U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Besluiten / beleidsregels
Vennootschapsbelasting. Dividendbelasting. Fiscale beleggingsinstelling
Besluit / beleidsregel, Fiscaal |
10-09-2009 |
Vennootschapsbelasting, Dividendbelasting
Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling,
Sector brieven & beleidsbesluiten
Besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/813M, Staatscourant
2009, 14118
De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende
besloten.
Dit besluit bevat het beleid met betrekking tot artikel 28
van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het is een herziene
versie van het besluit van 12 december 2008, nr. CPP2008/708M. Twee
in dit besluit niet langer opgenomen goedkeuringen zijn op verzoek
van de praktijk opnieuw toegevoegd. Het betreft de goedkeuring voor
de zogenoemde stapelstructuren van onderdeel 3.1. en de goedkeuring
voor de herbeleggingsreserve die haar plafond heeft bereikt van
onderdeel 5.2.3.
1. Inleiding
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bevat twee bijzondere
regelingen voor beleggingsinstellingen. Deze regelingen zijn
opgenomen in respectievelijk artikel 6a en artikel 28. Beide
regelingen kennen verschillende vereisten en gevolgen. Artikel 6a
geeft een volledige (subjectieve) vrijstelling en stelt vooral
eisen op het gebied van de beleggingen. Artikel 28 biedt de
mogelijkheid van een tarief van nul percent en stelt vooral eisen
op het gebied van aandeelhouders en dividendpolitiek. Dit besluit
bevat het beleid ten aanzien van de beleggingsinstelling die
gebruik maakt van artikel 28 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
|
Wet Vpb:
|
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
|
|
Artikel 28:
|
Artikel 28 van de Wet Vpb
|
|
BBI:
|
Besluit beleggingsinstellingen
|
|
Wft:
|
Wet op het financieel toezicht
|
|
Wet DB:
|
Wet op de dividendbelasting 1965
|
|
Beleggingsinstelling
|
Beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28, tweede lid, Wet
Vpb
|
2. Oprichtingsfase en financieringslimiet (artikel 28, tweede
lid, onderdeel a)
Beleggingsinstellingen mogen slechts beperkt gebruik maken van
vreemd vermogen (op grond van artikel 28, tweede lid, onderdeel a).
Startende beleggingsinstellingen kunnen onder omstandigheden niet
direct aan deze financieringseisen voldoen. Soms is eerst een
investering nodig om beleggers aan te trekken. In afwachting van
deze beleggers is dan tijdelijk financiering met vreemd vermogen
noodzakelijk. Met het oog op dit soort situaties keur ik het
volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur de zogenoemde financieringseis
van artikel 28, tweede lid, onderdeel a, buiten aanmerking laat,
a. zolang de opstartfase van de
beleggingsinstelling voldoening aan de limiet onmogelijk, dan wel
zeer bezwaarlijk maakt;
b. maar uiterlijk tot 24 maanden na de datum
van oprichting.
3. Aandeelhoudersvereisten (Artikel 28, tweede lid, onderdelen
c en volgende)
Beleggingsinstellingen zijn niet volledig vrij in de keuze van
hun aandeelhouders en bestuurders. De wet bevat op dit punt een
aantal beperkingen (artikel 28, tweede lid, onderdelen c, en
volgende). Hieronder schets ik het beleid met betrekking tot deze
beperkingen.
3.1. Aandeelhoudersvereisten en
stapelstructuren
Beleggingsinstellingen zonder beursnotering of Wft-vergunning
kunnen volgens de wet geen moeder zijn van een andere
beleggingsinstelling.
In de Tweede Kamer is de toezegging gedaan dat indien een niet
ter beurze genoteerde beleggingsinstelling voor meer dan een vierde
gedeelte participeert in een andere niet ter beurze genoteerde
beleggingsinstelling in de uitvoeringssfeer een oplossing zou
worden gevonden voor het dreigende statusverlies (Vaste Commissie
voor Financiën, 4 december 1989, UCV 4 37). Naar aanleiding hiervan
hanteer ik het volgende goedkeurende beleid.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de status van beleggingsinstelling in de zin
van artikel 28, tweede lid, onderdeel d, onder 2 behouden blijft
ook al berust meer dan een vierde gedeelte van het totale aantal
aandelen bij een andere beleggingsinstelling zonder beursnotering
of Wft-vergunning. Aan deze goedkeuring is de voorwaarde verbonden
dat eerstbedoelde beleggingsinstelling al in het lopende boekjaar
ten minste 95 percent van de ter beschikking te stellen winst
uitdeelt.
Indien in enig jaar niet langer wordt voldaan aan de gestelde
voorwaarde verliest de beleggingsinstelling haar status met ingang
van het boekjaar waarop de ter beschikking te stellen winst
betrekking heeft.
3.2. Aandeelhoudersvereisten en oprichtingsfase
In beleggingsinstellingen mag slechts beperkt worden
deelgenomen door - kort gezegd – lichamen die zijn onderworpen aan
een naar de winst geheven belasting (artikel 28, tweede lid,
onderdeel c, ten tweede en artikel 28, tweede lid, onderdeel d, ten
tweede). Onder omstandigheden is ook een bestuurdersband tussen
dergelijke belaste lichamen en beleggingsinstellingen niet
toegestaan (artikel 28, tweede lid, onderdeel f). Beide vereisten
beogen misbruik van de beleggingsinstelling door belaste lichamen
te voorkomen. Oprichting en introductie van beleggingsinstellingen
is echter praktisch onmogelijk als direct moet worden voldaan aan
deze vereisten. Omdat betrokkenheid van belaste lichamen met de
oprichting en introductie van beleggingsinstellingen geen verband
houdt met het te voorkomen misbruik heb ik besloten tot de volgende
goedkeuring.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur op verzoek ontheffing verleent
van het bepaalde in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, ten
tweede, onderdeel d, ten tweede, en onderdeel f. Aan deze
goedkeuring verbindt hij de volgende beperking, respectievelijk
voorwaarde:
a. De goedkeuring vervalt uiterlijk 24
maanden na oprichting van het lichaam.
b. De beleggingsinstelling informeert de
inspecteur zo spoedig mogelijk indien bij het einde van de onder a
bedoelde termijn nog steeds niet wordt voldaan aan de vereisten
waarop de goedkeuring betrekking heeft.
3.3. Ontheffing van de bestuurdersvereisten indien voldaan
wordt aan de verzwaarde aandeelhoudersvereisten
Voor beursgenoteerde lichamen bevat artikel 28 lichtere
aandeelhoudersvereisten. Aan deze lichtere aandeelhoudersvereisten
verbindt artikel 28 wel bepaalde bestuurdersvereisten. Met ingang
van 1 augustus 2007 geldt dit regime voor beursgenoteerde lichamen
ook voor niet beursgenoteerde lichamen met een Wft vergunning.
Sommige van deze lichamen blijken hierdoor niet langer te voldoen
aan de vereisten voor toepassing van artikel 28. Namelijk die
lichamen die voldeden aan de tot 1 augustus 2007 voor hen geldende
zwaardere aandeelhoudersvereisten, maar die niet voldoen aan de met
ingang van 1 augustus 2007 voor hen geldende bestuurdersvereisten.
Onverkorte wetstoepassing brengt mee dat deze lichamen de status
van beleggingsinstelling verliezen. Dit is een door de wetgever
niet beoogd gevolg. De wetswijziging beoogt juist een versoepeling
van het regime voor niet beursgenoteerde lichamen met een Wft
vergunning. Om hieraan recht te doen heb ik besloten tot de
volgende goedkeuring.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur op verzoek ontheffing verleent
van de bestuurdersbeperkingen van artikel 28, tweede lid, onderdeel
f. Deze goedkeuring geldt slechts indien en zolang
belastingplichtige voldoet aan de (verzwaarde)
aandeelhoudersvereisten van artikel 28, tweede lid, onderdeel d.
3.4. Aandeelhoudersvereisten en het onderworpenheids
criterium
Zoals vermeld kunnen lichamen die zijn onderworpen aan een
winstbelasting slechts beperkt deelnemen in een
beleggingsinstelling. Voor de toepassing van deze beperking geldt
de volgende goedkeuring.
Goedkeuring
Ik keur goed - onder de hierna vermelde voorwaarden - dat
lichamen die subjectief belastingplichtig zijn voor een belasting
naar de winst, maar door de werking van een objectieve vrijstelling
geen belaste activiteiten kennen, voor de toepassing van artikel
28, tweede lid, niet worden aangemerkt als lichamen onderworpen aan
een in enige vorm naar de winst geheven belasting.
Deze goedkeuring stoelt mede op grond van het gestelde in de
Memorie van antwoord, Tweede Kamer, 1988/89, 20701, nr. 6, blz. 18,
over een pensioenfonds met een in het buitenland aan een
winstbelasting onderworpen vaste inrichting.
De goedkeuring is van toepassing onder de volgende
voorwaarden:
a. Ieder jaar zal de beleggingsinstelling
voorafgaand aan de indiening van de aangifte vennootschapsbelasting
schriftelijk aan de inspecteur de gegevens verstrekken aan de hand
waarvan de inspecteur kan vaststellen dat in het desbetreffende
jaar door het desbetreffende lichaam geen belaste activiteiten zijn
ontplooid. Tevens wordt een opgave verstrekt van de aandeelhouders
van dat lichaam.
b. Voor zover aandelen in het desbetreffende
lichaam worden gehouden door Nederlandse aandeelhouders/lichamen en
sprake is van een deelneming in de zin van artikel 13 van de Wet
Vpb verklaren deze aandeelhouders/lichamen zich vooraf tegenover de
inspecteur schriftelijk ermee akkoord, dat de deelneming zal worden
aangemerkt als laag belaste beleggingsdeelneming in de zin van
artikel 13, tiende lid, van de Wet Vpb en als zodanig niet
kwalificeert voor de vrijstelling van dit artikel.
c. De beleggingsinstelling verklaart binnen
twee maanden schriftelijk tegenover de inspecteur dat zij de
gestelde voorwaarden aanvaardt en dat zij bij niet nakoming van die
voorwaarden het daaruit voor de Nederlandse Staat voortvloeiende
nadeel geheel zal vergoeden.
3.5. Aandeelhoudersvereisten en evidente misslag
Er zijn beleggingsinstellingen die de koers van hun aandelen
op intrinsieke waarde houden, door inkoop van eigen aandelen, tot
ten hoogste 10% van het geplaatste kapitaal. Bij een verdergaand
aanbod van aandelen treedt een bank op als koper van aandelen.
Hierbij is het voorgekomen dat de bank als gevolg van een evidente
misslag teveel inkoopt en meer aandelen krijgt dan is toegestaan op
grond van de aandeelhoudersvereisten.
Goedkeuring
In dergelijke gevallen keur ik op verzoek goed dat de status
van beleggingsinstelling gehandhaafd blijft, mits:
a. na ontdekking van deze misslag het
aandelenbezit zo spoedig mogelijk is teruggebracht tot een
toegestaan niveau; en
b. de bank die de markt onderhoudt in de
aandelen in de beleggingsinstelling tegenover mij aannemelijk
maakt, dat zij onwetend was van de fiscale consequenties van haar
gedragingen.
4. Aanvang status
Een lichaam dat voldoet aan de wettelijke vereisten kan eerst
met ingang van het daarop volgende jaar als beleggingsinstelling
worden aangemerkt (artikel 10, eerste lid, BBI). Het kan voorkomen
dat aan alle voorwaarden wordt voldaan behoudens dat door enkele
dwingende formaliteiten de statuten niet meer vóór het begin van
het volgende (boek-)jaar kunnen worden aangepast (in het bijzonder
valt hier te denken aan de tijd die verloopt tussen het opstellen
van de statuten en het passeren van de akte bij de notaris).
Goedkeuring
Om tegemoet te komen aan de wens al eerder als
beleggingsinstelling te worden aangemerkt, keur ik goed dat het
lichaam al als beleggingsinstelling wordt aangemerkt met ingang van
de aanvang van het jaar waarin de statuten zijn gewijzigd. Daarbij
gelden de volgende voorwaarden:
a. nog vóór dat tijdstip een besluit door de
algemene vergadering van aandeelhouders is genomen ter zake van de
statutenwijziging;
b. nog vóór dat tijdstip de verklaring van
geen bezwaar is aangevraagd;
c. nog vóór dat tijdstip voldaan is aan de
overige in artikel 28 van de Wet Vpb voor de verkrijging van de
status omschreven vereisten; en
d. de statutenwijziging na het afgeven van
de verklaring van geen bezwaar binnen de geldigheidsduur van die
verklaring heeft plaatsgevonden.
Een belastingplichtige die van deze regeling gebruik wil maken
moet daartoe een verzoek, voorzien van de nodige bewijsstukken met
betrekking tot de hiervoor onder a tot en met d genoemde
voorwaarden, indienen bij de bevoegde inspecteur. Het verzoek moet
worden gedaan vóór de aangifte over het eerste boekjaar waarin de
belastingplichtige als beleggingsinstelling wenst te worden
aangemerkt.
5. Winstbepaling beleggingsinstelling
5.1. Dividend ontvangen uit een belang in een
beleggingsinstelling
Een belang in een beleggingsinstelling van 25% of meer moet
worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (artikel
13a Wet Vpb). Als een beleggingsinstelling uit een dergelijk belang
een dividend ontvangt en hierdoor de waarde van het belang daalt,
zijn de gevolgen voor de uitdelingsverplichting van de ontvangende
beleggingsinstelling de volgende.
Het door een beleggingsinstelling ontvangen dividend dient
steeds in haar belastbare winst en daarmee in haar
uitdelingsverplichting te worden begrepen. Dit lijdt slechts
uitzondering bij meegekocht dividend. Aldus wordt recht gedaan aan
doel en strekking van het fiscale regime voor
beleggingsinstellingen. Voor zover het ontvangen dividend daarbij
tot een koersverlies leidt, wordt dat afgewikkeld via de
herbeleggingsreserve.
5.2. Herbeleggingsreserve (artikel 4 BBI)
Beleggingsinstellingen kunnen er voor kiezen in het eerste
jaar ten laste van de winst een herbeleggingsreserve te vormen
(artikel 4 BBI).
5.2.1. Effecten: inschrijvingen in schuldregisters
Artikel 4, tweede lid, BBI maakt een onderscheid tussen
effecten en overige beleggingen. Ten aanzien van effecten kan het
saldo van “koerswinsten en koersverliezen op effecten” in de
herbeleggingsreserve worden opgenomen, terwijl van de overige
beleggingen het saldo van “winsten en verliezen ter zake van
vervreemding” wordt gedoteerd. De kwalificatie van bepaalde
beleggingen als effecten is daardoor van belang.
Inschrijvingen in schuldregisters zijn aan te merken als
effecten indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. de inschrijving in het schuldregister
maakt deel uit van een lening waarin ook (naar keuze van de
inschrijver) kan worden deelgenomen in de vorm van schuldbewijzen
welke ter beurze worden genoteerd;
b. voor de inschrijving in het
schuldregister gelden geen van het overige deel van de lening
afwijkende regelingen met betrekking tot looptijd, rente en
aflossing;
c. de inschrijving in het schuldregister is
verhandelbaar;
d. de verhandeling van de inschrijving in
het schuldregister is, behoudens het stellen van voorwaarden aan de
omvang van gedeeltelijke verhandeling, niet onderworpen aan enige
goedkeuring door de schuldenaar;
e. de inschrijving in het schuldregister kan
op verzoek van de houder van die inschrijving worden omgezet in aan
hem te verstrekken schuldbewijzen als onder a bedoeld;
f. het onder e bedoelde recht tot omzetting
kan door de houder van de inschrijving worden uitgeoefend tot ieder
door hem gewenst bedrag;
g. voor de omzetting van de inschrijving in
het schuldregister in schuldbewijzen is niet de goedkeuring van de
schuldenaar vereist.
Wellicht ten overvloede merk ik op dat aan bovenstaande
voorwaarden voldoen de inschrijvingen in het schuldregister bij het
Agentschap van het Ministerie van Financiën ter zake van
staatsleningen waarop de “Regeling schuldregisters Nederlandse
staatsleningen 2003” van 17 december 2003 (Stcrt. 2004, 16) van
toepassing is.
5.2.2. Interimdividend ten laste van de
herbeleggingsreserve
In onderdeel 7.3 keur ik goed dat koers- en
vervreemdingswinsten al in de loop van het jaar als uitdeling uit
de herbeleggingsreserve vrij van dividendbelasting kunnen worden
uitgekeerd. Deze goedkeuring laat onverlet dat de inspecteur het
(jaar)saldo van de toevoeging en vermindering van de
herbeleggingsreserve slechts éénmaal per boekjaar in een
beschikking vaststelt. Hiertoe wordt na afloop van het boekjaar het
verloop van de herbeleggingsreserve op jaarbasis beoordeeld. Indien
door latere verliezen blijkt dat meer ten laste van de
herbeleggingsreserve is gebracht dan op jaarbasis mogelijk zou
zijn, wordt dat meerdere aangemerkt als een verlies ter zake van
vervreemding van beleggingen in het volgende jaar. De inspecteur
stelt het naar volgend jaar over te brengen verlies vast bij voor
bezwaar vatbare beschikking in overeenstemming met artikel 4,
vierde lid, BBI.
5.2.3. Positief saldo van koers- en vervreemdingsresultaten en
uitdelingstekort
Indien gekozen is voor het vormen van een herbeleggingsreserve
wordt het saldo van koers- en vervreemdingsresultaten niet tot de
winst gerekend maar gedoteerd aan de herbeleggingsreserve. Daarbij
is de jaardotatie gelimiteerd door het aan de herbeleggingsreserve
gestelde plafond (artikel 4, vijfde lid BBI). Hierdoor kan een
positief saldo van de koers- en vervreemdingsresultaten in een jaar
niet (volledig) aan de herbeleggingsreserve worden toegevoegd als
sprake is van een samenloop met een uitdelingstekort. De wetgeving
voorziet wel in de mogelijkheid van een verrekening van het
uitdelingstekort maar niet in de mogelijkheid om in een later jaar
alsnog een (inhaal)dotatie aan de herbeleggingsreserve te doen.
Teneinde de regeling in overeenstemming te brengen met de bedoeling
keur ik het volgende goed.
Goedkeuring
Indien in een jaar het positieve saldo van de koers- en
vervreemdingsresultaten door het bereiken van het plafond van de
herbeleggingsreserve, niet of niet volledig aan de
herbeleggingsreserve kan worden toegevoegd wordt op verzoek van de
belastingplichtige het overschot door de inspecteur vastgesteld.
Het door de inspecteur vastgestelde bedrag mag vervolgens in één of
meer van de daarop volgende jaren aan de herbeleggingsreserve
worden toegevoegd voorzover het aan de herbeleggingsreserve
gestelde plafond daarvoor de ruimte biedt.
5.3. Plafond van de afrondingsreserve
Beleggingsinstellingen kunnen een afrondingsreserve vormen
(artikel 5 BBI). De afrondingsreserve heeft tot doel het lichaam in
staat te stellen de uit te delen winst vast te stellen op een
afgerond bedrag. De afrondingsreserve bedraagt maximaal 1% van wat
is gestort op de bij het einde van het boekjaar in omloop zijnde
aandelen (artikel 5, tweede lid, BBI). Hierbij moet onder het op
aandelen gestorte kapitaal ook worden verstaan de eventuele
storting van agio. Voor de volledigheid merk ik op dat de
herbeleggingsreserve voor de berekening van de afrondingsreserve
geen deel uitmaakt van het op aandelen gestorte kapitaal.
6. Uitdelingsverplichting (artikel 28, tweede lid, onderdeel
b)
In artikel 28, tweede lid, onderdeel b, is de zogenoemde
uitdelingsverplichting opgenomen. Deze houdt in dat binnen acht
maanden na afloop van het boekjaar de voor uitdeling beschikbare
winst moet worden uitgedeeld aan de aandeelhouders en
deelgerechtigden. De volgende beleidsonderdelen hebben betrekking
op deze uitdelingsverplichting.
6.1. Ontheffing van de uitdelingsverplichting
In 6.1.1. en 6.1.2 zijn twee situaties beschreven waarin een
(gedeeltelijke) ontheffing van de uitdelingsverplichting wordt
gegeven (6.1.3). In 6.1.4 is een beschrijving toegevoegd van een
situatie waarin geen ontheffing van de uitdelingsverplichting wordt
verleend.
6.1.1. Te late bekendheid met op grond van artikel 3 BBI in
aanmerking te nemen bedragen
Op het moment waarop de commerciële winst van een
beleggingsinstelling wordt vastgesteld zijn soms nog niet de
bedragen bekend die op grond van artikel 3 BBI in de fiscale winst
moeten worden begrepen ter zake van ontvangen bonusaandelen,
split-ups en dergelijke. Het kan voorkomen dat door die
onbekendheid, de over het jaar in feite verrichte uitdelingen zijn
achtergebleven bij de op de voet van artikel 28, tweede lid,
onderdeel b, te verrichten uitdelingen.
6.1.2. Te lage uitdeling in verband met civielrechtelijk
uitkeringsverbod
Het kan voorkomen dat positieve beleggingsresultaten worden
behaald die tot een uitdelingsverplichting leiden (zoals de
ontvangst van dividenden, huur en rente), maar dat daarnaast
(grote) vermogensverliezen worden geleden. De
uitdelingsverplichting kan dan groter zijn dan het
civielrechtelijke dividendmaximum (zoals dat wordt bepaald in
artikel 216 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek).
6.1.3. Goedkeuring voor situaties vermeld in 6.1.1. en
6.1.2.
Voor zover door omstandigheden zoals beschreven in 6.1.1. en
6.1.2. niet is voldaan aan de uitdelingsverplichting van artikel
28, tweede lid, onderdeel b, keur ik goed dat dit tekort wordt
toegevoegd aan de afrondingsreserve. Dit bedrag komt ten laste van
de winst van het jaar waarop de hiervoor genoemde
uitdelingsverplichting betrekking heeft. Op deze toevoeging vindt
de laatste volzin van artikel 7, eerste lid, BBI overeenkomstige
toepassing.
6.1.4. Uitkering wel mogelijk, maar (commerciële) winst
ontbreekt
Onder omstandigheden kan vanwege de fiscale winst sprake zijn
van een uitdelingsverplichting die uitgaat boven de winstreserves
in de commerciële jaarrekening. Bij aanwezigheid van een
agioreserve is in zoverre echter geen sprake van een
civielrechtelijk uitdelingsverbod en doet zich niet de situatie
voor als bedoeld onder 6.1.2. Uitkeringen ten laste van de
agioreserve kunnen evenwel niet worden aangemerkt als het voldoen
aan de uitdelingsverplichting (zie Kamerstukken II 1968/69, 6 000,
nr. 22, blz. 17rk en Kamerstukken I 1989/90, 20701, nr. 78d, blz.
15). Vanuit de praktijk is verzocht om een oplossing in de
beleidsmatige sfeer. Naar mijn mening is dat echter niet nodig. De
oorzaak van het probleem is dat de commerciële winstberekening
kennelijk onvoldoende aansluit bij de fiscale winstberekening
waarvoor de beleggingsinstelling met een herbeleggingsreserve in
feite heeft gekozen (art. 1a BBI en art. 4 BBI). De fiscale
beleggingsinstelling dient aan haar uitdelingsverplichting te
voldoen. Civielrechtelijk is uitkering toegestaan.
Fiscaalrechtelijk is daarbij van belang dat uitkering geschiedt als
dividend. Het is vervolgens zaak om de boekhouding te doen
aansluiten bij die realiteit.
6.2. Ontheffing van de eis van gelijke winstverdeling
Op grond van artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet
Vpb dient een beleggingsinstelling de ter beschikking te stellen
winst gelijkelijk te verdelen over alle aandelen en bewijzen van
deelgerechtigdheid. In de volgende situaties keur ik goed dat deze
eis buiten aanmerking blijft.
Goedkeuring
a. De eis van een gelijke winstverdeling per
aandeel mag buiten aanmerking blijven indien alle aandelen in één
hand zijn, of indien alle aandeelhouders in dezelfde mate zijn
gerechtigd tot de verschillende soorten aandelen.
b. De eis van een gelijke winstverdeling per
aandeel mag ook buiten aanmerking blijven indien de ongelijke
winstverdeling samenhangt met het bestaan van prioriteitsaandelen,
mits:
1. het nominaal gestorte kapitaal op het
totaal van de prioriteitsaandelen niet meer bedraagt dan € 500; en
2. de vergoeding op de prioriteitsaandelen
niet meer beloopt dan 7 percent.
c. Ook bij NV’s met een zogenoemde
paraplustructuur mag de eis van een gelijke winstverdeling buiten
aanmerking blijven, mits aan de volgende voorwaarden wordt
voldaan:
1. Elk (sub-)fonds van de NV dient te
voldoen aan alle voorwaarden van artikel 28.
2. Geen (sub )fonds van de NV belegt in enig
ander (sub )fonds van de NV.
3. Overigens voldoet de NV aan alle
voorwaarden van artikel 28.
Ter toelichting op deze goedkeuring met betrekking tot
paraplufondsen merk ik het volgende op.
Een paraplustructuur houdt in dat het aandelenkapitaal is
onderverdeeld in verschillende series (onderdeel-)aandelen. Elke
serie aandelen representeert een afzonderlijk geadministreerde
effectenportefeuille op basis van een eigen beleggingsbeleid. Aldus
kan binnen de ene NV een veelheid aan (sub )fondsen worden
onderscheiden. Deze veelheid van subfondsen is onverenigbaar met de
eis van gelijke winstverdeling van artikel 28. Door bovenstaande
goedkeuring is artikel 28 toch – zij het onder voorwaarden –
toegankelijk voor paraplufondsen.
Gesteld zou kunnen worden dat door de gekozen structuur de
verschillende (sub-)fondsen van de NV in zekere zin borg staan voor
elkaar. Of borgstelling kan worden aangemerkt als beleggen hangt af
van de omstandigheden. In het geval van een paraplufonds kan
daaraan echter worden voorbijgegaan. Indien enig (sub-)fonds wordt
aangesproken voor de schulden van een ander (sub-)fonds zal dit
laatste fonds immers de financieringsvereisten van artikel 28,
tweede lid, onderdeel a, hebben overschreden. Gevolg daarvan is
statusverlies voor de NV als geheel en tevens voor alle
(sub-)fondsen. Voor de toepassing van artikel 28, vierde lid, in
dergelijke omstandigheden zie ik in beginsel geen aanleiding.
Het beleid met betrekking tot de aandeelhouders- en
bestuurdersvereisten, zoals neergelegd in dit besluit, vindt
overeenkomstige toepassing op nieuwe (sub-)fondsen van de NV;
daarbij wordt een reeds bestaand fonds, dat wordt omgezet in een
(sub-)fonds van de NV niet als nieuw beschouwd. Voor alle
duidelijkheid zij er bovendien op gewezen dat de tijdelijke
ontheffing van deze vereisten die wordt verleend aan een nieuw (sub
)fonds, onverlet laat dat de NV als geheel wel aan deze eisen dient
te voldoen (behoudens voor zover dit beleid op de NV als geheel van
toepassing is).
Het onderscheiden van de verschillende (sub-)fondsen binnen de
NV met het oog op de winstverdeling doet niet af aan het feit dat
er sprake is van één belastingplichtige voor de heffing van
vennootschapsbelasting, op welke belastingplichtige het BBI van
toepassing is. Aldus is er formeel één aangifte, één (keuze voor
een) herbeleggingsreserve, één uitdelingsverplichting, enzovoort.
Daarnaast zal voor ieder (sub-)fonds een berekening dienen te
worden gemaakt op basis van een overeenkomstige toepassing van het
BBI uit hoofde van voorwaarde 1. Onder omstandigheden kan het zich
daarbij voordoen dat de som van de voor de (sub )fondsen berekende
uitdelingsverplichtingen de uitdelingsverplichting van de NV te
boven gaat. Vanuit de NV als geheel bezien wordt dan op grond van
voorwaarde 1 meer uitgedeeld dan krachtens artikel 2 BBI nodig is.
Indien dit leidt tot problemen met het vormen van een
herbeleggingsreserve kunnen deze worden voorgelegd aan de
Belastingdienst/Centrum voor Proces en Productontwikkeling, Postbus
20201, 2500 EE Den Haag. Het vorenstaande is van overeenkomstige
toepassing op fondsen voor gemene rekening.
Opgemerkt wordt dat de ontheffingen onder b en c zich naast
elkaar kunnen voordoen. Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen
dat bij een paraplufonds de ontheffing op de voet van punt b niet
wordt toegepast per subfonds maar op het fonds als geheel.
7. Dividendbelasting; herbeleggingsreserve
Artikel 3b van de Wet DB bepaalt dat de herbeleggingsreserve
wordt aangemerkt als gestort kapitaal. Deze bepaling is ingevoerd
om koers- en vervreemdingswinsten vrij van dividendbelasting ten
laste van de herbeleggingsreserve te kunnen uitdelen.
7.1. Gevolgen keuze om per 1 januari 2001 geen
herbeleggingsreserve te vormen
Een op 1 januari 2001 bestaande beleggingsinstelling had de
mogelijkheid om met ingang van die datum geen herbeleggingsreserve
meer te vormen. Deze keuze heeft geen gevolgen voor een al
bestaande herbeleggingsreserve. De in het verleden gevormde
herbeleggingsreserve kan in stand blijven. In de overgangsregeling
is namelijk niet bepaald dat in dat geval de bestaande
herbeleggingsreserve in het resultaat van 2000 moet vrijvallen. Op
grond van artikel 3b van de Wet DB wordt ook de bestaande
herbeleggingsreserve aangemerkt als gestort kapitaal. De keuze om
vervolgens vanaf 1 januari 2001 geen herbeleggingsreserve meer te
vormen heeft slechts gevolgen voor ná 1 januari 2001 behaalde
koers- en vervreemdingsresultaten. Deze worden in dat geval tot het
fiscale resultaat gerekend en kunnen niet aan de
herbeleggingsreserve worden toegevoegd.
7.2. Vrij van dividendbelasting uitkeren van de
herbeleggingsreserve
Artikel 3b van de Wet DB bepaalt dat de herbeleggingsreserve
wordt aangemerkt als gestort kapitaal. Door het aanmerken als
gestort kapitaal is op een uitdeling uit de herbeleggingsreserve
artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet DB van toepassing.
Dit artikel bepaalt dat op de terugbetaling van gestort kapitaal
dividendbelasting moet worden ingehouden indien en voor zover er
zuivere winst is, tenzij tevoren de algemene vergadering van
aandeelhouders tot de teruggaaf heeft besloten en de nominale
waarde van de desbetreffende geplaatste aandelen bij
statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd. Is dat
laatste niet het geval dan wordt volgens vaste jurisprudentie op
het moment van uitkeren bepaald of sprake is van aanwezigheid van
"zuivere winst". In de praktijk blijkt dat de eisen die deze
bepaling stelt in veel gevallen prohibitief zijn voor het doen van
een uitkering vrij van dividendbelasting ten laste van de
herbeleggingsreserve door de aanwezigheid van zuivere winst. De
regeling van artikel 3b van de Wet DB beantwoordt hierdoor niet
volledig aan haar doel. Deze regeling is juist ingevoerd om koers-
en vervreemdingswinsten vrij van dividendbelasting ten laste van de
herbeleggingsreserve te kunnen uitdelen. Ik heb daarom aanleiding
gevonden het volgende goed te keuren.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de toepassing van artikel 3, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet DB achterwege blijft voor zover een
beleggingsinstelling een uitkering doet ten laste van de
herbeleggingsreserve. Als voorwaarde geldt dat de
beleggingsinstelling zowel in haar boekhouding en jaarrekening, als
tegenover haar aandeelhouders, uitdrukkelijk vastlegt dat sprake is
van een uitkering ten laste van de herbeleggingsreserve.
De toets aan de aanwezigheid van zuivere winst is opgenomen om
te voorkomen dat gekozen wordt voor het (belastingvrij) terug
betalen van kapitaal in plaats van het uitkeren van (belast)
dividend. Bij een beleggingsinstelling kan deze eis echter
achterwege blijven omdat de op directe beleggingsresultaten
rustende uitdelingsverplichting al waarborgt dat uitkeringen ten
laste van de herbeleggingsreserve niet in de plaats zullen treden
van wel aan dividendbelasting onderworpen uitkeringen van het
directe beleggingsresultaat. Deze goedkeuring heeft dan ook
uitsluitend betrekking op inhouding van dividendbelasting op
uitkeringen ten laste van de herbeleggingsreserve door
beleggingsinstellingen.
7.3. Interimdividend en herbeleggingsreserve
Er zijn beleggingsinstellingen die in de loop van het jaar
behaalde koers- en vervreemdingswinsten al voor het einde van het
desbetreffende jaar ten laste van de herbeleggingsreserve willen
uitkeren. Hierover merk ik het volgende op.
In de herbeleggingsreserve wordt opgenomen een bedrag gelijk
aan het in het jaar volgens goed koopmansgebruik berekende saldo
van koers- en vervreemdingsresultaten (artikel 4, tweede lid, BBI).
Artikel 8 BBI bepaalt vervolgens dat de bedragen van de toevoeging
aan of de vermindering van de herbeleggingsreserve door de
inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld.
Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat de herbeleggingsreserve
uitsluitend aan het einde van ieder boekjaar wordt gemuteerd.
Gevolg zou zijn dat in de loop van een jaar behaalde koers- en
vervreemdingswinsten nooit vrij van dividendbelasting ten laste van
de herbeleggingsreserve kunnen worden uitgekeerd. In aanmerking
nemende dat de herbeleggingsreserve niet meer is dan de weergave
van het positieve saldo van koers- en vervreemdingsresultaten op
een bepaald tijdstip (balansdatum) keur ik, voor zover nodig, het
volgende goed.
Goedkeuring
Voor het doen van een uitkering ten laste van de
herbeleggingsreserve kan deze ook tussentijds, bij het opstellen
van kwartaal of halfjaarcijfers, met inachtneming van de daarvoor
geldende regels, worden berekend.
8. Statusverlies van de beleggingsinstelling
Alleen beleggingsinstellingen kunnen een herbeleggingsreserve
vormen. De vraag is gesteld of het vervallen van de status van
beleggingsinstelling tot gevolg heeft dat het karakter van de
herbeleggingsreserve als gestort kapitaal wijzigt. Zou dat het
geval zijn dan wordt alsnog een claim gevestigd op tijdens de
statusperiode opgebouwde vermogenswinsten.
Goedkeuring
Voor de heffing van dividendbelasting wordt de
herbeleggingsreserve aangemerkt als gestort kapitaal (artikel 3b
van de Wet DB). Voor zover nodig keur ik goed dat deze bepaling ook
geldt na het verlies van de status van beleggingsinstelling. Bij
statusverlies van de beleggingsinstelling vindt dus geen vrijval
(in de winst) van de herbeleggingsreserve plaats. Op uitkeringen
ten laste van de voormalige herbeleggingsreserve is artikel 3,
eerste lid, onderdeel d, Wet DB overigens wel van toepassing.
Uitkeringen ten laste van de herbeleggingsreserve dienen na
statusverlies van de beleggingsinstelling op dezelfde wijze te
worden behandeld als uitkeringen ten laste van de agioreserve. De
in onderdeel 7.2 opgenomen goedkeuring is niet langer van
toepassing aangezien deze uitsluitend betrekking heeft op een
uitkering uit de herbeleggingsreserve door een
beleggingsinstelling.
9. Ingetrokken regelingen
Het besluit van 12 december 2008, nr. CPP2008/708M is
ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit
besluit.
10. Inwerkingtreding (en vervaldatum)
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de
datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst
en werkt terug tot de dagtekening van het besluit.
Den Haag, 15 september 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager
Meer informatie