U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Handelende na overleg met de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Economische
Zaken;
Gelet op artikel 3.52 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
Besluit:
In artikel 3.42a, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden tot 1 januari 2011 “40 percent”, “30 percent” en “15 percent” vervangen door onderscheidenlijk “ 60 percent”, “50 percent” en “35 percent”.
1. De wijzigingen ingevolge artikel I van artikel 3.42a van de
Wet inkomstenbelasting 2001 zijn:
a. slechts van toepassing voor zover de belastingplichtige voldoet
aan het op basis van de voorwaarden van de Tijdelijke communautaire
kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot
financiering in de huidige financiële en economische crisis van 17
december 2008 (PbEU van 22 januari 2009, C 16/1) goedgekeurde
Nederlands nationaal kader voor het tijdelijk verlenen van beperkte
steunbedragen, bedoeld in de beschikking van de Europese commissie
van 1 april 2009, N156/2009 (PbEU van 5 juni 2009, C125/8),
b. niet van toepassing op bedrijfsmiddelen die volgens het
goedgekeurde Nederlands nationaal kader voor het tijdelijk verlenen
van beperkte steunbedragen, bedoeld in de beschikking van de
Europese commissie van 1 april 2009, N156/2009 (PbEU van 5 juni
2009, C 125/9), zijn uitgesloten van steun.
2. Bij de toets of met betrekking tot de hoogte van de te ontvangen
steun is voldaan aan de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
voorwaarden, wordt:
a. een belastingplichtige in de zin van de Wet inkomstenbelasting
2001 geacht voor diens gehele belastbare winst uit onderneming als
bedoeld in artikel 3.2 van die wet tegen een tarief van 52% te
worden belast;
b. een belastingplichtige in de zin van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 geacht voor diens gehele belastbare
winst tegen een tarief van 25,5% te worden belast.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en
vervalt op 1 januari 2011.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanpassing voor het
jaar 2010 van de percentages voor de milieu-investeringsaftrek uit
de Wet inkomstenbelasting 2001.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Staatssecretaris van Financiën,
mr.drs J.C.de Jager.
Met het oog op de bestrijding van de economische crisis heeft
het kabinet ter stimulering van investeringen door het
bedrijfsleven gelden voor de jaren 2009 en 2010 beschikbaar
gesteld, waaronder € 30 miljoen voor de milieu-investeringsaftrek
(hierna: MIA) en willekeurige afschrijving milieu-investeringen
(hierna: Vamil). Door een aanpassing van de percentages voor de
MIA, het schrappen van Vamil-aftoppingen en door uitbreiding van de
bedrijfsmiddelen die naast de MIA tevens voor de Vamil in
aanmerking komen, is reeds voor een groot deel invulling gegeven
aan het verruimde budget. Invulling van het restant zal voor het
merendeel worden gerealiseerd door uitbreiding van de lijst van
bedrijfsmiddelen zoals die wordt opgenomen in de bijlage
Milieulijst 2010 bij de Aanwijzingsregeling willekeurige
afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009. Die
uitbreiding is echter niet toereikend om de beschikbare middelen
uit te putten. Daarom worden ingevolge de onderhavige regeling met
ingang van 1 januari 2010 de verschillende percentages voor de
milieu-investeringsaftrek vervangen door hogere percentages (een
verhoging met 20 procentpunt). Daarbij geldt echter wel de eis dat
moet zijn voldaan aan het goedgekeurde Nederlands nationaal kader
voor het tijdelijk verlenen van beperkte steunbedragen (hierna:
tijdelijke nationale kader), dat als bijlage bij deze regeling is
opgenomen. De onderhavige wijziging regelt dat door de hiervoor
genoemde verhoging voorwaardelijk te maken. Artikel 3.52, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bevat de
wettelijke basis voor deze verhoging van de percentages. De
ondernemer die niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te
komen voor de bij deze regeling verhoogde percentages, maar wel aan
de overige voorwaarden voldoet, komt in aanmerking voor de
percentages van 40 percent, 30 percent respectievelijk 15 percent.
De Mededeling van de Europese Commissie “Tijdelijke communautaire
kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot
financiering in de huidige financiële en economische crisis (PbEU
van 22 januari 2009, C16/1 e.v.) (hierna: het tijdelijke Europese
kader) biedt de mogelijkheid aan de lidstaten om een nationaal
kader te scheppen waarbinnen naast de bestaande
staatssteunmogelijkheden nadere staatssteunmaatregelen kunnen
worden getroffen. Bij beschikking van 1 april 2009 met nummer N
156/2009, PbEU van 5 juni 2009, C 125/8, is het door de Minister
van Economische Zaken opgestelde Nederlands nationaal kader voor de
verlening van steunbedragen door de Europese Commissie goedgekeurd
op basis van artikel 87 3.b van het EG verdrag. Goedkeuring door de
Europese Commissie van dit kader betekent dat de verlening van deze
steun door Nederlandse overheidsinstellingen niet meer behoeft te
worden genotificeerd op grond van de staatssteunregels uit het
EG-Verdrag.
Volgens het tijdelijke nationale kader kan per kleine, middelgrote
of grote onderneming als bedoeld in bijlage 1 van de algemene
groepsvrijstellingsverordening (PbEU van 9 augustus 2008, L 214/3)
steun worden verleend tot een bedrag van € 500 000. Uitgezonderd
zijn echter:
• steun aan ondernemingen die op 1 juli 2008 in
moeilijkheden verkeerden;
• steun aan ondernemingen die behoren tot de
visserijsector;
• steun aan ondernemingen die landbouwproducten
produceren;
• exportsteun of steun waarbij binnenlandse
producten worden bevoordeeld ten opzichte van ingevoerde producten.
Daarnaast geldt het tijdelijke nationale kader voor ondernemingen
die actief zijn op het gebied van verwerking en afzet van
landbouwproducten alleen als:
• de steun niet is vastgesteld op basis van prijs
en hoeveelheid die door de betrokken ondernemer op de markt worden
gebracht, en
• de steun niet zodanig uitwerkt dat deze in het
geheel of gedeeltelijk aan primaire producenten wordt doorgegeven.
Verder is het niet mogelijk steun op basis van het tijdelijke
nationale kader te verlenen indien de ondernemer steun heeft
ontvangen op basis van de de-minimis regeling voor dezelfde kosten
als waarvoor binnen het tijdelijke nationale kader steun wordt
gevraagd. Als een ondernemer steun heeft ontvangen op basis van de
de-minimis regeling voor andere kosten dan waarvoor binnen het
tijdelijke nationale kader steun wordt gevraagd, wordt die
ontvangen steun meegeteld voor het bepalen van het bedrag van € 500
000.
Omdat de steun transparant dient te zijn, hetgeen betekent dat de
bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend, wordt
bij de toets of met betrekking tot de hoogte van de te ontvangen
steun is voldaan aan de hiervoor bedoelde voorwaarden een
ondernemer in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 geacht voor
diens gehele belastbare winst uit onderneming tegen een tarief van
52% te worden belast. Daarbij is van belang dat een hogere
investeringsaftrek leidt tot een lagere grondslag voor de
MKB-winstvrijstelling, waardoor het voordeel van de
MKB-winstvrijstelling kleiner wordt. Dit nadeel betreft met ingang
van 1 januari 2010 12% van de investeringsaftrek. Bij de toets of
met betrekking tot de hoogte van de te ontvangen steun is voldaan
aan de steunvoorwaarden dient rekening te worden gehouden met dit
effect van de MKB-winstvrijstelling. Per saldo betekent dit dat
uitgedrukt als percentage van de winst vóór toepassing van de
MKB-winstvrijstelling het in dit kader bij een ondernemer in de zin
van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking te nemen tarief
derhalve 45,76% bedraagt.
Bij de toets of met betrekking tot de hoogte van de te ontvangen
steun is voldaan aan de steunvoorwaarden wordt een
belastingplichtige in de zin van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 geacht voor diens gehele belastbare
winst tegen een tarief van 25,5% te worden belast.
De ondernemer die in aanmerking wenst te komen voor de verhoogde
percentages moet bij de melding van zijn investering bij bureau
Investeringsregelingen en Willekeurige Afschrijving (IRWA) van de
Belastingdienst een schriftelijke modelverklaring bijvoegen waarin
de ondernemer verklaart aan de gestelde voorwaarden van het
tijdelijke nationale kader te voldoen en voorts inzicht geeft,
indien van toepassing, in reeds ontvangen steun. Op grond van de
door de ondernemer ingevulde en ondertekende verklaring wordt door
SenterNovem vastgesteld of een ondernemer voldoet aan de
voorwaarden om in aanmerking te komen voor de bij deze regeling
verhoogde percentages. SenterNovem brengt hierover advies uit aan
de Belastingdienst.
De Staatssecretaris van Financiën,
mr. drs J.C. de Jager.
Nederland is van mening dat de financiële crisis haar gehele
reële economie negatief beïnvloedt, zowel op nationaal als lokaal
niveau. Nederland denkt onder dit kader maatregelen te kunnen
treffen die bijdragen aan het herstel van haar reële economie en op
deze wijze een bijdrage leveren aan de vermindering van de huidige
financiële en economische crisis. Raad en de Europese Commissie
hebben besloten crisismaatregelen toe te staan. Op de Algemene Raad
van 11 en 12 december 2008 is besloten om maatregelen te treffen
die toegang tot financiering in de huidige crisis moeten
vereenvoudigen.. Onder verwijzing naar punt 4.2.2 van het “de
Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter
stimulering van de toegang tot financiering in de huidige
financiële en economische crisis’ van 17 december 2008 (PbEU van 22
januari 2009, C 16/1) heeft Nederland het volgende nationale kader
voor het tijdelijk verlenen van beperkte steunbedragen opgesteld.
Bij beschikking van 1 april 2009 met nummer N 156/2009 is dit kader
door de Europese Commissie goedgekeurd op basis van artikel 87 3.b.
van het EG verdrag.
1 Op grond van dit kader kunnen Nederlandse
overheidsinstellingen beperkte steunbedragen aan kleine,
middelgrote of grote ondernemingen in heel Nederland verlenen in de
kalenderjaren 2009 en 2010. Goedkeuring door de Europese Commissie
van dit kader betekent dat de verlening van deze steun door
Nederlandse overheidsinstellingen niet meer behoeft te worden
genotificeerd op grond van de staatssteunregels uit het EG-Verdrag.
De totale som die aan één onderneming verleend wordt zal een bedrag
van € 500.000 niet overschrijden. De toepassingsmodaliteiten uit
de volgende paragrafen zullen hierbij gelden.
2 Het vastgestelde maximumbedrag heeft betrekking op een subsidie.
Bij de bepaling van de hoogte van de beperkte steun op grond van
dit kader gaat het om bruto bedragen voor afdracht van belastingen
en andere heffingen. De steun op grond van dit kader kan ook worden
verleend in de vorm van leningen, garanties of andere vormen van
transparante steun. Indien de steun in een andere vorm dan een
subsidie wordt verleend wordt de steun bepaald op basis van het
bruto subsidie equivalent.
2.1 Vorm van de steun
1. De maatregel is van toepassing op beperkte steun in Nederland.
De beperkte steun is bestemd voor alle ondernemingen in alle
sectoren met inachtneming van de in de volgende punten genoemde
voorwaarden.
2. Het gaat uitsluitend om transparante steun in de zin van artikel
2, punt 6 en artikel 5
van de algemene groepsvrijstellingsverordening (PbEU van 9 augustus
2008, L 214/3),
Als transparante vormen van steun zijn in het bijzonder te
beschouwen:
- steun in de vorm van subsidies en rentesubsidies
- steun in de vorm van leningen waarbij de referentierente op het
tijdstip van het verstrekken van de lening geldt voor het berekenen
van het subsidiebedrag.
- garanties waarbij bij berekening van het bruto subsidie
equivalent gebruik wordt gemaakt van de “safe harbour premium
rates” uit bijlage A van de tijdelijke communautaire kaderregeling
inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering
in de huidige financiële en economische crisis, zoals aangepast op
25 februari 2009.
2.2 Begunstigden
1. Dit kader is van toepassing op kleine, middelgrote en grote
ondernemingen. Kleine en middelgrote ondernemingen zijn
ondernemingen als bedoeld in bijlage 1 van de algemene
groepsvrijstellingsverordening (PbEU van 9 augustus 2008, L 214/3).
2. De maatregelen gelden voor alle economische activiteiten met de
volgende uitzonderingen:
- ondernemingen in de visserijsector
- ondernemingen die landbouwproducten produceren
3. Voor bedrijven die actief zijn op het gebied van verwerking en
afzet van landbouwproducten geldt dit kader alleen als:
- de steun niet is vastgesteld op basis van prijs en hoeveelheid
die door de betrokken ondernemer op de markt worden gebracht en
- de steun niet zodanig uitwerkt dat deze in het geheel of
gedeeltelijk aan primaire producenten wordt doorgegeven.
4. De maatregelen gelden alleen voor grote ondernemingen die op 1
juli 2008 niet in moeilijkheden waren in de zin van punt 2.1 van de
reddings- en herstructureringsrichtsnoeren van de Commissie van 1
oktober 2004 (PbEU van 1 oktober 2004, C 244/2) en voor kleine en
middelgrote ondernemingen die op 1 juli 2008 niet in moeilijkheden
waren in de zin van artikel 1, punt 7, van de algemene
groepsvrijstellingsverordening.
5. Ondernemingen die na 1 juli 2008 in moeilijkheden zijn gekomen
kunnen wel gebruik maken van dit kader .
6 De maatregel geldt niet voor exportsteun en voor steun die
binnenlandse producten een voordeel verschaft ten opzichte van
ingevoerde producten.
Dit kader treedt in werking op 1 april 2009 en eindigt op 31
december 2010. Steunverlening is tot op dat tijdstip mogelijk.
1. Beperkte steun in de zin van dit kader mag niet met de
minimissteun ( PbEU van 28 december 2006, L 379/) ) voor dezelfde
subsidiabele kosten worden gecumuleerd.
2. Als een onderneming al de minimissteun ontvangen heeft voor 17
december 2008 mag het totaal bedrag van de beperkte steun op grond
van dit kader en de ontvangen de minimissteun niet hoger zijn dan €
500.000 voor de periode tussen 1 januari 2008 en 31 december 2010 .
3. Beperkte steun op grond van dit kader kan gecumuleerd worden met
andere verenigbare steun of met andere vormen van
gemeenschapsfinanciering mits de in de betreffende richtsnoeren of
vrijstellingsverordeningen vastgestelde steunintensiteiten in acht
worden genomen.
1. De overheidsinstelling die de steun verleent draagt er zorg
voor dat de betrokken onderneming een verklaring, in schriftelijke
of elektronische vorm, overlegt van alle de minimissteun en
beperkte steun op grond van dit kader die de onderneming in het
lopende belastingjaar heeft ontvangen. De verklaring moet tevens
informatie bevatten waaruit genoegzaam blijkt dat de betrokken
onderneming op 1 juli 2008 niet in moeilijkheden verkeerde. De
verklaring moet door de overheidsinstelling zijn ontvangen vóór dat
zij de steun toekent.
2. De overheidsinstelling zal geen beperkte steun verlenen dan
nadat ze zich er van vergewist heeft dat het totale bedrag aan
steun (inclusief de de minimissteun) voor de periode 1 januari
2008- 31 december 2010 het maximale bedrag van € 500.000 niet heeft
overschreden.
3. De bescheiden die met de steunverlening verband houden moeten
gedurende 10 jaar vanaf het moment van het verlenen van de steun
bewaard blijven en moeten alle gegevens bevatten die nodig zijn om
te kunnen nagaan of aan de vastgestelde voorwaarden als bedoeld in
punt 6 van Mededeling van de Commissie 2009/C16/01, PbEU van 22
januari 2009 voldaan is. Deze informatie zal tevens worden gebruikt
ten behoeve van de in punt 6 genoemde monitoring en verslaglegging.
Er is geen budget voor dit kader vastgesteld omdat op voorhand
niet is aan te geven hoe vaak van dit kader gebruik gemaakt zal
worden.