U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Dit besluit vervangt het besluit van 27 november 2008, nr.
CPP2008/2130M met het beleid over de giftenregeling en de
aanmerking als ANBI. In onderdeel 3a is een nieuwe goedkeuring
opgenomen in verband met de nieuwe ANBI-regeling per 1 januari
2010. Bestaande ANBI’s kunnen hun verklaring om als ANBI aangemerkt
te blijven opsturen vóór 6 januari 2010. In alle andere gevallen
zal de ANBI-status vervallen per 1 februari 2010. De overige
onderdelen van het oude besluit zijn niet gewijzigd en worden
binnenkort geactualiseerd.
Dit besluit behandelt het beleid over de giftenregeling en de aanmerking als ANBI. Het besluit zal binnenkort worden geactualiseerd. Vooruitlopend hierop is een nieuwe goedkeuring opgenomen in onderdeel 3a in verband met de nieuwe ANBI-regeling per 1 januari 2010. Bestaande ANBI’s kunnen hun verklaring om als ANBI aangemerkt te blijven opsturen vóór 6 januari 2010. In alle andere gevallen vervalt de ANBI-status per 1 februari 2010. De overige onderdelen van het oude besluit zijn niet gewijzigd en worden binnenkort geactualiseerd.
– ANBI: Als zodanig aangemerkte kerkelijke,
levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of
algemeen nut beogende instelling als bedoeld in artikel 6.33,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001.
– ANBI-team: Onderdeel van Belastingdienst/Oost-Brabant/kantoor
’s-Hertogenbosch dat namens de voorzitter van het managementteam de
ANBI behandelt.
Vanaf 1 januari 2008 moet een instelling als ANBI zijn
aangemerkt voor de toepassing van de giftenaftrek in de Wet IB 2001
en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de vrijstellingen in
de Successiewet 1956. Het aanmerken als een ANBI geschiedt op
verzoek van de betreffende instelling (artikel 6.33, eerste lid,
onderdeel b, en tweede lid, van de Wet IB 2001). De instelling kan
een verzoek indienen bij het ANBI-team. De Belastingdienst
publiceert op www.belastingdienst.nl de lijst van instellingen die
als ANBI zijn aangemerkt.
Onder het tot 1 januari 2008 geldende regime zijn door
Belastingdienst/Oost-Brabant/kantoor ’s-Hertogenbosch instellingen
gerangschikt als algemeen nut beogende instelling. Die
rangschikkingen zijn vervallen per 1 januari 2008. Per 1 januari
2008 is ook het beleid over het algemeen nut vervallen, dat is
vastgesteld onder de toepassing van de Successiewet 1956, de oudere
successiewetgeving, de Wet IB 2001 en de oudere
inkomstenbelastingwetgeving. Vanaf 1 januari 2008 is het
uitgangspunt dat voor fiscale faciliteiten de instelling vooraf bij
beschikking moet zijn aangemerkt als ANBI. In bepaalde
uitzonderingssituaties kan een instelling met terugwerkende kracht
aangemerkt worden als ANBI (artikel 41a, tweede lid, van de
Uitvoeringsregeling IB 2001). Dat kan bijvoorbeeld in de situatie
dat een instelling bij testament wordt opgericht en dat volgens
datzelfde testament vermogen wordt ingebracht bij die instelling.
Als zo een instelling niet met terugwerkende kracht als ANBI wordt
aangemerkt, dan kan over de verkrijging bijvoorbeeld niet de
successierechtvrijstelling worden toegepast.
Op 29 januari 2008 heb ik vragen van Kamerlid Van der Vlies
beantwoord. Daarbij heb ik aangegeven dat instellingen in een
aantal gevallen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008
aangemerkt kunnen worden als ANBI (Aanhangsel Handelingen II
2007/08, nr. 1191). Uit de praktijk blijkt dat instellingen om
verschillende redenen niet tijdig een verzoek hebben gedaan om als
ANBI te worden aangemerkt.
Om problemen te voorkomen, over bijvoorbeeld de behandeling van
giften, keur ik het volgende goed.
– De instelling die op 1 januari van een kalenderjaar bestaat en in
datzelfde kalenderjaar een verzoek doet om te worden aangemerkt als
ANBI, kan met terugwerkende kracht tot 1 januari van datzelfde
kalenderjaar worden aangemerkt als ANBI.
– Een nieuw opgerichte instelling, die in het jaar van oprichting
een verzoek doet om aangemerkt te worden als ANBI, kan met
terugwerkende kracht tot de datum van oprichting worden aangemerkt
als ANBI.
De terugwerkende kracht geldt tot het moment dat de instelling in
het kalenderjaar voldoet aan de eisen voor een ANBI.
In het wetsvoorstel tot wijziging van de Successiewet 1956
(wetsvoorstel 31 930) zijn ook enkele wijzigingen opgenomen voor de
ANBI-regeling. Onder de tot en met 2009 geldende regeling kunnen
instellingen als ANBI worden aangemerkt indien zij voor meer dan
50% het algemeen nut dienen. Volgens de regeling die per 1 januari
2010 moet ingaan, kunnen instellingen als ANBI worden aangemerkt
indien zij voor minstens 90% het algemeen nut dienen. Daarnaast
wordt een integriteitstoets ingevoerd. De inspecteur kan de
ANBI-beschikking weigeren of intrekken indien de ANBI zelf, een
bestuurder of feitelijk leidinggevende van de ANBI, dan wel een
voor de ANBI gezichtsbepalend persoon in de afgelopen vier jaar
onherroepelijk is veroordeeld wegens aanzetten tot haat, aanzetten
tot geweld of gebruik van het geweld.
Volgens het overgangsrecht inzake wijziging van de Successiewet
1956 (Art. XI), dient de instelling vóór 7 december 2009 tegenover
de inspecteur van het ANBI-team te verklaren dat zij aan de nieuwe
voorwaarden van de nieuwe ANBI-regeling voldoet. In dat geval wordt
de aanmerking als ANBI voortgezet. Als de instelling die verklaring
voor die datum niet overlegt, wordt de instelling niet meer als
ANBI aangemerkt per 1 januari 2010.
De termijn waarvoor instellingen moeten verklaren dat zij aan de
nieuwe voorwaarden van de ANBI-regeling voldoen, acht ik te kort
gezien de opgelopen vertraging van het wetgevingsproces van de
wijziging van de Successiewet 1956. Daarom keur ik met toepassing
van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de
hardheidsclausule) het volgende goed.
Een instelling die als ANBI is aangemerkt volgens de tot en met
31 december 2009 geldende ANBI-regeling, dient vóór 6 januari 2010
een verklaring aan de inspecteur van het ANBI-team te sturen, dat
zij voldoet aan de voorwaarden voor de ANBI-regeling per 1 januari
2010. Als uit de verklaring blijkt dat de instelling voldoet aan de
nieuwe voorwaarden, wordt de aanmerking als ANBI voortgezet. Alle
bestaande ANBI’s (hebben) ontvangen een brief met een formulier
waarop ze kunnen aangeven of ze aan de nieuwe voorwaarden voldoen.
In de brief is opgenomen dat de verklaring vóór 6 januari 2010 moet
worden opgestuurd.
Verlenging termijn vervallen ANBI-beschikkingen
Als de instelling niet voldoet aan de nieuwe voorwaarden of de
verklaring niet terugstuurt vóór 6 januari 2010, vervalt de
ANBI-status per 1 februari 2010. Als de instelling daarna toch als
ANBI aangemerkt wil worden, dient zij een nieuw verzoek in te
dienen bij het ANBI-team.
Deze goedkeuringen zijn opgenomen nog voordat het wetsvoorstel tot
herziening van de Successiewet 1956 tot wet is verheven. Daartoe
ben ik genoodzaakt, omdat de in het wetsvoorstel opgenomen datum
van 7 december 2009 zo spoedig mogelijk aangepast moet worden.
Tot de aftrekbare giften behoren periodieke giften. Dit zijn
giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen
die uiterlijk eindigen bij overlijden en worden gedaan aan een ANBI
of aan een vereniging als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet IB 2001 (artikel 6.34 van de Wet IB 2001).
Periodieke giften in natura worden op dezelfde wijze behandeld
als schenkingen in geld. Bij schenking van één enkel voorwerp gaat
het eigendomsrecht daarvan jaarlijks in gelijke gedeelten over. Een
voorbeeld hiervan is een collectie kunstvoorwerpen, waarvan elk
jaar een evenredig gedeelte aan een museum wordt overgedragen.
Uiteraard moet de schenking voldoen aan de criteria van het begrip
periodieke giften. Dat betekent onder meer dat de ‘uitkeringen of
verstrekkingen’ vast en gelijkmatig moeten zijn. Bij schenking van
een collectie objecten zal de belastingplichtige daarom, op het
moment dat hij de verplichting aangaat, een nauwkeurige verdeling
over de jaren moeten vaststellen aan de hand van de waarde in het
economische verkeer van de verschillende objecten.
De minimale looptijd van periodieke giften is vijf jaar, tenzij
degene die de giften doet eerder overlijdt (artikel 6.34 en art.
6.38 van de Wet IB 2001). Degene die de giften doet, moet
tussentijds de looptijd niet zelf kunnen beïnvloeden, waardoor de
looptijd korter kan zijn dan de minimale looptijd van vijf jaar. In
die situatie is de beëindiging niet in overeenstemming met het
karakter van de regeling en vormt daarom een beletsel om de giften
als periodieke giften aan te merken. Hetzelfde geldt voor het
opnemen van de mogelijkheid om al vervallen termijnen te herroepen.
Als degene die de giften doet de periodieke giften na vijf jaar kan
beëindigen, is dat geen beletsel.
De mogelijkheid tot beëindiging van de verplichting tot het doen
van uitkeringen of verstrekkingen bij arbeidsongeschiktheid of
werkloosheid van degene die de giften doet, is geen beletsel voor
de kwalificatie als periodieke giften. Dit geldt ook bij
faillissement van de instelling of als de instelling de ANBI-status
verliest. Hierbij geldt als voorwaarde dat degene die de giften
doet niet of nauwelijks invloed op deze situaties heeft. De
beëindiging van de verplichting geldt alleen voor nog niet
vervallen termijnen. Al vervallen termijnen kunnen niet worden
herroepen.
Bedragen die rechtstreeks aan geestelijken ter beschikking
worden gesteld voor doeleinden die de kerkelijke instelling
nastreeft of voor het verrichten van religieuze handelingen, worden
aangemerkt als giften aan de kerkelijke instelling. Bijdragen voor
kerkelijk wijkwerk, stipendia, voor het lezen van missen,
huwelijksinzegening, doop en dergelijke bijzondere kerkelijke
plechtigheden zijn giften als de bijdragen ten bate van de
kerkelijke instelling of van de geestelijke als zodanig komen. In
deze gevallen moet de betaling van de bedoelde bedragen blijken uit
schriftelijke bewijsstukken.
Giften in de vorm van een vergoeding van kosten voor vervoer per
auto worden in aanmerking genomen voor een normbedrag per kilometer
(artikel 6.36 van de Wet IB 2001). Op basis van deze regeling is
aftrek volgens het normbedrag per kilometer mogelijk als de
instelling weliswaar een vergoedingsmogelijkheid biedt, maar
belastingplichtige afziet van het declareren van de kosten.
Giftenaftrek is ook mogelijk als de instelling vanwege de slechte
financiële positie geen vergoeding kan geven maar de kosten naar
maatschappelijke opvattingen wel vergoed plegen te worden (het
arrest van de Hoge Raad van 7 juni 1978, nr. 18 867 (BNB
1978/186)). De door belastingplichtige gemaakte kosten zijn giften
voor het in artikel 6.36 van de Wet IB 2001 opgenomen normbedrag.
Een erflater kan bij testament een stichting oprichten en de
statuten van de stichting opnemen in zijn testament (artikel 4:135
van het Burgerlijk Wetboek). Die testamentaire stichting wordt door
het overlijden van de erflater in het leven geroepen met de
statuten die in het testament zijn opgenomen. Als de erflater heeft
beoogd een ANBI op te richten, bestaat de mogelijkheid dat de in
het testament opgenomen statuten afwijken van de eisen die op het
overlijdensmoment gelden voor een ANBI. Om als ANBI te worden
aangemerkt moeten de statuten ná het overlijden van de erflater
worden aangepast. De stichting kan pas vanaf het moment van de
aanpassing worden aangemerkt als ANBI. Voor het successierecht
verkrijgt de stichting echter op het moment van overlijden. Op dat
moment is de stichting geen ANBI, zodat er geen recht bestaat op de
vrijstelling voor successierecht (artikel 32, eerste lid, ten
derde, van de Successiewet 1956). Ik acht het niet gewenst dat met
het oog hierop testamenten moeten worden aangepast.
Goedkeuring
Ik keur goed dat voor de beoordeling of een testamentaire stichting
kan worden aangemerkt als ANBI, wordt uitgegaan van de aangepaste
statuten. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden.
– De statuten worden aangepast binnen acht maanden na het
overlijden van de erflater.
– De stichting schenkt niet of doet geen uitkering tot de
dagtekening van de beschikking waarin de stichting als ANBI is
aangemerkt.
Voor de ANBI-regeling zijn er drie categorieën ‘landen’ te
onderscheiden (artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB
2001):
1. een lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse Antillen of
Aruba;
2. een mogendheid als bedoeld in artikel 41d van de
Uitvoeringsregeling IB 2001; of
3. andere landen; een aldaar gevestigde instelling kan door Onze
Minister als ANBI worden aangemerkt, indien en zolang zij voldoen
aan de door hem te stellen voorwaarden (de derdelanden).
Voor instellingen gevestigd in de onder 3 genoemde derdelanden
geldt de volgende voorwaarde als uitgangspunt.
De instelling verstrekt jaarlijks gegevens en inlichtingen, op
grond waarvan het ANBI-team kan beoordelen of de instelling voldoet
aan de voorwaarden van de artikelen 41a en 41b van de
Uitvoeringsregeling IB 2001. De instelling maakt aannemelijk dat de
verstrekte gegevens en inlichtingen een getrouw beeld van de
werkelijke situatie geven. Dit zou bijvoorbeeld kunnen met een
accountantsverklaring.
De bevoegdheid om instellingen in derdelanden aan te merken als
ANBI heb ik gemandateerd aan de voorzitter van het managementteam
van Belastingdienst/Oost-Brabant/kantoor ’s-Hertogenbosch.
Verzoeken kunnen worden gericht aan het ANBI-team.
In de ANBI-regeling is een bepaling opgenomen over de beloning
voor de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid
bepaalt. Voor de werkzaamheden die deze leden als zodanig voor de
instelling verrichten, mogen ze geen andere beloning ontvangen dan
een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig
vacatiegeld (artikel 41a, eerste lid, onderdeel e, van de
Uitvoeringsregeling IB 2001). Hierna behandel ik de uitgangspunten
voor de beantwoording van de vraag of een vacatievergoeding al dan
niet bovenmatig is.
Vacatievergoeding
Een vacatievergoeding is in ieder geval niet bovenmatig als deze
vergoeding niet hoger is dan de vergoeding die is opgenomen in het
vacatiegeldenbesluit (Regeling maximumbedragen vacatiegeld 2004).
Een hogere beloning is in uitzonderingsgevallen mogelijk en is dus
niet per definitie bovenmatig. Bij de beantwoording van de vraag of
een hogere vacatievergoeding bovenmatig is, spelen onder andere een
rol de aard en omvang van de instelling en de maatschappelijke
positie van het lid van het orgaan van de instelling dat het beleid
bepaalt.
Een (vaste) vergoeding die niet is gericht op het bijwonen van een
vergadering en de voorbereiding daarvan, past niet binnen de
ANBI-regeling. Daarmee wordt immers geen vacatiegeld verstrekt,
maar een bezoldiging voor de door de leden van het beleidsbepalende
orgaan als zodanig verrichte andere werkzaamheden. Als de totale
vergoeding van de leden van het beleidsbepalende orgaan van de
instelling feitelijk niet meer bedraagt dan een vergoeding voor
gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld, hoeft dit
geen belemmering voor toepassing van de ANBI-regeling te zijn. Dat
is het geval als de vergoeding is gebaseerd op een vooronderstelde
vacatie. Van een vooronderstelde vacatie is sprake als de
vergoeding gekoppeld kan worden aan de uren die besteed moeten
worden voor het voorbereiden en bijwonen van vergaderingen en
bijeenkomsten. Als de op deze wijze herrekende vacatievergoeding
niet bovenmatig is en aan de overige voorwaarden is voldaan, kan de
instelling worden aangemerkt als ANBI. Een voorbeeld hiervan is de
vergoeding aan de leden van de raad van toezicht van academische
ziekenhuizen. Die leden ontvangen een zogenoemde tegemoetkoming op
grond van de Regeling financiën hoger onderwijs (Regeling van de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juni 2008, nr.
HO&S/CBV/2008/5214).
Het besluit van 27 november 2008, nr. CPP2008/2130M is
ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot en met de datum van het besluit.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 16 december 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager.