U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Besluiten / beleidsregels
Inkomstenbelasting. Waardering woning bij overbrenging van ondernemingsvermogen naar privé-vermogen
Besluit / beleidsregel, Fiscaal |
31-08-2009 |
Inkomstenbelasting, Waardering onroerende zaken
Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling,
Sector brieven & beleidsbesluiten
Besluit van 31 augustus 2009 nr. CPP2009/1092M, Staatscourant
2009, 13314
De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende
besloten.
Dit besluit betreft een actualisering van het besluit van 4
juli 2007, nr. CPP2007/521M, over het aanbod voor de waardering van
woning en ondergrond bij de verplichte overgang naar het
privé-vermogen, alsmede de goedkeuring voor de waardering bij de
vrijwillige overgang naar het privé-vermogen.
In dit besluit is in paragraaf 2 het onderdeel “Waardebepaling
overige bij een woning staande gebouwen” gewijzigd naar aanleiding
van het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, nr 43.995 (BNB
2008/174). Verder is in paragraaf 3 verduidelijkt wanneer sprake is
van een daar bedoelde bijzondere omstandigheid.
Voor het overige is met dit besluit geen inhoudelijke wijziging
beoogd.
1. Inleiding
Op 14 juni 2000 heeft de Hoge Raad onder nummer 35.550 (BNB
2000/270*) arrest gewezen over de problematiek van de zogenoemde
“waarde-bewoond”. Als een ondernemer zijn tot het
ondernemingsvermogen behorende woning met ondergrond naar het
privé-vermogen overbrengt, moet hij fiscaal afrekenen over het
verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de
boekwaarde van die woning met ondergrond. Woont de ondernemer zelf
in die woning en blijft hij daarin wonen, dan vormt deze duurzame
zelfbewoning een waardedrukkende factor bij de bepaling van de
waarde in het economische verkeer. Of deze omstandigheid zich
voordoet moet worden beoordeeld op het tijdstip van de overgang
naar het privé-vermogen; bij staking van een onderneming is dit het
tijdstip van staking.
De Hoge Raad oordeelde over deze waardedrukkende factor dat
kan worden uitgegaan van de verkoopwaarde in verhuurde staat. Deze
waarde moet vervolgens worden gecorrigeerd in verband met de
omstandigheid dat de bewoner in het algemeen bereid zal zijn een
hogere prijs te betalen dan de prijs die in verhuurde staat mag
worden verwacht. Dit komt neer op de waarde verhuurd met een
plus.
2. Waardebepaling woning bij verplichte overgang naar
privé
Na publicatie van het onder 1 genoemde arrest heerste in de
praktijk - in andere gevallen dan bedoeld in artikel 3.58, tweede
lid, van de Wet IB 2001 - nog onduidelijkheid over de wijze van
invulling van de waarde bewoond.
In gevallen van verplichte overgang naar het privé-vermogen
(zoals bij staking, anders dan ten gevolge van overlijden van de
ondernemer) heeft de Belastingdienst uit doelmatigheidsoogpunt één
en ander verder ingevuld om te komen tot een praktische werkwijze
ter harmonisatie van de uitvoeringspraktijk.
Onderstaande werkwijze geldt als beleid wanneer de
belastingplichtige in de desbetreffende aangifte, dan wel uiterlijk
in de bezwaarfase, daarvoor heeft gekozen. Het beleid heeft in de
praktijk dus het karakter van een compromis, waaraan partijen zich
ten opzichte van elkaar conformeren. Komen partijen hier niet toe,
dan staat het de inspecteur vrij elk geval op basis van de
relevante feiten en omstandigheden te beoordelen.
Als uitgangspunten hebben te gelden:
- Dit beleid geldt slechts als sprake is van een verplichte
overgang van het ondernemings- naar het privé-vermogen,
bijvoorbeeld als gevolg van staking.
- De woning is bestemd voor duurzame zelfbewoning.
- Referentie is de leeftijd van de belanghebbende op het tijdstip
van de verplichte overgang naar het privé-vermogen.
- Als de belanghebbende gehuwd of ongehuwd samenwoont met een
partner, wordt uitgegaan van de leeftijd van de jongste van de
partners. Hieronder valt in elk geval niet een ouder-kind of
oom-neef relatie.
Waarde bewoond bij een leeftijd tot en met 60 jaar: 65% van de
waarde in het economische verkeer in vrije staat.
Waarde bewoond bij een leeftijd van 61 tot en met 69 jaar: 65% van
de waarde in het economische verkeer in vrije staat, plus 1% voor
elk jaar dat belanghebbende ouder is dan 60 jaar.
Waarde bewoond bij een leeftijd vanaf 70 jaar: 75% van de waarde in
het economische verkeer in vrije staat.
Waardebepaling overige bij een woning staande
gebouwen
Reden voor het in aanmerking nemen van een waardedrukkende
factor wegens zelfbewoning van een woning is dat de woning niet kan
worden verkocht in vrije en onbewoonde staat. Een koper zal bij de
aankoop van een dergelijke woning rekening houden met het feit dat
hij de woning niet direct en in volle omvang in gebruik kan nemen.
Deze situatie doet zich niet voor ten aanzien van (voormalige
bedrijfs-)gebouwen bij een bewoonde woning als die gebouwen wel
direct en in volle omvang in gebruik genomen kunnen
worden.
In zijn arrest van 25 april 2008, nr. 43.995 (BNB 2008/174)
heeft de Hoge Raad beslist hoe de waardering dient plaats te vinden
ingeval een woning behoort tot een complex van onroerende zaken dat
als zodanig wordt gewaardeerd. Min of meer duurzame zelfbewoning
wordt in dat geval in aanmerking genomen voor slechts die
onroerende zaken die op het moment van staking van de onderneming
min of meer duurzaam voor woondoeleinden werden
gebruikt.
Dit vergt een feitelijke beoordeling. In de gevallen waarin
die beoordeling leidt tot de conclusie dat de waardedruk wegens
zelfbewoning van de woning zich mede uitstrekt tot andere
onroerende zaken die min of meer duurzaam voor woondoeleinden
worden gebruikt, ontmoet het geen bezwaar de waarde van die
gebouwen te stellen op hetzelfde percentage van de waarde in vrije
staat als hiervoor bij wijze van compromis is aangegeven voor de
woning.
3. Waardebepaling bedrijfswoning bij vrijwillige overgang naar
privé
Als een bedrijfswoning (met aanhorigheden) tot het
keuzevermogen behoort, kan een bijzondere omstandigheid
(bijvoorbeeld gelegen in nieuwe wetgeving, nieuwe jurisprudentie of
een nieuw beleidsbesluit) de keuze rechtvaardigen om die woning
over te brengen naar het privé-vermogen.
Uit de jurisprudentie blijkt dat een bijzondere omstandigheid
zich voordoet, wanneer duidelijk is dat de belastingplichtige
destijds een andere keuze zou hebben gemaakt als de wettelijke
bepaling respectievelijk de uitlegging daarvan toen al had
gegolden. In dat geval is sprake van een vrijwillige overgang. Dit
brengt mee dat bij de vaststelling van de waarde in bewoonde staat
het uitgangspunt "de huurder is koper" naar analogie van toepassing
is (waardering op ca. 90%).
Goedkeuring
Aangezien er mogelijk aanleiding kan zijn om bij de bepaling
van de waarde in het economische verkeer van de woning met
ondergrond rekening te houden met de omstandigheid, dat deze is
bestemd om te dienen als bedrijfswoning voor het desbetreffende
bedrijf, alsmede om praktische redenen, keur ik goed dat de waarde
in bewoonde staat wordt gesteld op 80% van de waarde in vrije
staat.
Deze werkwijze geldt als beleid wanneer de belastingplichtige
in de desbetreffende aangifte, dan wel uiterlijk in de bezwaarfase,
daarvoor heeft gekozen.
4. Ingetrokken regeling
Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de datum
van de inwerkingtreding van dit besluit:
4 juli 2007, nr. CPP 2005/2687M, Stcrt nr. 131.
5. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de
datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst
en werkt terug tot en met de datum van het besluit.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 31 augustus 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
Mr. Drs. J.C. de Jager
Meer informatie