U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Dit besluit betreft een wijziging van het besluit van 25 juni
2009, nr. CPP2009/1062M, Stcrt. 2009, nr. 9896 (Besluit
Bestuurlijke Boeten Belastingdienst) in verband met onderstaande
(voorgenomen) wetswijzigingen:
• Fiscaal stimuleringspakket en overige fiscale maatregelen 2009
(o.a. wijziging van artikel 67n AWR; zie de paragrafen 5, 7, 8 en
25);
• Belastingplan 2010 (o.a. artikel 67a; zie paragraaf 21, artikel
67c AWR; zie paragrafen 15, 24 en 28, en artikel 67ca AWR; zie
paragraaf 24b);
• Overige fiscale maatregelen 2010 (o.a. artikel 102a Wet op de
accijns, zie paragraaf 37);
• Implementatie richtlijnen BTW-pakket (o.a. wijziging van artikel
37a Wet OB; zie de paragrafen 31a, 31b en 32).
De paragrafen 2, 23, 24a, 25, 26, 28 en 38 zijn op enkele punten
(redactioneel) aangepast.
In het Belastingplan 2010 worden per 1 januari 2010 enkele
wettelijke boetemaxima geïndexeerd (verhoogd). De landelijke
automatiseringssystemen moeten hieraan worden aangepast. Voor de
omzetbelasting, assurantiebelasting en motorrijtuigenbelasting kan
het zijn dat tijdelijk nog de lagere, voor belanghebbende
gunstigere, wettelijke boetemaxima worden gehanteerd.
1. In dit besluit heb ik mijn beleid neergelegd voor het
opleggen van bestuurlijke boeten bij de heffing van
rijksbelastingen waarop Hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen (hierna: AWR) van toepassing is. Het besluit is
ook van toepassing op regelingen die onder het bereik van dit
hoofdstuk van de AWR zijn gebracht, zoals bijvoorbeeld de
werknemersverzekeringen.
2. Voor nog niet onherroepelijk vaststaande boetebeschikkingen en
nog op te leggen boeten waarop een eerdere versie van dit besluit
van toepassing is, geldt het volgende. Voorzover het in dit besluit
neergelegde beleid gunstiger is dan mijn eerdere beleid heeft
belanghebbende recht op toepassing van dit gunstigere beleid. 3.
Omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij de paragraafindeling van
de voorgangers van dit besluit komen bijvoorbeeld de volgende
paragraafnummers in dit besluit niet voor: § 16 tot en met § 20 en
§ 31.
1. Onder belanghebbende wordt voor de toepassing van dit besluit
verstaan degene aan wie een boete is of kan worden opgelegd.
2. Bestuurlijke boeten worden aan de medepleger, feitelijk
leidinggever of opdrachtgever opgelegd, met voorafgaande
toestemming van de voorzitter van het managementteam van de
betreffende regio en DGBel (team Particulieren en Formeel recht).
Onjuist gebleken boetebeschikkingen kunnen op grond van artikel
65 van de AWR in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering.
Mijn beleid inzake artikel 65 van de AWR is van overeenkomstige
toepassing op boetebeschikkingen.
1. In geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van
alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de inspecteur geen boete
op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar
standpunt of avas, vernietigt de inspecteur de boete. Bij avas
wordt geacht dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
2. Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door
belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de
jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch
pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan
menen juist te handelen. Is er sprake van een pleitbaar standpunt,
dan kan de belanghebbende er geen verwijt van worden gemaakt dat er
aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven. Een pleitbaar
standpunt sluit het opleggen van zowel een verzuimboete als een
vergrijpboete uit.
1. Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende
vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur
bekend is of zal worden met dat feit, uitdrukkelijk kenbaar maakt
aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet
is betaald.
2. Van uitdrukkelijk kenbaar maken is sprake indien belanghebbende
een afzonderlijke schriftelijke opgave verstrekt die de inspecteur
in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste
belastingaanslag op te leggen.
3. Het enkel vermelden van bijvoorbeeld een balansschuld
omzetbelasting (al dan niet met toelichting) in de jaarstukken
wordt niet aangemerkt als uitdrukkelijk kenbaar maken. Zie in
verband met dit voorbeeld ook § 7, tweede lid.
4. Het bewijs dat er geen sprake is van een vrijwillige verbetering
dient te worden geleverd door de inspecteur aan de hand van de
concrete feiten en omstandigheden.
5. Belanghebbende kan bijvoorbeeld niet meer vrijwillig verbeteren
nadat hem is medegedeeld dat een boekenonderzoek zal worden
ingesteld.
6. Voor de verzuimboete en vrijwillige verbetering zie § 24a.
7. Uitsluitend de vrijwillige verbetering voor vergrijpboeten bij
aanslagbelastingen heeft een wettelijke basis (artikel 67n AWR: de
inkeerregeling). De vrijwillige verbetering voor vergrijpboeten bij
zowel de aanslagbelastingen als ook de aangiftebelastingen is
beleidsmatig in § 25 geregeld.
1. Bij het opleggen van een boete gaat de inspecteur uit van de
percentages of bedragen vermeld in dit besluit. Het opleggen van
een boete is een vorm van straftoemeting. Daarom houdt de
inspecteur rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een
hogere of een lagere boete dan op grond van de percentages of
bedragen van dit besluit kan worden opgelegd. Deze omstandigheden
(zie § 7 en § 8) vormen het sluitstuk van de behoorlijke
straftoemeting bij bestuurlijke boeten. Gelet hierop is de
inspecteur bij de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de
boete dus niet gebonden aan vaste bedragen of percentages. De op
grond van § 21 tot en met § 36 bepaalde hoogte van de boete kan
zowel met een bepaald bedrag als met een bepaald percentage
verlaagd of verhoogd worden. De boete kan echter nooit meer
bedragen dan het wettelijk maximum.
2. Bij het in aanmerking nemen van individuele omstandigheden vindt
een afweging plaats tussen zowel strafverminderende feiten en
omstandigheden als strafverzwarende feiten en omstandigheden. Het
resultaat van de afweging zal moeten leiden tot een boete die
passend is te achten bij de geconstateerde beboetbare gedraging.
3. Bij de meeste verzuimboeten zal, vanwege de wijze van oplegging,
individueel getinte straftoemeting eerst in bezwaar aan de orde
kunnen komen.
4. Voor de mogelijke verminderingen van de boete als gevolg van
overschrijding van de redelijke termijn verwijs ik naar de nadere
regels die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 19
december 2008, nr. 42763.
5. De stelplicht en bewijslast van strafverzwarende factoren rust
op de inspecteur; de stelplicht en bewijslast van
strafverminderende factoren op belanghebbende. Indien de inspecteur
op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, zal hij bij het
opleggen van de boete daarmee rekening houden. De inspecteur hoeft
niet ambtshalve te onderzoeken of van strafverminderende factoren
sprake is.
6. Gedragingen van belanghebbende na het begaan van het beboetbare
feit, kunnen ook bij de straftoemeting worden betrokken.
1. Tot de omstandigheden welke aanleiding kunnen geven de op te
leggen of opgelegde boete te matigen behoren:
a. een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond
van dit besluit op te leggen of opgelegde boete;
b. verzachtende omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare
feit.
2. Er is sprake van een strafverminderende omstandigheid wanneer
een belastingplichtige tot inkeer komt en er twee jaren of meer
zijn verstreken na het beboetbare feit (artikel 67n, tweede lid,
van de AWR). De vergrijpboete kan in zo’n geval worden gematigd tot
5 procent van het wettelijk maximum (300%) indien een vergrijpboete
wordt opgelegd op grond van artikel 67d, vijfde lid, of artikel
67e, zesde lid, van de AWR (5 procent van 300 procent is 15
procent). In overige gevallen kan de vergrijpboete worden gematigd
tot 15 procent van het wettelijk maximum. Dit lid heeft alleen
betrekking op aanslagbelastingen.
3. Bij wanverhouding gaat het om het antwoord op de vraag hoe
ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat.
De afweging moet leiden tot een sanctie die proportioneel is, dat
wil zeggen in evenredigheid staat tot de ernst van het feit. Indien
de inspecteur zelf tot de gevolgtrekking komt dat van een
wanverhouding sprake is, vermindert hij de boete op eigen
initiatief. Zo kan de inspecteur een boete gedeeltelijk matigen
indien en voor zover de aan het eind van een kalenderjaar of
(gebroken) boekjaar verschuldigde loon- of omzetbelasting openlijk
en als zodanig ter kennis is gebracht door middel van een vereiste
winstaangifte zonder dat sprake is van een volledige vrijwillige
verbetering zoals bedoeld in § 5 van dit besluit.
4. Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de
(directe) invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen.
Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete
aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in
hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen
treffen om het verzuim of vergrijp te voorkomen.
5. Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te
leggen of opgelegde boete te matigen behoren ook de financiële
omstandigheden van de belanghebbende.
6. Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in
bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete
leiden. De inspecteur dient dus bij het hanteren van deze
matigingsgrond kritisch te zijn.
7. Slechte financiële omstandigheden ten tijde van het opleggen van
de boete kunnen er toe leiden dat de boete belanghebbende
onevenredig treft.
8. Slechte financiële omstandigheden ten tijde van de verweten
gedraging kunnen de verwijtbaarheid daarvan verminderen.
9. Geen vermindering wegens financiële omstandigheden zal worden
verleend, indien belanghebbende deze aan zichzelf te wijten had.
10. Bij vermindering wegens financiële omstandigheden kan het
(zakelijke) karakter van de belasting een rol spelen. Zo zal er
niet snel reden zijn de boete te verminderen bij niet of niet
binnen de termijn afgedragen loonbelasting of bij niet of niet
binnen de termijn voldane omzetbelasting.
1. In bijzondere gevallen kan de op grond van § 25 tot en met §
28 bepaalde vergrijpboete worden verhoogd. Het verhogen van een
verzuimboete op grond van deze paragraaf is niet toegestaan.
2. In daarvoor in aanmerking komende gevallen moet rekening worden
gehouden met recidive. Van recidive is sprake indien aan
belanghebbende voor hetzelfde belastingmiddel reeds eerder een
vergrijpboete of een straf is opgelegd.
3. Bij recidive kan de vergrijpboete bij grove schuld maximaal
worden verdubbeld tot 50 procent. Een vergrijpboete op grond van
artikel 67e, zesde lid van de AWR, kan bij recidive in geval van
grove schuld maximaal worden verdubbeld tot 150%.
4. Bij recidive kan de vergrijpboete bij opzet maximaal worden
verdubbeld tot 100 procent. Een vergrijpboete op grond van artikel
67d, vijfde lid, of artikel 67e, zesde lid, van de AWR, kan bij
recidive in geval van opzet maximaal worden verdubbeld tot 300%.
5. Met een straf wordt gelijkgesteld het vervallen van het recht
tot strafvordering ingevolge artikel 76 van de AWR, op grond van
artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr) of op
grond van artikel 37 van de Wet op de economische delicten (hierna:
WED).
6. Verhoging van de boete wegens recidive vindt uitsluitend plaats
indien in de periode van vijf jaren voorafgaand aan de door de
inspecteur op te leggen vergrijpboete reeds eerder een
vergrijpboete is opgelegd, een transactie is voldaan, dan wel
strafoplegging heeft plaatsgevonden.
7. Vervalt de eerdere vergrijpboete naderhand wegens het ontbreken
van opzet dan wel grove schuld, dan wordt de toegepaste verhoging
van de vergrijpboete op de voet van het eerste lid ambtshalve
gecorrigeerd.
8. De ernst van de te beboeten gedraging kan aanleiding geven de op
de voet van dit besluit, op te leggen vergrijpboete te verhogen tot
het wettelijk maximum. Hiertoe is in elk geval aanleiding indien
sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning. Indien het
gevolg van het te beboeten gedrag is dat de belasting die te weinig
is of zou zijn geheven dan wel betaald verhoudingsgewijs omvangrijk
is, kan de inspecteur de vergrijpboete eveneens tot het wettelijk
maximum verhogen.
9. Buiten de voorgaande leden kan er aanleiding zijn een
vergrijpboete te verhogen, dan wel een vermindering van een
vergrijpboete te beperken of na te laten op grond van de
persoonlijke omstandigheden van belanghebbende of de wijze waarop,
dan wel de omstandigheden waaronder, het feit heeft plaatsgevonden.
1. Voor de betalingen wordt aangesloten bij het
civielrechtelijke uitgangspunt dat een betaling geacht wordt te
hebben plaatsgevonden op het tijdstip waarop het verschuldigde
bedrag op de rekening van de crediteur is bijgeschreven.
2. Voor de toepassing van dit besluit geldt als dag van betaling:
– bij betalingen per bank de datum van bijschrijving op de rekening
van de Belastingdienst;
– bij betaling op het postkantoor, hetzij door middel van storting
van contant geld hetzij met een pinpas, de eerste werkdag volgend
op de dag van de storting of pintransactie;
– bij rechtstreekse betaling aan de Belastingdienst door middel van
pin- en creditcardtransacties bij de Belastingdienst/Douane de dag
van de pin- of creditcardtransactie.
3. De huisbankier van de Belastingdienst heeft één werkdag nodig om
het op het postkantoor gestorte contante geld op de rekening van de
Belastingdienst bij te schrijven.
4. Bij de Belastingdienst/Douane kan, uitsluitend ter zake van
enkele niet-fiscale douanetaken, betaald worden door middel van
pin- en creditcardtransacties.
1. In afdeling 5.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb) zijn twee procedures neergelegd:
- de lichte procedure;
- de zware procedure.
2. Bij het opleggen van een verzuimboete kan worden volstaan met
het volgen van de lichte procedure, hetgeen een relatief eenvoudige
procedure is voor lichte boeten.
3. De zware procedure moet worden gevolgd wanneer het opleggen van
een vergrijpboete wordt overwogen. Zie § 12, eerste lid.
1. Bij het opleggen van een boete vermeldt de mededeling de
feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete,
alsmede, indien sprake is van een vergrijpboete, de feiten en
omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is
van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen dient de
mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden die tot
een matiging dan wel verhoging van de boete hebben geleid.
2. Indien een kennisgeving in de zin van § 12 is verzonden waarin
de gronden van het voornemen een vergrijpboete op te leggen zijn
opgenomen, waarop geen reactie van belanghebbende is ontvangen, kan
de inspecteur in de mededeling volstaan met een verwijzing naar de
kennisgeving.
1. Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde
waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete, met
uitzondering van de kennisgeving en hoorplicht vooraf (zie artikel
67pa, eerste lid, van de AWR). Deze paragraaf is dus een extra
waarborg bij vergrijpboeten.
2. Een kennisgeving is een rapport in de zin van artikel 5:48 van
de Awb.
3. De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen
en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt
schriftelijk. Het voorschrift om de kennisgeving schriftelijk te
doen, is opgenomen om iedere twijfel over de nakoming van deze
verplichting uit te sluiten.
4. De inspecteur geeft belanghebbende een redelijke termijn
waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten. De duur van de
termijn voor het betwisten van de inhoud van de kennisgeving is
niet voor alle gevallen vooraf vast te stellen. De bedoeling van de
verplichte kennisgeving is belanghebbende in staat te stellen
gemotiveerde verweren tegen de voorgenomen vergrijpboete aan te
voeren. Bij het bepalen van de termijn houdt de inspecteur hiermee
rekening. De inspecteur stelt een redelijke termijn voor het
betwisten van de gronden in de kennisgeving, rekening houdend met
de termijn genoemd in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb. In de
gevallen waarin dadelijk en ineens invorderbare belastingaanslagen
worden opgelegd, kan de termijn, afhankelijk van de feiten en
omstandigheden, zeer kort zijn.
5. Indien belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde gronden
mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de inspecteur gehoord.
6. Het opleggen van de vergrijpboete moet achterwege blijven indien
het verweer van belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de
in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten
voor het vaststellen van opzet of grove schuld opleveren. In een
dergelijke situatie kan de inspecteur nog wel overgaan tot het
opleggen van een verzuimboete. Het una-viabeginsel staat daaraan
niet in de weg. De betwisting van de kennisgeving kan tot een
lagere boete leiden indien de opzet of grove schuld wel bewijsbaar
is, maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager
bedrag vast te stellen.
1. Op grond van artikel 5:49 van de Awb stelt de inspecteur
belanghebbende desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het
opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe,
berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.
2. Indien belanghebbende inzage verzoekt in andere dan de hiervoor
bedoelde gegevens, verleent de inspecteur inzage en staat toe dat
afschriften worden vervaardigd, indien belanghebbende aannemelijk
maakt dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de
verdediging. Gegevens over derden worden zoveel mogelijk op
zodanige wijze verstrekt dat zij niet tot die derden zijn te
herleiden.
1. Belanghebbende is tijdens het verhoor niet tot antwoorden
verplicht (artikel 5:10a van de Awb). Hij dient voor de aanvang van
het verhoor hierop te worden gewezen (cautie).
2. De inspecteur maakt na afloop van het verhoor een verslag.
3. Het verslag van het verhoor bevat de volgende gegevens:
– datum, tijdstip en plaats van verhoor;
– naam van de verhoorde;
– naam of namen van degene(n) die verhoort/verhoren;
– indien bijstand aanwezig is, de namen en hoedanigheden van
degenen die bijstand verlenen;
– indien een tolk aanwezig is, de naam van de tolk en de gebruikte
taal;
– de melding van het geven van de cautie;
– doel van het verhoor;
– verklaring(en) van de verhoorde afgelegd tijdens het verhoor;
– handtekening van degene(n) die verhoort/verhoren.
4. Belanghebbende krijgt een afschrift van het verslag.
1. Onder hetzelfde feit wordt verstaan dezelfde gedraging in
materiële zin.
2a. In een aantal gevallen kan op een beboetbaar gestelde gedraging
(hetzelfde feit) ofwel een verzuimboete ofwel een vergrijpboete
opgelegd worden. Dit wordt samenloop genoemd; bijvoorbeeld bij
aanslagbelastingen indien geen aangifte is gedaan (keuze tussen de
artikelen 67a en 67d van de AWR).
2b. Indien het opleggen van een vergrijpboete tot een lager
boetebedrag voor hetzelfde feit zou leiden dan het opleggen van een
verzuimboete dan kiest de inspecteur voor het opleggen van de
hogere verzuimboete.
3. Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een
vergrijpboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb).
Indien na het opleggen van een verzuimboete wordt geconstateerd dat
sprake is van opzet of grove schuld, kan geen vergrijpboete ter
zake van dezelfde gedraging worden opgelegd.
4. Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van
een verzuimboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb).
Een opgelegde vergrijpboete kan niet worden omgezet in een
verzuimboete. De inspecteur dient de mogelijkheid van deze uitkomst
mee te wegen bij zijn keuze tussen een verzuim- of vergrijpboete.
5. De mogelijkheid blijft bestaan dat gelijktijdig met de
belastingaanslag zowel een verzuim- als een vergrijpboete wordt
opgelegd. Deze mogelijkheid doet zich voor indien twee afzonderlijk
omschreven beboetbaar gestelde gedragingen zijn geconstateerd. In
de aanslagbelastingen kan bijvoorbeeld bij het opleggen van de
aanslag een verzuimboete worden opgelegd wegens het niet binnen de
termijn doen van aangifte (artikel 67a van de AWR) en een
vergrijpboete wegens de opzettelijke onjuistheid van diezelfde
aangifte (artikel 67d van de AWR).
6. Samenloop kan zich ook tussen bestuursrechtelijke en
strafrechtelijke sancties voordoen. Artikel 5:44, eerste lid, van
de Awb sluit het opleggen van een bestuurlijke boete uit in
gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit tegen belanghebbende
een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het WvSr,
ingevolge artikel 37 van de WED dan wel ingevolge artikel 76 van de
AWR.
7. Het opleggen van een bestuurlijke boete aan belanghebbende sluit
in beginsel strafvervolging tegen hem ter zake van hetzelfde feit
uit. Op grond van artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering (hierna: WvSv) blijft het echter mogelijk een zaak
te heropenen, indien bij nader inzien blijkt dat zij te ernstig is
om bestuurlijk te worden afgedaan. Er moet dan sprake zijn van
nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 van het WvSv.
8. Het voorgaande lid houdt in dat de inspecteur het opleggen van
de vergrijpboete aanhoudt zodra hij weet dat een gedraging
onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van
een strafrechtelijke vervolging. Indien de termijn waarbinnen de
belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd,
dreigt te verstrijken, treedt de inspecteur tijdig in overleg met
de contactambtenaar om te bepalen of er definitief voor
strafrechtelijke afdoening wordt gekozen dan wel of er alsnog een
vergrijpboete wordt opgelegd.
1. Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de
aanslagbelastingen wordt aangemerkt als een verzuim.
2. Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een
verzuimboete op van € 226.
3. In afwijking van het tweede lid legt de inspecteur ter zake van
een aangifteverzuim bij de vennootschapsbelasting een verzuimboete
op van vijftig procent van het wettelijk maximum van artikel 67a
van de AWR.
4. Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de
aanslagbelastingen is alleen sprake van een verzuim, indien
belanghebbende de aangifte niet binnen een door de inspecteur
gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan
een aanmaning van de inspecteur.
5. Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve)
is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet binnen de termijn)
gedane aangifte.
6a. In afwijking van het tweede lid legt de inspecteur ter zake van
een aangifteverzuim bij de inkomstenbelasting een verzuimboete op
van twintig procent van het wettelijk maximum van artikel 67a van
de AWR indien er sprake is van een tweede achtereenvolgende
verzuim.
6b. In afwijking van het tweede, derde en vorige lid kan in
uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum
worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld
sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is.
7. Wegens het niet binnen de termijn doen van aangifte kan op grond
van de wet uitsluitend een verzuimboete worden opgelegd.
8. Als het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat de
aangifte niet is gedaan, vormt dit een vergrijp in de zin van
artikel 67d van de AWR (zie § 26). De inspecteur moet vooraf een
keuze maken tussen het opleggen van een verzuimboete of een
vergrijpboete (zie § 15).
1. Deze paragraaf is niet van toepassing op de aangifte
loonbelasting. Zie voor de loonbelasting § 22a.
2. Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de
aangiftebelasting wordt aangemerkt als een aangifteverzuim.
3. Ter zake van een dergelijk aangifteverzuim kan de inspecteur een
verzuimboete opleggen van vijftig procent van het wettelijk maximum
van artikel 67b, eerste lid, van de AWR.
4. In geval dat de aangifte wordt ingediend binnen zeven dagen na
afloop van de wettelijke aangiftetermijn legt de inspecteur geen
verzuimboete op.
5. In de aangiftebelastingen kan het niet of niet binnen de termijn
doen van aangifte uitsluitend worden beboet als een verzuim. Het
opleggen van een vergrijpboete is dus niet mogelijk.
6. Over hetzelfde tijdvak kan zowel een aangifteverzuimboete als
een betalingsverzuimboete worden opgelegd.
7. In afwijking van het derde en vierde lid kan in uitzonderlijke
gevallen een boete tot het maximum van artikel 67b, eerste lid, van
de AWR, worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan
bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in
verzuim is.
1. Het niet, niet binnen de termijn dan wel onjuist of
onvolledig doen van aangifte voor de loonbelasting wordt aangemerkt
als een aangifteverzuim.
2. Ter zake van een aangifteverzuim kan de inspecteur een
verzuimboete opleggen van vijf procent van het wettelijk maximum
van artikel 67b, tweede lid, van de AWR.
3. In geval dat de aangifte wordt ingediend binnen zeven dagen na
afloop van de wettelijke aangiftetermijn legt de inspecteur geen
verzuimboete op.
4. In de loonbelasting kunnen het niet, het niet binnen de termijn
doen, het onjuist of onvolledig doen van aangifte uitsluitend
worden beboet worden als een verzuim. Het opleggen van een
vergrijpboete is dus niet mogelijk.
5. Over hetzelfde tijdvak kan zowel een aangifteverzuimboete als
een betalingsverzuimboete worden opgelegd.
6. Vooralsnog zal met het opleggen van de verzuimboete voor het
onjuist of onvolledig doen van aangifte loonbelasting terughoudend
worden omgegaan.
7. In afwijking van het tweede en derde lid kan in uitzonderlijke
gevallen een boete tot het maximum van artikel 67b, tweede lid, van
de AWR, worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan
bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in
verzuim is.
1. Deze paragraaf ziet op betalingsverzuimen in het (periodieke)
betalingspatroon. Constatering van een dergelijk betalingsverzuim
vindt doorgaans plaats door geautomatiseerde vergelijking van de
betaling met de gedane aangifte. Is er geen aangifte gedaan, dan
wordt veelal geautomatiseerd een naheffingsaanslag met een geschat
bedrag opgelegd. Inhoudelijke toetsing van de op de aangifte
vermelde belastingschuld aan de materiële belastingschuld vindt in
deze fase niet plaats.
Deze paragraaf ziet derhalve niet op onjuistheden in het
betalingsgedrag die pas bij de hiervoor genoemde inhoudelijke
toetsing, bijvoorbeeld bij een boekenonderzoek, aan het licht komen
(zie § 24) en ook niet op de situatie dat belanghebbende vrijwillig
verbetert (zie § 24a).
2. Voor het opleggen van de boeten voor een betalingsverzuim wordt
een systematiek gehanteerd waarbij de verzuimboete wordt
gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet of niet
binnen de termijn betaalde belasting.
3. In geval van een betalingsverzuim legt de inspecteur een boete
op van twee procent van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen
de termijn betaalde belasting tot het wettelijk maximum van artikel
67c van de AWR. De boete wordt minimaal gesteld op € 50.
4. In geval dat de totaal verschuldigde belasting uiterlijk wordt
betaald binnen zeven dagen na afloop van de wettelijke
betalingstermijn, legt de inspecteur de verzuimboete op, tenzij
belanghebbende het voorafgaande tijdvak of voorgaande tijdstip voor
dezelfde belastingsoort niet in verzuim was (alsdan wordt geen
boete opgelegd, maar een verzuimmededeling verzonden). Wordt
derhalve een gedeelte van de totaal verschuldigde belasting voor
het eerst in de voornoemde termijn van zeven dagen betaald én een
gedeelte ná die termijn, dan wordt de boete berekend over het
gehele bedrag dat te laat is betaald.
5. Voor tijdstipbelastingen geldt met betrekking tot het voorgaande
lid een referentieperiode van een jaar.
6. In afwijking van de leden 2 tot en met 4 kan in uitzonderlijke
gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum worden
opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn
indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is.
7. Met betrekking tot hetzelfde tijdvak of tijdstip kan zowel een
verzuimboete wegens het niet of niet binnen de termijn doen van
aangifte worden opgelegd als wegens het niet, gedeeltelijk niet of
niet binnen de termijn betalen van belasting.
8. Voor zover het aan opzet of grove schuld van belanghebbende te
wijten is dat de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet binnen
de termijn betaald is, vormt dit een vergrijp (zie daarvoor § 28
van het besluit).
9. De inspecteur moet vooraf een keuze maken tussen het opleggen
van een verzuimboete of een vergrijpboete (zie § 15).
10. De bepalingen van deze paragraaf worden in het landelijke
automatiseringssysteem loonheffingen ingebouwd. Tijdelijk kunnen
bij de loonheffingen nog de volgende afwijkingen ten gunste van
belanghebbende voorkomen:
a. in afwijking van het derde lid worden de boeten nog niet
automatisch opgehoogd tot minimaal € 50.
b. in afwijking van het vierde lid wordt een langere
coulanceperiode gehanteerd dan zeven
dagen. De datum van de dagtekening van de naheffingsaanslag
markeert het einde van de
coulanceperiode. Deze datum van dagtekening ligt na de periode van
zeven dagen.
c. in afwijking van het vierde lid is de coulance ook van
toepassing op deelbetalingen die te laat maar binnen de
coulanceperiode plaatsvinden indien er tevens een gedeelte buiten
de
coulanceperiode wordt betaald.
1. Anders dan § 23 zien § 24 en § 24a op de situatie waarin
niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn is betaald omdat
er te weinig belasting is aangegeven. Deze paragraaf ziet op
situaties waarin de inspecteur niet in het kader van het periodieke
betalingspatroon maar pas naderhand heeft kunnen constateren dat
belanghebbende de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet binnen
de termijn heeft afgedragen of voldaan, omdat er te weinig
belasting is aangegeven. Deze paragraaf ziet dus ook op de situatie
dat belanghebbende niet heeft betaald, omdat hij ten onrechte niet
heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.
2. Indien sprake is van het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet
binnen de termijn betalen van een aangiftebelasting, legt de
inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde
belasting tot het wettelijk maximum van artikel 67c, eerste lid,
van de AWR.
3. Bij het vaststellen van de verzuimboete gaat de inspecteur uit
van het kalenderjaar of (gebroken) boekjaar. Heeft de niet,
gedeeltelijk niet dan wel niet binnen de termijn betaalde belasting
betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of (gebroken)
boekjaren vallen, dan legt de inspecteur per kalenderjaar of
(gebroken) boekjaar een verzuimboete op.
4. Indien blijkt dat bijtelling in verband met het “privégebruik
auto” ten onrechte niet heeft plaatsgevonden (zie artikel 13bis,
lid 4, van de Wet op de loonbelasting 1964; hierna: Wet LB), dan
legt de inspecteur, in afwijking van het tweede lid, een
verzuimboete op van 80 procent van het wettelijk maximum van
artikel 67c van de AWR.
5. In afwijking van het vierde lid kan in uitzonderlijke gevallen
een boete tot het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR
worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld
sprake zijn indien belanghebbende voor de tweede keer in verzuim
is.
De inspecteur legt in elk geval een verzuimboete op van 100 procent
van het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR indien
belanghebbende een onjuiste of onvolledige rittenregistratie heeft
overgelegd.
1. Deze paragraaf geeft inhoud aan de wijze waarop de
verzuimboete wordt berekend ingeval van een zogenaamde suppletie
voor aangiftebelastingen. Voor de toepassing van deze paragraaf is
het uitgangspunt dat de suppletie alsnog leidt tot een juiste
afdracht of voldoening van verschuldigde belasting.
2. De werkingssfeer is beperkt tot die situaties waarin
belanghebbende in eerste instantie de op aangifte te betalen
belasting te laag heeft berekend, aangegeven en betaald en
overeenkomstig een vrijwillige verbetering van de aangifte het te
weinig betaalde belasting alsnog betaalt.
3. Indien sprake is van een vrijwillige verbetering legt de
inspecteur,
a. geen vergrijpboete op (zie § 25, twaalfde lid), en
b. geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de
vrijwillige verbetering alsnog wordt betaald € 20.000 of minder
bedraagt, of
c. geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de
vrijwillige verbetering wordt betaald minder bedraagt dan 10
procent van het bedrag van de belasting die over het tijdvak/de
tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering(en) betrekking heeft,
eerder per saldo is betaald dan wel terugontvangen;
d. in overige gevallen een verzuimboete op van 5 procent tot het
wettelijk maximum van artikel 67c, eerste lid, van de AWR.
4. Het grensbedrag van het derde lid wordt toegepast op de
tijdvakken die in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar vallen.
Heeft de vrijwillige verbetering betrekking op tijdvakken die in
meer kalenderjaren of (gebroken) boekjaren vallen, dan legt de
inspecteur per kalenderjaar of (gebroken) boekjaar een eventuele
verzuimboete op.
5. Het niet of gedeeltelijk niet betalen van loonbelasting kan
worden aangemerkt als een vergrijp of een verzuim. Indien het niet
of gedeeltelijk niet betalen van loonbelasting een verzuim is en
belanghebbende deze belasting alsnog door middel van één of meer
correctieberichten aangeeft, legt de inspecteur over het positieve
saldo van gelijktijdig ingediende correctieberichten een
verzuimboete op met overeenkomstige toepassing van de voorgaande
leden. Zodoende wordt het boeteregime uit het eerste tot en met
vierde lid ook toegepast op een betalingsverzuim, indien geen
sprake is van een vrijwillige verbetering, maar belanghebbende de
in eerste instantie op aangifte te betalen belasting te laag heeft
berekend, aangegeven en betaald en deze belasting alsnog, door
middel van een correctiebericht, aangeeft. Het maakt dus niet uit
of het correctiebericht uit eigen beweging, dan wel naar aanleiding
van een correctieverplichting wordt ingediend. Ook maakt het
hierbij niet uit of het correctiebericht met een aangifte wordt
ingediend dan wel ‘los’ wordt ingediend.
6. Indien de inspecteur de belanghebbende niet verplicht een
correctiebericht in te dienen, maar zonder meer een
naheffingsaanslag vaststelt, en het niet of gedeeltelijk niet
betalen van de belasting een verzuim is, zijn het eerste tot en met
het vierde lid van overeenkomstige toepassing omdat het voor de
beboetbare gedraging niet uitmaakt of de inspecteur wel of geen
correctieverplichting oplegt.
1. Het niet voldoen aan de verplichting, welke wordt opgelegd
bij of krachtens de in artikel 67ca, eerste lid, van de AWR
vermelde artikelen, wordt aangemerkt als een verzuim.
2. Ter zake van het verzuim kan de inspecteur een verzuimboete
opleggen van 50 procent van het wettelijk maximum van artikel 67ca,
eerste lid, van de AWR.
3. In afwijking van het tweede lid kan in uitzonderlijke gevallen
een verzuimboete tot het wettelijk maximum worden opgelegd.
4. De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn
verplichting voldoet. Dit kan een ander zijn dan de
belastingplichtige of inhoudingsplichtige.
5. De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar
behoeft niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve)
belastingaanslag te worden genomen.
1. Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is
van grove schuld of opzet.
2. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van
verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan
gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid.
Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen
begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig
belasting zou worden geheven of betaald. In geval van grove schuld
legt de inspecteur een vergrijpboete op van 25 procent. Zie ook §
27, zesde lid en § 28, zesde en zevende lid.
3. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot
het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of
betalen van belasting. Onder opzet wordt mede verstaan
voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het
willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een
handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting
geheven is of kan worden dan wel niet of niet binnen de termijn
betaald is. In geval van opzet legt de inspecteur een vergrijpboete
op van 50 procent. Zie ook § 26, tiende lid en § 27, zesde lid.
4. De inspecteur dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te
stellen en te bewijzen. De inspecteur kan zich voor het bewijs van
opzet of grove schuld baseren op door hem gestelde, en door
belanghebbende niet of niet voldoende ontzenuwde vermoedens die
gebaseerd zijn op feiten.
5. De bij de heffing bestaande mogelijkheid om de belastingaanslag
onder bepaalde voorwaarden vast te stellen met omkering van de
bewijslast geldt niet voor het vaststellen van opzet of grove
schuld.
6. Bij oplegging van vergrijpboeten vindt afstemming plaats met
boete- en fraudecoördinatoren en/of boetespecialisten. Ook bij
oplegging van vergrijpboeten door een boetespecialist dient
collegiale afstemming met een boete- en fraudecoördinator of
boetespecialist plaats te vinden.
7. Bij minder dan grove schuld wordt geen vergrijpboete opgelegd.
8. Voor het bepalen van de grondslag van de vergrijpboete wordt,
voor zover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de
feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de
feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de
omkering van de bewijslast.
9. Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een
gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld
van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven dan wel
betaald, berekent de inspecteur de boete over dat – naar
evenredigheid bepaalde – gedeelte.
10. Het negende lid vindt overeenkomstige toepassing indien meer
dan één boetepercentage moet worden toegepast.
11. Bij het opleggen van de vergrijpboete houdt de inspecteur
rekening met eventuele bijzondere omstandigheden (zie § 6 tot en
met 8).
12. Indien sprake is van vrijwillige verbetering (zie § 5) met
betrekking tot een aangiftebelasting legt de inspecteur geen
vergrijpboete op.
13. Indien sprake is van inkeer (zie § 5) na twee jaar met
betrekking tot een aanslagbelasting kan de inspecteur een
vergrijpboete opleggen. Inkeer is een strafverminderende
omstandigheid (zie artikel 67n van de AWR en § 7).
1. Indien een aangifte voor een aanslagbelasting, met opzet
niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, legt de inspecteur
gelijktijdig met de aanslag een vergrijpboete op.
2. Het opleggen van een vergrijpboete wegens het met opzet niet
binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is
niet mogelijk.
3. De vergrijpboete wordt berekend over het bedrag van de aanslag.
4. Indien een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de
vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te
rekenen aan de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen
in de aangifte waaraan de kwalificatie ‘opzet’ kan worden
verbonden.
5. Als sprake is van het niet doen van aangifte wordt de
vergrijpboete berekend over de belasting van de gehele (geschatte)
aanslag.
6. Onder het bedrag van de aanslag wordt voor de toepassing van
deze paragraaf verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening
van voorheffingen en opgelegde voorlopige aanslagen.
7. De vergrijpboete wijzigt niet door:
a. voorwaartse verliesverrekening en
achterwaartse verliesverrekening (zie achtste lid);
b. persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren (zie negende
lid);
c. middeling;
d. toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op de
vermogensbelasting 1964.
8. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen
bedraagt de grondslag voor de vergrijpboete het bedrag waarop de
aanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die
verliezen. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en
als gevolg daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld, kan de
inspecteur de vergrijpboete opleggen bij afzonderlijke beschikking.
De vergrijpboete kan in dat geval uiterlijk worden opgelegd tot het
moment dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag, die
zonder verliesverrekening zou zijn vastgesteld, zou verlopen.
9. Indien sprake is van persoonsgebonden aftrek van voorafgaande
jaren welke niet eerder in aanmerking is genomen (artikel 6.1,
eerste lid, letter b, van de Wet inkomstenbelasting 2001), bedraagt
de grondslag voor de vergrijpboete het bedrag waarop de aanslag zou
zijn berekend zonder rekening te houden met die persoonsgebonden
aftrek. Indien persoonsgebonden aftrek in aanmerking is genomen en
als gevolg daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld, kan de
inspecteur de vergrijpboete opleggen bij afzonderlijke beschikking.
De vergrijpboete kan in dat geval uiterlijk worden opgelegd tot het
moment dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag, die
zonder verrekening van persoonsgebonden aftrek zou zijn
vastgesteld, zou verlopen. Dit lid geldt ook voor niet
gerealiseerde zelfstandigenaftrek op grond van artikel 3.76, vijfde
lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
10. Wordt een vergrijpboete opgelegd op grond van artikel 67d,
vijfde lid, van de AWR, dan legt de inspecteur een vergrijpboete op
van 150 procent in geval van opzet.
11. Bij het opleggen van de vergrijpboete houdt de inspecteur
rekening met de voorschriften inzake de straftoemeting. Zie § 6 tot
en met § 8.
1. Indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te
wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of
anderszins te weinig belasting is geheven, legt de inspecteur
gelijktijdig met de navorderingsaanslag, een vergrijpboete op.
2. Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt
nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes
maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de
inspecteur binnen zes maanden na de vaststelling van de
navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval
deelt de inspecteur de belanghebbende gelijktijdig met de
vaststelling van de navorderingsaanslag mee dat nog onderzoek
plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd
is.
3. De vergrijpboete wijzigt niet door:
a. voorwaartse verliesverrekening en
achterwaartse verliesverrekening (zie vierde lid);
b. persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren (zie vijfde lid);
c. middeling;
d. toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op de
vermogensbelasting 1964.
4. Indien geen navorderingsaanslag kan worden opgelegd in
verband met de verrekening van verliezen kan niettemin bij
afzonderlijke beschikking een vergrijpboete worden opgelegd.
De grondslag voor de vergrijpboete is in dat geval het bedrag
waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te
houden met die verliezen. In het geval wel een navorderingsaanslag
kan worden opgelegd waarbij verliezen in aanmerking zijn of worden
genomen, is de grondslag van de vergrijpboete het bedrag waarop de
navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met
die verliezen. De vergrijpboete kan in dat geval uiterlijk worden
opgelegd tot het moment dat de termijn voor het vaststellen van de
navorderingsaanslag, die zonder verliesverrekening zou zijn
vastgesteld, zou verlopen.
5. Indien geen navorderingsaanslag kan worden opgelegd in verband
met de persoonsgebonden aftrek van voorgaande jaren welke niet in
aanmerking is genomen (artikel 6.1, eerste lid, letter b, van de
Wet IB 2001) kan niettemin bij afzonderlijke beschikking een
vergrijpboete worden opgelegd. De grondslag voor de vergrijpboete
is in dat geval het bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn
berekend zonder rekening te houden met die persoongebonden aftrek.
In het geval wel een navorderingsaanslag kan worden opgelegd
waarbij persoongebonden aftrek in aanmerking is genomen, is de
grondslag van de vergrijpboete het bedrag waarop de
navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met
die persoonsgebonden aftrek. De vergrijpboete kan in dat geval
uiterlijk worden opgelegd tot het moment dat de termijn voor het
vaststellen van de navorderingsaanslag, die zonder verrekening van
de persoonsgebonden aftrek zou zijn vastgesteld, zou verlopen. Dit
lid geldt ook voor niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek op grond
van artikel 3.76, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
6. Wordt een vergrijpboete opgelegd op grond van artikel 67e, zesde
lid, van de AWR, dan legt de inspecteur een vergrijpboete op van 75
procent in geval van grove schuld en 150 procent in geval van
opzet.
7. Bij het opleggen van de vergrijpboete houdt de inspecteur
rekening met de voorschriften inzake de straftoemeting. Zie § 6 tot
en met § 8.
1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is
te wijten dat de belasting niet of gedeeltelijk niet is betaald,
legt de inspecteur de vergrijpboete op, gelijktijdig met de
vaststelling van de naheffingsaanslag.
2. Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt
nageheven eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes
maanden voor het verstrijken van de naheffingstermijn, dan kan de
inspecteur binnen zes maanden na de vaststelling van de
naheffingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval
deelt de inspecteur de belanghebbende gelijktijdig met de
vaststelling van de naheffingsaanslag mee dat nog onderzoek
plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd
is.
3. Indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te
wijten dat de belasting (gedeeltelijk) niet binnen de termijn is
betaald, legt de inspecteur de vergrijpboete op bij een
afzonderlijke beschikking.
4. Bij het opleggen van de vergrijpboete houdt de inspecteur
rekening met de voorschriften inzake de straftoemeting. Zie § 6 tot
en met § 8.
5. Paragraaf 24, derde lid, van dit besluit is van overeenkomstige
toepassing.
6. Wordt een vergrijpboete opgelegd omdat de bijtelling in verband
met het “privégebruik auto” ten onrechte niet heeft plaatsgevonden
(zie artikel 13bis, lid 4, van de Wet LB), dan legt de inspecteur
een vergrijpboete op van 40 procent in geval van grove schuld en 80
procent ingeval van opzet.
7. In afwijking van het zesde lid legt de inspecteur een
vergrijpboete op van 100 procent indien belanghebbende een onjuiste
of onvolledige rittenregistratie heeft overgelegd.
1. In verband met de vrijstelling van belasting voor ondernemers
wordt het vervoeren van één of meer personen in de laadruimte van
een bestelauto in artikel 13a, zesde lid, van de Wet op de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet
BPM) aangemerkt als een verzuim.
2. De inspecteur legt naar aanleiding van de objectieve
vaststelling van dit feit een verzuimboete van 50 procent van het
wettelijk maximum van artikel 13a, zesde lid, van de Wet BPM op aan
degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.
3. In uitzonderlijke gevallen kan hij een boete opleggen tot het
wettelijk maximum van artikel 13a, zesde lid, van de Wet BPM. Van
een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien
belanghebbende stelselmatig in verzuim is.
4. In verband met de teruggaaf van belasting bij
gehandicaptenvervoer wordt het vervoeren van één of meer personen
in de laadruimte van een bestelauto in artikel 15a, elfde lid, van
de Wet BPM aangemerkt als een verzuim.
5. De inspecteur legt naar aanleiding van de objectieve
vaststelling van dit feit een verzuimboete van 50 procent van het
wettelijk maximum van artikel 15a, elfde lid, van de Wet BPM op aan
degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.
6. In uitzonderlijke gevallen kan hij een boete opleggen tot het
wettelijk maximum van artikel 15a, elfde lid, van de Wet BPM. Van
een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien
belanghebbende stelselmatig in verzuim is.
1. Ter zake van het niet, niet binnen de termijn dan wel onjuist
of onvolledig indienen van een correctiebericht (artikel 28b van de
Wet LB) kan de inspecteur een verzuimboete tot het wettelijk
maximum opleggen.
2. Indien bij een aangifte meerdere correctieberichten worden
gevoegd, dan wel meerdere correctieberichten gelijktijdig worden
ingediend ingevolge artikel 80a Uitvoeringsregeling loonbelasting
2001, worden deze voor de toepassing van het eerste lid als één
correctiebericht aangemerkt.
3. Vooralsnog zal met de bevoegdheid tot het opleggen van deze
boete terughoudend worden omgegaan. Daarom zal over het algemeen
geen verzuimboete worden opgelegd, maar zal de inspecteur
belanghebbenden stimuleren tot het naleven van de
correctieverplichting. Indien belanghebbende bijvoorbeeld
stelselmatig de opgelegde correctieverplichting niet of niet binnen
de termijn dan wel onjuist of onvolledig naleeft, kan een
verzuimboete worden opgelegd.
1. Op basis van artikel 28, onderdeel f, van de Wet LB wordt de
werkgever/inhoudingsplichtige verplicht vóór aanvang van de
werkzaamheden van een werknemer opgave te verstrekken van gegevens
die voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. Door de
eerstedagsmelding (hierna: EDM) komen deze gegevens eerder ter
beschikking van de Belastingdienst en UWV. De gegevens van de EDM
zullen in ieder geval de identiteit van de werknemer en de aanvang
van de werkzaamheden betreffen. Op grond van artikel 28c van de Wet
LB is het niet, niet binnen de termijn, onjuist of onvolledig doen
van een EDM een beboetbaar feit waarvoor een verzuimboete kan
worden opgelegd.
2. De verzuimboete ter zake van het niet, niet binnen de termijn
dan wel onjuist of onvolledig indienen van de EDM bedraagt 10 % van
het wettelijk maximum van artikel 28c van de Wet LB.
3. In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete tot het
wettelijk maximum van artikel 28c van de Wet LB worden opgelegd.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin sprake
is van het stelselmatig niet, niet binnen de termijn, onjuist of
onvolledig indienen van de EDM.
4. Het opleggen van een verzuimboete op grond van deze paragraaf
blijft achterwege, indien reeds met toepassing van § 22a ter zake
van dezelfde onjuistheden of onvolledigheden een boete is opgelegd
in verband met een onjuiste of onvolledige loonbelastingaangifte.
De bepalingen van de § 31a tot en met § 32 zijn van toepassing
op de verzuimboete op basis van artikel 40 van de Wet op de
omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Op grond van dit artikel kan
de inspecteur een verzuimboete opleggen indien de belanghebbende de
in artikel 37a van de Wet OB bedoelde lijst niet of niet binnen de
termijn heeft ingediend, dan wel een onvolledige of een onjuiste
lijst heeft ingediend. De lijst van artikel 37a van de Wet OB wordt
in het vervolg aangeduid als de opgaaf ICP, waarbij de afkorting
ICP staat voor intracommunautaire prestaties.
1. Indien belanghebbende de opgaaf ICP niet indient binnen de
wettelijk gestelde termijn, ontvangt hij een mededeling waarin hij
wordt verzocht om dit alsnog te doen binnen de in die mededeling
gestelde termijn. Indien belanghebbende een onvolledige of onjuiste
opgaaf ICP indient, ontvangt hij een mededeling waarin hij wordt
verzocht de ontbrekende of onjuiste gegevens aan te vullen
respectievelijk te herstellen binnen de in die mededeling gestelde
termijn.
2. Van een onvolledige opgaaf ICP is sprake, indien één of meerdere
BTW-identificatienummer(s) ontbreken. Van een onjuiste opgaaf ICP
in de zin van deze paragraaf is sprake, indien één of meerdere
onjuiste BTW-identificatienummer(s) zijn vermeld.
3. Bij het opleggen van de verzuimboete wordt een onderscheid
gemaakt tussen een eerste, tweede/derde en vierde/volgend verzuim.
4. Van een tweede/derde, respectievelijk vierde en volgend verzuim
is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vierentwintig
maanden reeds één respectievelijk twee, drie of meer keer de opgaaf
ICP niet of niet binnen de in de mededeling gestelde termijn heeft
ingediend of een onvolledige c.q. onjuiste opgaaf ICP heeft
ingediend als bedoeld in deze paragraaf en die onvolledigheid c.q.
onjuistheid niet of niet binnen de in de mededeling gestelde
termijn heeft hersteld.
5. Bij vernietiging van de boetebeschikking wegens avas telt het
verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.
6. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een boete op
van 2,5 procent van het wettelijk maximum van artikel 40 van de Wet
OB.
7. In geval van een tweede of derde verzuim legt hij een boete op
van 5 procent van het wettelijk maximum van artikel 40 van de Wet
OB.
8. In geval van een vierde/volgend verzuim legt hij een boete op
van 25 procent van het wettelijk maximum van artikel 40 van de Wet
OB.
9. In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete tot het
wettelijk maximum van artikel 40 van de Wet OB worden opgelegd. Van
een uitzonderlijk geval kan sprake zijn indien bijvoorbeeld
belanghebbende stelselmatig in verzuim is.
10. Indien belanghebbende verplicht is de opgaaf ICP per
kalendermaand in te dienen dan kan in afwijking van de voorgaande
leden een boete tot het wettelijk maximum van artikel 40 van de Wet
OB worden opgelegd als belanghebbende zich niet aan dit kortere
opgaaftijdvak houdt.
1. Van een onjuiste opgaaf ICP in de zin van deze paragraaf is
sprake, indien de totaalbedragen van de leveringen en/of diensten
per afnemer in het betreffende tijdvak niet dan wel onjuist zijn
vermeld in de opgaaf/opgaven ICP.
2. Indien het Central Liaison Office (CLO) constateert dat de
gegevens op de opgaaf/opgaven ICP en de OB-aangifte(n) niet
overeenstemmen, wordt belanghebbende een mededeling gezonden,
waarin hij wordt verzocht om de onjuistheden binnen een hem daartoe
gestelde termijn te herstellen.
3. Bij het opleggen van de verzuimboete wordt een onderscheid
gemaakt tussen een eerste, tweede/derde en vierde/volgend verzuim.
4. Van een tweede respectievelijk derde, vierde en volgend verzuim
is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vierentwintig
maanden reeds één respectievelijk twee, drie of meer keer een
onjuiste opgaaf ICP heeft ingediend als bedoeld in deze paragraaf
en die onjuistheid niet binnen de hem gestelde termijn heeft
hersteld.
5. Bij vernietiging van de boete wegens avas telt het verzuim niet
mee in de verzuimenreeks.
6. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een boete op
van 2,5 procent van het wettelijk maximum van artikel 40 van de Wet
OB.
7. In geval van een tweede of derde verzuim legt hij een boete op
van 5 procent van het wettelijk maximum van artikel 40 van de Wet
OB.
8. In geval van een vierde/volgend verzuim legt hij een boete op
van 25 procent van het wettelijk maximum van artikel 40 van de Wet
OB.
9. In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete tot het
wettelijk maximum van artikel 40 van de Wet OB worden opgelegd. Van
een uitzonderlijk geval kan sprake zijn indien bijvoorbeeld
belanghebbende stelselmatig in verzuim is. Ook kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan situaties waarin veelvuldig een onjuiste opgaaf
ICP is ingediend dan wel aan situaties waarin sprake is van
samenspanning van leverancier en afnemer ten einde in Nederland of
een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap belastingontduiking
te bevorderen. Een ander voorbeeld is het stelselmatig niet of
onjuist vermelden van de totaalbedragen van de leveringen per
afnemer in het betreffende tijdvak in de opgaaf ICP.
10. Het opleggen van een verzuimboete wegens het indienen van een
onjuiste opgaaf ICP blijft achterwege, indien voor deze opgaaf ICP
reeds een verzuimboete is opgelegd op de voet van § 31b van dit
besluit.
11. Het opleggen van een verzuimboete wegens het indienen van een
onjuiste opgaaf ICP blijft achterwege, indien reeds met toepassing
van hoofdstuk 2 van dit besluit ter zake van dezelfde onjuistheden
een boete is opgelegd in verband met een onjuiste OB-aangifte.
1. Voor de motorrijtuigenbelasting wordt niet voor elk tijdvak
afzonderlijk aangifte gedaan. De aanvraag voor afgifte van een
kentekenbewijs dan wel om wijziging van de tenaamstelling van het
motorrijtuig geldt als aangifte. Deze aangifte geldt, zolang het
motorrijtuig niet van houder wisselt, voor alle tijdvakken waarin
het motorrijtuig wordt gehouden.
Om aan de houder kenbaar te maken dat, hoeveel en voor welk tijdvak
belasting voor het motorrijtuig verschuldigd is, zendt de
inspecteur aan de houder een rekening met daarop het verschuldigde
belastingbedrag. Op de rekening vermeldt de inspecteur een uiterste
betaaldatum, waarop het bedrag moet zijn betaald. Deze datum kan
liggen na de datum van aanvang van het tijdvak. Indien het
verschuldigde bedrag geheel of gedeeltelijk niet op de betaaldatum
is voldaan, is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c
van de AWR.
2. In geval van een betalingsverzuim legt de inspecteur een boete
op van één procent van het wettelijk maximum van artikel 67c van de
AWR, tenzij belanghebbende in de periode van één jaar voorafgaand
aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, niet eerder
in verzuim is geweest (alsdan wordt geen boete opgelegd, maar een
verzuimmededeling verzonden).
3. In afwijking van lid 2 kan in uitzonderlijke gevallen een
verzuimboete tot het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR
worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld
sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is.
4. Verzuimen worden aangetekend per houder als bedoeld in de
artikelen 7, 8 of 9 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994
(hierna: Wet MB 1994).
5. Indien voor hetzelfde tijdvak meer dan één rekening is
verzonden, wordt het verzuim per rekening bepaald.
6. Verzuimen als bedoeld in de paragrafen 34 en 35 worden niet
meegerekend.
7. Ingeval op grond van artikel 4c, zevende lid, van de
Uitvoeringsregeling MB 1994 de vergunning voor het betalen per
maand van de belasting is geëindigd of door de inspecteur is
ingetrokken, wordt op grond van artikel 20 van de AWR een
naheffingsaanslag voor de resterende belastingschuld over het
lopende tijdvak opgelegd. Indien het intrekken van de vergunning
zijn oorzaak vindt in het niet aan de voorwaarden van de vergunning
hebben voldaan door de belastingplichtige, legt de inspecteur een
verzuimboete op als bedoeld in de voorgaande leden van deze
paragraaf.
Indien de vergunning op verzoek van belanghebbende vervalt en op
grond van artikel 20 van de AWR een naheffingsaanslag voor de
resterende belastingschuld over het lopende tijdvak wordt opgelegd,
legt de inspecteur geen verzuimboete op.
1. Deze paragraaf heeft betrekking op de naheffingen genoemd in
de artikelen 24a, 24b, 33, 34, 35, 35a, onder b, 36, 52, 69 en 76
van de Wet MB 1994. De artikelen hebben betrekking op andere
naheffingsaanslagen dan die voortvloeien uit de in § 33 genoemde
belastingaanslagen naar aanleiding van een zogenoemde
betalingscontrole. Het betreft in deze paragraaf in het algemeen
naheffingen vanwege het niet doen van een juiste aangifte, het niet
voldoen aan de gestelde voorwaarden, het gebruik maken van de weg
gedurende een schorsing, of het niet hebben betaald van de
verschuldigde belasting ingeval van een in het buitenland of een
ten onrechte niet in Nederland gekentekend motorrijtuig.
Indien een of meer in deze artikelen omschreven feiten worden
geconstateerd, is sprake van een verzuim. Ter zake van dat verzuim
legt de inspecteur op grond van de artikelen 37, respectievelijk
52, 70 of 77 van de Wet MB 1994 een verzuimboete op.
2. De verzuimboete bedraagt maximaal 100 procent van het bedrag aan
belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald, met een minimum
van € 50 en maximaal het wettelijk maximum van artikel 67c van de
AWR. De verzuimboete wordt opgelegd aan degene op wiens naam de
naheffingsaanslag is gesteld.
1. Indien het in artikel 37d van de Wet MB 1994 genoemde feit
wordt geconstateerd, is sprake van een verzuim. Ter zake van dat
verzuim legt de inspecteur op grond van onderdeel b van dat
artikel, een verzuimboete op van 50 procent van het wettelijk
maximum van artikel 37d van de Wet MB 1994.
2. In afwijking van het vorige lid kan in uitzonderlijke gevallen
een verzuimboete tot het wettelijk maximum artikel 37d van de Wet
MB 1994 worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan
bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in
verzuim is.
3. De verzuimboete wordt opgelegd bij afzonderlijke
boetebeschikking, dat wil zeggen zonder naheffing van de
enkelvoudige belasting. De enkelvoudige belasting wordt betrokken
in het al dan niet verlenen van een teruggaaf op grond van artikel
37a van de Wet MB 1994.
1. De belasting inzake de Wet belasting zware motorrijtuigen
(hierna: Wet BZM) dient per voertuig vóór de aanvang van het
gebruik van de autosnelweg op aangifte te zijn voldaan. Het doen
van aangifte kan geschieden bij de aangewezen aangiftepunten onder
het gelijktijdig voldoen van de belasting.
2. De aangifte kan ook via internet worden gedaan, na het sluiten
van een daartoe strekkende overeenkomst met de inspecteur. De
internetaangiften worden op de website bijgehouden en per
kalendermaand getotaliseerd. Het totaalbedrag wordt na afloop van
deze maand via automatische incasso geïnd. Indien de automatische
incasso niet leidt tot een (tijdige) betaling van de verschuldigde
belasting, wordt dit aangemerkt als een verzuim. Betalingsverzuimen
met betrekking tot deze per kalendermaand getotaliseerde
internetaangiften worden voor de toepassing van deze paragraaf
aangemerkt als één verzuim. De naheffingsaanslag en de
boetebeschikking worden opgelegd aan de aangever met wie een
overeenkomst tot het kunnen doen van een aangifte via internet is
gesloten. 3. Indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde
belasting inzake de Wet BZM niet, gedeeltelijk niet of niet binnen
de termijn is betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de
inspecteur een verzuimboete kan opleggen van 3 procent van het
wettelijk maximum van artikel 13 van de Wet BZM.
4. In uitzonderlijke gevallen kan in afwijking van het voorgaande
lid een verzuimboete tot het wettelijk maximum van artikel 13 van
de Wet BZM worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan sprake
zijn indien bijvoorbeeld stelselmatig (gedeeltelijk) niet binnen de
termijn of (gedeeltelijk) niet wordt betaald.
1. Ter zake van het overtreden van een in artikel 95a van de Wet
op de accijns opgenomen verbod, kan de inspecteur een verzuimboete
opleggen op grond van artikel 102a van de Wet op de accijns.
2. Indien wordt geconstateerd dat het verbod van artikel 95a van de
Wet op de accijns is overtreden, vormt dit een verzuim ter zake
waarvan de inspecteur een verzuimboete kan opleggen van 75 procent
van het wettelijk maximum van artikel 102a van de Wet op de
accijns.
3. In afwijking van het vorige lid kan in uitzonderlijke gevallen,
bijvoorbeeld in geval van recidive, een verzuimboete tot het
wettelijk maximum worden opgelegd.
1. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Bestuurlijke Boeten
Belastingdienst.
2. De citeertitel wordt afgekort tot: BBBB.
3. In correspondentie van de Belastingdienst wordt dit besluit soms
aangehaald als “Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998”
of afgekort tot “BBBB 1998”.
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de
inwerkingtreding van dit besluit:
- besluit van 25 juni 2009, nr. CPP2009/1062M, Stcrt. 2009, nr.
9896 (Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst).
1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2010.
2. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 24 december 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager