U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
In dit besluit is het beleid geactualiseerd over de toepassing van
de aftrek van monumentenpanden. In onderdeel 3.2.3 is een nieuwe
goedkeuring opgenomen voor de aftrek van kosten van monumentale
tuinen en parken waarvan het bezit is vrijgesteld in box 3.
Daarnaast zijn er enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd,
waarmee geen inhoudelijke wijziging is beoogd.
In dit besluit zijn de standpunten opgenomen over de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden (artikel 6.31 van de Wet IB 2001).
|
Bureau Monumentenpanden
|
Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort/Bureau
Monumentenpanden
|
|
Brim
|
Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten
|
|
Monumentenregister
|
Register, bedoeld in artikel 6 of 7 van de Monumentenwet 1988
|
|
Monumentenpand
|
Beschermd rijksmonument dat is ingeschreven in het
Monumentenregister
|
Uitgaven voor monumentenpanden zijn aftrekbaar voor rijksmonumenten. Aftrek is dus niet mogelijk voor gemeentelijke monumenten of voor een schip dat staat ingeschreven in de schepenlijst van het Nationaal Register Varende Monumenten. Aftrekbaar zijn de uitgaven voor het rijksmonument. Uitgaven van niet-monumentale aanhorigheden zijn niet aftrekbaar. De uitgaven voor een aanhorigheid zijn wel aftrekbaar als de aanhorigheid als zelfstandige eenheid is genoemd in de redengevende omschrijving van een rijksmonument. Dit geldt ook als het pand, waar de aanhorigheid tot behoort, zelf niet is ingeschreven. De uitgaven voor het pand zelf zijn dan uiteraard niet aftrekbaar.
Uitgaven voor monumentenpanden die betrekking hebben op de periode vóór de inschrijving in het monumentenregister zijn niet aftrekbaar. Voordat een monument kan worden ingeschreven, wordt het monument eerst aangewezen als beschermd monument. Tegen de aanwijzing als beschermd monument mag binnen zes weken bezwaar worden gemaakt. De aanwijzing is definitief als binnen die periode geen bezwaar is ingediend. Vervolgens wordt het pand ingeschreven in het monumentenregister. Vanaf dat moment is sprake van een monumentenpand waarvan de uitgaven aftrekbaar zijn.
Ik keur met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed dat ook aftrekbaar zijn de uitgaven voor monumentenpanden die zijn gedaan in de periode vanaf het moment dat de aanwijzing definitief is geworden tot de datum van inschrijving in het monumentenregister.
Niet aftrekbaar zijn de zogenoemde huurderslasten, zoals tuinonderhoud, behangen, binnenverf- en witwerk en kleinere reparaties (Hoge Raad, 5 oktober 1988, rolnr. 25 613, BNB 1988/321). Hierna behandel ik onder 3.1 en 3.2 de uitgaven van binnenschilderwerk en de uitgaven voor tuin of park.
Uitgaven voor binnenschilderwerk kunnen worden aangemerkt als
uitgaven voor monumentenpanden voor:
- schilderwerk dat samenhangt met andere
onderhoudswerkzaamheden die tot aftrek leiden, bijvoorbeeld bij
lekkages, optrekkend vocht, vervanging van ramen, leidingen;
- schilderwerk van bijzondere monumentale
onderdelen, dat zo arbeidsintensief is dat een huurder de hoge
kosten daarvan niet meer voor zijn rekening zal willen nemen.
Uitgaven voor een tuin of park zijn aftrekbaar indien de tuin of het park als beschermd monument of als onderdeel van een beschermd monument is ingeschreven in het monumentenregister.
Voor de aftrek van tuinkosten geldt een drempel. Zie ook de uitspraak van Hof Amsterdam van 4 juli 2003, nr. 02/6278 (LJN: AH9844). Ik verzoek de Belastingdienst voorkomende gevallen in overleg met het Bureau Monumentenpanden te behandelen. Aan de hand van de ervaringen zal worden beoordeeld of er mogelijk algemene uitgangspunten zijn te formuleren voor de te hanteren drempel.
Het kan voorkomen dat uitgaven zijn gemaakt voor een tuin of park die nog niet is in- of bijgeschreven in het monumentenregister, maar waarvoor wel een aanwijzingsprocedure loopt. Aftrek van uitgaven over de periode vóór de inschrijving in het monumentenregister is niet mogelijk.
Ik keur met toepassing van de hardheidsclausule goed dat
uitgaven voor een tuin die nog niet als zelfstandige eenheid is
genoemd in de zogenoemde redengevende omschrijving van het
rijksmonument, toch in aftrek kunnen komen als is voldaan aan de
volgende voorwaarden:
- Op het moment waarop de kosten in aftrek worden
gebracht, is de tuin of het park als zelfstandige eenheid genoemd
en ingeschreven in het monumentenregister.
- In de periode waarover de uitgaven zijn gedaan,
is de tuin of het park door de Rijksdienst voor het Cultureel
Erfgoed aangemerkt als monumentaal onderdeel bij een pand dat is
ingeschreven in het monumentenregister.
De Belastingdienst kan via het Bureau Monumentenpanden controleren
of aan de voorwaarden is voldaan.
De uitgaven komen in aftrek in het jaar waarin zij zijn betaald of anderszins in aanmerking worden genomen op grond van artikel 6.40 van de Wet IB 2001. Op verzoek kan ambtshalve vermindering worden verleend voor de aftrek van uitgaven voor monumentale tuinen en parken. Hierbij gelden de gebruikelijke voorwaarden voor ambtshalve vermindering.
Monumentale tuinen en parken, die onder de Natuurschoonwet 1928
vallen, komen niet voor monumentenaftrek in aanmerking als de tuin
of het park niet behoort tot een eigen woning. Deze tuinen behoren
immers tot de vrijgestelde bezittingen in box 3. Door de wijze
waarop artikel 6.31 van de Wet IB 2001 is geformuleerd, bestaat
geen recht op monumentenaftrek.
In mijn brief van 16 juni 2009, nr. AFP09-347 heb ik aangegeven dat
deze uitwerking niet is beoogd.
Ik keur met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule) goed dat de kosten van monumentale tuinen en parken die zijn vrijgesteld op grond van artikel 5.7 van de Wet IB 2001, kunnen worden aangemerkt als monumentuitgaven. Voor aftrek van de kosten moet uiteraard zijn voldaan aan de overige eisen van artikel 6.31 van de Wet IB 2001.
De uitgaven komen in aftrek in het jaar waarin zij zijn betaald of anderszins in aanmerking worden genomen op grond van artikel 6.40 van de Wet IB 2001. Op verzoek kan ambtshalve vermindering worden verleend voor de aftrek van uitgaven voor monumentale tuinen en parken. Hierbij gelden de gebruikelijke voorwaarden voor ambtshalve vermindering.
Onderhoudskosten van monumentenpanden zijn in beginsel
aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden. Dit wordt niet anders
als het monumentenpand wordt gekocht met de bedoeling onderhoud te
verrichten. Als de koper het onderhoud niet zelf verricht, kan dit
leiden tot de vraag of de kosten voor hem aftrekbaar zijn. Kosten
die samenhangen met de verwerving van de woning zijn namelijk
bronkosten. Bronkosten zijn geen aftrekbare uitgaven voor
monumentenpanden. Nadat is vastgesteld dat sprake is van aftrekbare
monumentenuitgaven (objectief), komt de vraag op, aan wie de
aftrekbare kosten kunnen worden toegerekend (subjectief). Deze
beoordeling is afhankelijk van de gesloten overeenkomst(en).
Onderscheidend criterium is wie het onderhoud voor zijn rekening
neemt. Als de koper de kosten betaalt, heeft hij in beginsel recht
op aftrek. Zelfs als de verkoper het onderhoud uitvoert of laat
uitvoeren, kunnen het kosten voor de koper zijn. Als de verkoper
het onderhoud uitvoert of laat uitvoeren en (de kosten met de
koopsom van het pand) in rekening brengt bij de koper, heeft de
koper echter geen recht op aftrek. De kosten zijn voor de koper dan
niet-aftrekbare bronkosten. De kosten kunnen dan aftrekbaar zijn
bij de verkoper.
De drempel is een jaarbedrag. Ook als de woning niet het gehele jaar in bezit is, geldt de volledige jaardrempel. Bij fiscale partners worden de uitgaven samengeteld. Vervolgens wordt daarover de drempel toegepast. De drempel wordt berekend over de gezamenlijke waarde. Bij niet-fiscale partners neemt ieder zijn eigen uitgaven. De drempel wordt per persoon berekend over waarde van ieders aandeel in het monumentenpand.
De tweede woning die in belangrijke mate ter beschikking staat, wordt gewaardeerd op de WOZ-waarde (artikel 5.20 van de Wet IB 2001). Voor de drempelberekening geldt echter de waarde in het economische verkeer van artikel 5.19 Wet IB 2001 op 1 januari van het desbetreffende jaar (artikel 6.31, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001).
Bij een monument in gesplitst gebruik is voor de toerekening van
de drempel van belang voor welk deel van het monument de kosten
zijn gemaakt. Dit is bijvoorbeeld van belang als het monument deels
als eigen woning in gebruik is (drempel over 2008 is 0,75% van
WOZ-waarde) en deels door verhuur wordt aangemerkt als box
3-bezitting (drempel is 4% van de waarde in het economische
verkeer). Onderhoudskosten die specifiek betrekking hebben op een
bepaalde ruimte, worden aan die ruimte toegerekend. Kosten die niet
specifiek betrekking hebben op een bepaalde ruimte, worden naar
rato toegerekend (zie het arrest van de Hoge Raad van 14 december
2001, nr. 35.464, LJN: AD7140).
Voorbeeld
De begane grond van een monumentenpand is verhuurd (box 3). De
waarde in het economische verkeer daarvan is € 160.000. De eerste
etage is in gebruik als eigen woning (WOZ-waarde € 140.000). De
klokgevel aan de eerste etage en het dak worden gerestaureerd. De
kosten zijn € 40.000. Van de kosten aan de gevel of het dak, kan
niet gezegd worden dat zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ter
beschikking staan aan het woongedeelte. De kosten worden gesplitst
op basis van gebruik. In dit geval is de totale drempel (cijfers
2008) € 7.450, Voor het woongedeelte: 0,75% van € 140.000 = € 1.050
en voor het box 3-gedeelte: 4% van € 160.000 = € 6.400.
Eigenaren van een rijksmonument met plannen voor de restauratie of (groot) onderhoud van hun monument kunnen vooraf duidelijkheid verkrijgen over de fiscale gevolgen van deze voorgenomen werkzaamheden. De eigenaar doet daarvoor een verzoek bij het Bureau Monumentenpanden. Deze regeling heeft alleen betrekking op monumentenpanden en –tuinen die zijn ingeschreven in het monumentenregister. Het Bureau Monumentenpanden stelt voor de uitgaven voor monumentenpanden en monumentale tuinen en parken de hoogte van de fiscaal aftrekbare onderhoudskosten vast voor de heffing van de inkomsten- en vennootschapsbelasting.
Door het Brim kan de vaststelling door het Bureau
Monumentenpanden ook niet-fiscale gevolgen hebben. Via het
Nationaal Restauratiefonds kan de eigenaar met een beroep op het
Brim een laagrentende lening krijgen. Die lening is gekoppeld aan
het begrip fiscale onderhoudskosten dat vooraf wordt vastgesteld
door het Bureau Monumentenpanden.
Het Nationaal Restauratiefonds verstrekt ook leningen aan eigenaren
voor wie aftrek van monumentuitgaven niet mogelijk is, zoals
niet-belastingplichtige eigenaren of als fiscaal sprake is van een
nieuwe bron van inkomen. Het Bureau Monumentenpanden stelt dan vast
welk deel van de kosten - fictief - als onderhoudskosten zou worden
aangemerkt bij aftrek van monumentenuitgaven. Deze pro forma
vaststelling van de onderhoudskosten heeft weliswaar fiscaal geen
gevolg, maar het Nationaal Restauratiefonds gebruikt de
vaststelling wel voor het verstrekken van een lening op grond van
het Brim.
Het aanvraagformulier voor het verzoek is verkrijgbaar bij het
Bureau Monumentenpanden (doorkiesnummer 033-4505277) of te
downloaden bij www.belastingdienst.nl. Het verzoek moet worden
ingeleverd met de gegevens die nodig zijn voor een juiste
beoordeling. Op het aanvraagformulier is aangeven welke gegevens
voor deze beoordeling noodzakelijk zijn.
Het verzoek moet zijn gedaan vóór de aanvang van de eerste
werkzaamheden in het kader van de uitvoering van het
restauratieplan. Bovendien mag met deze feitelijke uitvoering van
het restauratieplan pas worden gestart nadat de situatie ter plekke
onderzocht is door een restauratiespecialist van de
Belastingdienst, tenzij het Bureau Monumentenpanden schriftelijk
heeft meegedeeld dat een dergelijk onderzoek niet zal plaatsvinden.
Het Bureau Monumentenpanden neemt nadat het verzoek compleet is
ingediend, binnen 10 weken een beslissing over de fiscale gevolgen
van de voorgenomen werkzaamheden. Indien het Bureau
Monumentenpanden niet binnen de termijn van 10 weken een beslissing
kan nemen dan stelt het Bureau Monumentenpanden de eigenaar daarvan
schriftelijk in kennis onder vermelding van de datum waarop de
beslissing kan worden verwacht.
Het Bureau Monumentenpanden zal voor de vaststelling van de fiscale
gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden eventueel de bevoegde
regio van de Belastingdienst raadplegen.
Ik heb het Bureau Monumentenpanden gemachtigd om een standpunt
in te nemen namens de inspecteur die bevoegd is voor de eigenaar.
Het standpunt van het Bureau Monumentenpanden is echter alleen
bindend als is voldaan aan de voorwaarden en er geen wijziging
optreedt in de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de
beslissing van het Bureau Monumentenpanden.
In andere gevallen kan het Bureau Monumentenpanden in zich daartoe
lenende gevallen vooraf nog wel een advies afgeven. Het advies is
dan echter niet bindend voor de bevoegde inspecteur.
Het Bureau Monumentenpanden zal de beslissing of het advies
schriftelijk aan de betrokken eigenaar meedelen. Het Bureau
Monumentenpanden stuurt een afschrift van de beslissing of het
advies aan de betrokken kantoren van de Belastingdienst. Mits de
aanvrager daarin heeft toegestemd, zal het Bureau Monumentenpanden
ook een afschrift zenden aan de Rijksdienst voor het Cultureel
Erfgoed en het Restauratiefonds.
De beslissing heeft het karakter van een mededeling en is dus niet
een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Nadat de beslissing
is verwerkt in een (voorlopige) aanslag inkomstenbelasting of
vennootschapsbelasting kan de eigenaar tegen die aanslag op de
gebruikelijke wijze in bezwaar of beroep gaan.
Het besluit van 16 juni 2008, nr. CPP2008/68M is ingetrokken met
ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 7 september 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager.