U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Dit besluit bevat het herziene onderdeel “Overheidsingrijpen”
uit het besluit van 5 december 2006, nr. CPP2006/1173M over de
herinvesteringsreserve. Dit onderdeel is aangepast naar aanleiding
van de wijziging van de artikelen 3.54 en 3.64 van de Wet IB 2001
met ingang van 1 januari 2008. Hierbij is eveneens rekening
gehouden met de toezeggingen die zijn gedaan bij de parlementaire
behandeling van het wetsvoorstel van 20 december 2007, 31 206, Stb.
563 (Overige fiscale maatregelen 2008). Bovendien is uitvoering
gegeven aan de recentelijk gedane toezegging aan de Tweede Kamer
(zie brief van de Minister van VROM van 30 juni 2009, TK 2008/2009,
29 435, nr. 242) dat zowel de Ruimte voor Ruimteregeling als de
Rood voor Roodregeling als vormen van overheidsingrijpen zullen
worden aangemerkt.
Het onderdeel “Overheidsingrijpen” uit het besluit van 5
december 2006, nr. CPP2006/1173M, is aangepast naar aanleiding van
de wijziging van de artikelen 3.54 en 3.64 van de Wet IB 2001.
Hierbij (zie onderdeel 3.2.2) is eveneens rekening gehouden met de
toezeggingen die zijn gedaan bij de parlementaire behandeling van
het wetsvoorstel van 20 december 2007, 31 206, Stb. 563 (Overige
fiscale maatregelen 2008). Bovendien is uitvoering gegeven aan de
recentelijk gedane toezegging aan de Tweede Kamer (zie brief van de
Minister van VROM van 30 juni 2009, TK 2008/2009, 29 435, nr. 242)
dat zowel de Ruimte voor Ruimteregeling als de Rood voor
Roodregeling als vormen van overheidsingrijpen zullen worden
aangemerkt (zie onderdeel 3.3.3). Het onderdeel
“Overheidsingrijpen” wordt nu separaat uitgebracht, vooruitlopend
op een herziening van het besluit van 5 december 2006, nr.
CPP2006/1173M. Deze herziening zal naar verwachting begin 2010 zijn
beslag krijgen.
|
Wet IB 2001
|
Wet inkomstenbelasting 2001
|
|
HIR
|
herinvesteringsreserve
|
Met ingang van 1 januari 2008 is in artikel 3.54, twaalfde lid,
van de Wet IB 2001 geregeld dat voor de toepassing van dit artikel
onder overheidsingrijpen moet worden verstaan:
a. onteigening, daaronder begrepen
minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening;
b. een besluit, daaronder begrepen een regeling, op het gebied van
ruimtelijke ordening, natuur of milieu van een publiekrechtelijke
rechtspersoon dat de mogelijkheden om de onderneming of een
gedeelte daarvan op de huidige locatie in de huidige vorm voort te
zetten of uit te breiden in belangrijke mate beperkt;
c. bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) aangewezen
communautaire of nationale regelgeving die leidt tot
herstructurering van een bedrijfstak.
Het is mogelijk dat een bepaalde situatie onder meer dan één van
de hiervoor genoemde onderdelen valt. Dit is van belang, omdat de
bewijsrechtelijke aspecten per onderdeel verschillen. Wanneer
sprake is van een aangewezen regeling als bedoeld in onderdeel c,
behoeft de (beperkende) invloed op de mogelijkheden tot
voortzetting of uitbreiding niet te worden beoordeeld en is verdere
discussie over de vraag of sprake is van overheidsingrijpen niet
meer aan de orde. Op deze bepaling ga ik in paragraaf 3.4. nader
in.
Ook bij onderdeel b is sprake van een bestaand objectief kenbaar
gegeven, namelijk een in dat onderdeel omschreven besluit of
regeling. Er kan dan nog wel verschil van inzicht zijn over
bijvoorbeeld de vraag of sprake is van een beperking van de
mogelijkheden tot voortzetting of uitbreiding als bedoeld in dit
onderdeel. Op deze bepaling ga ik in paragraaf 3.3 nader in.
Wanneer er geen besluit is dat voldoet aan de voorwaarden gesteld
in onderdeel b, kan er nog altijd sprake zijn van (minnelijke)
onteigening of “verkoop ter voorkoming van onteigening”: onderdeel
a. Hierbij kan - zoals in het verleden is gebleken bij de
toepassing van het tot 1 januari 2008 geldende artikel 3.64, vierde
lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 - verschil van inzicht bestaan
of de belastingplichtige redelijkerwijs kan verwachten dat hij,
wanneer hij niet tot medewerking bereid is, uiteindelijk zal worden
onteigend. Op deze bepaling ga ik in onderdeel 3.2. nader in.
Van de in onderdeel a genoemde vormen is de “verkoop ter
voorkoming van onteigening” de meest voorkomende. De wettekst is op
dit punt gelijk aan die welke tot 1 januari 2008 was opgenomen in
artikel 3.64, vierde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Uit de
parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling
blijkt dat hierbij beslissend is of de belastingplichtige “weet of
redelijkerwijs kan verwachten dat te zijner tijd tegen hem een
onteigeningsprocedure zal worden aangespannen indien hij niet tot
medewerking bereid is”.
De stelling dat van zodanige verwachting pas sprake kan zijn als
dit blijkt uit een vastgesteld en/of gepubliceerd bestemmingsplan,
vindt geen steun in de wet of wetsgeschiedenis. Daarin is slechts
de totstandkoming van een bestemmingsplan als voorbeeld genoemd,
waarbij eveneens is vermeld dat ook als een bestemmingsplan (nog)
niet is aangenomen (en er dus nog geen burgers bindende regeling
is), dit in een zodanig stadium kan zijn dat de belastingplichtige
“weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het te zijner tijd zou
kunnen leiden tot een tegen hem gerichte onteigeningsprocedure”
(Nota van wijziging 27209, nr. 7, blz. 10-11).
Bij de behandeling van het wetsontwerp Overige Fiscale
Maatregelen 2008 is er aandacht voor gevraagd dat in de praktijk
nog onduidelijkheid bestaat over de vraag wanneer “redelijkerwijs
kan worden verwacht dat men zal worden onteigend, als niet wordt
meegewerkt aan verkoop of minnelijke onteigening”. Daarop heb ik
aangegeven dat ik deze onduidelijkheid ongewenst acht en in een te
publiceren beleidsbesluit de criteria voor de beoordeling van deze
vraag zal verduidelijken en toelichten. Om discussie in de toekomst
zoveel mogelijk te voorkomen, geef ik met dit besluit aan die
toezegging gevolg. Bij deze verdere verduidelijking van het begrip
“verkoop ter voorkoming van onteigening” blijft hetzelfde
uitgangspunt gelden als in toelichtende zin is verwoord bij de
totstandkoming van de Wet ondernemerspakket 2001. Dat uitgangspunt
houdt in dat de belastingplichtige “weet of redelijkerwijs kan
verwachten dat niet meewerken te zijner tijd zal leiden tot een
tegen hem gerichte onteigeningsprocedure”.
In het kader van de bewijslast merk ik op dat zodanige verwachting
in ieder geval aanwezig wordt geacht bij:
1. Verkoop aan de desbetreffende
gemeente op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten.
2. Verkoop die een gevolg is van een vastgesteld dan wel een
verplicht nog vast te stellen inrichtings-, reconstructie-, of
bestemmingsplan dat op grond (van bijv. artikel 122) van de
Onteigeningswet tot onteigening zou kunnen leiden. Op grond van
artikel 122 van de Onteigeningswet kan zowel een inrichtingsplan op
grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet inrichting landelijke
gebieden als een reconstructieplan op grond van hoofdstuk 2 van de
Reconstructiewet concentratiegebieden tot onteigening leiden.
N.b. Bij onverplichte (ontwerp)bestemmings- of andere
plannen zal steeds moeten worden beoordeeld of een redelijke
verwachting aanwezig is of kan zijn. Dit criterium zal de
Belastingdienst met enige welwillendheid hanteren; zie hierna 3.
3. Verkoop in een vroegtijdig planstadium aan een
publiekrechtelijke rechtspersoon die - nadat aan de overigens
daarvoor gestelde vereisten is voldaan - tot onteigening bevoegd
zal zijn, tenzij de inspecteur aannemelijk maakt dat die ‘redelijke
verwachting’ niet aanwezig kon zijn. Voorbeeld van zodanige verkoop
is verkoop aan een gemeente of provincie naar aanleiding van een
structuurvisie, een voorbereidings- en/of projectbesluit dan wel
een ontwerp van een bestemmingsplan.
4. Verkoop aan een ander dan een publiekrechtelijke rechtspersoon,
zoals een projectontwikkelaar, in een plangebied waarin inmiddels
ook één of meer verkopen als bedoeld in het hiervoor genoemde punt
3 hebben plaatsgevonden. In het geval laatstbedoelde verkopen (nog)
niet hebben plaatsgevonden, dient niettemin van geval tot geval
beoordeeld te worden of sprake kan zijn van een redelijke
verwachting.
Het begrip “verkoop ter voorkoming van onteigening” wijkt
weliswaar niet af van de omschrijving in het tot 1 januari 2008
geldende artikel 3.64, vierde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001,
maar de nu gegeven uitleg van het begrip bevat een nieuw
beleidsstandpunt. Wellicht ten overvloede merk ik op dat de
hierboven omschreven uitleg van dit begrip in voorkomende gevallen
kan worden toegepast bij afboekingen die van invloed zijn op
aanslagen over de jaren tot en met 2007 die nog opgelegd moeten
worden, dan wel op de datum van dit besluit zijn opgelegd maar nog
niet onherroepelijk vaststaan.
Bij de behandeling van het Belastingplan 2007 is de motie Slob
aangenomen (TK 2006-2007, 30804, nr. 29), waarin werd gevraagd
zogenoemde indirecte vormen van overheidsingrijpen ook aan te
merken als overheidsingrijpen in de zin van het toen geldende
artikel 3.64, vierde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. In die
bepaling was “overheidsingrijpen” namelijk beperkt omschreven als:
“onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en aankoop
ter voorkoming van onteigening”. Artikel 3.54, twaalfde lid,
onderdeel b, van de Wet IB 2001 (hierna: onderdeel b) is nieuw en
bevat een verruiming ten opzichte van het tot en met 2007 geldende
regime. De omschrijving van dit onderdeel omvat ook de in de motie
Slob bedoelde indirecte vormen van overheidsingrijpen.
Voor de toepassing van onderdeel b moet sprake zijn van een
nader omschreven “besluit, daaronder begrepen een regeling, van een
publiekrechtelijke rechtspersoon”. Bij publiekrechtelijke
rechtspersonen valt te denken aan de staat, provincies, gemeenten
en waterschappen. Sommige besluiten worden - ook in de titel -
regeling genoemd (bijvoorbeeld ‘saneringsregeling’). Wel moet er
een formeel besluit zijn, genomen door of namens het daartoe
bevoegde bestuursorgaan van de desbetreffende publiekrechtelijk
rechtspersoon. Wil sprake zijn van een besluit dat tot een
beperking leidt als bedoeld in onderdeel b dan moet dit wel in
werking getreden zijn, dan wel - als de inwerkingtreding
afhankelijk is van een goedkeuringsprocedure - zijn vastgesteld.
Besluiten of regelingen kunnen een uiteenlopend karakter hebben en
in veel gevallen ontstaat pas in een laat stadium duidelijkheid
over het doorgang vinden van zo’n besluit of regeling en de
definitieve inhoud daarvan. Daarom ligt het niet in de rede om
vervreemding van bedrijfsmiddelen voorafgaand aan de
inwerkingtreding c.q. de hiervoor bedoelde vaststelling van zo’n
besluit of regeling ook al als overheidsingrijpen aan te merken als
bedoeld in onderdeel b. Beoordeeld zal dan moeten worden of een
dergelijke vervreemding mogelijk valt onder de reikwijdte van het
twaalfde lid, onderdeel a (verkoop ter voorkoming van onteigening),
zoals hiervoor omschreven in paragraaf 3.2.; zie met name 3.2.2.
Om een te ruime reikwijdte van het begrip overheidsingrijpen te
voorkomen, worden alleen besluiten of regelingen van
publiekrechtelijke rechtspersonen die zien op “ruimtelijke
ordening, natuur of het milieu” als overheidsingrijpen
aangemerkt, althans als zij leiden tot de in onderdeel b bedoelde
beperking. Onder de besluiten op de drie genoemde gebieden vallen
in ieder geval:
- Gemeentelijke bestemmingsplannen;
- Provinciale inrichtings- of reconstructieplannen die verband
houden met de natuurontwikkeling in het kader van de ecologische
hoofdstructuur;
- Provinciale aanwijzing van gebieden in de zin van de Wet ammoniak
en veehouderij;
- Rijksaanwijzing van gebieden in de zin van de
Natuurbeschermingswet 1998;
- Ruimte voor Ruimteregeling (in de provincie Zuid-Holland) en de
Rood voor Roodregeling (een vergelijkbare regeling als de Ruimte
voor Ruimteregeling elders in het land).
Overigens is er, gelet op de beoogde verruiming van het begrip
overheidsingrijpen, geen reden om de begrippen ruimtelijke
ordening, natuur of milieu beperkt uit te leggen. Ook tal van
andere besluiten c.q. regelingen kunnen onder die omschrijving
vallen. Voor de toepassing van onderdeel b zal wel altijd moeten
worden beoordeeld of sprake is van een in dat onderdeel omschreven
beperking.
Zoals door mij is toegezegd bij de parlementaire behandeling van
artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet IB 2001 zal ik aan de hand
van praktijkervaringen met het verruimde begrip overheidsingrijpen
ook nagaan of het wenselijk is om te zijner tijd bij een volgende
wijziging van het beleidsbesluit een uitgebreidere inventarisatie
op te nemen van de meest voorkomende vormen van besluiten als
bedoeld in onderdeel b. Daarbij zal ik zo mogelijk nader aangeven
onder welke voorwaarden en in welke stadia van plan- en
besluitvorming deze als overheidsingrijpen kunnen worden
aangemerkt.
In de wettelijke omschrijving is rekening gehouden met de
situaties waarin een onderneming op meer dan één locatie actief is.
In dat geval kan het zijn dat er voor de onderneming als geheel
geen sprake is van overheidsingrijpen dat de onderneming in
belangrijke mate beperkt, maar dat daar wel sprake van is voor een
gedeelte van de onderneming, bijvoorbeeld een bepaalde vestiging.
In dat geval kan de vervreemding van bedrijfsmiddelen van andere
vestigingen niet meeliften. Anders gezegd, voor de laatstgenoemde
vervreemding is dan geen sprake van overheidsingrijpen.
Wanneer geen sprake is van verschillende vestigingen en een besluit
als bedoeld in onderdeel b niet als gedeelte van een onderneming
aan te merken bedrijfsmiddelen treft (bijvoorbeeld een aantal
hectaren landbouwgrond), zal voor de onderneming als geheel moeten
worden beoordeeld of sprake is van een “in belangrijke mate
beperkt” zijn. In dat geval geldt voor de gehele onderneming dat
een vervreemding (of staking) een gevolg geacht wordt te zijn van
overheidsingrijpen.
In gevallen waarin een besluit of regeling op het gebied van
ruimtelijke ordening, natuur of milieu voorziet in een geldelijke
of in geld te waarderen vergoeding, impliceert dit veelal een
(gedeeltelijke) schadeloosstelling voor de door de overheid beoogde
beperking. In die gevallen kan ervan worden uitgegaan dat, tenzij
de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, sprake is van een
beperking ”van de mogelijkheden om de onderneming (of een gedeelte
daarvan) op de huidige locatie in de huidige vorm voort te zetten
of uit te breiden”. De belastingplichtige zal dan nog slechts
aannemelijk moeten maken dat sprake is van een “in belangrijke mate
beperkt” zijn.
Bij het antwoord op de vraag of sprake is van een “in belangrijke
mate beperkt”, kan worden uitgegaan van een percentage van 30. Voor
het antwoord op de vraag of sprake is van een zodanige beperking
ligt het voor de hand dit, waar mogelijk, te beoordelen aan de hand
van de productiefactoren waarvoor de beperking zich laat gelden,
zoals bijvoorbeeld, hoeveelheid grond, aantal melkkoeien, aantal
varkens, enz.
De belastingplichtige die een beroep doet op onderdeel b zal
aannemelijk moeten maken dat als gevolg van een daarin bedoeld
besluit sprake is van een in onderdeel b omschreven beperking. Dit
betekent dat de mogelijkheden tot voortzetting of uitbreiding van
de onderneming in de huidige vorm (dus qua soort activiteiten) op
de huidige locatie direct na het in onderdeel b bedoelde besluit
moeten worden vergeleken met die direct voorafgaand aan dat
besluit. Een ondernemer die bijvoorbeeld 20 procent mocht
uitbreiden en na het in onderdeel b bedoelde besluit nog slechts 10
procent, ziet zijn mogelijkheden tot uitbreiding voor de helft (dus
meer dan in belangrijke mate) beperkt. De belastingplichtige zal -
door overlegging van daarop betrekking hebbende stukken - moeten
onderbouwen dat en waarom sprake is van de in onderdeel b
omschreven beperking. Waar twijfel mogelijk is, zal de inspecteur
dit met enige soepelheid beoordelen.
Als een in onderdeel b bedoeld besluit niet leidt tot een “in
belangrijke mate beperkt” zijn, kan desalniettemin sprake zijn van
overheidsingrijpen, maar dan op grond van artikel 3.54, twaalfde
lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Dit omdat verkoop plaatsvindt
aan een publiekrechtelijke rechtspersoon die - nadat aan de daartoe
gestelde vereisten is voldaan - tot onteigening bevoegd is (zie
paragraaf 3.2.2).
In artikel 3.54, dertiende lid, van de Wet IB 2001 is vastgelegd
dat een vervreemding van bedrijfsmiddelen geacht wordt een gevolg
te zijn van overheidsingrijpen, als deze plaatsvindt binnen drie
jaar nadat een besluit of regeling als bedoeld in onderdeel b in
werking is getreden. Dit om discussies te voorkomen over de vraag
of vervreemding van bedrijfsmiddelen een gevolg is van
overheidsingrijpen.
Latere vervreemdingen kunnen slechts worden aangemerkt als
overheidsingrijpen als de vervreemding door bijzondere
omstandigheden is vertraagd en de belastingplichtige binnen de
periode van drie jaar een begin van uitvoering heeft gegeven aan de
vervreemding. De belastingplichtige moet dit aannemelijk maken.
Bij “bijzondere omstandigheden” valt te denken aan omstandigheden
die buiten de invloedssfeer, althans de macht van de
belastingplichtige liggen. Een “begin van uitvoering” kan
bijvoorbeeld blijken uit een koopcontract ter zake van nieuwe
bedrijfsmiddelen of een nieuwe onderneming, waarbij de oude
bedrijfsmiddelen c.q. onderneming te koop (komen te) staan. Voor de
uitleg van de begrippen “bijzondere omstandigheden” en “begin van
uitvoering” moet verder worden aangesloten bij de jurisprudentie
over artikel 3.54, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001.
Het komt voor dat een publiekrechtelijke rechtspersoon een besluit
neemt op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur of milieu dat
op termijn tot een belangrijke beperking voor ondernemingen kan
leiden, maar waaruit nog geen concrete gebods- of verbodsbepalingen
of bestemmingsbeperkingen voortvloeien. Een voorbeeld hiervan is
een besluit op rijksniveau dat vervolgens op gemeentelijk niveau in
gewijzigde bestemmingsplannen moet worden uitgewerkt. De termijn
van drie jaar als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel
b, van de Wet IB 2001 gaat dan pas lopen op het moment dat, in dit
voorbeeld, de gemeente een dergelijk bestemmingsplan vaststelt. Bij
vervreemding voorafgaand aan die vaststelling zal beoordeeld moeten
worden of die vervreemding mogelijk valt onder de reikwijdte van
het twaalfde lid, onderdeel a, zoals hiervoor omschreven in
paragraaf 3.2.; zie met name paragraaf 3.2.2.
De verruiming van overheidsingrijpen per 1 januari 2008 kan ook
betrekking hebben op vervreemding van bedrijfsmiddelen na 31
december 2007 die verband houden met een besluit als bedoeld in
onderdeel b. waarvan de datum van inwerkingtreding minder dan drie
jaar vóór 1 januari 2008 ligt.
De in artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet IB
2001 aangewezen regelingen zijn opgenomen in artikel 12a van het
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: art. 12a Uitv.
besluit). Sinds 9 maart 2007 is de Regeling beëindiging
veehouderijtakken al met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001
aangewezen.
Het besluit van 3 september 2007, Stb. 2007, 328, houdende
aanpassing van art. 12a Uitv. Besluit, wijst een aantal provinciale
regelingen met betrekking tot verplaatsing van intensieve
veehouderijen aan als een vorm van overheidsingrijpen in de zin van
artikel 3.64, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. In dat
besluit is voorzien in inwerkingtreding bij koninklijk besluit en
in de mogelijkheid van terugwerkende kracht. Het is echter gebleken
dat verlening van terugwerkende kracht niet mogelijk is. Het
besluit van 31 maart 2008, Stb. 2008, 110, tot vaststelling van het
tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 3 september 2007,
is uitgegeven op 15 april 2008, zodat de inwerkingtreding van alle
in artikel 12a, letter b, Uitv. Besluit opgenomen regelingen is
bepaald op 16 april 2008.
Wat betreft de provincie Noord-Brabant is de in het besluit van 3
september 2007 vermelde Subsidieregeling Verplaatsingskosten
Intensieve Veehouderijen 2005 ingetrokken en vervangen door de
Subsidieregeling Verplaatsingskosten Intensieve Veehouderijen 2006.
Daarnaast geldt er een Beleidsregeling Intensieve Veehouderij 2005.
De hiervoor noodzakelijke aanpassing van het Uitv. besluit is
geregeld in artikel IX van het aanpassingbesluit Algemene
douanewet, Stb 2008, 289. De inwerkingtreding hiervan vindt plaats
bij koninklijk besluit na goedkeuring door de Europese Commissie.
Volgens artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet IB
2001 is pas sprake van overheidsingrijpen als de regelgeving die
leidt tot de herstructurering van een bedrijfstak, bij algemene
maatregel van bestuur is aangewezen. Zolang dat niet het geval is,
kan alleen sprake zijn van overheidsingrijpen op grond van een
besluit dat leidt tot een beperking als bedoeld in onderdeel b (met
ingang van 1 januari 2008 in werking getreden) dan wel van op grond
van een (verkoop ter voorkoming van) onteigening als bedoeld in
onderdeel a (vóór 1 januari 2008 opgenomen in artikel 3.64, vierde
lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001).
Artikel 3.64 van de Wet IB 2001 kan alleen dan worden toegepast
als de gehele onderneming wordt gestaakt. Dit artikel is ingevoerd
omdat de regeling van de HIR zich niet over de ondernemingsgrens
uitstrekt. Als in een geval van overheidsingrijpen als omschreven
in artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet IB 2001 niet de gehele
onderneming wordt gestaakt, is de regeling van artikel 3.54 van de
Wet IB 2001 van toepassing; in het bijzonder het negende en het
tiende lid van dit artikel.
Een pachtrecht voor de verkrijging waarvan, in overeenstemming
met het bepaalde in titel 7.5 van het Burgerlijk Wetboek, niets is
betaald en ook overigens niets is opgeofferd, kan gelet op het
specifieke karakter van dat pachtrecht worden aangemerkt als een
"bedrijfsmiddel waarop niet pleegt te worden
afgeschreven". In dat geval is dat pachtrecht een
"zodanig” bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 3.54, tiende
lid, van de Wet IB 2001. Dit betekent dat in een geval van
overheidsingrijpen de vergoeding voor de ontbinding van de
overeenkomst waarbij het pachtrecht om niet is verkregen, kan
worden afgeboekt op de aanschaffingskosten van de elders in
eigendom verworven grond, voor zover deze vergoeding is aan te
merken als een vergoeding wegens vermogensschade. Ik merk hierbij
op dat deze situatie moet worden onderscheiden van pachtrechten
voor de verkrijging waarvan wel een bedrag is opgeofferd en waarop
wel pleegt te worden afgeschreven, zoals bijvoorbeeld in de casus
die geleid heeft tot het arrest van de Hoge Raad van 6 december
1989, nr. 25 568, BNB 1990/90*.
Per 1 januari 2004 is het verhuren van melkquotum aan banden
gelegd. Met ingang van die datum moet het melkquotum grotendeels
door de eigenaar zelf worden gebruikt, anders vervalt het quotum.
Verkoop van een melkquotum in verband met bedoelde maatregel is
geen gevolg van een vorm van overheidsingrijpen als omschreven in
artikel 3.54, twaalfde lid.
Het komt voor dat de ondernemer een onroerende zaak verkoopt en
dat hij of de koper vervolgens vraagt om een bestemmingswijziging.
In een dergelijk geval is geen sprake van overheidsingrijpen in de
zin van artikel 3.54 van de Wet IB 2001. De bestemmingswijziging is
immers niet door de overheid, maar door of door toedoen van de
belastingplichtige zelf geïnitieerd.
Als overheidsingrijpen leidt tot beperkte aanpassingen in de
bedrijfsvoering (vervreemdingen van en herinvesteringen in
bedrijfsmiddelen) kan de HIR worden gebruikt, inclusief de in het
negende en tiende lid van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 opgenomen
versoepeling van de eis dat de nieuwe bedrijfsmiddelen eenzelfde
economische functie moeten vervullen als de vervreemde
bedrijfsmiddelen.
Bij staking van de gehele onderneming, kan op grond van artikel
3.64 van de Wet IB 2001 de doorschuiving worden gebruikt. Deze
regeling is per 1 januari 2008 aanzienlijk verruimd. Vóór die datum
was een dergelijke doorschuiving alleen mogelijk ingeval van
staking van de onderneming als gevolg van overheidsingrijpen.
Inmiddels is die beperking tot situaties van overheidsingrijpen
vervallen. Wel blijft het zo dat het bij staking van de onderneming
belastingvrij gevormde geconserveerde inkomen via de systematiek
van de HIR wordt afgeboekt op de aanschaffings- of
voortbrengingskosten van de nieuwe onderneming. Artikel 3.64,
tweede lid, van de Wet IB 2001 bepaalt namelijk dat bij deze
afboeking artikel 3.54 van de Wet IB 2001 van overeenkomstige
toepassing is. Dit geldt ook voor de leden van laatstgenoemd
artikel die betrekking hebben op de boekwaarde-eis (tweede lid), op
de eis van eenzelfde economische functie (vierde lid) en op
herinvesteren vóór de vervreemding die leidt tot staking (elfde
lid).
Het onderdeel “Overheidsingrijpen” uit het besluit van 5
december 2006, nr. CPP2006/1173M, is met ingang van de dagtekening
van dit besluit ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Den Haag, 23 december 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager