat
optreedt als belaste ondernemer, vormt de omzetbelasting geen
kostenpost door de werking van het aftrekrecht. Treedt een
publiekrechtelijk lichaam niet op in de hoedanigheid van
ondernemer, dan is de in die hoedanigheid door het
publiekrechtelijke lichaam betaalde omzetbelasting niet aftrekbaar
en dus wel een kostenpost. Het niet in aftrek kunnen brengen van
omzetbelasting kan een verstorende werking hebben op afwegingen die
door publiekrechtelijke lichamen worden gemaakt. Het gaat dan
vooral om: - de afweging tussen het zelf uitvoeren van taken en het
uitbesteden daarvan aan private partijen;
- de problematiek rond het onderling uitwisselen van personeel
tussen publiekrechtelijke lichamen;
- het aangaan van constructies om de lasten van de omzetbelasting
te beperken.
Om die verstorende invloed van de omzetbelastingheffing zoveel
mogelijk weg te nemen is op 1 januari 2003 de Wet BCF ingevoerd.
Deze wet is van toepassing op provincies, gemeenten en regionale
openbare lichamen, hierna gezamenlijk aangeduid als
compensatiegerechtigde lichamen. Op grond van de Wet BCF komt voor
compensatie in aanmerking de omzetbelasting die aan
compensatiegerechtigde lichamen in rekening wordt gebracht. Het
moet dan gaan om handelingen die door deze lichamen worden
afgenomen in de hoedanigheid van niet-ondernemer. Hetzelfde geldt
voor de omzetbelasting die in de hoedanigheid van niet-ondernemer
van deze publiekrechtelijke lichamen wordt geheven, bijvoorbeeld in
verband met invoer of de intracommunautaire verwerving van goederen
(zie artikel 3 Wet BCF en de paragrafen 2.3.2 tot en met 2.3.5 van
dit besluit).
Op de hoofdregel dat de als niet-ondernemer betaalde omzetbelasting
voor compensatie in aanmerking komt, kent de Wet BCF enkele
uitzonderingen. Niet voor compensatie komt in aanmerking de
omzetbelasting die verband houdt met goederen en diensten die het
compensatiegerechtigde lichaam:
1. verstrekt, verleent of ter beschikking stelt aan een of meer
individuele derden (artikel 4, eerste lid, onderdeel a, Wet BCF);
2. aanwendt voor handelingen, die zijn vrijgesteld van de heffing
van omzetbelasting als zij worden verricht door een ondernemer in
de zin van de Wet OB (artikel 4, eerste lid, onderdeel b, Wet BCF,
tot 1 januari 2007 onderdeel c (Stb. 2008/258)).
Tot 1 januari 2007 kende artikel 4 ook een uitzondering voor
goederen en diensten die werden gebruikt voor
personeelsvoorzieningen (artikel 4, eerste lid, onderdeel b, Wet
BCF). Dit onderdeel is in het kader van het terugdringen van de
administratieve lasten vervallen met ingang van 1 januari 2007.
Ad 1
Deze uitsluiting voorkomt dat op goederen en diensten die een
compensatiegerechtigd lichaam aanschaft maar die feitelijk door
anderen dan dat lichaam worden gebruikt, geen omzetbelasting drukt.
Een paar voorbeelden zijn:
- de inkoop van een rolstoel door een gemeente die in het
kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) aan
een individuele derde ter beschikking wordt gesteld.
- het treffen van geluidisolerende maatregelen aan woningen.
De aanleg van een geluidwal (bijvoorbeeld langs een spoorlijn) valt
niet onder deze uitzondering. De ter beschikking stelling vindt in
dit laatste geval immers niet plaats aan een individuele derde.
Uiteraard is hiervoor noodzakelijk dat het compensatiegerechtigde
lichaam als afnemer kwalificeert van de desbetreffende prestatie.
- het in het kader van de Wmo of reïntegratietraject
aanbieden van cursussen aan een geïndiceerde. Het indiceren als
zodanig is echter niet uitgezonderd. De hier bedoelde
indicatiestellingen worden door de gemeente gebruikt om vast te
stellen welke hulp iemand behoeft.
- herstelwerkzaamheden aan woningen (al dan niet na
gebruikmaking van bestuursdwang).
- het om niet of tegen een symbolische vergoeding ter
beschikking stellen van een onroerende zaak aan een derde. In dit
geval is sprake van een bijzondere situatie omdat deze activiteit
zowel is te rangschikken onder letter a als onder onderdeel b (tot
1 januari 2007 onderdeel c). De omzetbelasting op de aankoop of de
voortbrenging van de onroerende zaak is dus niet compensabel. Ook
de omzetbelasting die drukt op de onderhoudskosten van die
onroerende zaak zijn ingevolge onderdeel a niet compensabel als die
kosten voor rekening van het compensatiegerechtigde lichaam komen.
Gaat het echter om goederen of diensten die naar hun aard alleen
door een compensatiegerechtigd lichaam kunnen worden verstrekt,
verleend of ter beschikking gesteld, dan is compensatie niet
uitgesloten (zie artikel 1, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit
BTW-compensatiefonds). Dat is bijvoorbeeld het geval bij de afgifte
van paspoorten en uittreksels uit het bevolkingsregister. Dat is
ook zo als de gemeente een invalidenparkeerplaats creëert op de
openbare weg. Evenmin wordt compensatie uitgesloten indien een
gemeente ten behoeve van de eigenaar van een perceel grond een
aftakking van het hoofdriool tot aan de perceelgrens aanlegt of
laat aanleggen. Weliswaar heeft de eigenaar als individu baat bij
de aangelegde voorziening maar de aftakking vormt een onlosmakelijk
deel van het aan de gemeente toebehorende openbare
rioleringsstelsel. Dat stelsel als geheel wordt niet ter
beschikking gesteld aan één of meer individuele derden, als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BCF.
Ad 2
De uitsluiting van compensatie voor handelingen die zijn
vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting als zij worden
verricht door een ondernemer, heeft als reden het voorkomen van
concurrentieverstoring. De ondernemer die vrijgestelde handelingen
verricht, kan de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting
immers niet in aftrek brengen. Die omzetbelasting vormt voor de
vrijgestelde ondernemer een kostenpost. Zou een
compensatiegerechtigd lichaam dezelfde prestatie als
niet-ondernemer verrichten en de daarmee verband houdende
omzetbelasting kunnen compenseren, dan leidt dat tot
concurrentieverstoring. Voorbeelden zijn het verzorgen van openbaar
onderwijs (tegenover het van omzetbelasting vrijgestelde bijzonder
onderwijs) en het om niet ter beschikking stellen van onroerende
zaken aan (rechts)personen (zie ook Ad a hiervoor).
Compensatiegerechtigde lichamen gaan regelmatig
samenwerkingsverbanden aan waarin zij de uitvoering van hun taken
onderbrengen. Ook komt het voor dat zo’n lichaam de uitvoering van
taken neerlegt bij een (privaatrechtelijke) lichaam dat zij
volledig beheerst (zie onderdeel 3.2.1.1, onder c) 1). .....
1) Waar hierna wordt gesproken over
samenwerkingsverbanden wordt mede gedoeld op de hier bedoelde
lichamen.
Indien een samenwerkingsverband van compensatiegerechtigde lichamen
voor al haar handelingen kwalificeert als een voor de heffing van
omzetbelasting belaste ondernemer, werkt het BTW-compensatiefonds
optimaal. In dat geval immers heeft het samenwerkingsverband
overeenkomstig de Wet OB recht op aftrek van de omzetbelasting die
aan haar in rekening wordt gebracht. Het samenwerkingsverband
berekent dan omzetbelasting aan de compensatiegerechtigde
deelnemers. Die omzetbelasting komt bij de deelnemers (in beginsel)
voor compensatie in aanmerking. In zoverre bestaat er dus geen
verschil met de situatie waarin het compensatiegerechtigde lichaam
de taken zélf uitvoert.
Niet alle samenwerkingsverbanden zullen echter feitelijk in de
heffing van omzetbelasting worden betrokken. Een deel zal weliswaar
kwalificeren als ondernemer in de zin van de Wet OB, maar onder de
vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van die wet
vallen. Daarnaast zullen er samenwerkingsverbanden zijn die voor
hun activiteiten of een deel daarvan niet zijn aan te merken als
ondernemer. Dit heeft tot gevolg dat omzetbelasting begrepen is in
de kosten die het samenwerkingsverband aan de deelnemer(s)
doorberekent. In dat geval verkeren compensatiegerechtigde
deelnemer(s) in een nadeliger positie dan wanneer zij de
desbetreffende activiteiten zelf zouden uitvoeren. Het gevolg zou
kunnen zijn dat compensatiegerechtigden zich genoodzaakt zien om de
desbetreffende activiteiten (weer) zelf te gaan uitvoeren.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de aan deze samenwerkingsverbanden in rekening
gebrachte, niet voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting
naar de compensatiegerechtigde deelnemers wordt doorgeschoven. Een
en ander met inachtneming van de in de volgende onderdelen van deze
paragraaf opgenomen voorwaarden. De deelnemers kunnen de
doorgeschoven omzetbelasting vervolgens voor de toepassing van de
Wet BCF beschouwen als ware deze rechtstreeks aan hen in rekening
gebracht waardoor compensatie van deze omzetbelasting mogelijk
wordt. Deze goedkeurende regeling wordt hierna ook wel aangeduid
als de transparantiemethode.
Hierna wordt omschreven welke entiteiten de transparantiemethode
kunnen toepassen (3.2.1) en welke omzetbelasting kan worden
doorgeschoven (3.2.2). Vervolgens wordt in onderdeel 3.2.3 ingegaan
op de (praktische) uitwerking. In onderdeel 3.2.4 worden ten slotte
een aantal administratieve en formele voorwaarden gesteld.
Toepassing van de transparantiemethode is alleen mogelijk voor:
a. als zelfstandige groepering 1) functionerende
samenwerkingsverbanden van publiekrechtelijke lichamen voorzover
deze samenwerkingsverbanden niet als ondernemer in de zin van de
Wet OB kwalificeren en waarvan de activiteiten in een voorkomend
geval door (één of meer) deelnemende compensatiegerechtigde
lichamen, niet worden gebezigd als ondernemer;
.....
1) Het begrip zelfstandige groepering heeft dezelfde betekenis als
in artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de wet OB. Het moet
dus, afgezien van de andere voorwaarden, gaan om een zelfstandige,
van de deelnemers te onderscheiden, entiteit.
b. samenwerkingsverbanden, als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
onderdeel u, van de Wet OB, van publiekrechtelijke lichamen
voorzover de samenwerkingsverbanden diensten verrichten aan hun
deelnemers die door dezen worden afgenomen anders dan in hun
kwaliteit als ondernemer;
c. rechtspersonen voorzover deze niet als ondernemer in de zin van
de Wet OB zijn aan te merken waarvan:
- uitsluitend één compensatiegerechtigd lichaam onmiddellijk
aandeelhouder, deelnemer of lid is; of
- de bestuurders uitsluitend door één compensatiegerechtigd
lichaam onmiddellijk worden benoemd en ontslagen;
en
- waarvan, in beide gevallen, het vermogen bij liquidatie
uitsluitend ter beschikking van het compensatiegerechtigde lichaam
komt.
Uit het gebruik van het woord "voorzover" in de onderdelen a, b
en c, hiervóór volgt dat toepassing van de transparantiemethode
voor een deel van de activiteiten mogelijk is. Dat doet zich voor
als het samenwerkingsverband ook als ondernemer handelingen
verricht aan de deelnemers en/of derden. Als voor toepassing van de
transparantiemethode wordt gekozen geldt, dat voor alle deelnemers
in het samenwerkingsverband een uniforme handelwijze moet worden
toegepast. Dit leidt ertoe dat naar hun aard dezelfde activiteiten
niet zodanig mogen worden vormgegeven dat deze voor een deel van de
deelnemers in de omzetbelastingheffing worden betrokken en voor een
ander deel van de deelnemers in de transparantiemethode.
De omstandigheid dat in een samenwerkingsverband ook wordt
deelgenomen door andere publiekrechtelijke lichamen dan
compensatiegerechtigden 1), staat aan toepassing van de
transparantiemethode ten aanzien van de compensatiegerechtigden
niet in de weg. Er bestaat geen bezwaar tegen om onder
"publiekrechtelijke lichamen" in dit verband tevens te begrijpen
lichamen als bedoeld in onderdeel 3.2.1.1, letter c, en
samenwerkingsverbanden die op zichzelf beschouwd gebruik zouden
kunnen maken van de in dit besluit opgenomen regeling. Met
betrekking tot dit laatste valt bijvoorbeeld te denken aan de
situatie dat een aantal gemeenten een samenwerkingsverband aangaan
voor het ophalen van huisvuil. Indien dit samenwerkingsverband op
haar beurt deelnemer wordt in een ander samenwerkingsverband voor
het ophalen van huisvuil kunnen, andere voorwaarden daargelaten,
beide samenwerkingsverbanden in beginsel de transparantiemethode
toepassen.
.....
1) In voorkomend geval zijn hier ook onder te begrijpen
buitenlandse publiekrechtelijke lichamen. Zo is een buitenlandse
gemeente een publiekrechtelijk lichaam, dat niet onder de werking
van de Wet BCF valt. Zo’n gemeente is dus ook geen
compensatiegerechtigd lichaam.
Als door (één of meer) niet-publiekrechtelijke lichamen wordt
deelgenomen in een samenwerkingsverband, kan de
transparantiemethode niet worden toegepast. Evenmin is toepassing
van de transparantiemethode mogelijk door al dan niet
rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen (BV, stichting,
vennootschap onder firma enz.) die zijn opgericht door een
samenwerkingsverband 1).
.....
1) Uiteraard is het wel mogelijk dat een dergelijk lichaam
kwalificeert als ondernemer in de zin van de Wet OB. In een
voorkomend geval zal een zodanig lichaam dus (eventueel)
omzetbelasting in rekening moeten brengen die bij het
samenwerkingsverband als "inkomende" omzetbelasting (in beginsel)
kan worden doorgeschoven naar de deelnemers in het
samenwerkingsverband.
Artikel 3, eerste lid, van de Brandweerwet 1985 bepaalt dat
Gedeputeerde Staten de gemeenten aanwijzen waarvan de besturen een
gemeenschappelijke regeling moeten treffen. Het tweede lid van
artikel 3 bepaalt, dat bij de gemeenschappelijke regeling een
openbaar, rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam wordt ingesteld.
Dat zelfde artikellid geeft een opsomming van de taken die in elk
geval aan dat lichaam (regionale brandweer) worden opgedragen. Door
deze juridische vormgeving kan de vraag rijzen of de
transparantiemethode van toepassing is op de regionale brandweer.
De transparantiemethode mist toepassing, voor zover sprake is van
bij wet aan een samenwerkingsverband opgedragen taken (zie
onderdeel 3.2.2 voorlaatste alinea). Dat is ook zo als de met die
taken samenhangende kosten geheel of gedeeltelijk voor rekening van
de deelnemende compensatiegerechtigde lichamen komen.
De specifieke achtergrond van de systematiek van vooral artikel 3
van de Brandweerwet, zoals die tot uitdrukking komt in de
parlementaire geschiedenis van die wet, leidt echter tot de
conclusie dat de regionale brandweer ook voor de in dat artikel
genoemde taken aanspraak kan maken op toepassing van de
transparantiemethode 1).
.....
1) Op dit moment is een wetsvoorstel aanhangig over de invoering
van zogenoemde veiligheidsregio’s. Naast gemeenten zullen
veiligheidsregio’s bevoegd worden voor brandweertaken. In een
antwoord op kamervragen is aangegeven dat vooralsnog geen
aanleiding bestaat het recht op compensatie (al dan niet via de
zogenoemde transparantiemethode) voor de brandweertaak te
heroverwegen. (Kamerstukken II, 2008/09, Aanhangsel 995.) De taken
op het terrein van de GHOR (Geneeskundige Hulp bij Ongelukken en
Rampen), de (centrale) meldkamer en de multidisciplinaire
oefeningen zullen evenwel bij uitstek worden opgedragen aan de
veiligheidsregio’s. Dat impliceert dat na inwerkingtreding van de
Wet veiligheidsregio’s geen compensatie mogelijk is van de
omzetbelasting die toerekenbaar is aan die aan de veiligheidsregio
opgedragen taken.
Doorgeschoven kan worden de omzetbelasting: a. die vanaf 1
januari 2003, in overeenstemming met artikel 35 t/m 35d van de Wet
OB, aan het samenwerkingsverband in rekening wordt gebracht en
b. die drukt op activiteiten ten behoeve van de uitvoering van
taken die daarin zijn ondergebracht door de deelnemers en
c. waarvoor het recht op bijdrage overigens niet is uitgesloten
(zoals in artikel 4 of artikel 13 van de Wet BCF).
Opgemerkt wordt dat het in punt c gaat om de beoordeling van de
activiteiten als zodanig die door het samenwerkingsverband worden
verricht.
Voorbeeld:
Een samenwerkingsverband stelt om niet een pand ter beschikking aan
één of meerdere deelnemers. De (eventuele) omzetbelasting die
hierop ziet kan in dat geval niet worden doorgeschoven. Het recht
op bijdrage wordt immers uitgesloten omdat de ter beschikking
stelling van het pand gelijkgesteld wordt aan een vrijgestelde
prestatie (zie artikel 4 aanhef, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet BCF). Dit wordt niet anders indien de deelnemer het pand geheel
of gedeeltelijk voor activiteiten gebruikt waarvoor recht op een
bijdrage bestaat.
Ook kan niet worden doorgeschoven de omzetbelasting die betrekking
heeft op de uitvoering van eigen, rechtstreeks via wetgeving aan
het samenwerkingsverband opgedragen taken.
Voorstelbaar is dat het samenwerkingsverband niet in staat is om
zelfstandig vast te stellen of een bepaald bedrag aan
omzetbelasting bij de deelnemers compensabel is. In dat geval kan
doorschuiven eerst plaatsvinden als de desbetreffende deelnemer(s)
het samenwerkingsverband hierover schriftelijk heeft (hebben)
geïnformeerd.
De verdeling van de door te schuiven omzetbelasting over de
deelnemers moet overeenstemmen met het gebruik dat de deelnemers
maken van de activiteiten van het samenwerkingsverband. Uit
praktische overwegingen kan ik mij ermee verenigen dat splitsing in
beginsel plaatsvindt naar rato van de financiële bijdragen van de
deelnemers aan het samenwerkingsverband. Het gaat hierbij
uitsluitend om de financiële bijdragen die dienen ter dekking van
de kosten van de activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.2.2. Als
echter aannemelijk wordt gemaakt dat een toedeling naar rato van de
financiële bijdragen niet overeenstemt met het werkelijke gebruik,
dan wordt de toedeling voor die deelnemer(s) berekend
overeenkomstig het werkelijke gebruik. Toepassing van het
werkelijke gebruik ten aanzien van één of meer deelnemer(s) hoeft
er niet toe te leiden dat voor alle deelnemers een dergelijke
methodiek wordt gehanteerd. Er bestaat geen bezwaar tegen dat voor
de andere compensatiegerechtigde deelnemers de toedeling naar
verhouding van de financiële bijdragen plaatsvindt. Een toedeling
op basis van het werkelijke gebruik blijft achterwege indien dit
niet meer dan 10% verschilt van een toedeling naar rato van de
financiële bijdragen.
Het doorschuiven van omzetbelasting gebeurt uiterlijk in januari
van het jaar volgend op dat waarin de omzetbelasting aan het
samenwerkingsverband in rekening is gebracht. De deelnemers
verwerken de doorgeschoven omzetbelasting in de opgave van het jaar
waarin de omzetbelasting aan het samenwerkingsverband in rekening
is gebracht. Het samenwerkingsverband stuurt hiervoor aan de
deelnemers een afrekening waarin het totaalbedrag van de door te
schuiven omzetbelasting staat vermeld en het deel daarvan dat voor
rekening komt van de desbetreffende deelnemer. Deze afrekeningen
worden beschouwd als bescheiden die behoren tot de administratie
van zowel het samenwerkingsverband als de deelnemers. Deze
afrekeningen zijn geen facturen in de zin van de Wet OB.
Een wijziging in het gebruik van goederen of diensten door het
samenwerkingsverband kan tot gevolg hebben dat de artikelen 7 tot
en met 9 van de Beschikking BCF toepassing vinden. Dit kan zich
voordoen als een samenwerkingsverband de desbetreffende goederen of
diensten mede voor andere activiteiten gebruikt dan waarvoor de
transparantiemethode van toepassing is. In dat geval vindt de
herziening volgens eerdergenoemde artikelen plaats alsof het
samenwerkingsverband zelf een compensatiegerechtigd lichaam is. De
herziening moet uiteraard feitelijk gerealiseerd worden via de
opgaven van de betrokken deelnemers (ook als deze inmiddels niet
meer deelnemen in het samenwerkingsverband).
Het is mogelijk dat de omstandigheden bij een
samenwerkingsverband ten aanzien van (een of meer) diensten waarop
artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de Wet OB van toepassing
is, zodanig wijzigen dat zij voor die dienst(en) alsnog
kwalificeert als een aftrekgerechtigde ondernemer. In dat geval kan
het samenwerkingsverband met betrekking tot de ná 31 december 2002
aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting de
herzieningsbepalingen toepassen (artikelen 11 tot en met 14a van de
Beschikking OB). Er is dan sprake van een onevenwichtige situatie
aangezien de omzetbelasting eerder al is doorgeschoven naar de
deelnemers. Zodra die situatie zich voordoet komt de grondslag aan
de transparantiemethode te ontvallen. In dat geval wordt toepassing
van de in dit besluit gegeven goedkeuring alsnog uitgesloten en
zijn de deelnemers de terzake als bijdrage teruggevraagde
omzetbelasting (gedeeltelijk) weer verschuldigd. Voorzover relevant
voor de berekening van het door de deelnemers terug te betalen
bedrag, zijn de artikelen 7 tot en met 9 van de Beschikking BCF van
overeenkomstige toepassing. Hierbij worden de goederen of diensten
geacht tot het einde van de daar bedoelde perioden te zijn gebruikt
voor activiteiten waarvoor geen recht op bijdrage bestaat.
Terugbetaling gebeurt in één keer bij de opgave over het
kalenderjaar waarin het samenwerkingsverband een beroep kan doen op
de herzieningsbepalingen van de Beschikking OB.
Het komt voor dat een compensatiegerechtigd lichaam een roerende
of onroerende zaak overdraagt aan een lichaam dat de
transparantiemethode mag toepassen. Indien het een roerende of
onroerende zaak betreft waarvoor een bijdrage uit het
compensatiefonds is genoten, kan artikel 9 van de
Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds van toepassing zijn en
dient het overdragende lichaam in beginsel een deel van deze
bijdrage terug te betalen. In gevallen waarin het overnemende
lichaam het gebruik voor handelingen waarvoor recht op compensatie
bestaat voortzet, acht ik dit ongewenst.
Goedkeuring
Onder de volgende voorwaarden keur ik goed dat toepassing van
artikel 9 van de Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds
achterwege blijft als een roerende of onroerende zaak wordt
overgedragen aan een lichaam dat de transparantiemethode mag
toepassen.
Voorwaarden
Voor deze goedkeuring geldt de volgende voorwaarden:
- Het overnemende lichaam dient het gebruik voor activiteiten
waarvoor de transparantiemethode van toepassing is voort te zetten.
- Herziening dient plaats te vinden als het overnemende lichaam het
goed geheel of gedeeltelijk gebruikt voor andere activiteiten dan
waarvoor de transparantiemethode van toepassing is. § 3.2.3.3 is in
dit geval onverkort van toepassing.
Op samenwerkingsverbanden die van de transparantiemethode
gebruik maken is artikel 9, achtste lid, van de Wet BCF van
overeenkomstige toepassing. Het samenwerkingsverband is dus
bijvoorbeeld gehouden om de omzetbelasting op duidelijke en voor de
belastingdienst eenvoudig controleerbare wijze te administreren.
Ook kan de inspecteur een boekenonderzoek instellen bij een
samenwerkingsverband dat niet kwalificeert als ondernemer voor de
Wet OB. Een samenwerkingsverband dat van de transparantiemethode
gebruik maakt, moet deze methode toepassen gedurende een periode
van ten minste vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop de
methode voor het eerst is toegepast 1). Als na verloop van deze
termijn van vijf jaren het samenwerkingsverband afziet van verdere
toepassing van de transparantiemethode, kan de methode door dat
samenwerkingsverband weer worden toegepast na verloop van vijf
jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het samenwerkingsverband de
methode buiten toepassing heeft gelaten.
.....
1) Behoudens uiteraard het geval, waarin het
samenwerkingsverband niet langer voldoet aan de voorwaarden voor
toepassing van de transparantiemethode. Dan wordt de
transparantiemethode beëindigd met ingang van de dag waarop niet
langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
Op de doorgeschoven omzetbelasting zijn de Wet BCF en de daarop
gebaseerde uitvoeringsvoorschriften van toepassing alsof deze
omzetbelasting rechtstreeks aan de deelnemers in rekening is
gebracht. De deelnemers zijn verantwoordelijk voor de door hen in
te dienen opgaven en daarmee ook voor de daarin begrepen
doorgeschoven omzetbelasting. Als bijvoorbeeld blijkt dat voor een
bedrag aan doorgeschoven omzetbelasting ten onrechte een bijdrage
is gevraagd of verleend, vindt correctie plaats bij de
desbetreffende deelnemer, ook als deze inmiddels niet meer
deelneemt in het samenwerkingsverband.
De omzetbelasting die in het kader van de transparantiemethode
wordt doorgeschoven naar de deelnemers behoort niet tot de
optelpost bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de
Beschikking BCF.
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de
inwerkingtreding van dit besluit.
|
D 68/7220
|
8 november 1968 OB/BTW-18
|
Bijlage C, § 11, van de Toelichting aftrek van voorbelasting
|
Achterhaald door jurisprudentie (HvJ 2-6-2005, nr. C-378/02) |
|
285-3025
|
12 maart 1985
|
Toepassing van de wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van werkzaamheden binnen het kader van de wet sociale werkvoorziening |
Belang verloren
|
|
CPP2001/1859M |
11 juli 2001
|
Aftrek van voorbelasting door publiekrechtelijke lichamen
|
Achterhaald door intrekking goedkeuring (zie ook aanhef)
|
|
CPP2002/2257M |
23 juli 2002
|
Heffing van omzetbelasting ten aanzien van de uitvoering van bestemmings- en saneringsplannen; overgangsregeling in verband met de invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds met ingang van 1 januari 2003 |
Verwerkt en geactualiseerd in § 2.5.2 |
|
CPP2002/3533M |
18 december 2002
|
Vragen en antwoorden over het besluit van 23 juli 2002, nr. CPP2002/2257M, inzake heffing van omzet-belasting ten aanzien van de uitvoering van bestemmings- en saneringsplannen; overgangsregeling in verband met de invoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds met ingang van 1 januari 2003 |
Verwerkt en geactualiseerd In § 2.5 |
|
CPP2002/ 3658M |
19 december 2002
|
Heffing van omzetbelasting ten aanzien van gemeenten.
|
Verwerkt en geactualiseerd
|
|
CPP2003/248M |
14 februari 2003
|
Recht op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds bij
doorlopende prestaties
|
Belang verloren
|
|
DGB2003/3042M |
20 juni 2003
|
Overgangsregeling voor samenwerkingsverbanden van publiekrechtelijke lichamen, andere dan gemeenten, provincies en regionale openbare lichamen, in verband met de intrekking van de Toelichting Gemeenten |
Belang verloren
|
|
CPP2003/1952M
|
7 augustus 2003
|
Toepassing transparantieregeling ten aanzien van de regionale
brandweer (Btw-compensatiefonds)
|
Verwerkt in § 3.2.1.5 |
|
CPP2003/1964M |
15 augustus 2003
|
BTW-compensatiefonds; aftakking van hoofdriool
|
Verwerkt in § 3.1 |
|
CPP2003/2684M |
19 december 2003
|
Herziening aftrek omzetbelasting bij de vóór 1 januari 2003 onder paragraaf 8, onderdeel 4, respectievelijk paragraaf 10 Toelichting Gemeenten vallende lichamen c.q. samenwerkingsverbanden |
Verwerkt in § 2.5.4 |
|
CPP2003/1967M |
19 februari 2004
|
Omzetbelasting. Ondernemerschap; heffing parkeerbelasting door gemeenten voor parkeren in parkeergarages en op parkeerdekken. |
Verwerkt en geactualiseerd in § 2.2.1 |
|
CPP2003/ 3098M
|
19 februari 2004
|
Heffing van omzetbelasting ten aanzien van het uitvoeren van straatwerken ten behoeve van openbare nutsbedrijven |
Verwerkt en geactualiseerd in § 2.5.3 |
|
CPP2003/3120M
|
3 maart 2004 |
BTW-compensatiefonds; reikwijdte transparantiebesluit
|
Verwerkt in § 3.2.1.3 |
|
CPP2004/692M |
6 mei 2004
|
Omzetbelasting. Ondernemerschap; BTW-compensatiefonds; aanleg/aanpassing van infrastructuur |
Verwerkt in §2.2.1 en § 2.2.2 |
|
CPP2005/ 723M |
15 juni 2005
|
Transparantie samenwerkingsverbanden in het BTW-compensatiefonds
|
Verwerkt in § 3.2 |
|
CPP2006/ 2794M |
7 december 2006
|
BTW-compensatiefonds. Personeelsverstrekkingen
|
Belang verloren |
|
CPP2007/149M |
29 januari 2007
|
BTW-compensatiefonds. Vervallen kwartaalopgave |
Belang verloren
|
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 10 juni 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager.
Besluit / beleidsregel |
10-06-2009
|
PDF bestand, 126 Kb