U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Dit besluit betreft een aanpassing van het beleid inzake ambtshalve verminderen of teruggeven van belasting. Het besluit sluit aan bij de ministeriële regeling die per 1 januari 2009 voor het verzamelinkomen en jaarloon is getroffen in het kader van de basisregistratie inkomen en de bijzondere regeling voor ambtshalve vermindering van belastingaanslagen inkomstenbelasting per 1 januari 2010. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het beleid te vereenvoudigen. Voor de termijn waarbinnen de belanghebbende aanspraak kan maken op ambtshalve vermindering of teruggaaf voor aanslagbelastingen is gekozen voor aansluiting bij de navorderingstermijn, aangevuld met een termijn voor uitstel, gefixeerd op in totaal zeven jaar (dit sluit ook aan bij de bewaartermijn). Voor de aangiftebelastingen is met uitzondering van de loonheffingen gekozen voor aansluiting bij de naheffingstermijn.
1. In artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
(hierna: AWR) zijn de bevoegdheden van de inspecteur neergelegd om
ambtshalve:
a. een onjuiste belastingaanslag te verminderen;
b. een onjuiste beschikking te verminderen;
c. een in de wet voorziene vermindering te verlenen;
d. een in de wet voorziene ontheffing te verlenen;
e. een in de wet voorziene teruggaaf te verlenen.
Deze bevoegdheden worden in dit besluit aangeduid met de term:
vermindering of teruggaaf van belasting. De uitoefening van deze
bevoegdheden wordt in dit besluit aangeduid als: ambtshalve
verminderen of teruggeven van belasting.
2. Dit besluit bevat een in beginsel uitputtende regeling van de
gevallen, waarin de inspecteur van deze bevoegdheden gebruik maakt.
3. Dit besluit is ook van toepassing op regelingen die onder het
bereik van artikel 65 AWR zijn gebracht, zoals bijvoorbeeld de
werknemersverzekeringen.
4. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder de
belanghebbende:
de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of degene die de
belasting als hoofdelijk medeaansprakelijke heeft betaald, met dien
verstande dat, in een geval waarin zowel de belastingplichtige als
de inhoudingsplichtige in beginsel in aanmerking komen voor een
vermindering of teruggaaf van belasting, uitsluitend de
belastingplichtige aanspraak op die vermindering of die teruggaaf
van belasting heeft. Dit behoudens die gevallen waarin een
wettelijke regeling een ander dan de belastingplichtige aanwijst,
zoals bijvoorbeeld artikel 59, zesde lid, Wet financiering sociale
verzekeringen. In genoemd voorbeeld wordt de ambtshalve teruggaaf
uitsluitend aan de werkgever verleend.
5. Dit besluit is van overeenkomstige toepassing voor de
vaststelling en herziening van verliesbeschikkingen. Ondanks het
niet voor bezwaar vatbare karakter van de ambtshalve vastgestelde
en herziene beschikkingen staan de wettelijke bepalingen niet aan
verliesverrekening in de weg. Een aldus vastgesteld verlies kan ook
worden verrekend met inkomens/belastbare winsten welke gelegen zijn
buiten de zevenjaarstermijn, zoals bedoeld in § 3 van dit
besluit.
1. Uit eigen beweging:
De inspecteur verleent ambtshalve de vermindering of teruggaaf van
belasting waarvoor de belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking
komt indien enig feit de conclusie rechtvaardigt dat belanghebbende
hiervoor in aanmerking komt.
2. Op verzoek:
De inspecteur verleent ambtshalve de vermindering of teruggaaf van
belasting waarvoor de belanghebbende redelijkerwijs in aanmerking
komt indien belanghebbende een verzoek hiertoe indient.
3. Naar aanleiding van een niet ontvankelijk bezwaarschrift of
verzoek:
Indien wegens het te laat indienen van een bezwaarschrift of een in
de wet voorzien verzoek dan wel om andere redenen van formele aard
de indiener van het bezwaarschrift of verzoek niet ontvankelijk is
in zijn bezwaar of verzoek, behandelt de inspecteur dit
bezwaarschrift of verzoek als een verzoek om ambtshalve verminderen
of teruggeven van belasting. De inspecteur verleent ambtshalve de
vermindering of teruggaaf van belasting waarvoor belanghebbende
redelijkerwijs in aanmerking komt bij de uitspraak waarin de
niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken.
1. Vermindering of teruggaaf van belasting wordt niet verleend:
a. Indien belanghebbende er niet redelijkerwijs voor in aanmerking
komt (zie § 4).
b. Indien er sprake is van nieuwe jurisprudentie of nieuw beleid
(zie § 5).
c. In gevallen waarin om een fiscale faciliteit te verkrijgen door
belanghebbende bij de aangifte of op een ander wettelijk
voorgeschreven moment een verzoek moet zijn gedaan of een keuze
zijn gemaakt. Een dergelijk verzoek kan niet meer succesvol worden
gedaan en een dergelijke keuze kan niet meer succesvol worden
gemaakt nadat de aanslag onherroepelijk vast is komen te staan, dan
wel de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken.
d. Indien een correctiebericht in de zin van artikel 28a Wet op de
loonbelasting 1964 moet of kan worden ingediend.
2. De termijn waarbinnen de belanghebbende aanspraak kan maken op
het ambtshalve verlenen van vermindering of teruggaaf van belasting
vervalt:
a. voor aanslagbelastingen door verloop van zeven jaar na het einde
van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft;
b. voor aangiftebelastingen door verloop van vijf jaar na het einde
van het belastingjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of
waarop de teruggaaf betrekking heeft;
c. in afwijking van onderdeel b. voor loonheffingen door verloop
van zeven jaar na het einde van het belastingjaar waarin de
belastingschuld is ontstaan of waarop de teruggaaf betrekking
heeft.
1. Indien de inspecteur kennis neemt van feiten, andere dan die,
naar aanleiding waarvan hij voornemens is ambtshalve een
vermindering of teruggaaf van belasting te verlenen, en die andere
feiten grond opleveren voor het vermoeden dat de belasting onjuist
is berekend, houdt hij daarmee rekening bij het verminderen of
teruggeven van belasting.
2. Voorts verleent de inspecteur in gevallen waarin ter zake van
enig feit ten onrechte belasting is geheven en waarin als gevolg
van die heffing een andere belasting (ook al betreft deze een ander
dan belanghebbende) ter zake van datzelfde feit niet is geheven en
ook niet meer kan worden geheven, slechts ambtshalve vermindering
of teruggaaf voor zover het bedrag van de eerstgenoemde belasting
het bedrag van de andere belasting te boven gaat.
1. Een arrest van de Hoge Raad dan wel een beleidsbesluit
mijnerzijds waarin een toepassing van de belastingwet besloten ligt
die voor de belanghebbende gunstiger is dan de bij de heffing van
de belasting gevolgde toepassing, leidt niet tot het ambtshalve
verlenen van een vermindering of teruggaaf van belasting indien de
belastingaanslag, de voldoening op aangifte of de afdracht op
aangifte onherroepelijk is komen vast te staan vóór de dag, waarop
het arrest door de Hoge Raad is gewezen, onderscheidenlijk vóór de
dagtekening van het beleidsbesluit of andere schriftelijke
aanwijzing, tenzij ik op dit punt een afwijkende regeling heb
getroffen.
2. Bovenstaande is van overeenkomstige toepassing op uitspraken van
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen alsmede op
rechterlijke uitspraken van andere supranationale colleges. Het
vorenstaande vindt geen toepassing voor zover het arrest van het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 januari
2004, C-453/00, (Kühne & Heitz) en de daarop gebaseerde latere
jurisprudentie tot een gunstiger resultaat leidt.
3. Een uitspraak van een Rechtbank of Gerechtshof is doorgaans geen
aanleiding voor het ambtshalve verlenen van vermindering of
teruggaaf van belasting. Dit lijdt evenwel uitzondering indien ik
kenbaar heb gemaakt dat de uitspraak tot richtsnoer moet worden
genomen. Het eerste lid is alsdan van overeenkomstige toepassing.
1. Er kunnen zich situaties voordoen waarin de inspecteur moet
afwijken van de in dit besluit opgenomen regeling. Het gaat daarbij
om de volgende gevallen:
a. De inspecteur is verplicht op grond van de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur een vermindering of teruggaaf ambtshalve te
verlenen.
Bijvoorbeeld:
Een belastingplichtige heeft afgezien van het instellen van
bezwaar of beroep op grond van de toezegging van de inspecteur dat
de aan de belastingplichtige opgelegde aanslag zal worden
verminderd indien de fiscus in een procedure betreffende een ander
belastingjaar over een soortgelijk geval bij dezelfde
belastingplichtige in het ongelijk wordt gesteld. Nadat de
uitspraak van de rechter in de procedure onherroepelijk is geworden
komt de inspecteur tot de conclusie dat de belastingplichtige op
grond van die uitspraak in aanmerking komt voor vermindering van de
hem opgelegde aanslag. Inmiddels is de termijn voor het verlenen
van ambtshalve vermindering (zie § 3.2) verstreken. De inspecteur
heeft de belastingplichtige evenwel toegezegd dat de aanslag zal
worden verminderd. Het vertrouwensbeginsel noopt de inspecteur tot
het verlenen van de toegezegde vermindering.
b. Indien ik in een beleidsbesluit een bijzondere regeling heb
getroffen.
2. Als een belastingplichtige ondanks de toepassing van een
bilateraal belastingverdrag wordt geconfonteerd met een situatie
van dubbele belasting, dan treden de betrokken bevoegde
autoriteiten op zijn verzoek in overleg om na te gaan of zij voor
deze situatie van dubbele belasting een oplossing kunnen vinden. De
meeste belastingverdragen bevatten een bepaling waarin is
omschreven dat een overeengekomen oplossing wordt uitgevoerd
ongeacht de (verjarings)termijnen in de nationale wetgeving van de
beide staten. In een aantal (oudere) verdragen ontbreekt die
bepaling. Ook voor deze verdragen geldt dat een met de andere staat
overeengekomen regeling tot oplossing van de dubbele belasting kan
worden uitgevoerd ongeacht de zevenjaarstermijn.
3. Niettegenstaande de verdragstermijn voor de teruggaaf van
ingehouden dividendbelasting wordt de termijn van zeven jaar
gehanteerd als om teruggaaf wordt verzocht door een inwoner van de
EU.
4. Indien de belanghebbende de wettelijke termijn voor het indienen
van een verzoek om teruggaaf van accijns ongebruikt heeft laten
verstrijken, wordt geen teruggaaf verleend indien in de
voorafgaande drie jaren reeds tweemaal eerder een verzoekschrift te
laat is ingediend en betrokkene er bij de tweede keer op is gewezen
dat bij een derde en volgend te laat ingediend verzoekschrift niet
nogmaals ambtshalve teruggaaf zal worden verleend.
1. Het besluit van 25 maart 1991, nr. DB89/735, zoals dit
laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 6 december 2001, nr.
CPP2001/3435M wordt hierbij ingetrokken.
2. Dit besluit is van toepassing op verzoeken ingediend op of na 1
januari 2010. Dit besluit is tevens van toepassing op (gedeelten
van) verzoeken die in het jaar 2009 zijn gedaan, voor zover
toepassing van dit besluit gunstiger is dan toepassing van het
besluit van 25 maart 1991, nr. DB89/735, zoals dit laatstelijk is
gewijzigd bij besluit van 6 december 2001, nr. CPP2001/3435M
3. Dit besluit geldt niet voor de ambtshalve vermindering van
belastingaanslagen inkomstenbelasting waarvoor de bijzondere
regeling van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 van toepassing is.
4. Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit ambtshalve
verminderen of teruggeven.
5. De citeertitel kan worden afgekort tot: BAVT.
6. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2010.
7. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 10 december 2009.
De Staatssecretaris van Financiën.
mr. drs. J.C. de Jager.