U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
De Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen
(ATV-richtlijnen) beschrijven hoe de Belastingdienst de
aanmeldingen, die voor strafrechtelijk onderzoek in aanmerking
komen, selecteert voor de rechtsgebieden belastingen, toeslagen en
douane1] .
1] De ATV-richtlijnen zijn op grond van de Regeling toedeling
bepaalde opsporingstaken SIOD en FIOD-ECD, d.d. 4 september
2007, nr. SIOD/07/4362 van toepassing voor de opsporing en
vervolging van strafbare feiten op fiscaal gebied door de SIOD.
Inzet strafrecht
Alle handhavingsinspanningen zijn gericht op de naleving van wet-
en regelgeving en het bevorderen van compliant gedrag. Hiertoe zijn
diverse handhavinginstrumenten beschikbaar, waaronder het
strafrecht. De inzet van bestuursrecht of strafrecht wordt bepaald
aan de hand van de vraag welk instrument het meest efficiënt en
effectief is.
Zo zal het strafrecht worden ingezet ter correctie van die gevallen
waarin sprake is van flagrante schendingen van de rechtsorde,
waardoor grote schade aan de belangen van burger en staat kunnen
ontstaan. Het strafrecht is daarbij onderdeel van de totale
handhavingsketen. Maar het strafrecht dient een breder doel. De
meerwaarde van het strafrecht zit ook in de normstellende en
normbevestigende werking ervan en het preventieve effect dat ervan
uitgaat. Door het strafrecht als integraal onderdeel van de
handhaving in te zetten kan het benut worden om als totale keten
pro-actief op te treden en brede maatschappelijke effecten te
sorteren.
In lijn met deze koers zal het strafrecht steeds meer worden
ingezet ter ondersteuning van en in wisselwerking met het toezicht
om zo de rechtshandhaving te stimuleren en compliance te
bevorderen.
De ATV-richtlijnen zijn geschreven om de inzet van het strafrecht
te concentreren op die zaken die een maatschappelijk effect hebben
(bijvoorbeeld gevallen waarin de rechtsorde in ernstige mate is
geschokt). Deze richtlijnen leiden er dus toe dat de fiscale,
douane en/of toeslagenfraudezaken met minder of geen
maatschappelijk effect vaker bestuurlijk zullen worden afgedaan. In
deze richtlijnen wordt, op grond van de omvang van het fiscaal
nadeel, aangegeven of in beginsel voor bestuurlijke - dan wel
strafrechtelijke afdoening wordt gekozen. Afhankelijk van de in
hoofdstuk 5 beschreven aspecten wordt in het tripartiete overleg
(TPO) besloten welke afdoening voor een concrete zaak is
aangewezen.
Van de richtlijnen kan worden afgeweken in geval van
bestuursondersteunende inzet van het strafrecht. Hierbij valt te
denken aan bijzondere acties van de Belastingdienst, gericht op
specifieke groepen belanghebbenden en specifieke acties met
betrekking tot bepaalde delicten, bijvoorbeeld de omissiedelicten.
Over zulke acties maakt de Belastingdienst vooraf afspraken met het
Openbaar Ministerie om de handhavingsinspanningen op elkaar af te
stemmen.
De Belastingdienst is belast met de handhaving van de fiscale,
toeslagen- en douanewetgeving. De Belastingdienst voert deze
wettelijke taken zo doeltreffend en doelmatig mogelijk uit. In zijn
handelen streeft hij naar handhaving van rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid. Daarbij wordt gewerkt vanuit de
compliancegedachte: de Belastingdienst is erop gericht
belanghebbenden (belastingplichtigen, toeslaggerechtigden,
inhoudingsplichtigen en administratieplichtigen) vrijwillig aan hun
wettelijke verplichtingen te laten voldoen. Mocht blijken dat
belanghebbenden hun verplichtingen niet naleven dan bevordert de
Belastingdienst compliance door correctieve actie en, indien
passend, door strafrechtelijk afgedwongen naleving.
Belastingdienst/Douane
Bij de douanedelicten ontbreekt veelal de mogelijkheid om een
bestuurlijke boete op te leggen. Daardoor bestaat er bij
douanedelicten vaak uitsluitend de keuze tussen een transactie of
het voorleggen aan de strafrechter. Voor deze douanedelicten gelden
specifieke transactierichtlijnen. Deze richtlijnen zijn te vinden
in het Handboek Douane van het Ministerie van Financiën, deel 8,
onderdeel 36.00.00 (strafbepalingen), par. 10 d.d. 30 maart 2009,
versie IV.
De ATV-richtlijnen beschrijven welke fiscale douanedelicten voor
strafrechtelijke vervolging in aanmerking kunnen komen. De aanpak
van niet-douane delicten, de zogenaamde VGEM-delicten (delicten op
het gebied van veiligheid, gezondheid, economie en milieu) wordt
geregeld in het handboek VGEM.
Het ATV-traject bestaat uit drie fasen. Deze fasen zijn:
|
Fase
|
|
aan de orde in deze richtlijnen in
|
|
1
|
de aanmelding
|
hoofdstuk 2
|
|
2
|
het selectieoverleg
|
hoofdstuk 3
|
|
3
|
het tripartiete overleg
|
hoofdstuk 4
|
De aanmeldingsrichtlijnen (hoofdstuk 2) zijn vastgesteld door de
directeur-generaal Belastingdienst van het Ministerie van Financiën
na overleg met het College van procureurs-generaal van het Openbaar
Ministerie. De transactierichtlijnen (hoofdstuk 4.2) zijn in
gezamenlijk overleg van het College en genoemde directeur-generaal
tot stand gekomen.
De vervolgingsrichtlijnen (hoofdstuk 4.3) zijn vastgesteld door het
College van Procureurs-generaal na overleg met genoemde
directeur-generaal.
De aanmeldingsrichtlijnen geven aan in welke gevallen de
ambtenaren van de Belastingdienst vermoedens van een strafbaar feit
moeten aanmelden bij de boete-fraudecoördinator ( /
contactambtenaar).
Aanmeldingscriteria
Aanmelding vindt plaats als een drempelbedrag wordt overschreden.
Voor belasting of toeslagen is dat het bedrag dat door de in of
over de onderzoeksperiode gepleegde feiten die daartoe strekten, te
weinig is of zou zijn geheven of teveel is of zou zijn toegekend
indien de aangifte of aanvraag van belanghebbende was gevolgd
(hierna: “nadeel”). Het nadeel moet ten minste € 10.000 voor
particuliere belastingplichtigen of toeslaggerechtigden of € 15.000
voor ondernemingen bedragen. Dit minimumnadeel is het
drempelbedrag. Het drempelbedrag moet per rechtsgebied
(belastingen, toeslagen en douane) worden overschreden.
De boete-fraudecoördinator beoordeelt of voor ten minste het
drempelbedrag sprake is van opzet. De boete-fraudecoördinator
draagt deze aangemelde zaken voor in het selectieoverleg Hierbij
geeft de boete-fraudecoördinator aan welke aspecten (zie hoofdstuk
5) van belang zijn.
Voor de Douane is, wanneer als gevolg van opzet het drempelbedrag
wordt overschreden, sprake van het aanbieden van een transactie van
maximaal 100% van de te weinig geheven belasting.
Indien geen sprake is van opzet of het aan opzet te wijten nadeel
onder het drempelbedrag blijft wordt de zaak teruggegeven aan het
behandelend organisatieonderdeel om bestuurlijk te worden afgedaan.
Omissiedelicten
Ook omissiedelicten worden zoveel mogelijk aangemeld volgens de
hiervoor aangegeven criteria (het aan opzet te wijten nadeel
bedraagt voor particulieren minimaal € 10.000 en voor ondernemingen
minimaal € 15.000).
In de praktijk kan het echter voorkomen dat het nadeel veroorzaakt
door een omissiedelict niet of niet voldoende kwantificeerbaar of
bepaalbaar is, en dus niet getoetst kan worden aan het
drempelbedrag.
Omissiedelicten kunnen worden onderscheiden in twee categorieën:
delicten waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd en
omissiedelicten waarvoor geen bestuurlijke boete kan worden
opgelegd.
Een omissiedelict wordt voor strafrechtelijke aanpak aangemeld
indien voor het voorafgaande tijdvak (toeslagen: voorafgaande
jaar), bij hetzelfde belastingmiddel of dezelfde toeslag, eveneens
sprake is geweest van schending van hetzelfde wettelijke
voorschrift en deze schending bestraft is met een vergrijpboete.
In de overige gevallen waarin sprake is van een omissiedelict met
een niet of onvoldoende te kwantificeren of te bepalen nadeel, is
een strafrechtelijke aanpak eveneens het uitgangspunt indien
duidelijk is dat de Belastingdienst voldoende actie heeft
ondernomen om belanghebbende aan te zetten tot het naleven van de
wettelijke verplichtingen en deze actie van de Belastingdienst niet
tot naleving van die verplichtingen heeft geleid. Daartoe moet de
Belastingdienst belanghebbende schriftelijk in de gelegenheid
hebben gesteld de geschonden verplichting binnen een bepaalde
termijn na te leven. Indien belanghebbende niet binnen de gestelde
termijn de verplichting volledig naleeft kan – indien inzet van het
strafrecht passend is met het oog op de aspecten genoemd in
hoofdstuk 5 – voor een strafrechtelijke aanpak worden gekozen.
Het selectieoverleg (dat wordt gevormd door de FIOD-ECD, de
contactambtenaar formeel recht, de
boete-fraudecoördinator/contactambtenaar Douane en de
Boete-fraudecoördinatoren die tot één regio behoren) toetst of een
zaak terecht op grond van de aanmeldingsrichtlijn (hoofdstuk 2) is
aangemeld (hierna: “aanmeldingswaardige zaak”).
Voor aanmeldingswaardige zaken adviseert het selectieoverleg of op
basis van de bewijsbaarheid een zaak in aanmerking komt voor
opsporing (dit zijn de potentieel vervolgingswaardige zaken). Het
selectieoverleg beoordeelt tevens welke aspecten (hoofdstuk 5) van
toepassing zijn.
Door het selectieoverleg wordt een potentieel vervolgingswaardige
zaak ingedeeld in categorie I of II.
Categorie I
In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste
het drempelbedrag en minder dan € 125.000.
Categorie II
In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten € 125.000 of
meer.
Categorie I-zaken worden terugverwezen naar de Belastingdienst voor
bestuurlijke afdoening indien geen van de overige aspecten
(hoofdstuk 5) aan de orde is. Is in een categorie I-zaak tenminste
één van deze aspecten aan de orde, dan kan het selectieoverleg zo’n
zaak aan het tripartiete overleg voorleggen. Het selectieoverleg
informeert het tripartiete overleg over de categorie I-zaken die
het selectieoverleg naar de Belastingdienst heeft terugverwezen.
Doordat het selectieoverleg deze zaken ter informatie meldt, kan
het tripartiete overleg zicht houden op deze zaken en, zo nodig,
(voor nieuwe vergelijkbare zaken) bijsturen. Categorie II- zaken
gaan door naar het tripartiete overleg en komen in beginsel in
aanmerking voor vervolging.
Mocht het selectieoverleg oordelen dat er geen sprake is van een
(potentieel) aanmeldingswaardige zaak, dan wordt de zaak
terugverwezen naar de Belastingdienst waar deze vervolgens
bestuurlijk wordt afgedaan.
Het tripartiete overleg (bestaande uit een officier van
justitie, de contactambtenaar formeel recht, de
boete-fraudecoördinator/contactambtenaar Douane en de FIOD-ECD)
toetst of een zaak voldoet aan de transactie- of
vervolgingsrichtlijnen. Mocht blijken dat de zaak niet voldoet aan
deze richtlijnen, dan gaat de zaak terug naar de Belastingdienst
voor bestuurlijke afdoening.
Vervolgens beslist het tripartiete overleg, voor zaken die aan de
transactie- of vervolgingsrichtlijnen voldoen, of tot het instellen
van een strafrechtelijk onderzoek zal worden overgegaan, dan wel de
zaak voor verdere bestuurlijke behandeling zal worden geretourneerd
aan de Belastingdienst. Bij deze beslissing spelen de in hoofdstuk
5 genoemde aspecten een rol.
In geval van heterdaadsituaties die voldoen aan de criteria van
deze richtlijnen wordt door de
boete-fraudecoördinator/contactambtenaar direct contact opgenomen
met de FIOD-ECD en het Openbaar Ministerie teneinde deze zaak ten
spoedigste te bespreken.
Het Bestuur van ’s Rijksbelastingen (of de Inspecteur bij
Algemene Douanewet-delicten) kan een strafrechtelijke transactie
aanbieden indien op grond van de resultaten van het
opsporingsonderzoek het aanbieden van een transactie de gewenste
(strafrechtelijke) afdoeningsmodaliteit is.
Het opzettelijk niet doen van aangifte voor de aanslagbelastingen
(omissiedelict), waarvan het fiscaal nadeel niet of niet volledig
te berekenen is, komt in principe voor transactie in aanmerking
indien over het voorafgaande belastingtijdvak eveneens sprake is
geweest van het opzettelijk niet doen van aangifte en dit bestraft
is met een vergrijpboete.
De overige gevallen waarin sprake is van een omissiedelict waarvan
het nadeel niet of niet volledig te berekenen is, komen in principe
voor een transactie in aanmerking indien in een zaak sprake is van
één of meer aspecten zoals beschreven in hoofdstuk 5.
Voor de Douane gelden specifieke transactierichtlijnen (zie
hoofdstuk 1.2).
De vervolgingsrichtlijnen hebben - wat de AWR, de AWIR en de
Invorderingswet 1990 aangaat - alleen betrekking op de opzettelijk
begane strafbare feiten.
Hierbij gelden inzake fiscale, toeslag- en douanedelicten de
volgende criteria:
Categorie I
In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste
het drempelbedrag en minder dan € 125.000. Ten minste één van de
overige aspecten (hoofdstuk 5) is aan de orde.
Categorie II
In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten € 125.000 of
meer.
Het tripartiete overleg kan besluiten om categorie I-zaken die door
het selectieoverleg aan het tripartiete overleg zijn overgedragen
(zie hoofdstuk 3) terug te wijzen naar de Belastingdienst voor
bestuurlijke afhandeling. Bijvoorbeeld als het tripartiete overleg
van oordeel is dat in het kader van een evenwichtige rechtsbedeling
de zaak beter bestuurlijk kan worden afgedaan. Categorie II-zaken
worden in beginsel strafrechtelijk vervolgd. In
uitzonderingsgevallen kan daarvan worden afgeweken.
Het nadeel en overige aspecten
Deze lijst bevat de omvang van het nadeel en overige aspecten aan
de hand waarvan beoordeeld wordt of het in de rede ligt dat een
zaak strafrechtelijk afgedaan moet worden. Er zijn geen algemene
uitspraken te doen over het onderlinge gewicht dat aan de diverse
aspecten moet worden toegekend. Daarnaast kan er sprake zijn van
onderlinge verschillen bij de toerekening van een bepaald aspect
aan een zaak. Tussen ‘voorbeeldfunctie’ van bijvoorbeeld een
minister en een ambtenaar zit verschil. ‘Samenloop’ met oplichting
van € 100.000 moet anders worden gewogen en beoordeeld dan
‘samenloop’ in verband met de aanwezigheid van één valse factuur in
de boekhouding.
Nadeel
Zaken kunnen aan het tripartiete overleg worden gemeld indien het
nadeel ten minste € 10.000 (particulieren) of € 15.000
(ondernemers) bedraagt.
Onder nadeel wordt verstaan het bedrag aan belasting dat
vermoedelijk door de in of over de onderzoeksperiode gepleegde
feiten die daartoe strekten, te weinig is of zou zijn geheven
indien de inspecteur de aangifte van belanghebbende had gevolgd, of
het bedrag aan toeslagen dat teveel is of zou zijn betaald indien
Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van belanghebbende had
toegewezen. Het begrip nadeel sluit aan bij -en heeft dezelfde
inhoud als- het ‘strekkingsvereiste’ in artikel 69 Algemene wet
inzake rijksbelastingen. Bijvoorbeeld: indien op grond van onjuiste
gegevens (in de aangifte) een te hoge teruggaaf is verleend, telt
die te hoge teruggaaf mee voor het vaststellen van het bedrag aan
nadeel.
Per rechtsgebied moet het drempelbedrag worden overschreden. Als
bijvoorbeeld het nadeel voor belastingen € 6.000 en voor toeslagen
€ 5.000 is, wordt de zaak van een particulier niet aangemeld.
Indien op grond van onjuiste gegevens (in de aangifte) een te hoge
teruggaaf is verleend, telt die te hoge teruggaaf mee voor het
vaststellen van het bedrag van het (fiscale) nadeel.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voor de omvang van het
fiscaal nadeel ook rekening wordt gehouden met het (te hoog)
aangegeven verlies dat in het desbetreffende (boek)jaar geleden zou
zijn. Tevens valt hieronder ook het bedrag aan belasting dat op
grond van een in de wet voorziene vermindering, ontheffing,
teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend. Ook wordt hieronder begrepen het bedrag aan belasting
dat bij derden ten gevolge van het fiscale, douane- of
toeslagendelict vermoedelijk te weinig zou zijn geheven.
Overige aspecten
1. Status verdachte/voorbeeldfunctie
Hiermee wordt gedoeld op situaties waarin verdachte regionaal of
landelijk een maatschappelijk aansprekende/bekende persoon is.
Verder zou gedacht kunnen worden aan personen die een openbaar ambt
bekleden (burgemeesters, wethouders of politieke
vertegenwoordigers) of aan personen die beroepsmatig invloed hebben
op het handelen van derden of op de financiële integriteit van
geldstromen (rechters, advocaten, adviseurs, notarissen, bankiers,
effectenhandelaars). Er dient een relatie te zijn tussen de status
en het gepleegde strafbare feit. Tevens moet het gaan om de actuele
status ten tijde van de beslissing in het TPO. Als sprake is van
samenloop tussen de aspecten “status verdachte” als adviseur en
“medewerking adviseur” dan kan slechts één aspect worden
meegewogen.
2. Recidive
Er is sprake van recidive indien de verdachte reeds eerder in de
afgelopen vijf jaar wegens een fiscaal, toeslagen- of douanedelict,
dan wel een financieel (niet-belastingdienst gerelateerd) delict is
veroordeeld, een transactie heeft aanvaard of een
vergrijpboete heeft gekregen. Het gaat daarbij om de tijd tussen
het onherroepelijk worden van de sanctie en de vermoedelijke datum
van het plegen van het nieuwe strafbare feit.
3. Verhaal onmogelijk
Het opleggen van een bestuurlijke boete is geen adequaat
alternatief voor het strafrecht indien deze boete, anders dan door
verjaring, niet geïnd kan worden. Dit aspect moet daarom meewegen
bij de beslissing of een zaak strafrechtelijk aangepakt moet
worden. Strafrechtelijke aanpak zal vooral geïndiceerd zijn bij een
verdachte die zich heeft ingespannen om verhaal onmogelijk te
maken.
4. Combinatie fiscaal delict met een of meer niet-fiscale
delicten
Vanuit de gedachte dat de rechtsorde meer zal zijn geschokt indien
naast fiscale fraude of fraude met toeslagen ook andere delicten
zijn gepleegd, wordt de combinatie van fiscale - of
toeslagenfraude, economische - en commune delicten meegewogen bij
de beoordeling of een zaak strafrechtelijk dient te worden
aangepakt. Hierbij wordt gedacht aan een breed scala van
economische - en commune delicten die de wetgever strafbaar heeft
gesteld om andere rechtsbelangen te beschermen. Voorbeelden zijn de
delicten die betrekking hebben op steekpenningen, omkoping,
faillissementsfraude, verduistering, onttrekking aan het beslag,
bedreiging personen/ambtenaren, handel in drugs, aantasting van het
milieu, niet naleven ID-plicht (werken met illegalen), uitbuiting
en de zogenaamde VGEM-delicten op het rechtsgebied van de douane.
Ook de deelname aan een criminele organisatie valt hieronder.
Er is géén sprake van combinatie van art. 69 AWR met art. 225 WvSr
als er valse facturen ten behoeve van de aangifte worden
overgelegd. Maar wél als er bij boekencontrole valse facturen in de
administratie aangetroffen worden.
5. Medewerking van adviseur, deskundige derde of
douane-expediteur
Dit aspect is van groot belang, omdat het gaat om een situatie
waarin het vertrouwen van de overheid wordt misbruikt. Een reden te
meer om dit misbruik aan te pakken is dat de Belastingdienst
adviseurs en douane-expediteurs faciliteiten toekent. Om te
voorkomen dat te lichtvaardig wordt geoordeeld dat er sprake van
dit aspect is moet door de Belastingdienst onderbouwd worden op
grond van welke aanwijzingen hij van mening is dat de adviseur,
deskundige derde of douane-expediteur van de fraude op de hoogte
was én daar zijn medewerking aan heeft verleend. Als sprake is van
samenloop tussen de aspecten “status verdachte” als adviseur en
“medewerking adviseur” dan kan slechts één aspect worden
meegewogen.
6. Evenwichtige rechtshandhaving
Strafrechtelijk optreden kan wenselijk zijn om de gestelde norm te
handhaven of om een norm te bevestigen. Met een evenwichtige
rechtshandhaving wordt gedoeld op rechtshandhaving in het kader van
normhandhaving of normbevestiging met het oog op grotere
achterliggende te beschermen rechtsbelangen. Bijvoorbeeld in het
geval dat fiscale-, toeslagen- dan wel douanefraude
maatschappelijke gevolgen heeft, zoals gevaar voor de
volksgezondheid of veiligheid of aantasting van de integriteit van
het financiële verkeer. Verder kan hierbij ook worden gedacht aan
de mate waarin onschuldige of naïeve burgers worden geschaad
(piramidespelen of uitbuiting van werknemers). Ook zal van dit
aspect sprake zijn als de fraude ertoe leidt dat verdachte een
concurrentievoordeel behaalt ten opzichte van fiscaal integere
personen of de fraude een olievlekwerking binnen een branche heeft.
Hierbij wordt ook rekening gehouden met het belang van de
openbaarheid. In sommige gevallen moet in het openbaar
verantwoording worden afgelegd van gepleegde strafbare feiten.
7. Geen bestuurlijke boete, anders dan door verjaring,
mogelijk
Fiscale fraude en fraude met toeslagen kan in het merendeel van de
gevallen met een bestuurlijke boete worden bestraft. Dit geldt
echter niet voor het gros van de douanezaken. In dergelijke
gevallen zal dus eerder moeten worden gekozen voor een
strafrechtelijke afhandeling. Dat is ook het geval wanneer een
(mede)dader niet met een bestuurlijke boete kan worden gestraft
terwijl het wel wenselijk is om deze dader een sanctie op te
leggen.
8. Waarheidsvinding
Het kan voorkomen dat de bij de controle vastgestelde feiten en
omstandigheden, die op zich een redelijk vermoeden van schuld aan
een strafbaar feit opleveren, nog onvoldoende grond opleveren voor
bestuurlijke afdoening. In dat geval kan het met het oog op een
wenselijk geachte strafrechtelijke waarheidsvinding, met toepassing
van opsporingsbevoegdheden nader strafrechtelijk onderzoek te
verrichten naar die feiten en omstandigheden.
9. Slagvaardigheid
In sommige Categorie II-zaken is te voorzien dat een
strafrechtelijk onderzoek dermate lang zal duren, dat het in het
kader van een evenwichtige rechtsbedeling beter is een bestuurlijke
boete op te leggen. Verder zal handhaving door middel van een
bestuurlijke boete een adequate wijze van sanctioneren zijn als de
verdachte een rechtspersoon is die over voldoende middelen beschikt
om een dergelijke sanctie te voldoen. Gelet op het belang van
openbaarheid van een strafrechtelijke vervolging alsmede de
rechtsgelijkheid zal een dergelijke beslissing altijd worden
gemotiveerd.
Deze ATV-richtlijnen treden op 1 januari 2010 in werking.
Voor zaken die voorafgaande aan de hiervoor genoemde datum van
inwerkingtreding voor het selectieoverleg zijn aangemeld als
bedoeld in hoofdstuk 2, behouden de ATV-richtlijnen, zoals die zijn
vastgesteld op 12 december 2005, nr. DGB2005/6956, gepubliceerd in
de Staatscourant 2005, nr. 247 hun geldigheid.
Deze regeling wordt in de Staatscourant gepubliceerd.
Den Haag, 11 december 2009
Het College van procureurs-generaal
H.J. Moraal
De Directeur-Generaal Belastingdienst van het het Ministerie van
Financiën
P.W.A. Veld