U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Dit besluit is een samenvoeging en actualisering van alle
besluiten over de heffing van omzetbelasting in Nederland bij de
levering van (rechten gevestigd op) onroerende zaken en de verhuur
van onroerende zaken.
De volgende beleidsmatige aanwijzingen zijn opgenomen:
§ 3.1.2 t/m § 3.1.4: richtlijnen over de interpretatie van de
begrippen “onroerende zaak”, “gebouw” en “bestanddeel van een
onroerende zaak”.
§ 3.2.1 t/m § 3.2.3: richtlijnen over de zelfstandigheid van
(gedeelten van) onroerende zaken.
§ 3.3: richtlijnen over de interpretatie van het begrip “eerste
ingebruikneming”.
§ 4.2.2: richtlijnen over de afbakening van de sloopfase ten
opzichte van de bouwfase. Hierbij is aangegeven welke handelingen
tot de (vrijgestelde) fase van onbebouwde grond zijn toe te rekenen
en welke handelingen tot de (belaste) fase van bouwterrein.
§ 4.4. en § 7.3: interpretatie van de zogenoemde “90%-norm” bij de
optie voor belaste levering en belaste verhuur van onroerende
zaken. De invulling van de 90%-norm voor de optie belaste verhuur
en de optie belaste levering heeft plaatsgevonden bij de
wijzigingen in de btw-regelgeving in verband met het arrest van het
Hof van Justitie van 14 juli 2005, zaak C-434/03 (Charles en
Charles-Tijmens).
§ 4.5.1 en § 7.3.1: nuancering van de goedkeuringen voor de optie
voor het belast leveren en het belast verhuren van een gedeelte van
een onroerende zaak. Aangegeven is dat de goedkeuringen alleen
betrekking hebben op een gedeelte van een onroerende zaak, dat
volgens § 3.2.1 niet is te beschouwen als een zelfstandige
onroerende zaak, maar in economisch opzicht wél zelfstandig is te
gebruiken of te exploiteren. Verder is in § 4.5.1 aangegeven dat
bij de levering van een gebouw met een erbij behorend terrein de
optie voor de belaste levering niet kan worden toegepast op alleen
het gebouw of alleen het bijbehorende terrein (zie Hof van Justitie
8 juni 2000, zaak C-400/98 (Breitsohl)).
§ 5.2 en § 5.3: richtlijnen over de toepassing van de
verleggingsregeling bij het uitvoeren van werken van stoffelijke
aard met betrekking tot onroerende zaken en bij de executoriale
verkoop van onroerende zaken. Aangegeven is wat de reikwijdte is
van beide verleggingsregelingen. Ten aanzien van de verlegging bij
werken van stoffelijke aard is aangegeven dat deze verlegging een
ruime werking heeft. Onder deze verlegging vallen niet alleen de
werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de oplevering van
nieuw vervaardigde onroerende zaken, maar ook de
onderhoudswerkzaamheden aan onroerende zaken.
§ 5.4: nuancering van de goedkeuring om de zogenoemde
veilingregeling (artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de
omzetbelasting 1968) buiten toepassing te laten bij de veilingen
van onroerende zaken. De goedkeuring is ingeperkt tot de situatie
waarin het aanbrengen bij veilingen van nieuwe onroerende zaken
leidt tot cumulatie van omzetbelasting. Deze situatie ontstaat
wanneer niet-ondernemers nieuwe onroerende zaken aanbrengen bij
veilingen, die vervolgens worden verkocht aan niet-ondernemers.
§ 7.1 en § 7.2: nadere richtlijnen over de interpretatie van het
begrip “verhuur van een onroerende zaak” en de afbakening van deze
verhuur ten opzichte van andere prestaties.
§ 7.3.4: goedkeuring voor het laten doorlopen van de optie belaste
verhuur na opzegging van de huurovereenkomst door de huurder, die
de huur nog over een bepaalde periode doorbetaalt;
§ 7.3.5: overgangsregeling voor verhuurovereenkomsten die zijn
aangegaan vóór de inwerkingtreding van de Fiscale Onderhoudswet
2009. In deze wet is onder meer het regime voor de optie belaste
verhuur aangepast;
§ 7.3.7: verruiming van de goedkeuring voor de verlenging van de
zogenoemde referentieperiode bij de leegstand van (bedrijfs)ruimte.
Goedgekeurd is dat de referentieperiode bij leegstand pas ingaat op
het tijdstip dat de huurder de onroerende zaak feitelijk gaat
gebruiken en hij de betrokken onroerende zaak gebruikt voor
minimaal een aaneengesloten periode van een half jaar en in het
boekjaar van feitelijke ingebruikneming voldoet aan de 90%-norm.
Verder dient de verhuurder ermee in te stemmen dat de naheffings-
en herzieningstermijn ook pas ingaan in het boekjaar dat de huurder
de onroerende zaak feitelijk gaat gebruiken.
§ 7.3.8: aanpassing van de goedkeuring voor het uitstel van de
heffing van omzetbelasting bij de verhuurder bij ontbinding van de
huurovereenkomst met de eerste huurder. De uitstelregeling is
aangepast in verband met de verruiming van de in § 7.3.7 opgenomen
goedkeuring. Goedgekeurd is dat als de verhuurder binnen twee
boekjaren na het boekjaar waarin de huurovereenkomst met de eerste
huurder is ontbonden een tweede huurovereenkomst sluit met een
andere huurder, de tweede huurovereenkomst voor de toepassing van
de optie voor belaste verhuur in de plaats treedt van de eerste
huurovereenkomst. De tweede huurder moet hierbij voldoen aan de in
§ 7.3.7 bedoelde voorwaarden. Aangegeven is dat deze
uitstelregeling alleen geldt als de verhuurder ermee instemt dat de
naheffings- en herzieningstermijn met betrekking tot de verhuurde
onroerende zaak pas ingaan in het boekjaar dat de tweede huurder de
onroerende zaak feitelijk in gebruik neemt.
§ 7.4.1: nadere invulling van het begrip “verblijf voor een korte
periode” bij de verhuur van accommodatie in het kader van het
hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen
die daar voor een korte periode verblijven. Van “verblijf voor een
korte periode” is in ieder geval sprake als de gasten feitelijk
maximaal zes maanden in deze accommodatie verblijven.
§ 7.4.3: actualisering van de richtlijnen voor de verhuur van
parkeerruimte voor voertuigen. Aangegeven is dat de verhuur van
multifunctionele ruimten die primair worden gebruikt voor andere
doeleinden dan het parkeren van voertuigen, wordt aangemerkt als
vrijgestelde verhuur, tenzij partijen zijn overeengekomen dat de
ruimte uitsluitend zal worden gebruikt als parkeerruimte. Verder
zijn de voorwaarden geschetst waaronder de verhuur van
parkeerruimte op kan gaan in de vrijgestelde verhuur van een andere
onroerende zaak.
§ 7.4.4: actualisering van de richtlijnen voor servicekosten die
worden berekend bij de verhuur van onroerende zaken. In de
aangepaste richtlijnen is het leerstuk van de eenheid van prestatie
verwerkt (zie o.a. Hof van Justitie EG 25 februari 1999, zaak
C-349/96 (CPP) en Hof van Justitie 11 juni 2009, zaak C-572/07
(Tellmer Property).
§ 8.2: richtlijnen voor het tegen betaling of ontvangst van een
vergoeding wijzigen of ontbinden van overeenkomsten met betrekking
tot onroerende zaken voordat de in de overeenkomst bedoelde
prestatie wordt verricht. Aangegeven is wanneer sprake is van een
belastbare dienst.
§ 8.3: richtlijnen voor de heffing van omzetbelasting bij het tegen
betaling of ontvangst van een vergoeding wijzigen of ontbinden van
overeenkomsten met betrekking tot onroerende zaken tijdens of na
het verrichten van de in de overeenkomst bedoelde prestatie.
§ 10: een overgangsregeling in verband met de nieuwe richtlijnen
voor het lidmaatschap in een coöperatieve flatvereniging. In
overeenstemming met de Europese jurisprudentie worden deze
lidmaatschapsrechten vanaf 1 januari 2011 aangemerkt als een
verhuurdienst. Tot nu toe was goedgekeurd dat deze
lidmaatschapsrechten werden aangemerkt als een levering van een
(deel van een) onroerende zaak. De overgangsregeling heeft tot doel
de betrokkenen de gelegenheid te geven zich voor te bereiden op
deze wijziging in het btw-regime.
Dit besluit gaat in op de heffing van omzetbelasting in
Nederland bij de levering van onroerende zaken, de op onroerende
zaken gevestigde rechten en de verhuur van onroerende zaken. Het
besluit behandelt vooral de goedkeuringen voor situaties waarin de
levering en de verhuur van onroerende zaken op verzoek worden
belast. Verder bevat dit besluit richtlijnen over de interpretatie
van bepaalde relevante begrippen en de geldende nationale en
Europese jurisprudentie. Dit besluit bevat geen richtlijnen over
het recht op aftrek van omzetbelasting bij de levering en verhuur
van onroerende zaken. Deze richtlijnen worden opgenomen in een
afzonderlijk besluit over de aftrek van omzetbelasting.
|
wet
|
Wet op de omzetbelasting 1968 |
|
uitvoeringsbeschikking
|
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968
|
|
uitvoeringsbesluit
|
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
|
|
btw-richtlijn
|
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28
november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van
belasting over de toegevoegde waarde (PbEG 2006, L347)
|
|
Hof van Justitie
|
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
|
|
belasting
|
omzetbelasting
|
|
90%-norm
|
voor tenminste 90% gebruiken voor doeleinden waarvoor recht
bestaat op aftrek van belasting op grond van artikel 15 van de wet
|
|
optie voor belaste levering respectievelijk belaste verhuur |
verzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, 2°,
van de wet (belaste levering) respectievelijk artikel 11, eerste
lid, onderdeel b, 5°, van de wet (belaste verhuur)
|
Volgens artikel 11, eerste lid, onderdeel a, aanhef, van de wet
is de levering van onroerende zaken en de daarop rustende rechten
in principe vrijgesteld. Artikel 11, eerste lid, onderdeel a, 1° en
2°, van de wet geeft aan wanneer de levering van onroerende zaken
wordt belast. Het hiervoor bedoelde sub 1° heeft betrekking op de
wettelijk verplicht belaste levering, terwijl sub 2° ziet op de
levering die op verzoek van de partijen (leverancier en afnemer)
wordt belast. Artikel 11, eerste lid, onderdeel a, 2°, van de wet
is nader uitgewerkt in het vijfde lid van artikel 11 en in artikel
6 van de uitvoeringsbeschikking.
Artikel 3, tweede lid, van de wet geeft aan dat de vestiging,
overdracht, wijziging, afstand en opzegging van rechten op
onroerende zaken (beperkte zakelijke rechten) worden beschouwd als
de levering van een goed. Bij de vestiging enz. van beperkte
zakelijke rechten vindt belastingheffing plaats alsof het gaat om
de levering van de onroerende zaak waarop het recht betrekking
heeft. Van een levering is sprake als de vergoeding voor het
vestigen van het betrokken recht, vermeerderd met de
omzetbelasting, tenminste gelijk is aan de waarde in het
economische verkeer van dat recht. Artikel 3, tweede lid, van de
wet omschrijft het begrip “waarde in het economische verkeer” als:
tenminste de kostprijs, met inbegrip van de omzetbelasting, van de
onroerende zaak waarop het recht betrekking heeft, zoals die zou
ontstaan bij het voortbrengen door een onafhankelijke derde op het
tijdstip van de vestiging e.d. van het recht. Als de vergoeding
voor de vestiging e.d. van het beperkte zakelijke recht lager is
dan de waarde in het economische verkeer, wordt de vestiging van
het recht aangemerkt als een dienst. Deze dienst wordt aangemerkt
als de verhuur van de onroerende zaak waarop het recht betrekking
heeft (artikel 11, eerste lid, onderdeel b, laatste volzin, van de
wet).
Volgens artikel 11, eerste lid, onderdeel b, aanhef, van de wet
is de verhuur van onroerende zaken in principe vrijgesteld. In
artikel 11, eerste lid, onderdeel b, 1° tot en met 5°, van de wet
is aangegeven wanneer de verhuur van onroerende zaken wordt belast.
Artikel 11, eerste lid, onderdeel b, 1° tot en met 4°, van de wet
somt de situaties op waarin sprake is van wettelijk verplicht
belaste verhuur. Artikel 11, eerste lid, onderdeel b, 5°, van de
wet heeft betrekking op de verhuur die op verzoek van de betrokken
partijen wordt belast. Sub 5° is nader uitgewerkt in het vijfde lid
van artikel 11 en in artikel 6a van de uitvoeringsbeschikking.
In artikel 11, derde en vierde lid van de wet zijn enkele
begrippen omschreven die relevant zijn voor de belastingheffing bij
de levering van onroerende zaken. Het gaat om de begrippen
“gebouw”, “bij een gebouw behorend terrein” en “bouwterrein”.
Volgens artikel 12, derde en vierde lid van de wet wordt de
belastingheffing bij bepaalde handelingen die betrekking hebben op
onroerende zaken verlegd naar de afnemer. Artikel 12, derde lid,
van de wet geldt voor buitenlandse ondernemers, terwijl artikel 12,
vierde lid, van de wet geldt voor de in Nederland gevestigde
ondernemers. Artikel 12, vierde lid, van de wet is nader uitgewerkt
in de artikelen 24b en 24ba van het uitvoeringsbesluit. Artikel 24b
van het uitvoeringsbesluit bepaalt dat de belastingheffing wordt
verlegd bij het uitvoeren van werkzaamheden van stoffelijke aard
met betrekking tot onroerende zaken. Artikel 24ba van het
uitvoeringsbesluit geeft aan dat de belastingheffing wordt verlegd
bij de levering van een onroerende zaak die op verzoek van de
partijen wordt belast en bij de executoriale verkoop van onroerende
zaken.
De hiervoor genoemde bepalingen uit de wet, het
uitvoeringsbesluit en de uitvoeringsbeschikking zijn gebaseerd op
de artikelen 12, 14, lid 3, en 15, lid 2, onderdeel a, artikel 135,
lid 1, onderdelen j t/m l en lid 2, artikel 137, lid 1, onderdelen
b t/m d en lid 2, en artikel 199, lid 1, onderdelen c, e en g, van
de btw-richtlijn.
Voor de belastingheffing bij onroerende zaken zijn bepaalde
termen en leerstukken van belang. In de volgende paragrafen komt de
reikwijdte van de relevante termen en leerstukken aan de orde.
Verder is aan de hand van voorbeelden aangegeven hoe de toepassing
van een en ander uitwerkt in de praktijk.
De wettelijke bepalingen over de levering en verhuur van
onroerende zaken moeten worden uitgelegd conform de daarmee
corresponderende richtlijnbepalingen. Volgens vaste jurisprudentie
van het Hof van Justitie vormen de in de btw-richtlijn opgenomen
vrijstellingen en de daarbij gehanteerde termen meestal
communautaire begrippen[1] . De criteria uit het nationale civiele
recht van de lidstaten van de Europese Unie[2] zijn in dat
geval niet relevant voor de uitleg van de vrijstellingen en de
daarbij gebruikte begrippen. Zo zijn de in dit hoofdstuk
toegelichte begrippen “onroerende zaak”, “bestanddeel van een
onroerende zaak”, “eerste ingebruikneming” en het in § 7.1
besproken begrip “verhuur” communautaire begrippen.
.....
[1] Hof van Justitie 12 september 2000, zaak C-358/97 (Commissie
tegen Ierland), Hof van Justitie 16 januari 2003, zaak C-315/00,
Maierhofer), en Hof van Justitie 12 juni 2003, zaak C-275/01
(Sinclair Collis).
[2] In Nederland het Burgerlijk Wetboek.
Onder een “onroerende zaak” wordt verstaan: een zaak die vast is
verbonden aan een welbepaald deel van het aardoppervlak (Hof van
Justitie 7 september 2006, zaak C-166/05 (Heger)). Grond vormt als
zodanig een onroerende zaak (Hof van Justitie 3 maart 2005, zaak
C-428/02 (Fonden Marselisborg Lystbådehavn (FML)). Een onroerende
zaak kan geheel of gedeeltelijk onder water liggen (bijvoorbeeld
ligplaatsen voor boten; zie het hiervoor genoemde FML-arrest).
Het “vast met het aardoppervlak (de grond) zijn verbonden” vormt
een objectief criterium. De (al dan niet kenbare) bedoeling van de
eigenaar of de gebruiker om een zaak duurzaam ter plaatse te laten
verblijven, is niet van belang. Een zaak is vast met de grond
verbonden als de zaak niet gemakkelijk is te demonteren of te
verplaatsen (Hof van Justitie 16 januari 2003, zaak C-315/00
(Maierhofer)). Met “niet gemakkelijk te demonteren of te
verplaatsen” wordt bedoeld, dat de zaak met behoud van de
oorspronkelijke functie alleen met een aanzienlijke inzet van
materiaal en/of menskracht is te demonteren of te verplaatsen.
Zaken die relatief gemakkelijk zijn te verplaatsen, zijn roerend.
Te denken valt aan portocabins, woonboten, stacaravans en
warmtekrachtkoppelinginstallaties voor zogenoemde
grootverbruikers[1].
.....
[1] Installaties die tegelijkertijd zowel warmte opwekken als
elektriciteit voortbrengen, die worden gebruikt door personen en
instellingen met een hoog energieverbruik, zoals tuinbouwers,
bejaardentehuizen e.d.
Het begrip “gebouw” is omschreven als: ieder bouwwerk dat vast
met de grond is verbonden (artikel 11, derde lid, onderdeel a, van
de wet). Het begrip “gebouw” heeft een ruime betekenis; deze term
omvat iedere door de mens ontworpen constructie. Het begrip
“gebouw” heeft niet alleen betrekking op woningen en
bedrijfspanden, maar ook op constructies zoals bruggen, viaducten,
wegen, atletiekbanen en kunstgrasvelden. Ook constructies die zich
(gedeeltelijk) onder de grond of het water bevinden, zoals tunnels,
sluizen, parkeergarages, leidingen voor gas, elektra, water en
kabelnetwerken, vormen een “gebouw”. Een bouwwerk dat nog niet is
voltooid vormt voor de belastingheffing (al) een gebouw. Te denken
valt aan een half afgebouwd gebouw of een constructie die onderdeel
vormt van een nog te bouwen gebouw, zoals de fundering van een
gebouw. Een gedeeltelijk gesloopt gebouw vormt in
belastingtechnisch opzicht ook (nog) een gebouw (Hoge Raad 7 maart
2003, nr. 37.525; zie ook § 4.2.2).
Bestanddelen van onroerende zaken zijn goederen die na
installatie in een onroerende zaak (meestal een gebouw) hun fysieke
en economische eigenschappen hebben verloren en leiden tot een
duurzame waardevermeerdering van de onroerende zaak (Hof van
Justitie 17 mei 2001, zaken C-322/99 en 323/99, Fischer
Brandenstein). Meestal gaat het om goederen die hun eigenlijke
gebruiksdoel pas kunnen vervullen na installatie in of aan een
gebouw, zoals cv-ketels, boilers[1], geisers en inbouwkeukens.
Hierbij is niet relevant of bij het installeren van bestanddelen in
of aan onroerende zaken sprake is geweest van een levering of een
dienst (zie artikel 3 en 4 van de wet).
Het is mogelijk dat de verhuur van een bestanddeel (bijv. de
verhuur van een cv-ketel) is aan te merken als een aparte
prestatie. Er is dan sprake van de verhuur van een (deel van een)
onroerende zaak. Deze verhuur moet voor de belastingheffing op zijn
eigen merites worden beoordeeld.
.............
[1] Uitgezonderd keukenboilers, vanwege hun aanvullende functie,
zie Gerechtshof Arnhem 27 september 1995, nr. 94/0937.
Voor het bepalen van de belastinggevolgen van transacties met
onroerende zaken is het van belang te weten of een zaak
zelfstandigheid bezit of niet, of sprake is van een nieuwe of oude
onroerende zaak[1] , onbebouwde grond of van een bouwterrein. Deze
statusbepaling of kwalificatie is vooral van belang om te
beoordelen of de levering van een onroerende zaak is belast of
vrijgesteld. Bij het bepalen van de (on)zelfstandigheid van
onroerende zaken geldt, dat fysiek gescheiden onroerende zaken in
beginsel steeds als afzonderlijke zaken in aanmerking worden
genomen, tenzij deze zaken zich niet lenen voor zelfstandig gebruik
(Hoge Raad 14 oktober 2005, nr. 41.015 (korfbalvelden-arrest) en
Hoge Raad 25 april 2008, nr. 41.798 (sportcomplex-arrest)). Met
“fysiek gescheiden” wordt bedoeld dat de onroerende zaak voldoende
fysiek is afgescheiden van een andere onroerende zaak om te worden
aangemerkt als zelfstandig te gebruiken onroerende zaak. Met
“zelfstandig gebruik” wordt bedoeld: in economisch opzicht
zelfstandig te gebruiken of te exploiteren. Er is bijvoorbeeld
sprake van twee zelfstandig te gebruiken onroerende zaken bij een
pand met twee verdiepingen met elk een zelfstandige toegang (in-
dan wel uitpandig), waarvan de benedenverdieping in gebruik is als
kantoorruimte en de bovenverdieping als woonruimte. Dit geldt ook
voor de zelfstandig te gebruiken etages van een kantoorpand die
inpandig alleen toegankelijk zijn voor de gebruikers van de
etage(s), maar bereikbaar zijn via één gemeenschappelijke
uitpandige toegang/lift. Een voorbeeld waar geen sprake is van een
zelfstandig te gebruiken deel van een onroerende zaak vormt een
werkkamer in een woning die uitsluitend beschikt over een eigen
deur, maar niet over een zelfstandige toegang (in- dan wel
uitpandig). Een dergelijke kamer is qua gebruik volledig
geïntegreerd in het gebruik van de woning zelf.
......
[1] Met “nieuw” wordt bedoeld: gebouwen binnen de tweejaarstermijn
als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, 1°, van de wet,
waarvan de levering is belast. Met “oud” wordt bedoeld: gebouwen ná
afloop van de hiervoor bedoelde tweejaarstermijn, waarvan de
levering is vrijgesteld.
Het komt regelmatig voor dat grond en/of gebouwen worden over-
of onderbebouwd. Bij over/onderbebouwing is sprake van bebouwing in
meerdere lagen door het aanbrengen van nieuwe gebouwen in de
luchtkolom boven een perceel (on)bebouwde grond, dan wel onder
maaiveldniveau van een perceel (on)bebouwde grond. Voorbeelden zijn
een trein/metroverbinding op pilaren over landbouwgrond en een
bruggebouw op pilaren over een snelweg.
Om vast te stellen welk belastingregime geldt voor de over- of
onderbebouwing, is allereerst van belang of de over- of
onderbebouwing zelfstandig is ten opzichte van het over- of
onderbebouwde perceel grond of gebouw. Als de over- of
onderbebouwing geen zelfstandige zaak vormt, krijgt de over- of
onderbebouwing dezelfde kwalificatie als het over- of onderbebouwde
perceel grond of gebouw. Voor het bepalen van de zelfstandigheid
van de over- of onderbebouwing geldt het in § 3.2.1 beschreven
criterium.
Meestal wordt een perceel grond en/of een gebouw pas na verloop
van enige tijd over- of onderbebouwd. Ten behoeve van de nog te
realiseren over- of onderbebouwing worden regelmatig beperkte
zakelijke rechten gevestigd op het te over- of onder te bebouwen
perceel grond en/of gebouw. Het beperkt zakelijke recht volgt de
belastingstatus die geldt voor het te over- of onderbebouwen
perceel grond of gebouw op het tijdstip van vestiging van dat
recht. Voor de belastingstatus van een over- of onder te bebouwen
perceel grond is in dit verband alleen de status van het maaiveld
relevant. Als een beperkt zakelijk recht wordt gevestigd op een
gebouw dat zich onder de grond bevindt, zoals een tunnel, bepaalt
het ondergrondse gebouw de belastingstatus van het beperkte
zakelijke recht.
Het is niet mogelijk om de luchtkolom boven een nog te
overbebouwen perceel grond of gebouw te beschouwen als een aparte
onroerende zaak, waarop een beperkt zakelijk recht kan worden
gevestigd. Volgens artikel 12, lid 2, van de btw-richtlijn en de
jurisprudentie zijn gebouwen vast met de aardoppervlakte verbonden.
De uitwerking van deze algemene uitgangspunten wordt hierna
toegelicht aan de hand van enkele voorbeelden.
1. Een trein- of metroverbinding op pilaren
wordt over landbouwgrond heen gebouwd. De trein- of metroverbinding
is een zelfstandig te gebruiken zaak. De trein- of metroverbinding
vormt voor de belastingheffing dus een zelfstandige onroerende zaak
met een eigen belastingstatus (nieuw gebouw). De landbouwgrond
rondom de pilaren van de trein- of metroverbinding is zelfstandig
te gebruiken en heeft daarom ook een eigen belastingstatus
(onbebouwde grond). De stukken grond waarop de pilaren van de
trein- of metroverbinding rusten, zijn niet los van de trein- of
metroverbinding te gebruiken. Deze stukken grond volgen na de
aanleg van de verbinding de belastingstatus van de trein- of
metroverbinding (bebouwde grond).
2. Een zogenoemd bruggebouw wordt over een
bestaande snelweg (de snelweg is 11 jaar geleden aangelegd) heen
gebouwd. Het gebouw zal rusten op een boog die over de snelweg
wordt aangebracht (de “brug”) en op pilaren die naast de snelweg
worden geplaatst. De eigenaar van het bruggebouw is eigenaar van de
stukken grond waarop de pijlers van het bruggebouw rusten. De
eigenaar van het bruggebouw vestigt een opstalrecht op de snelweg
(de snelweg is eigendom van de gemeente). Het opstalrecht wordt
gevestigd omdat de brug van het bruggebouw boven de snelweg zal
liggen.
De snelweg en het bruggebouw zijn zelfstandig te gebruiken zaken
en vormen dus aparte onroerende zaken met een eigen
belastingstatus. De grond waarop de snelweg is aangelegd, hoort bij
de snelweg en vormt (vrijgestelde) bebouwde grond. De stukken grond
waarop de pijlers van het bruggebouw zullen rusten, horen bij het
bruggebouw en vormen een bouwterrein. Het opstalrecht volgt het
belastingregime dat geldt voor de snelweg (vrijgestelde bebouwde
grond). Het is niet mogelijk de luchtkolom boven de snelweg aan te
merken als een bouwterrein voor de nog te realiseren “brug” van het
bruggebouw.
Doorlevering van het bruggebouw vindt plaats via overdracht van
de eigendom van het gebouw met het daarbij behorende terrein en de
overdracht van het opstalrecht. Omdat het opstalrecht primair een
functie heeft met betrekking tot het inmiddels aangebrachte
bruggebouw, heeft het opstalrecht naar mijn mening geen
zelfstandige betekenis ten opzichte van het bruggebouw. In verband
hiermee geldt voor het opstalrecht het belastingregime dat van
toepassing is op het bruggebouw. Dit betekent dat de overdracht van
het opstalrecht belast is, als de levering van het bruggebouw
belast plaatsvindt.
Voor een bij een gebouw behorend terrein geldt het
belastingregime dat van toepassing is op het gebouw[1]. Van een bij
een gebouw behorend terrein is sprake als het terrein naar
maatschappelijke opvattingen behoort bij of dienstbaar is aan het
gebouw (artikel 11, eerste lid, onderdeel a, 1°, en artikel 11,
derde lid, onderdeel c, van de wet). Een tuin bij een huis vormt
een voorbeeld van een bij een gebouw behorend terrein.
.....
[1] Hof van Justitie 8 juni 2000, zaak C-400/98
(Breitsohl).
De levering van een nieuw vervaardigde onroerende zaak is van
rechtswege belast als deze plaatsvindt binnen de zogenoemde
tweejaarstermijn. Met de term “tweejaarstermijn” wordt bedoeld:
vóór, op of uiterlijk twee jaar ná het tijdstip waarop de
onroerende zaak voor het eerst in gebruik is genomen (artikel 11,
eerste lid, onderdeel a, 1°, van de wet).
Bij de eerste ingebruikneming als bedoeld in artikel 11, eerste
lid, onderdeel a, 1°, van de wet gaat het om het feitelijk voor het
eerst en op duurzame wijze gebruik maken van de onroerende zaak in
overeenstemming met de objectieve bestemming van de betrokken
onroerende zaak. Incidenteel of tijdelijk gebruik van een
onroerende zaak voor andere doeleinden dan de objectieve bestemming
vormt geen eerste ingebruikneming. Er is bijvoorbeeld geen sprake
van de eerste ingebruikneming als een nieuw kantoorpand gedurende
een maand wordt gebruikt voor de opslag van bouwmaterialen. Het
aangaan van bewakingsovereenkomsten ter voorkoming van het kraken
van een nieuw vervaardigde onroerende zaak leidt vanwege het
tijdelijke karakter van dit gebruik evenmin tot het in gebruik
nemen van de zaak.
Het is mogelijk dat de objectieve bestemming van een onroerende
zaak wijzigt. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de zaak door de
eigenaar of met (de al dan niet stilzwijgende) instemming van de
eigenaar duurzaam wordt gebruikt voor andere doeleinden dan de
objectieve bestemming. Te denken valt aan een nieuw kantoorpand,
dat wordt gekraakt voor woondoeleinden. Als de eigenaar van het
pand geen (juridische) stappen onderneemt om de kraaksituatie te
laten eindigen, is het pand voor het eerst in gebruik genomen.
Alsdan is de objectieve bestemming van het pand gewijzigd (van
kantoorpand in woning). Als de eigenaar van het pand wél
(juridische) stappen onderneemt tegen de krakers, is het pand nog
niet voor het eerst in gebruik genomen en verandert de objectieve
bestemming van het pand niet.
Bij een onroerende zaak die voor de belastingheffing bestaat uit
meerdere zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelten (een
zogenoemde deelbare zaak), vindt de ingebruikneming gefaseerd
plaats en wel per in gebruik genomen zelfstandig deel van de zaak.
Naar mijn mening biedt het arrest van de Hoge Raad van 12 september
2008, nr. 43.011, ruimte voor deze uitleg. Te denken valt aan een
nieuw kantoorgebouw dat bestaat uit meerdere zelfstandig te
gebruiken verdiepingen, die fasewijs in gebruik worden genomen. De
gemeenschappelijk gebruikte ruimtes in zo’n kantoorpand (zoals de
entree, receptie, liften, kantine e.d.) worden voor het eerst in
gebruik genomen op het moment dat de eerste (zelfstandige)
verdieping van het pand voor het eerst duurzaam in gebruik wordt
genomen.
Als een onroerende zaak voor de belastingheffing niet is op te
splitsen in zelfstandig te gebruiken of te exploiteren gedeelten,
wordt de zaak voor de belastingheffing als ondeelbaar beschouwd.
Met “ondeelbaar” wordt bedoeld dat de diverse gebruiksruimtes in de
onroerende zaak niet van elkaar zijn gescheiden (d.w.z. dat de
ruimtes niet beschikken over een zelfstandige toegang, in- dan wel
uitpandig). Een voorbeeld van een ondeelbare onroerende zaak is een
bedrijfshal, waarin alle gebruiksruimtes (zoals ontwerp, productie,
verkoop en administratie) zijn ondergebracht. Bij ondeelbare
onroerende zaken vindt de eerste ingebruikneming plaats als het
eerste deel van de zaak conform de objectieve bestemming duurzaam
in gebruik wordt genomen.
De levering van een goed is de overdracht of de overgang van de
macht om als eigenaar over dat goed te beschikken (artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, van de wet). Het begrip "goederen" omvat
onroerende zaken en rechten waaraan onroerende zaken zijn
onderworpen (met uitzondering van hypotheek en grondrente, zie
artikel 3, tweede lid, van de wet). De levering van een
appartementsrecht vormt de levering van een specifiek deel van een
onroerende zaak (het appartement). Deze levering valt onder artikel
3, eerste lid, onderdeel a, van de wet. De mede-eigendom in het
appartementencomplex[1] verschaft aan de houder van het
appartementsrecht namelijk de macht om als eigenaar te beschikken
over een specifiek deel van het appartementencomplex (het
appartement van de rechthebbende).
.......
[1] Het appartementsrecht heeft een hybride karakter: enerzijds
vormt het recht een aandeel in de onverdeelde eigendom van een
onroerende zaak (een appartementencomplex), anderzijds verschaft
dit recht de houder het exclusieve gebruiksrecht op een appartement
en eventueel een parkeerplaats in het
appartementencomplex.
Een perceel onbebouwde grond dat voldoet aan één of meerdere
criteria die zijn opgenomen in artikel 11, vierde lid van de wet,
vormt een bouwterrein. Of een bouwterrein wordt geleverd, moet
worden beoordeeld op het tijdstip van levering van het betrokken
perceel grond. Op dat tijdstip moet worden beoordeeld of een in
artikel 11, vierde lid van de wet bedoelde handeling is verricht
met het oog op de bebouwing van dat perceel.
In de volgende drie paragrafen komen bepaalde aspecten aan de
orde die ook van belang zijn voor bouwterreinen.
Sloophandelingen vormen als zodanig geen bewerkingen aan
onbebouwde grond als bedoeld in artikel 11, vierde lid, onderdeel
a, van de wet. Het is niet relevant met welk (subjectief) doel de
sloophandelingen zijn verricht. Met name is niet van belang of de
sloophandelingen plaatsvinden met het oog op de bouw van nieuwe
gebouwen (Hoge Raad 10 augustus 2001, nr. 36.686). Tot de sloopfase
behoren naast het verwijderen van de op en in het perceel grond
aanwezige onroerende constructies[1] in beginsel ook het zuiveren
van het perceel grond van (sloop)puin en het opvullen van de gaten
in de grond die zijn ontstaan na het verwijderen van de
fundering[2].
Het geheel of gedeeltelijk slopen van bestaande gebouwen leidt
dus niet tot het ontstaan van een bouwterrein. Grond waarop zich
een gedeeltelijk gesloopt gebouw bevindt, vormt voor de
belastingheffing nog steeds bebouwde grond (Hoge Raad 7 maart 2003,
nr. 37.525)[3]. Bij een gedeeltelijke sloop is op of in de grond
nog een constructie aanwezig (bijvoorbeeld (restanten van) muren
en/of de fundering).
Bewerkingen aan grond nadat die door sloop onbebouwd is geraakt,
kunnen aan de grond het karakter van bouwterrein verlenen, ook als
deze bewerkingen van gering kaliber zijn (Hoge Raad 14 november
2008, nrs. 42.860 en 43.246). De bewerkingen dienen wel te worden
verricht met het oog op de bebouwing van de grond. Bij deze
bewerkingen valt te denken aan het egaliseren van grond, het
reinigen van vervuilde grond en het voorbelasten van grond via het
aanbrengen van een zandlaag.
........
[1] D.w.z. het verwijderen van de boven en onder maaiveldniveau
aanwezige constructies, zoals de muren en de fundering.
[2] Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2000, nr. 99/00575, Gerechtshof
’s-Hertogenbosch 13 december 2002, nr. 00/0268 en Hoge Raad 10
augustus 2001, nr. 36.686.
[3] De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van
Justitie over de belastbaarheid van de levering van grond waarop
zich een gebouw bevindt dat gedeeltelijk is gesloopt met het oog op
een nieuw op te richten gebouw (Hoge Raad 3 oktober 2008, nr.
41.510).
Van een bouwterrein is onder meer sprake als voor onbebouwde
grond een bouwvergunning is verleend (artikel 11, vierde lid,
onderdeel d, van de wet). Als op het moment van levering van een
perceel onbebouwde grond een bouwvergunning aanwezig is, is de
levering van het perceel belast. Het schorsen of intrekken van de
bouwvergunning ná de levering van het betrokken perceel grond heeft
geen invloed op de belastingheffing bij die levering (Gerechtshof
Arnhem MK II, 14 juli 2006, nr. 04/00417).
De vereiste bouwvergunning is aanwezig als er hetzij een lichte
bouwvergunning[1] , hetzij een reguliere bouwvergunning is
verleend. Een reguliere bouwvergunning kan in twee fasen worden
verleend[2]. Bij een gefaseerd verleende bouwvergunning worden in
de eerste fase de ruimtelijke- en welstandstechnische aspecten
beoordeeld en in de tweede fase de bouwtechnische aspecten. Pas na
het verlenen van de bouwvergunning tweede fase mogen de
bouwwerkzaamheden beginnen en is volledig zeker dat de grond als
bouwgrond mag worden gebruikt. Aan het bouwvergunningvereiste van
artikel 11, vierde lid, onderdeel d, van de wet is bij een
reguliere bouwvergunning pas voldaan, als zowel de bouwvergunning
eerste fase als de bouwvergunning tweede fase is verleend.
Een bouwvergunning kan voor één perceel grond worden verleend of
voor een complex van percelen grond. Als een perceel grond wordt
geleverd dat onderdeel vormt van een groter perceel waarvoor een
bouwvergunning is afgegeven, is ook het geleverde perceel een
bouwterrein (Gerechtshof Arnhem 19 april 2002, nr. 01/01699).
.......
[1] Een lichte bouwvergunning wordt in één keer verleend voor
minder ingrijpende verbouwingen
[2] Zie het vanaf 1 januari 2003 geldende artikel 56a, eerste lid,
van de Woningwet.
Het is mogelijk dat de bouwbestemming die op een perceel
onbebouwde grond rust, vóór de levering van het perceel wijzigt of
vervalt. Het wijzigen of vervallen van de bouwbestemming leidt er
op zichzelf niet toe dat het betrokken perceel de status van
bouwterrein verliest. Het perceel verliest wel de status van
bouwterrein als de/alle in artikel 11, vierde lid, van de wet
bedoelde handeling(en) ongedaan is/zijn gemaakt die het perceel de
status van bouwterrein bezorgde(n). Bij wijziging van de
bouwbestemming blijft sprake van een bouwterrein als de bewerkingen
die hebben plaatsgevonden met het oog op de eerdere bouwbestemming
het perceel grond ook een geschiktheid hebben gegeven voor de
nieuwe bouwbestemming (Hoge Raad 24 december 2004, nr. 39.489
(dijkverzwaringsarrest)).
De levering van een onroerende zaak is van rechtswege belast als
deze levering plaatsvindt vóór, op of uiterlijk twee jaar nadat de
onroerende zaak voor het eerst in gebruik is genomen (artikel 11,
eerste lid, onderdeel a, 1°, van de wet). Het opnieuw belasten van
de tweede of volgende levering van een onroerende zaak binnen de
tweejaarstermijn kan leiden tot cumulatie van belastingdruk. Deze
cumulatie treedt op als een ondernemer[1] een onroerende zaak heeft
verkregen van een particulier en hij de onroerende zaak binnen de
tweejaarstermijn voor de tweede of volgende keer levert aan een
(andere) particulier.
Ter voorkoming van deze cumulatie keur ik goed dat de
verkoper/ondernemer bij de volgende belaste levering van de
onroerende zaak alleen belasting voldoet voor zover de vergoeding
voor deze levering de vergoeding overtreft van de vorige levering.
Bij het vaststellen van de vergoeding van de eerste of vorige
levering dient rekening te worden gehouden met een vermindering van
de vergoeding als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b,
van de wet. Ik verbind aan deze goedkeuring de voorwaarde dat de
verkoper/ondernemer overdrachtsbelasting voldoet over het bedrag
dat bij de (latere) levering buiten de belastingheffing blijft[2].
Deze goedkeuring kan ook worden toegepast bij de opeenvolgende
levering van bouwterreinen waarbij de hiervoor bedoelde cumulatie
van belasting optreedt.
........
[1] Het kan hierbij gaan om de oorspronkelijke
verkoper/(bouw)ondernemer, maar ook om een andere
verkoper/ondernemer.
[2] De goedkeuring laat de toepassing van artikel 13 van de Wet op
belastingen van rechtsverkeer onverlet.
De levering van onroerende zaken en de daarop gevestigde rechten
wordt op verzoek van de betrokken partijen belast als de partijen
aan bepaalde voorwaarden voldoen (artikel 11, eerste lid, onderdeel
a, 2°, en vijfde lid van de wet en artikel 6 van de
uitvoeringsbeschikking). De partijen kunnen opteren voor
belastingheffing via een gezamenlijk door hen ingediend verzoek aan
de inspecteur of via de notariële akte van levering van de
betrokken onroerende zaak.
De optie voor de belaste levering van een onroerende zaak is
alleen mogelijk als de afnemer bij het gebruik van de onroerende
zaak vol-doet aan de 90%-norm. De afnemer voldoet aan de 90%-norm
als hij voor de onroerende zaak voor 90% of meer recht heeft op
aftrek van belasting. Met “voor 90% of meer recht op aftrek” wordt
bedoeld dat de afnemer de onroerende zaak voor 90% of meer gebruikt
voor han-delingen waarvoor recht bestaat op aftrek van belasting op
grond van artikel 15 van de wet.
Bij het beoordelen of de afnemer voldoet aan de 90%-norm worden
bepaalde handelingen niet in aanmerking genomen als handelingen
waarvoor recht bestaat op aftrek van belasting (zie artikel 11,
vijfde lid, van de wet in samenhang met artikel 3, derde lid, en
artikel 4, tweede lid, van de wet). Dit betekent onder meer dat bij
de toetsing aan de 90%-norm het in de belastingheffing betrokken
privégebruik van de onroerende zaak wordt beschouwd als gebruik
voor handelin-gen waarvoor geen recht bestaat op aftrek van
belasting.
In bepaalde situaties is het niet wenselijk om vast te houden
aan de wettelijke voorwaarden die gelden voor de optie voor het
belast leveren van onroerende zaken. In verband hiermee sta ik toe
dat deze wettelijke voorwaarden in bepaalde gevallen worden
versoepeld. Hieronder komen deze versoepelingen aan de orde.
De optie voor het belast leveren van een onroerende zaak is
mogelijk voor een zelfstandige onroerende zaak (zie § 3.2.1). Ik
keur goed dat de optie voor een belaste levering ook mogelijk is
voor een gedeelte van een onroerende zaak, dat volgens § 3.2.1 niet
is te beschouwen als een zelfstandige onroerende zaak, maar dat in
economisch opzicht wél zelfstandig is te gebruiken of te
exploiteren. Het gaat hier bijvoorbeeld om een unit in een
kantoorpand of bedrijfsverzamelgebouw, die via flexibele
wanden is begrensd. De optie is uiteraard alleen mogelijk voor
zover de afnemer bij het gebruik van het hiervoor bedoelde gedeelte
van de onroerende zaak voldoet aan de 90%-norm (zie § 4.4).
Als sprake is van de levering van een gebouw met een erbij
behorend terrein, kunnen dat gebouw en terrein voor de
belastingheffing niet van elkaar worden gescheiden (Hof van
Justitie 8 juni 2000, zaak C-400/98 (Breitsohl)). De optie voor de
belaste levering kan dan niet worden toegepast op alleen het gebouw
of alleen het bijbehorende terrein.
Het vasthouden aan de 90%-norm leidt in bepaalde branches en
sectoren tot een verstoring van de concurrentieverhoudingen. Ik
keur daarom goed dat de 90%-norm voor de volgende branches en
sectoren wordt verlaagd naar 70%:
- Organisaties die de belangen behartigen van hun
leden die deze belangen hebben in de hoedanigheid van werkgever.
- Makelaardij in onroerende zaken, hieronder
begrepen het bemiddelen bij hypotheken en verzekeringen.
- Reisbureaubranche, hieronder begrepen het als
tussenpersoon bemiddelen bij verzekeringen.
- Juridisch zelfstandige arbodiensten.
Bij de optie voor de belaste levering van de onroerende zaak
moet de afnemer aan de leverancier duidelijk maken dat:
- zijn onderneming deel uitmaakt van één van de
aangewezen branches en sectoren en
- hij voor tenminste 70% recht heeft op aftrek
van belasting volgens artikel 15 van de wet.
De afnemer moet dit duidelijk maken via een door hem
ondertekende schriftelijke verklaring aan de leverancier, die is
gevoegd bij het optieverzoek of de notariële akte van de levering.
Bij het uitoefenen van de optie voor de belaste levering zijn de
regels uit artikel 6 van de uitvoeringsbeschikking van
overeenkomstige toepassing.
Een branche of sector die onder de 70%-norm wil vallen en niet in
deze paragraaf is genoemd, moet het verzoek hiervoor richten aan
het ministerie van Financiën. De betrokken branche of sector moet
aantonen dat binnen de branche of sector zowel ondernemers werkzaam
zijn die voor 90% of meer recht hebben op aftrek van belasting, als
ondernemers die niet aan deze 90%-norm voldoen maar wel voor 70% of
meer recht hebben op aftrek van belasting. Verder moet de branche
of sector aantonen dat de ondernemers die voor 70% of meer recht
hebben op aftrek van belasting, een belangrijk deel vormen van de
branche of sector
Diplomatieke instellingen en internationale organisaties voldoen
niet aan de 90%-norm. Deze instellingen en organisaties hebben op
grond van internationale overeenkomsten en verdragen echter meestal
recht op vrijstelling van belasting. Deze vrijstelling kan ook
betrekking hebben op de aankoop van onroerende zaken. Het
vasthouden aan de 90%-norm zou tot gevolg hebben dat de betrokken
instellingen en organisaties bij de aanschaf van onroerende zaken
worden geconfronteerd met belastingdruk. Dit gevolg is niet
gewenst. In verband hiermee keur ik goed dat bij de levering van
onroerende zaken aan diplomatieke instellingen en internationale
organisaties als volgt wordt gehandeld[1].
- de leverancier brengt aan de diplomatieke
instelling/internationale organisatie belasting in rekening voor de
levering van de onroerende zaak via een factuur die voldoet aan de
wettelijke eisen; en
- de betrokken instelling/organisatie toont bij
de inspecteur waaronder zij ressorteert aan, dat zij recht heeft op
de hiervoor bedoelde belastingvrijstelling; en
- de betrokken instelling/organisatie dient bij
de inspecteur waaronder zij ressorteert een verzoek in om teruggaaf
van de belasting die haar in rekening is gebracht voor de aankoop
van de onroerende zaak. De instelling/organisatie gebruikt hierbij
het teruggaafformulier Omzetbelasting/Accijns-Teruggaaf bij gebruik
voor diplomatieke doeleinden en door internationale organisaties.
........
[1] Zonder een optie voor de belaste levering en zonder verlegging
van belastingheffing naar de afnemer.
Bij bepaalde handelingen met betrekking tot onroerende zaken of
rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen wordt de heffing
van de belasting verlegd naar de afnemer, als deze ondernemer is
voor de belastingheffing (artikel 12, derde en vierde lid, in
samenhang met de artikelen 24b en 24ba van het uitvoeringsbesluit).
In de volgende paragrafen worden enkele situaties besproken waarin
de belastingheffing wordt verlegd.
Bij het uitvoeren van werken van stoffelijke aard die betrekking
hebben op onroerende zaken wordt de heffing van de belasting
verlegd (artikel 12, vierde lid, van de wet, in samenhang met
artikel 24b, eerste en vijfde lid, van het uitvoeringsbesluit). De
belastingheffing wordt verlegd in de relatie tussen onderaannemer
en aannemer (waaronder de eigenbouwer) en de relatie tussen
uitlener en inlener van personeel. Voor de uitleg van de term "werk
van stoffelijke aard" uit artikel 24b, eerste lid, onderdeel b, van
het uitvoeringsbesluit is artikel 35, tweede lid, van de
Invorderingswet beslissend. Het begrip “werk van stoffelijke aard”
omvat niet alleen de werkzaamheden die betrekking hebben op het
opleveren van nieuw vervaardigde onroerende zaken, maar ook
werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van het onderhoud
aan onroerende zaken. Het uitvoeren van "werken van stoffelijke
aard" omvat bijvoorbeeld niet alleen het aanleggen van nieuwe
tuinen, maar ook het plegen van onderhoud aan tuinen. Een ander
voorbeeld van een werk van stoffelijke aard is het verrichten van
schoonmaakwerkzaamheden met betrekking tot zowel oude als nieuwe
onroerende zaken[1].
........
[1] Voor de begrippen “oude” en “nieuwe” onroerende zaken wordt
verwezen naar voetnoot 1 bij § 3.2.1.
Vanaf 1 januari 2008 wordt bij de executoriale verkoop van onder
meer onroerende zaken en rechten waaraan onroerende zaken zijn
onderworpen de heffing van belasting verlegd naar de afnemer
(artikel 12, vierde lid, van de wet, in samenhang met artikel 24ba,
eerste lid, onderdelen d en e van het uitvoeringsbesluit). De
verlegging geldt voor:
1. De levering van in zekerheid gegeven
onroerende zaken of rechten waaraan onroerende zaken zijn
onderworpen tot executie van die zekerheid (artikel 24ba, eerste
lid, onderdeel d, van het uitvoeringsbesluit). Het gaat hier om de
levering op last van de zekerheidsgerechtigde. Bij deze levering
gaat het met name om de volgende situaties:
- De verkoop van een onroerende zaak waarop een
hypotheek rust door de hypotheekhouder (meestal een bank)[1]. Deze
verkoop vindt zowel binnen als buiten faillissement plaats.
........
[1] De hypotheekhouder heeft het wettelijke recht van parate
executie, d.w.z. dat hij kan verkopen zonder voorafgaand beslag en
zonder executoriale titel.
- De verkoop van een onroerende zaak waarop een
hypotheek rust door de curator. Hierbij sluit de curator met de
hypotheekhouder een overeenkomst waarbij de curator zich verbindt
om namens de hypotheekhouder de onroerende zaak te verkopen (de
zogenoemde “oneigenlijke lossing”). Deze verkoop vindt plaats
binnen faillissement.
In andere gevallen waarbij de curator een onroerende zaak
onderhands verkoopt waarop een hypotheek rust, geldt de verlegging
van artikel 24ba, eerste lid, onderdeel d, van het
uitvoeringsbesluit niet[1]. Deze verkoop vindt namelijk niet plaats
op last van een zekerheidsgerechtigde.
........
[1] Als de hypotheekhouder binnen de wettelijk vastgestelde termijn
niet tot verkoop van de betrokken onroerende zaak overgaat, kan de
curator de onroerende zaak opeisen en in het openbaar verkopen of
met toestemming van de rechter-commissaris onderhands
verkopen.
2. De levering van een onroerende zaak of een
recht waaraan deze is onderworpen op grond van een executoriale
titel door de executieschuldenaar (artikel 24ba, eerste lid,
onderdeel e, van het uitvoeringsbesluit). Het gaat hier om de
levering van een onroerende zaak op last van degene die een
executoriale titel heeft. Bij deze levering gaat het met name om:
- De verkoop van een onroerende zaak door degene
die beslag heeft gelegd op die zaak en die met een gerechtelijk
vonnis (een executoriale titel) overgaat tot verkoop via een
openbare veiling. Deze verkoop vindt plaats buiten faillissement.
- De verkoop van een onroerende zaak door de
ontvanger van de Belastingdienst die op de onroerende zaak beslag
heeft gelegd. Het dwangbevel van de ontvanger vormt hierbij de
executoriale titel (artikel 14, tweede lid, Invorderingswet).
- De verkoop van een onroerende zaak door de
curator in een faillissement die verkoopt via een openbare veiling.
Het gerechtelijke faillissementsvonnis vormt hierbij de
executoriale titel.
De verlegging van de heffing geldt bij de executoriale verkoop
van onroerende zaken die van rechtswege zijn belast (zoals
bouwterreinen en nieuwe onroerende zaken). Verder wordt de heffing
verlegd bij de executoriale verkoop van onroerende zaken waarbij
partijen hebben geopteerd voor een belaste levering. De
verleggingsregeling geldt ook als de veilingregeling (artikel 3,
vijfde lid, van de wet) of de commissionairsbepaling (artikel 3,
zesde lid, van de wet) van toepassing is (zie echter de in § 5.4
opgenomen goedkeuring). De verlegging geldt dus ook in de relatie
tussen veilinghouder/commissionair en de koper.
Goederen die over een veiling worden verhandeld, worden geacht
aan en vervolgens door de houder van de veiling te zijn geleverd
(artikel 3, vijfde lid, van de wet). De toepassing van de
veilingregeling bij onroerende zaken[1] leidt tot cumulatie van
belastingdruk als een nieuwe onroerende zaak[2] door een ander dan
een ondernemer via een veiling wordt verkocht aan een andere
niet-ondernemer, die de belasting voor de geleverde onroerende zaak
niet in aftrek kan brengen. Ter voorkoming van deze cumulatie keur
ik goed dat artikel 3, vijfde lid, van de wet buiten toepassing
blijft bij niet-ondernemers die nieuwe onroerende zaken aanbrengen
bij veilingen. Overigens moet de veilinghouder in deze gevallen wél
belasting voldoen over de provisie die hij ontvangt voor de
bemiddeling bij de verkoop.
...............
[1] Onroerende zaken vallen niet onder de margeregeling.
[2] D.w.z. onroerende zaken die worden geleverd binnen de
tweejaarstermijn bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a,
1°, van de wet.
Bij de levering van onroerende zaken komt geregeld de vraag aan
de orde of artikel 29 van de wet van toepassing is bij een
vermindering of het niet ontvangen van de vergoeding voor deze
levering. Hierna worden enkele situaties behandeld waarbij dit
aspect speelt.
Het komt voor dat projectontwikkelaars een zogenoemde
huurgarantieclausule opnemen in een overeenkomst tot het belast
leveren van een onroerende zaak aan (een) belegger(s). Deze
clausule houdt in dat de projectontwikkelaar garandeert dat de
onroerende zaak volledig in verhuurde staat, met een bepaald
rendement, aan de belegger wordt geleverd. Als de onroerende zaak
op de datum van de levering niet volledig is verhuurd of is
verhuurd tegen een lagere huur dan het gegarandeerde minimale
rendement, is de projectontwikkelaar op grond van de overeenkomst
verplicht aan de belegger een bedrag te betalen in verband met de
gemiste huuropbrengst. Zo’n huurgarantieclausule vormt feitelijk
een rendementsgarantie van de projectontwikkelaar aan de
belegger(s). Uit praktische overwegingen keur ik goed dat de
bedragen die een projectontwikkelaar betaalt op grond van een
dergelijke huurgarantieclausule, worden beschouwd als een
vermindering van de vergoeding voor de geleverde onroerende zaak
als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de wet. Als
de projectontwikkelaar op het moment van levering van de onroerende
zaak direct korting verleent in verband met een huurgarantie, moet
hij het kortingsbedrag op de vergoeding voor de levering in
mindering brengen. In die situatie is artikel 29 van de wet niet
van toepassing.
In de praktijk komt het voor dat beleggers een huurgarantie de
vorm geven van een aanvullende huurovereenkomst. Als ruimten op het
moment van levering van de onroerende zaak niet zijn verhuurd,
treedt voor deze ruimten een aanvullende huurovereenkomst in
werking. Hierbij treedt de projectontwikkelaar op als huurder van
de betrokken ruimten, zonder dat hij die ruimten daadwerkelijk in
gebruik neemt. De aanvullende huurovereenkomst kan een looptijd van
verschillende jaren hebben. Een dergelijke aanvullende
huurovereenkomst vormt feitelijk geen huur, maar een
rendementsgarantie van de projectontwikkelaar aan de belegger(s).
Uit praktische overwegingen keur ik goed dat de bedragen die de
projectontwikkelaar betaalt op grond van zo’n aanvullende
huurovereenkomst ook worden beschouwd als een vermindering van de
vergoeding voor de levering van de onroerende zaak als bedoeld in
artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de wet. Ik heb er verder
geen bezwaar tegen dat voor de toepassing van artikel 3, tweede
lid, van de wet geen rekening wordt gehouden met de vermindering
van de vergoeding die voortvloeit uit zo’n aanvullende
huurovereenkomst. Voor artikel 3, tweede lid, van de wet is de
oorspronkelijk tussen de projectontwikkelaar en de belegger
overeengekomen vergoeding beslissend.
De verhuur van een (gedeelte van een) onroerende zaak in het
kader van een huurgarantie heeft niet tot gevolg dat (het betrokken
gedeelte van) de zaak is gebruikt als bedoeld in artikel 15, vierde
lid, van de wet. De verhuur in het kader van een huurgarantie heeft
ook geen gevolgen voor het tijdstip van eerste ingebruikneming van
(het betrokken gedeelte van) de onroerende zaak als bedoeld in
artikel 11, eerste lid, onderdeel a, 1°, van de wet.
In aannemingscontracten is meestal een bepaling opgenomen over
de termijn van oplevering van een onroerende zaak. Als de aannemer
zich niet aan die termijn houdt, moet hij vaak een boete betalen
aan de koper. De boete is niet te beschouwen als een vermindering
van de vergoeding voor de oplevering van de onroerende zaak als
bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de wet. De
boete verlaagt de vooraf vastgestelde hoogte van de overeengekomen
koopprijs niet, maar vormt een schadevergoeding voor de koper omdat
de aannemer wanprestatie pleegt. De boete vormt overigens geen
vergoeding voor een belaste handeling en heeft geen invloed op de
belasting die verschuldigd is voor de oplevering van de onroerende
zaak[1] (zie ook hoofdstuk 8).
.........
[1] In tegenovergestelde zin: Gerechtshof Den Haag 28 maart 2008,
nrs. BK-2006/00181, BK 08/00079 en BK 08/00080. Tegen deze
uitspraak is beroep in cassatie ingesteld
Het komt voor dat de levering van een onroerende zaak op verzoek van de koper wordt uitgesteld en dat de koper voor dit uitstel aan de verkoper een vergoeding moet betalen voor de rentederving die de verkoper hierdoor ondervindt. De rente die de koper aan de verkoper moet betalen vormt een onderdeel van de vergoeding voor de toekomstige levering van de onroerende zaak. De mogelijkheid bestaat dat op het tijdstip waarop de koper de rente aan de verkoper betaalt nog niet vaststaat of de levering van de onroerende zaak belast of vrijgesteld zal plaatsvinden. Als op het tijdstip van de rentebetaling door de koper wordt verwacht dat de levering van de onroerende zaak vrijgesteld zal plaatsvinden, zal de leverancier over de rente geen belasting voldoen. Als op het tijdstip van levering van de onroerende zaak blijkt dat de levering van de onroerende zaak toch belast plaatsvindt, moet op dat tijdstip alsnog belasting over de rente worden voldaan.
Van de “verhuur” van een onroerende zaak is sprake als de
eigenaar van een onroerende zaak (de verhuurder of de
onderverhuurder) aan een huurder onder bezwarende titel (d.w.z.
tegen ontvangst van een vergoeding (huur)) voor een overeengekomen
tijdsduur het recht verleent om een (gedeelte van een) onroerende
zaak exclusief te gebruiken[1]. Met “exclusief gebruik” wordt
bedoeld dat de huurder de onroerende zaak mag gebruiken als ware
hij de eigenaar van de zaak en het recht heeft om iedere andere
persoon van het genot van dat recht uit te sluiten.
........
[1] Hof van Justitie 12 september 2000, zaken C-358/97 en C-359/97
(Commissie tegen Ierland en Commissie tegen het Verenigd
Koninkrijk), Hof van Justitie 18 januari 2001, zaak nr. C-150/99
(Stockholm Lindöpark), Hof van Justitie 16 januari 2003, zaak
C-315/00, (Maierhofer), Hof van Justitie 12 juni 2003, zaak
C-275/01 (Sinclair Collis), Hof van Justitie 9 oktober 2001, zaak
nr. C-409/98 (Mirror Group), Hof van Justitie 9 oktober 2001, zaak
C-108/99 (Cantor Fitzgerald), Hof van Justitie 18 november 2004,
zaak C-284/03 (Temco Europe), Hof van Justitie 3 maart 2005, zaak
C-428/03 (FML), Hof van Justitie 7 september 2006, zaak C-166/05
(Heger) en Hof van Justitie 6 december 2007, zaak C-451/06
(Walderdorff).
Het Hof van Justitie heeft de hiervoor opgesomde criteria voor
de verhuur van een onroerende zaak in bepaalde opzichten
genuanceerd. Zo is het niet noodzakelijk dat de partijen de
tijdsduur van de huur vooraf bij het sluiten van de
huurovereenkomst vastleggen. Ook kan het exclusieve gebruiksrecht
van de huurder in bepaalde opzichten worden beperkt (zie het eerder
genoemde Temco Europe-arrest en Sinclair Collis-arrest). Als een
huurovereenkomst naast een exclusief gebruiksrecht op een bepaald
gedeelte van een onroerende zaak ook het recht geeft op een
niet-exclusief gebruiksrecht van gemeenschappelijke voorzieningen
in of bij die onroerende zaak, zoals de kantine, de lift, de
receptie e.d., dan gaat het gebruiksrecht van de gemeenschappelijke
voorzieningen op in de verhuurdienst.
Het zogenoemde inscharingsrecht vormt geen verhuur van een
onroerende zaak. Het inscharingsrecht geeft uitsluitend recht op
het laten grazen van dieren op grasland. Vanwege de beperkte
reikwijdte van het inscharingsrecht is geen sprake van een
exclusief gebruiksrecht zoals hiervoor bedoeld.
In de praktijk komen geregeld vragen op wanneer niet langer
sprake is van de (vrijgestelde) verhuur van een onroerende zaak
maar van een andere (belaste) prestatie.
Het enkele feit dat de prestatieverrichter aan de afnemer een
onroerende zaak ter beschikking stelt, betekent niet automatisch
dat de prestatie dan bestaat uit de verhuur van een onroerende
zaak. Het ter beschikking stellen van een onroerende zaak kan
slechts een element vormen van het verrichten van een andere
prestatie, waar het de afnemer in essentie om gaat. De
terbeschikkingstelling van de onroerende zaak gaat dan op in die
andere prestatie. Aan de hand van de feiten en omstandigheden moet
worden beoordeeld om welke prestatie het eigenlijk gaat. Enkele
voorbeelden van situaties waarbij geen sprake is van de verhuur van
een onroerende zaak, maar van een andere prestatie zijn:
- het ter beschikking stellen van tolwegen (zie
de hiervoor genoemde arresten Commissie tegen Ierland en Commissie
tegen Verenigd Koninkrijk).
- het laten plaatsen en exploiteren van een
sigarettenautomaat in een horeca-inrichting (zie het eerder
genoemde Sinclair Collis arrest).
- het exploiteren van een golfbaan (zie het
eerder genoemde Stockholm Lindöpark arrest).
- het ter beschikking stellen van de (meestal
technische) infrastructuur of faciliteiten voor het verrichten van
bepaalde (beroeps)activiteiten. Te denken valt aan de
terbeschikkingstelling van sportaccommodaties aan sporters[1] en
videoconferencingruimtes[2] .
..............
[1] Zie de toelichting bij post b 3 van Tabel I (Besluit
Omzetbelasting. Tabel I , nr. CPP 2007/536M, d.d. 27 september 2007
(Stcrt. 2007, 195)).
[2] Ruimte met specifieke communicatiemiddelen (o.a. camera’s en
geluidsapparatuur) die het mogelijk maakt om te vergaderen met
personen die zich in een andere videoconferencingruimte (veelal in
het buitenland) bevinden
- het door beheerders van
raamprostitutiebedrijven ter beschikking stellen van de
faciliteiten die nodig zijn voor het beoefenen van prostitutie aan
prostituees die op zelfstandige basis werkzaam zijn. De
faciliteiten die de beheerder aanbiedt bestaan uit kamers die
specifiek voor prostitutiebeoefening zijn ingericht en per dagdeel
beschikbaar zijn en uit het bieden van een veilige en schone[1]
werkomgeving aan de prostituees en hun klanten. De beheerder
beschikt over een vergunning tot het uitoefenen van een
raamprostitutiebedrijf, die hem verplicht om toe te zien op de
veiligheid van de prostituees en hun klanten (Rechtbank Haarlem 6
februari 2009, nr. AWB 08/5532 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15
april 2008, nr. 06/00421).
.............
[1] De beheerder zorgt voor het schoonmaken van de kamer en het
verstrekken van schoon linnengoed.
De verhuur van onroerende zaken, andere dan woningen, wordt op
verzoek van de huurder en de verhuurder belast als zij aan bepaalde
voorwaarden voldoen (artikel 11, eerste lid, onderdeel b, 5°, en
vijfde lid van de wet en artikel 6a van de uitvoeringsbeschikking).
De verhuur kan alleen worden belast als de huurder bij het gebruik
van de onroerende zaak in elk boekjaar voldoet aan de 90%-norm
(artikel 6a, vijfde lid, van de uitvoeringsbeschikking). Voor de
uitleg van de 90%-norm verwijs ik naar § 4.4. De huurder en de
verhuurder kunnen opteren voor belastingheffing via een gezamenlijk
door hen ingediend verzoek aan de inspecteur of via de
schriftelijke huurovereenkomst voor de betrokken onroerende zaak.
Als partijen al dan niet via de huurovereenkomst hebben geopteerd
voor belaste verhuur, kunnen zij niet op deze keuze terugkomen. De
belaste verhuur loopt door bij een wisseling in de persoon van de
verhuurder, ongeacht of sprake is van een situatie als bedoeld in
artikel 31 van de wet.
Het onverkort vasthouden aan de wettelijke voorwaarden voor de
belaste verhuur van onroerende zaken is in bepaalde situaties niet
wenselijk/noodzakelijk. In verband hiermee heb ik de wettelijke
voorwaarden voor bepaalde situaties versoepeld. Hieronder komen
deze versoepelingen aan de orde.
De optie voor het belast verhuren van een onroerende zaak is
mogelijk voor een (fysiek) zelfstandige onroerende zaak en voor een
gedeelte van een onroerende zaak dat in economisch opzicht
zelfstandig is te gebruiken of te exploiteren (zie § 3.2.1). Ik
keur goed dat de optie voor de belaste verhuur ook mogelijk is voor
een gedeelte van een onroerende zaak, dat volgens § 3.2.1 niet is
te beschouwen als een zelfstandige onroerende zaak, maar dat in
economisch opzicht wél zelfstandig is te gebruiken of te
exploiteren. Bij een zelfstandig te gebruiken/exploiteren gedeelte
gaat het bijvoorbeeld om een unit in een kantoorpand of
bedrijfsverzamelgebouw, die via flexibele wanden is begrensd. In
het optieverzoek of de tussen partijen gesloten schriftelijke
huurovereenkomst moet het bewuste gedeelte van de onroerende zaak
duidelijk worden omschreven.
Het is mogelijk dat twee of meer (fysiek) zelfstandige
onroerende zaken of twee of meer gedeelten van een onroerende zaak
die in economisch opzicht zelfstandig zijn te gebruiken of te
exploiteren (zie § 3.2.1), worden verhuurd via één (schriftelijke)
verhuurovereenkomst die ook betrekking heeft op andere (gedeelten
van) onroerende zaken die niet voor economische activiteiten worden
gebruikt. Te denken valt aan een verhuurovereenkomst die betrekking
heeft op een café-/winkelpand met bovenwoning. Ook in deze situatie
is de optie voor de belaste verhuur mogelijk per zelfstandige
onroerende zaak of zelfstandig te gebruiken/exploiteren gedeelte
van een onroerende zaak. In de verhuurovereenkomst moet (het
gedeelte van) de onroerende zaak waarvoor wordt geopteerd voor
belastingheffing, duidelijk worden omschreven. De optie voor de
belaste verhuur is ook mogelijk voor een gedeelte van een
onroerende zaak, dat volgens § 3.2.1 geen zelfstandige onroerende
zaak vormt maar dat in economisch opzicht wél zelfstandig is te
gebruiken of te exploiteren (zoals de hiervoor bedoelde unit in een
bedrijfspand), dat wordt verhuurd via één (schriftelijke)
verhuurovereenkomst die ook betrekking heeft op andere gedeelten
van een onroerende zaak die niet voor economische activiteiten
worden gebruikt. Ook hierbij geldt als voorwaarde dat het betrokken
gedeelte van de onroerende zaak duidelijk moet zijn omschreven in
het optieverzoek of de huurovereenkomst.
In § 4.5.2 is goedgekeurd dat de 90%-norm bij de optie voor
belaste levering van een onroerende zaak voor bepaalde branches en
sectoren wordt verlaagd naar 70%. Deze goedkeuring geldt ook bij de
optie voor belaste verhuur. De in § 4.5.2 gestelde voorwaarden en
opgenomen uitgangspunten gelden hier ook, met inachtneming van de
verschillen tussen de optie voor de belaste levering en de optie
voor de belaste verhuur.
De datum waarop de inspecteur het verzoek van de partijen
inwilligt om de verhuur van een onroerende zaak te belasten, kan in
principe niet liggen vóór de datum waarop de partijen het
optieverzoek hebben ingediend. Ik keur goed dat de inspecteur de
datum van ingang volgt die is genoemd in het optieverzoek van de
partijen, mits deze ingangsdatum niet meer dan drie maanden vóór de
datum van indiening van het optieverzoek ligt. Hetzelfde geldt als
partijen hebben geopteerd voor belastingheffing via de
schriftelijke verhuurovereenkomst die zij hebben gesloten. Dit
betekent dat de inspecteur kan aansluiten bij de datum van ingang
die is genoemd in de schriftelijke verhuurovereenkomst, als deze
niet meer dan drie maanden ligt vóór de datum van ingang van de
huurovereenkomst.
Het komt voor dat een huurder die een onroerende zaak met
toepassing van de optie belast huurt, de huurovereenkomst opzegt
maar de huur voor deze onroerende zaak nog over een bepaalde
periode doorbetaalt (bijvoorbeeld omdat hij de huurovereenkomst pas
met inachtneming van een opzegtermijn kan beëindigen). Deze
situatie doet zich niet alleen voor als de huurder een andere
onroerende zaak gaat huren, maar ook als de huurder geen andere
onroerende zaak gaat huren. Uit praktische overwegingen keur ik
goed dat de optie voor belaste verhuur voor de eerder gehuurde
onroerende zaak doorloopt tot de beëindiging van de
huurovereenkomst voor deze onroerende zaak.
Met ingang van 1 januari 2009 (Fiscale Onderhoudswet 2009[1])
wordt de verhuur van een onroerende zaak belast als partijen op
grond van de schriftelijke huurovereenkomst daarvoor hebben gekozen
of als partijen een verzoek daartoe aan de inspecteur hebben
gedaan.
..........
[1] Stb. 2008, 567.
Voor de verhuurovereenkomsten die zijn aangegaan vóór de
inwerkingtreding van de Fiscale Onderhoudswet 2009, waarbij
partijen geen verzoek bij de inspecteur hebben ingediend, keur ik
goed dat de verhuur belast plaatsvindt als:
1. in de schriftelijke huurovereenkomst die
door partijen is ondertekend, is aangegeven dat de verhuur belast
is en de ingangsdatum van de belaste verhuur is vermeld. Deze
ingangsdatum mag niet meer dan drie maanden vóór de datum van
ondertekening van de huurovereenkomst liggen; en
2. overigens wordt voldaan aan de in artikel
6a van de uitvoeringsbeschikking gestelde voorwaarden.
Als partijen op basis van een schriftelijke huurovereenkomst de
huur eerst vrijgesteld van belasting hebben laten plaatsvinden en
op enig moment de huur belast met belasting willen laten
plaatsvinden, geldt eveneens de in punt 1 van deze paragraaf
bedoelde termijn van drie maanden. Uiteraard dienen partijen
hierbij ook te voldoen aan de hiervoor in artikel 6a van de
uitvoeringsbeschikking gestelde voorwaarden.
Bij de verhuur van onroerende zaken die dienen als congres-,
vergader- en tentoonstellingsruimten is meestal sprake van
kortdurende verhuur aan veel en telkens wisselende huurders, die
meestal niet in dezelfde mate recht hebben op aftrek van belasting.
Voor ondernemers die congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte
verhuren is het in de praktijk ook onmogelijk om bij alle huurders
na te gaan of deze voldoen aan de voorwaarden voor belaste verhuur.
Vanwege deze praktische problemen keur ik goed, dat de verhuur van
congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte wordt belast. De
verhuurder en de huurders hoeven niet te opteren voor belaste
verhuur en de verhuurder hoeft niet na te gaan in welke mate de
huurders recht hebben op aftrek van belasting. Deze goedkeuring
geldt alleen voorzover:
- de congres-, vergader- en
tentoonstellingsruimte wordt verhuurd voor een korte periode; en
- de verhuurder aan de huurder expliciet kenbaar
maakt dat de verhuur van de ruimte belast plaatsvindt. Dit kan de
verhuurder bijvoorbeeld doen door een duidelijke vermelding op de
prijslijst of een duidelijke bepaling in de
huurovereenkomst.
Deze goedkeuring geldt ook voor onroerende zaken die naast
congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte voor andere
doeleinden worden gebruikt. Te denken valt aan ruimten die worden
gebruikt in het kader van het hotel-, café- en restaurantbedrijf.
Deze goedkeuring mag ook worden toegepast door de ondernemer
wiens (andere) hoofdactiviteit niet bestaat uit de verhuur
van congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte, maar uit
het verrichten van belaste prestaties en voor wie de hiervoor
bedoelde verhuur een nevenactiviteit vormt.
De goedkeuring voor het belast verhuren van congres-, vergader- en
tentoonstellingsruimte kan niet worden toegepast door de hierna
genoemde instellingen c.q. ten aanzien van de hierna genoemde
onroerende zaken. De goedkeuring geldt niet omdat de exploitatie
van de betrokken onroerende zaken veelal niet commercieel van aard
is c.q. in belangrijke mate wordt gefinancierd door middel van
subsidieregelingen of andere tegemoetkomingen. Het gaat
om:
1. Kerkgenootschappen en andere
organisaties/instellingen op religieuze of levensbeschouwelijke
grondslag of daarmee verbonden lichamen dan wel andere
gesubsidieerde instellingen die (kerk)gebouwen verhuren.
2. Buurthuizen, dorpshuizen en gebouwen van
daarmee verwante instellingen.
3. Theaters, schouwburgen, ijsstadions en
sporthallen.
4. (Kantoor)gebouwen die in gebruik zijn bij
publiekrechtelijke lichamen of ondernemers die (nagenoeg) geen
recht hebben op aftrek van belasting.
Uit het vijfde, zesde en achtste lid van artikel 6a van de
uitvoeringsbeschikking blijkt dat de huurder de onroerende zaak
moet gaan gebruiken in het jaar waarin hij deze is gaan huren (de
zogenoemde wettelijke referentieperiode). In de gevallen dat de
feitelijke ingebruikname van een onroerende zaak door de huurder
pas plaats vindt ná het boekjaar waarin hij de zaak is gaan huren,
keur ik goed dat voor de in de hiervoor genoemde artikelleden
opgenomen zinsnede “is gaan huren” wordt gelezen: “is gaan
gebruiken”. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
- de huurder gebruikt de betrokken onroerende
zaak tenminste gedurende een aaneengesloten periode van zes
maanden; en
- de huurder voldoet in het boekjaar dat hij de
onroerende zaak feitelijk in gebruik neemt aan de 90%-norm; en
- de verhuurder stemt ermee in dat de
naheffingstermijn en de termijn waarin de aftrek van belasting ter
zake van de verhuurde onroerende zaak wordt herzien, pas ingaat in
het boekjaar dat de huurder de onroerende zaak feitelijk gaat
gebruiken. De instemming van de verhuurder moet blijken door middel
van een verklaring die de verhuurder aan de bevoegde inspecteur
toezendt.
Deze goedkeuring heeft tot gevolg dat de verhuur belast kan
plaatsvinden, als de huurder de onroerende zaak met inachtneming
van de hiervoor gestelde voorwaarden feitelijk in gebruik neemt
buiten de wettelijke referentieperiode. Deze goedkeuring ziet
alleen op de leegstand die optreedt tot de aanvang van de
herzieningstermijn met betrekking tot de onroerende zaak. De
goedkeuring geldt niet bij leegstand die optreedt na het ingaan van
de herzieningstermijn.
Als de huurder niet voldoet aan (één van) de hiervoor opgesomde
voorwaarden, is de verhuur van de onroerende zaak vrijgesteld. De
huurder moet dan alsnog de verklaring overleggen die is bedoeld in
artikel 6a, zevende lid, eerste volzin, van de
uitvoeringsbeschikking.
Ik keur goed dat de in deze paragraaf bedoelde opschorting van de
ingangsdatum van de referentieperiode doorloopt bij een wisseling
in de persoon van de verhuurder van de betrokken onroerende zaak.
Hieraan verbind ik de voorwaarde dat de nieuwe verhuurder via een
verklaring aan de bevoegde inspecteur aangeeft, dat hij ermee
instemt dat de naheffingstermijn en de termijn waarin de aftrek van
belasting ter zake van de verhuurde onroerende zaak wordt herzien,
pas ingaan in het boekjaar dat de huurder de onroerende zaak
feitelijk gaat gebruiken.
Het komt voor dat partijen bij de verhuur van een onroerende
zaak opteren voor belastingheffing, maar dat de huurder de
onroerende zaak niet in gebruik neemt. Als partijen de
huurovereenkomst vervolgens ontbinden, wordt bij de verhuur niet
voldaan aan de 90%-norm (artikel 6a, zesde lid, van de
uitvoeringsbeschikking). De verhuurder wordt op dat moment de
belasting verschuldigd die hij eerder in aftrek heeft gebracht met
betrekking tot de verhuurde onroerende zaak of hij wordt belasting
verschuldigd op grond van artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de
wet.
In het geval echter dat de verhuurder binnen twee boekjaren na het
boekjaar waarin de eerste huurovereenkomst is ontbonden een tweede
huurovereenkomst sluit met een andere huurder, keur ik goed dat
voor de toepassing van artikel 6a van de uitvoeringsbeschikking de
tweede huurovereenkomst in de plaats treedt van de eerste
huurovereenkomst. De tweede huurder moet dan wel voldoen aan de in
§ 7.3.7 bedoelde voorwaarden. Verder geldt hierbij de voorwaarde
dat de verhuurder ermee instemt dat de naheffingstermijn en de
termijn waarin de aftrek van belasting ter zake van de verhuurde
onroerende zaak wordt herzien, pas ingaan in het boekjaar dat de
tweede huurder de onroerende zaak feitelijk in gebruik neemt. Een
verhuurder die gebruik wil maken van deze uitstelregeling, moet dit
melden via een schriftelijke verklaring aan de voor hem bevoegde
inspecteur. In deze schriftelijke verklaring moet de verhuurder
zich ook expliciet akkoord verklaren met de hiervoor bedoelde
verschuiving van de naheffings- en herzieningstermijn.
De optie voor belaste verhuur is alleen mogelijk als de huurder
bij het gebruik van de onroerende zaak voldoet aan de 90%-norm
(artikel 11, eerste lid, onderdeel b, 5º, van de wet). Diplomatieke
instellingen en internationale organisaties voldoen meestal niet
aan de 90%-norm. Op grond van internationale overeenkomsten en
verdragen hebben diplomatieke instellingen en bepaalde
internationale organisaties meestal recht op vrijstelling van
belasting. Deze vrijstelling kan ook betrekking hebben op de huur
van onroerende zaken. Het vasthouden aan de 90%-norm zou tot gevolg
hebben dat de betrokken instellingen en organisaties bij de huur
van onroerende zaken worden geconfronteerd met belastingdruk. Dit
gevolg is niet gewenst. In verband hiermee keur ik goed dat bij de
verhuur van onroerende zaken aan diplomatieke instellingen en
internationale organisaties als volgt wordt gehandeld[1]:
............
[1] Zonder de optie voor belaste verhuur (al dan niet via de
huurovereenkomst).
- de verhuurder brengt aan de diplomatieke
instelling/internationale organisatie belasting in rekening voor de
verhuur van de onroerende zaak via een factuur die voldoet aan de
wettelijke eisen; en
- de betrokken instelling/organisatie toont bij
de inspecteur waaronder zij ressorteert aan dat zij recht heeft op
de hiervoor bedoelde belastingvrijstelling; en
- de betrokken instelling/organisatie dient bij
de inspecteur waaronder zij ressorteert een verzoek in om teruggaaf
van de belasting die haar in rekening is gebracht voor de verhuur
van de onroerende zaak. De instelling/organisatie gebruikt hierbij
het teruggaafformulier Omzetbelasting/Accijns-Teruggaaf bij gebruik
voor diplomatieke doeleinden en door internationale
organisaties.
De verhuur van onroerende zaken binnen het kader van het hotel-,
pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar
slechts voor een korte periode verblijf houden, is uitgezonderd van
de vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken (artikel 11,
eerste lid, onderdeel b, 2°, van de wet). De afbakening van de
vrijgestelde verhuur van onroerende zaken ten opzichte van de
belaste verhuur binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en
vakantiebestedingsbedrijf komt regelmatig aan de orde. Hierbij
geldt het volgende.
Het begrip "hotel-, pension-, kamp- en
vakantiebestedingsbedrijf" in artikel 11, eerste lid, onderdeel b,
2°, van de wet is gebaseerd op artikel 135, lid 2, onderdeel a, van
de btw-richtlijn. Dit richtlijnartikel spreekt over: “het
verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der
lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke
functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen
of op kampeerterreinen”.
De term “sectoren met een soortgelijke functie” moet ruim worden
uitgelegd. Deze term heeft namelijk tot doel het tijdelijk
verstrekken van accommodatie te belasten, die plaatsvindt op
overeenkomstige wijze als in het hotelbedrijf. Het
gemeenschappelijke kenmerk van de in de richtlijnbepaling bedoelde
accommodatie is dat het gaat om verblijfsruimten die zijn ingericht
om daarin kort te verblijven, zonder dat de tijdelijke bewoner is
belast met de zorg voor de inventaris (Hoge Raad 26 januari 2007,
nr. 41.917). Bij een accommodatie voor het hotel-, pension-, kamp-
en vakantiebestedingsbedrijf gaat het om accommodatie die de
verhuurder zelf heeft ingericht en gemeubileerd aan de gasten
verhuurt. Van een “verblijf voor een korte periode” in een
accommodatie in het hotel-, pension-, kamp- en
vakantiebestedingsbedrijf is in ieder geval sprake als de gasten
feitelijk maximaal zes maanden in deze accommodatie verblijven. Bij
verhuur voor een langere periode dan zes maanden rust op de
verhuurder de bewijslast om jegens de inspecteur aannemelijk te
maken, dat er toch sprake is van een “verblijf voor een korte
periode” zoals hiervoor bedoeld. Niet relevant is of het
verstrekken van de accommodatie gepaard gaat met bijkomend
dienstbetoon dat gebruikelijk is in de hiervoor bedoelde sectoren
(zoals het schoonmaken van de verblijfsruimte, het regelen van bed-
en badlinnen en het bieden van een ontbijtgelegenheid). De verhuur
aan gasten die korter dan zes maanden in de accommodatie verblijven
is dus belast (artikel 11, eerste lid, onderdeel b, 2°,van de wet).
Deze uitleg geldt ook voor de toepassing van het verlaagde
belastingtarief[1].
.............
[1] De toelichting bij post b 11 van Tabel I zal op dit punt worden
aangepast (Besluit Omzetbelasting. Tabel I, nr. CPP 2007/536M, d.d.
27 september 2007 (Stcrt. 2007,195)).
Uit het voorgaande vloeit voort dat de verhuur van gemeubileerde
woningen en appartementen in ieder geval is vrijgesteld als deze
verhuur plaatsvindt aan personen die daar langer dan zes maanden
verblijven (artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de wet).
De verhuur van vakantiewoningen binnen het kader van het hotel-,
pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar
slechts voor een korte periode verblijf houden, kan op
verschillende manieren plaatsvinden. De eigenaar kan de
vakantiewoning rechtstreeks verhuren aan de gasten, maar kan de
vakantiewoning ook verhuren via een tussenpersoon (bijvoorbeeld een
reisbureau). Als de tussenpersoon bij de verhuur van de
vakantiewoning niet op eigen naam optreedt, is sprake van
rechtstreekse verhuur door de eigenaar aan de gast. Als de
tussenpersoon de verhuurovereenkomst op eigen naam afsluit, maar
voor rekening en risico van de eigenaar van de vakantiewoning,
vindt de verhuur plaats aan en vervolgens door de tussenpersoon
(artikel 4, derde lid, van de wet). Dit geldt ook als de eigenaar
van de vakantiewoning de aan hem toebehorende vakantiewoning op
commerciële basis verhuurt aan een tussenpersoon en de eigenaar de
vakantiewoning alleen zelf kan gebruiken via het afsluiten van een
verhuurovereenkomst op commerciële basis met de betrokken
tussenpersoon. De verhuur van de vakantiewoningen valt bij alle
contractuele relaties[1] onder de verhuur bedoeld in artikel 11,
eerste lid, onderdeel b, 2°, van de wet. Dat de eigenaar de
vakantiewoningen niet rechtstreeks aan de gasten verhuurt, vormt
geen belemmering voor het toepassen van artikel 11, eerste lid,
onderdeel b, 2°, van de wet.
Voor de beoordeling van het ondernemerschap van de
eigenaars/verhuurders van de vakantiewoningen die behoren tot een
vakantiewoningencomplex, geldt de volgende competentieregeling. De
inspecteur waaronder de exploitant van het vakantiewoningencomplex
ressorteert, beoordeelt of de eigenaars/verhuurders van de
vakantiewoningen als zelfstandig zijn te beschouwen ten opzichte
van de exploitant van het complex. De inspecteur waaronder de
individuele eigenaar/verhuurder van de vakantiewoning ressorteert,
beoordeelt de andere criteria voor het ondernemerschap van de
betrokken eigenaar/verhuurder.
.............
[1] D.w.z. de contractuele relaties tussen eigenaar en de gast, de
eigenaar en de tussenpersoon, de tussenpersoon en de gast en tussen
de tussenpersoon en de eigenaar.
De verhuur van parkeerruimte voor voertuigen en de verhuur van
lig- en bergplaatsen voor vaartuigen is belast (artikel 11, eerste
lid, onderdeel b, 3°, van de wet). Deze uitzondering op de
vrijstelling heeft een ruime betekenis (Hof van Justitie 13 juli
1989, zaak nr. 173/88 (Morten Henriksen)). Het begrip “voertuig”
heeft niet alleen betrekking op vervoermiddelen voor over het land,
maar ook op luchtvaartuigen en boten (Hof van Justitie 3 maart
2005, zaak nr. C-428/02 (FML)).
Het begrip “parkeerruimte” heeft een ruime strekking. Onder dit
begrip vallen:
a. onroerende zaken die naar hun aard (d.w.z. qua
inrichting) bestemd zijn om te worden gebruikt als parkeerruimte
voor voertuigen, en waarbij het gebruik als parkeerruimte tussen
partijen niet is uitgesloten. Het gaat hierbij onder meer om open
parkeerruimte en om overdekte of gesloten parkeerruimte (zoals
parkeerruimte in een parkeergarage of onder een kantoor- of
woningcomplex). Ook zogenoemde “zwerf”parkeerplaatsen (niet
exclusief gebruikte parkeerplaatsen) vallen hieronder. De verhuur
van multifunctionele ruimten die primair voor andere doeleinden dan
voor het parkeren van voertuigen (kunnen) worden gebruikt, vormt in
principe geen verhuur van parkeerruimte. Deze verhuur is
vrijgesteld (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de wet),
tenzij partijen opteren voor belastingheffing of sprake is van de
onder b bedoelde situatie.
b. onroerende zaken die naar hun aard niet zijn
bestemd om als parkeerruimte voor voertuigen te worden gebruikt,
maar waarbij partijen zijn overeengekomen om die zaak voor de
overeengekomen periode uitsluitend als parkeerruimte te gebruiken.
Te denken valt aan multifunctionele ruimten en weilanden die
volgens de tussen partijen gesloten overeenkomst worden gebruikt
als parkeerruimte voor voertuigen en kassen waarin caravans worden
gestald.
Het is mogelijk dat de verhuur van parkeerruimte nauw verband
houdt met de vrijgestelde verhuur van een andere onroerende zaak,
zoals een woning of een bedrijfspand. Het nauwe verband kan blijken
uit het feit dat de verhuur van de parkeerruimte en de verhuur van
de andere onroerende zaak plaatsvindt op basis van één
verhuurcontract. Hierbij zijn twee situaties mogelijk:
1. De verhuur van de parkeerruimte gaat op in
de verhuur van de andere onroerende zaak. In deze situatie volgt de
verhuur van de parkeerruimte het belastingregime dat geldt voor de
verhuur van de andere onroerende zaak. De verhuur van parkeerruimte
gaat onder meer op in de verhuur van de andere onroerende zaak als:
- de parkeerruimte voor voertuigen en de voor een
ander gebruik bestemde onroerende zaak (zoals een woning) deel
uitmaken van hetzelfde gebouwencomplex; en
- de parkeerruimte en de andere onroerende zaak
door dezelfde eigenaar aan dezelfde huurder worden verhuurd (zie
het hiervoor genoemde Morten Henriksen-arrest).
De term “deel uitmaken van hetzelfde gebouwencomplex” heeft een
ruime betekenis. Hiervan is niet alleen sprake als de parkeerruimte
zich bevindt in (meestal onder) de andere onroerende zaak, maar ook
als de parkeerruimte zich bevindt in een afzonderlijk
(garage)complex nabij de andere onroerende zaak, dat behoort tot
hetzelfde gebouwencomplex.
2. De verhuur van de parkeerruimte vormt een
afzonderlijke prestatie. In deze situatie is de verhuur belast.
Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor als de eigenaar/huurder
van een onroerende zaak een aparte overeenkomst afsluit met de
exploitant van een parkeergarage voor de huur van een aantal
parkeerplaatsen.
Bij de verhuur van onroerende zaken brengt de verhuurder in
bepaalde gevallen ook servicekosten aan de huurder in rekening. Bij
servicekosten gaat het om bedragen die de verhuurder aan de huurder
doorberekent en die betrekking hebben op handelingen/voorzieningen
die (nauw) samenhangen met het huurrecht/genot van de onroerende
zaak. Servicekosten kunnen in de huur zijn verdisconteerd of los
van de huur in rekening worden gebracht. Voor de belastingheffing
komt de vraag aan de orde welk belastingregime voor deze kosten
geldt.
Bij servicekosten zijn twee situaties mogelijk, te weten:
a. de servicekosten hebben betrekking op
handelingen/voorzieningen die opgaan in de verhuurdienst. Deze
servicekosten volgen het belastingregime dat geldt voor de
verhuurdienst. Het gaat om servicekosten waarbij huurders niet de
mogelijkheid hebben om hiervoor een overeenkomst aan te gaan met
een derde (Hof van Justitie 11 juni 2009, zaak C-572/07 (Tellmer
Property). Voorbeelden hiervan zijn:
- servicekosten die betrekking hebben op het
onderhoud dat de verhuurder verricht of laat verrichten met het oog
op de instandhouding van de verhuurde onroerende zaak;
- servicekosten die betrekking hebben op het
gebruik van gemeenschappelijke ruimten en faciliteiten, waarbij
huurders niet de mogelijkheid hebben om hiervoor een overeenkomst
aan te gaan met een derde, zoals het salaris van de
huismeester/portier en de kosten van het schoonmaken van liften,
trappenhuizen en het onderhoud van de gemeenschappelijke tuin;
- servicekosten die betrekking hebben op
bestanddelen van onroerende zaken, waarbij huurders niet de
mogelijkheid hebben om hiervoor een overeenkomst aan te gaan met
een derde, zoals onderhoudscontracten voor cv-ketels, geisers,
boilers e.d. (Hoge Raad 8 september 1993, nr. 28.993).
b. de servicekosten hebben betrekking op
afzonderlijke prestaties. Deze servicekosten moeten voor de
belastingheffing op hun eigen merites worden beoordeeld. Het gaat
om servicekosten waarbij huurders de mogelijkheid hebben om
hiervoor een overeenkomst aan te gaan met een derde (zie het
hiervoor aangehaalde Tellmer Property-arrest). Een voorbeeld
hiervan zijn de servicekosten voor het zogenoemde
huurdersonderhoud, het kleine onderhoud aan de gehuurde onroerende
zaak dat volgens de huurovereenkomst en het Burgerlijk Wetboek voor
rekening en risico van de huurder komt (zoals onderhoud aan de
deurbel, de brievenbus, deurkrukken e.d.).
Het komt voor dat overeenkomsten die betrekking hebben op
onroerende zaken worden ontbonden of gewijzigd. Daarbij kan
onderscheid worden gemaakt tussen overeenkomsten die worden
ontbonden of gewijzigd vóórdat de in de overeenkomst bedoelde
prestatie[1] wordt verricht en overeenkomsten die worden ontbonden
of gewijzigd op het moment dat de in de overeenkomst bedoelde
prestatie al wordt of is verricht. De ontbinding of wijziging
van deze overeenkomsten kan gekoppeld zijn aan de voorwaarde dat de
partij die de overeenkomst wil ontbinden of wijzigen, hiervoor een
bedrag betaalt aan de wederpartij. De hoogte van een dergelijk
bedrag kan vooraf in de overeenkomst zijn vastgelegd of achteraf
door de partijen zijn overeengekomen. Voorbeelden van vooraf
vastgestelde bedragen zijn boeteclausules die dienen als aansporing
voor het nakomen van contractuele verplichtingen en voorschotten
bij de reservering van accommodatie (gebruikelijk in de
hotelbranche).
............
[1] De prestatie kan een éénmalig of doorlopend karakter hebben.
In het geval een overeenkomst wordt ontbonden of gewijzigd
voordat de in de overeenkomst bedoelde prestatie wordt verricht,
moet worden beoordeeld of het hiervoor ontvangen bedrag (zie § 8.1)
is aan te merken als een vergoeding voor een dienst als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de wet, of niet. Als er sprake is
van een dienst is het bedrag belast.
Van een dienst in de zin van artikel 4, eerste lid, van de wet is
sprake als:
- één van de partijen de overeenkomst wil
ontbinden of wijzigen; en
- de wederpartij vrijwillig instemt met deze
ontbinding of wijziging; en
- de wederpartij hiervoor van eerstbedoelde
partij een vergoeding bedingt en ontvangt die rechtstreeks verband
houdt met zijn instemming tot ontbinding of wijziging.
Ondernemers kunnen de wederpartij - vooruitlopend op het door
hen verrichten van een prestatie – verzoeken om betaling van een
bedrag. Dit bedrag kan dienen als voorschot op en/of als betaling
voor de reservering van deze prestatie. Het bedrag dat is
verschuldigd voor de reservering is belast.
In de praktijk nemen partijen in de door hen gesloten overeenkomst
voor het verrichten van een prestatie geregeld de mogelijkheid op
om de overeenkomst te ontbinden vóórdat de prestatie is verricht.
De ontbinding is meestal mogelijk tegen betaling van een
contractueel vastgelegd bedrag (zogenoemde annuleringskosten). Het
komt geregeld voor dat een bedrag dat is betaald als voorschot op
en/of als reservering van een prestatie, bij de ontbinding van de
overeenkomst wordt omgevormd tot annuleringskosten. De wederpartij
van de annulerende partij mag het voorschot of reserveringsbedrag
dan houden als forfaitaire schadevergoeding. Het komt ook voor dat
de annulerende partij verplicht is na het ontbinden van de
overeenkomst een bepaald bedrag aan annuleringskosten te betalen
aan de wederpartij (eventueel naast het hiervoor bedoelde
voorschot/reserveringsbedrag). In beide gevallen vormen de
annuleringskosten een (niet belaste) schadevergoeding.
Een voorbeeld van niet belaste annuleringskosten zijn de
boetebedragen die kopers betalen bij contracten voor het leveren
van onroerende zaken in het geval zij niet aan hun contractuele
verplichtingen voldoen. De door de kopers contractueel te betalen
boete bedraagt meestal een bepaald percentage van de koopsom van de
onroerende zaak.
Als een overeenkomst wordt ontbonden of gewijzigd tijdens of na
het verrichten van de overeengekomen prestatie, dient aan de hand
van de in § 8.2 opgenomen criteria eerst te worden bepaald of het
bij ontbinding of wijziging betaalde bedrag is aan te merken als
een vergoeding voor een dienst. Indien deze vraag bevestigend wordt
beantwoord en deze dienst ertoe leidt dat de ene partij aan de
andere partij de beschikkingsmacht teruggeeft over de (lichamelijk
of onlichamelijke) zaak die het onderwerp vormt van de
oorspronkelijke overeenkomst, dan geldt voor deze dienst het
belastingregime van de oorspronkelijk overeengekomen prestatie. Met
“beschikkingsmacht” wordt de feitelijke beschikkingsmacht bedoeld,
niet de juridische macht van de eigenaar. Deze situatie doet zich
bijvoorbeeld voor als:
- een huurder (ondernemer) vrijwillig afstand
doet van zijn huurrecht, door tegen ontvangst van een vergoeding
(afkoopsom) in te stemmen met een voortijdige ontbinding van de
huurovereenkomst;
- een verhuurder vrijwillig afziet van zijn recht
om van een huurder te eisen dat hij de verhuurovereenkomst verder
nakomt, door tegen ontvangst van een vergoeding van de huurder
(afkoopsom) in te stemmen met het voortijdig ontbinden van de
verhuurovereenkomst.
In de hierna volgende tabel zijn de besluiten opgesomd, die zijn
ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit. Per
besluit is aangegeven om welke reden het besluit wordt ingetrokken.
Als (gedeelten van) ingetrokken besluiten zijn terug te vinden in
het onderhavige besluit, is dit aangegeven. De term “verouderd”
geeft aan dat de inhoud van het besluit is achterhaald vanwege
tijdsverloop, gewijzigde wet- en regelgeving of door afwijzing of
nuancering van de in het besluit opgenomen standpunten in de
jurisprudentie. Met “gebundeld” geef ik aan dat het betrokken
besluit in dit besluit is verwerkt; bij bundeling is de tekst van
het besluit meestal ingekort en geactualiseerd. De term
“beschrijvend/casuïstisch” heeft betrekking op besluiten die
standpunten bevatten die rechtstreeks volgen uit de bestaande
regelgeving of uit jurisprudentie van de Hoge Raad of het Hof van
Justitie.
|
Nummer
|
Datum
|
Verkorte titel
|
Reden intrekking; vindplaats in nieuw besluit |
|---|---|---|---|
|
D 68/7220, bijlage D
|
8 november 1968
|
Onroerende goederen
|
Grotendeels verouderd en/of beschrijvend/casuïstisch. § 18 van D
68/7220 is gebundeld in § 4.1. § 21 van D 68/7220 is gedeeltelijk
geactualiseerd en gebundeld in § 7.4.4. § 19 van D 68/7220 vervalt
met ingang van 1 januari 2011 (zie § 10)
|
|
279-1252
|
31 januari 1979
|
Verhuur van parkeerruimte voor voertuigen
|
Gedeeltelijk verouderd. Geactualiseerd en gebundeld in § 7.4.3
|
|
279-6164
|
27 april 1979
|
Heffing van omzetbelasting ten aanzien van zgn. servicekosten,
welke in de huurprijs van onroerend goed is begrepen
|
Grotendeels verouderd. Geactualiseerd en gebundeld in § 7.4.4
|
|
280-12233, gewijzigd bij 281-15988
|
8 september 1980, gewijzigd op 29 oktober 1981
|
Voorwaardelijke levering, tijdelijke terbeschikkingstelling en
andere vormen van ingebruikneming van woningen
|
Grotendeels verouderd en/of beschrijvend/casuïstisch. § 2 van
280-12233 is gebundeld in § 4.3
|
|
280-16254, gewijzigd bij 286-3514 |
27 april 1981, gewijzigd op 13 maart 1986
|
Heffing van omzetbelasting ten aanzien van de medewerking door
verhuurders en gemeenten aan de uitbetaling van zgn. individuele
huursubsidie
|
Verouderd
|
|
281-18065, gewijzigd bij 283-15784
|
18 januari 1982, gewijzigd op 21 november 1983
|
Toepassing van artikel 3 van de wet op de omzetbelasting
|
Verouderd
|
|
283-9975
|
18 juli 1983
|
Heffing van omzetbelasting ten aanzien van verhuur van
vakantiewoningen en dergelijke onroerende zaken
|
Grotendeels verouderd. § 5 van 283-9975 is gebundeld in § 7.4.2
|
|
286-14958
|
22 oktober 1986
|
Voortbrengingskosten – terbeschikkingstelling voor verkoop
bestemde woningen
|
Verouderd
|
|
286-13413
|
20 januari 1987
|
Levering van onr. goed – tijdstip van eerste ingebruikneming;
bestemming en feitelijk gebruik
|
Gedeeltelijk verouderd. Geactualiseerd en gebundeld in § 3.3
|
|
VB 91/1984
|
4 september 1991
|
Vrijstelling levering onr. goed. Vervaardiging/bouwrijp maken
van grond; samenloop overdrachtsbelasting en o.b.
|
Verouderd
|
|
VB 91/2071
|
11 september 1991
|
Het vervaardigingsbegrip in de omzetbelasting ten aanzien van
tot bebouwing bestemde grond; vrijstelling overdrachtsbelasting
|
Verouderd
|
|
VB 92/2592
|
12 november 1992
|
Vervaardigen grond – bouwrijp gemaakte grond
|
Verouderd
|
|
PHS 4/27
|
8 maart 1994
|
Bevoegde inspecteur vakantiewoningen
|
Gebundeld in § 7.4.2
|
|
VB 95/767
|
21 maart 1995
|
Toepassing van de veilingregeling bij veilingen van onroerende
zaken
|
Geactualiseerd en gebundeld in § 5.4. Daarbij is de goedkeuring
ingeperkt
|
|
VB 96/238
|
31 januari 1996
|
Wijzigingswet "bestrijding constructies onroerende zaken"
(antwoord staatssecretaris op ter zake gestelde vragen)
|
Verouderd
|
|
VB 96/247
|
8 maart 1996
|
Overgangsregeling van de wet bestrijding constructies met
onroerende zaken
|
Verouderd
|
|
VB 96/776
|
16 april 1996
|
Heffing van OB bij verhuur van onroerende zaken
(overgangsregeling)
|
Verouderd
|
|
VB 96/1609
|
8 juli 1996
|
Ingangsdatum belaste verhuur eerder dan drie maanden voor
tijdstip verzoek
|
Verouderd
|
|
VB 97/264
|
4 februari 1997
|
Doorlopen optie belaste verhuur
|
Gebundeld in § 7.3
|
|
VB 97/1592
|
9 juli 1997
|
Toepassing verzoek om belaste levering bij
concurrentieverstoring
|
Gebundeld in § 4.5.2 en § 7.3.2
|
|
VB 97/1668
|
24 september 1997
|
Optie belaste verhuur (terugwerkende kracht ingangsdatum)
|
Verouderd
|
|
VB 98/1920
|
15 september 1998
|
Verklaring bij op verzoek belaste verhuur onroerende zaken
|
Gedeeltelijk verouderd, gedeeltelijk beschrijvend. Gedeeltelijk
gebundeld in § 7.3.7
|
|
VB 99/284
|
24 maart 1999
|
Heffing van omzetbelasting ten aanzien van het ontbinden van
overeenkomsten
|
Gedeeltelijk verouderd, gedeeltelijk beschrijvend.
Geactualiseerd en gebundeld in § 8.1 t/m § 8.3
|
|
VB 99/571
|
24 maart 1999
|
Belaste verhuur van onroerende zaken
|
Gedeeltelijk verouderd, gedeeltelijk beschrijvend.
Gebundeld in § 7.3 en § 7.3.3. Zie ook § 7.3.5 voor
overgangsregeling
|
|
VB 99/1177
|
1 september 1999
|
Levering en verhuur van onroerende zaken aan diplomatieke
instellingen en internationale organisaties
|
Geactualiseerd en gebundeld in § 4.5.3 en § 7.3.9
|
|
VB 99/1930
|
4 oktober 1999
|
Heffing van omzetbelasting bij huurgaranties
|
Gebundeld in § 6.1
|
|
CPP 2001/3087M
|
10 december 2001
|
Boete wegens te late oplevering onroerende zaak
|
Gebundeld in § 6.2
|
|
CPP 2002/802M
|
13 maart 2002
|
BTW-heffing ten aanzien van servicecontracten
|
Gebundeld in § 7.4.4
|
|
CPP 2003/1855M
|
7 augustus 2003
|
Vrijstelling voor verhuur van onroerende zaken binnen het kader
van het hotel-, kamp- en vakantiebestedingsbe-drijf aan personen,
die daar slechts voor korte tijd verblijf houden; appartementen
|
Gedeeltelijk verouderd. Geactualiseerd en gebundeld in § 7.4.1
|
|
CPP 2003/1857M
|
7 augustus 2003
|
Omzetbelasting. Vrijstelling voor levering van onroerende zaken;
appartementen met een cascogarantie
|
Beschrijvend/casuïstisch
|
|
CPP 2003/2134M
|
23 oktober 2003
|
Verrekening van kosten van gas, water en electra bij de bouw van
woningen
|
Beschrijvend/casuïstisch
|
|
CPP 2004/3090M
|
7 januari 2004
|
Verhuur van vakantiewoningen; verhuurorganisaties
|
Gebundeld in § 7.4.2
|
|
DGB 2004/52M
|
8 januari 2004
|
Verhuur (bedrijfs)ruimte. Leegstand in de referentieperiode
voorafgaande aan het gebruik en ontbinding van de huurovereenkomst
|
Gebundeld in § 7.3.7 en § 7.3.8. Hierbij zijn de goedkeuringen
verruimd.
|
|
DGB 2004/4221M
|
11 augustus 2004
|
Omzetbelasting. Belaste verhuur en belaste levering van
gedeelten van een onroerende zaak, verhuur van congres-, vergader-
en tentoonstellingsruimten
|
De onderdelen 1 t/m 3 zijn geactualiseerd en gebundeld in §
7.3.1, § 7.3.6 en § 4.5.1
|
|
CPP 2005/952M
|
13 april 2005
|
Omzetbelasting. Kwalificatie bouwterrein; gefaseerde
bouwvergunning
|
Gebundeld in § 4.2.3
|
Het kan voorkomen dat nog andere publicaties met een
beleidsmatig karakter over onroerende zaken (met uitzondering van
de publicaties over het recht op aftrek van voorbelasting bij
onroerende zaken) hebben plaatsgevonden, naast de in dit overzicht
opgenomen besluiten. Dat kunnen bijvoorbeeld mededelingen in het
voormalige infobulletin of brieven van de Staatssecretaris van
Financiën zijn. Om onduidelijkheid te voorkomen over de vraag of
dergelijke publicaties nog geldend beleid bevatten, trek ik deze
publicaties met ingang van de dagtekening van dit besluit
collectief in.
10 Lidmaatschapsrecht coöperatieve
flatvereniging; overgangsregeling
Bij een coöperatieve flatvereniging (bijvoorbeeld een coöperatieve
serviceflat) behoort een onroerende zaak (een flatgebouw) toe aan
de coöperatie. De coöperatie kent tegen vergoeding (de zogenoemde
inleggelden) lidmaatschapsrechten toe in de flatvereniging. Zo’n
lidmaatschapsrecht geeft aan de houder alleen het recht op het
exclusieve gebruik van een specifiek deel (een flat) van het
flatgebouw. De houder van het lidmaatschapsrecht heeft niet het
recht om de flat die hij exclusief mag gebruiken, te verkopen of
met hypotheek te bezwaren. Deze bevoegdheid berust bij de
coöperatie. Ook voor het overdragen van het lidmaatschapsrecht
heeft de houder van het lidmaatschapsrecht de toestemming van de
flatcoöperatie nodig. Aangezien de lidmaatschapshouder niet als
eigenaar over de betrokken flat kan beschikken (zie § 4.1), is het
toekennen van een lidmaatschapsrecht in een coöperatieve
flatvereniging niet te beschouwen als de levering van een
onroerende zaak. Het toekennen en overdragen van zo’n recht vormt
een verhuurdienst (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel b, 5°,
laatste volzin van de wet en § 7.1). Om de betrokkenen de
gelegenheid te geven zich voor te bereiden op de wijziging in het
belastingregime, keur ik goed dat bij lidmaatschapsrechten die vóór
1 januari 2011 worden overgedragen, het gestelde in § 19 van het
besluit van 8 november 1968, nr. D68/7220, nog mag worden
toegepast.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 14 juli 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager.