U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Dit besluit betreft een actualisering van beleidsbesluit
CPP2007/3286M van 21 maart 2008. Naast enige tekstuele aanpassingen
is onder punt 3.2 een beleidsregel opgenomen op grond waarvan een
verzoek tot het doen van een weekaangifte in plaats van een
dagaangifte achterwege kan blijven.
Gebruikte begrippen en afkortingen
a. wet: Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en
van enkele andere producten
b. besluit: Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken en van enkele andere producten
c. regeling: Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van
alcoholvrije dranken en van enkele andere producten
d. IVV: Een inrichting voor verbruiksbelastinggoederen zoals
omschreven in artikel 2, onderdeel b, van de wet
e. alcoholvrije dranken: Alcoholvrije dranken als bedoeld in
artikel 6 van de wet
f. pruimtabak: Pruimtabak als bedoeld in artikel 11 van de wet
g. snuiftabak: Snuiftabak als bedoeld in artikel 12 van de wet
h. verbruiksbelastinggoederen: Alcoholvrije dranken, pruimtabak en
snuiftabak
De hoofdstukindeling van dit besluit is voor zover mogelijk gelijk
aan de hoofdstukindeling van de wet. De inhoudsopgave ziet er
daarom als volgt uit:
1. Inleidende bepalingen
2. Definities van de accijnsgoederen en tarieven
3. Uitslag en Invoer
4. Vrijstelling en teruggaaf
5. Bijzondere bepalingen
6. Verbodsbepalingen en strafbepalingen
7. Intrekking besluiten
8. Inwerkingtreding
De beleidsregels zijn onder de betreffende hoofdstukken (1 t/m 6)
opgenomen.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet is het niet
mogelijk om alcoholvrije dranken tijdelijk buiten een IVV te
brengen om ze elders een bewerking te laten ondergaan zonder dat
die producten worden aangemerkt als te zijn uitgeslagen. Ter zake
van die uitslag is dan de belasting verschuldigd. Indien de
producten weer binnen de inrichting worden gebracht, kan teruggaaf
worden verkregen.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur toestaat dat alcoholvrije dranken
tijdelijk buiten de IVV worden gebracht om elders een eenvoudige
bewerking te ondergaan zonder dat de producten worden aangemerkt
als te zijn uitgeslagen.
De toestemming kan in de vergunning voor de IVV worden opgenomen en
kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:
- de bewerking mag niet zodanig zijn dat de bewerkte alcoholvrije
dranken een hoger belastingbedrag vertegenwoordigen dan voor die
bewerking het geval was;
- in de administratie moeten de tijdelijke overbrenging en de
eventuele onregelmatigheden tijdens de overbrenging worden
vastgelegd;
- de overbrenging van of naar de plaats van bewerking moet
plaatsvinden met een bescheid als omschreven in artikel 5 van het
besluit onder vermelding van de tekst "tijdelijke uitslag
IVV" en het nummer van de IVV -vergunning.
Het vervoer van alcoholvrije dranken kan onder schorsing van
verbruiksbelasting onder andere plaatsvinden tussen:
- vergunninghouders van IVV’s onderling;
- een afzender in een andere lidstaat en een IVV.
Het vervoer onder schorsing vindt in deze situaties plaats onder
geleide van een vervoersopdracht (tussen IVV's) of een bescheid
(vanuit een andere lidstaat naar een IVV).
Er is ook sprake van vervoer onder schorsing van verbruiksbelasting
indien de alcoholvrije dranken vanuit een derde land in Nederland
in het vrije verkeer van de EU gebracht worden en deze goederen
worden overgebracht naar een IVV. In deze situatie moet het vervoer
ook plaatsvinden met een vervoersopdracht.
In de praktijk is gebleken dat er bij vergunninghouders van een IVV
uit logistieke overwegingen behoefte bestaat om de alcoholvrije
dranken rechtstreeks door hun leverancier af te (laten) leveren bij
hun afnemer.
Rechtstreekse aflevering is op grond van de wet niet mogelijk.
Alleen een vergunninghouder van een IVV mag immers, op grond van
artikel 2, eerste lid, onderdeel b van de wet,
verbruiksbelastinggoederen onder schorsing van verbruiksbelasting
ontvangen. Onder uitslag wordt volgens artikel 3, eerste lid, van
de wet verstaan het brengen van verbruiksbelastinggoederen buiten
de IVV. Indien goederen rechtstreeks worden afgeleverd bij hun
afnemers, vindt er geen fysieke handeling plaats die als uitslag
aangemerkt kan worden. Dit heeft tot gevolg dat de
verbruiksbelasting derhalve niet bij de vergunninghouder van de IVV
kan worden geheven.
Hoewel de wet zich verzet tegen rechtstreekse aflevering van
alcoholvrije dranken ben ik van mening dat sprake is van een
gerechtvaardigde wens van het bedrijfsleven.
Daarom is er aanleiding een regeling te treffen die tegemoet
komt aan deze wens van het bedrijfsleven, maar tevens
bewerkstelligt dat de heffing van de verbruiksbelasting voldoende
is verzekerd.
1.2.2 Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur op schriftelijk verzoek van een
vergunninghouder van een IVV (de vergunninghouder-geadresseerde)
onder voorwaarden toestaat dat hij alcoholvrije dranken onder
schorsing van de verbruiksbelasting ontvangt zonder dat hij deze
goederen fysiek in de ruimte van de IVV inslaat, maar rechtstreeks
laat afleveren aan zijn afnemer.
De situatie dat alcoholvrije dranken niet worden afgeleverd bij de
vergunninghouder die de geadresseerde is, maar bij de afnemer van
die vergunninghouder, wordt in dit kader rechtstreekse aflevering
genoemd.
Voordat toestemming wordt verleend, moet de desbetreffende
vergunninghouder voldoende waarborgen treffen om de heffing van de
verbruiksbelastingen veilig te stellen en het toezicht daarop
mogelijk maken.
De toestemming wordt opgenomen in de vergunning van de houder van
de IVV die de goederen rechtstreeks laat afleveren (hierna:
vergunninghouder-geadresseerde) bij zijn afnemer in Nederland.
Als het tijdstip van uitslag als bedoeld in artikel 18 van de wet
wordt aangemerkt de datum waarop de goederen door de afnemer zijn
ontvangen.
Bij gebleken misbruik of indien aan één of meer van de onder punt
1.2.3 hierna genoemde voorwaarden niet wordt voldaan, wordt de
verleende toestemming ingetrokken.
Een toestemming kan niet worden verleend:
- aan een ondernemer die geen vergunninghouder van een IVV is;
- aan een publiekrechtelijk lichaam;
- aan een natuurlijk persoon die de alcoholvrije dranken voor ander
dan persoonlijk verbruik voorhanden heeft.
a. De afnemer aan wie rechtstreeks wordt afgeleverd moet een
ondernemer zijn in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968.
b. De toestemming geldt alleen als de volledige hoeveelheid
alcoholvrije dranken die op de vervoersopdracht of op het bescheid
is vermeld, rechtstreeks wordt afgeleverd. Het is dus bij voorbeeld
niet mogelijk om een gedeelte van de goederen fysiek in de IVV in
te slaan en een ander gedeelte rechtstreeks af te leveren.
c. Indien het overbrengen geschiedt met een vervoersopdracht dan
zijn de naam en adres van de IVV (vergunninghouder-geadresseerde)
vermeld waarnaar de alcoholvrije dranken worden overgebracht. De
naam en adres van de afnemer zal niet in de vervoersopdracht
vermeld zijn. Daarom moet naast de vervoersopdracht tevens een
commercieel vervoersdocument bij de zending aanwezig zijn waaruit
blijkt wie de afnemer van de alcoholvrije dranken is.
d. Indien het overbrengen geschiedt met een bescheid dan zijn de
naam en adres van de IVV (vergunninghouder-geadresseerde) vermeld
waarnaar de alcoholvrije dranken worden overgebracht. De naam en
adres van de afnemer zal niet in het bescheid vermeld zijn. Daarom
moet naast het bescheid tevens een commercieel vervoersdocument bij
de zending aanwezig zijn waaruit blijkt wie de afnemer van de
alcoholvrije dranken is.
e. De vergunninghouder-geadresseerde moet ervoor zorgen dat hij
wordt geïnformeerd over de datum van ontvangst door de afnemer in
Nederland. Deze gegevens worden op de commerciële bescheiden,
behorende bij de fysieke aflevering, vermeld. Tevens moet hij
ervoor zorgen dat hij na de rechtstreekse aflevering het bescheid
of de vervoersopdracht in zijn bezit krijgt.
f. Rechtstreekse aflevering kan door de
vergunninghouder-geadresseerde ook plaatsvinden aan een andere
IVV-houder (vergunninghouder-afnemer), waarbij de
vergunninghouder-afnemer de alcoholvrije dranken onder schorsing
van accijns ontvangt. In die situatie moet de
vergunninghouder-geadresseerde op de vervoersopdracht of het
bescheid vermeld zijn. De vergunninghouder-geadresseerde moet dan
een nieuwe vervoersopdracht (tweede vervoersopdracht) opmaken zoals
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit. Deze tweede
vervoersopdracht moet hij zenden aan de vergunninghouder-afnemer.
Deze verklaart op de tweede vervoersopdracht dat hij de
alcoholvrije dranken heeft ontvangen en opgenomen in zijn
IVV-administratie en stuurt de vervoersopdracht terug aan
vergunninghouder-geadresseerde.
g. Indien de afnemer in het bezit is van een
vrijstellingsvergunning zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid,
van de wet handelt de vergunninghouder-geadresseerde zoals in punt
f is aangegeven voor de levering aan een andere IVV. De houder van
de vrijstellingsvergunning handelt zoals in punt f is aangegeven
voor de ontvangst door de vergunninghouder-afnemer.
h. Indien het overbrengen geschiedt met toepassing van artikel 2,
zesde t/m dertiende lid, van het besluit wordt geen gebruik gemaakt
van een vervoersopdracht. Bij de zending zal echter wel een
commercieel vervoersbescheid aanwezig moeten zijn. Uit dit
commercieel vervoersbescheid moet blijken wat de daadwerkelijke
plaats van lossing is.
i. De vergunninghouder-geadresseerde neemt de hoeveelheid die door
de afnemer ontvangen is op in zijn administratie als in- en
uitslag. De datum van deze in- en uitslag is de datum als bedoeld
onder punt e hiervoor.
j. De vergunninghouder-geadresseerde moet met overeenkomstige
toepassing van artikel 20 van de wet, de verbruiksbelasting op
aangifte voldoen, als ware sprake van uitslag als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, van de wet. Deze voorwaarde is echter niet
van toepassing als de rechtstreekse aflevering plaatsvindt aan een
andere IVV.
k. De vergunninghouder-geadresseerde bewaart de vervoersopdrachten,
bescheiden en commerciële bescheiden die betrekking hebben op de
fysieke aflevering bij zijn administratie.
l. In de administratie van de vergunninghouder-geadresseerde moet
duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de transacties waarbij
de alcoholvrije dranken fysiek door de
vergunninghouder-geadresseerde worden ontvangen en de rechtstreekse
afleveringen.
m. Iedere wijziging die zich na het verlenen van de toestemming
voordoet, moet schriftelijk aan de inspecteur worden gemeld.
De inspecteur kan nog nadere voorwaarden stellen met het oog op de
naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden.
Het grensoverschrijdend vervoer van alcoholvrije dranken onder
schorsing van verbruiksbelastingen vindt vaak plaats via meerdere
expeditiebedrijven. Dit betekent dat tijdens dit internationale
vervoer overslag kan plaatsvinden. Daarbij is het opvolgend
vervoermiddel niet altijd direct aanwezig.
Als de goederen niet direct kunnen worden overgeladen en moeten
worden gelost, moeten de alcoholvrije dranken worden opgeslagen in
een IVV om te voorkomen dat verschuldigdheid van de
verbruiksbelasting ontstaat. Voor het afgeven van een vergunning
IVV moet de administratie voldoen aan een aantal eisen. De eisen
zijn van zodanige aard dat een doorsnee expeditiebedrijf niet in
aanmerking komt voor een vergunning IVV.
Bovendien is, volgens artikel 9 van de regeling, het afgeven van
een vergunning IVV uitsluitend gericht op opslag van alcoholvrije
dranken waarvoor de hoeveelheid die daar gemiddeld over een jaar
voorhanden is meer bedraagt dan 50.000 liter. Ook aan deze eis kan
veelal niet worden voldaan. De goederen opgeslagen houden in het
vervoermiddel waarmee zij zijn aangebracht, is om economische
redenen niet wenselijk.
Goedkeuring
Gelet op de logistieke problemen keur ik goed dat, in afwachting
van verder vervoer naar een andere lidstaat of naar een derde land,
alcoholvrije dranken onder schorsing van de belasting gedurende ten
hoogste zes dagen worden opgeslagen buiten een IVV.
Bij deze vervoersopslag moeten bescheiden of een aangifte ten
uitvoer (artikel 4 en 5 van het besluit) voorhanden zijn waaruit de
identiteit en de herkomst van de alcoholvrije dranken blijkt. Deze
bescheiden mogen niet ouder zijn dan zes dagen.
Gereserveerd
Vanaf 1 januari 1993 is het niet meer mogelijk om communautaire
goederen met communautaire douanedocumenten binnen de Gemeenschap
te vervoeren. In het geval er sprake is van kettingverkopen
(verkopen tijdens het vervoer of de vervoersopslag) is het daardoor
niet meer mogelijk om belastingvrije te leveren. Aangezien er geen
fysieke opslag plaatsvindt, kan er ook geen IVV worden afgegeven.
Goedkeuring
In verband daarmede keur ik goed dat de inspecteur een vergunning
voor een IVV als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet
verleent zonder dat de vergunninghouder de producten fysiek in
opslag neemt (een zogenaamde fictieve inrichting).
De vergunning kan slechts worden toegepast als de handelaren
opdracht geven verbruiksbelastinggoederen over te brengen van een
fysieke IVV naar
a. een andere fysieke IVV,
b. een andere lidstaat van de EU of
c. naar een derde land.
Het is niet toegestaan om verbruiksbelastinggoederen onder
schorsing van de verbruiksbelasting over te brengen vanuit derde
landen naar het regime van een fictieve IVV.
De koop en verkoop van de verbruiksbelastinggoederen tussen
handelaren behoeft niet (terstond) gepaard te gaan met de
daadwerkelijke aflevering van de goederen. Veelal worden de
verbruiksbelastinggoederen meer malen doorverkocht voordat ze
daadwerkelijk worden afgeleverd. De verbruiksbelastinggoederen
blijven in die periode opgeslagen in een fysieke IVV.
In die gevallen hebben de koop en verkoop voor de
verbruiksbelastingen geen gevolgen. Slechts in het geval dat de
koper opdracht geeft de goederen fysiek te verplaatsen naar een
andere IVV, een lidstaat van de EU of een derde land, kan van de
vergunning voor de (fictieve) IVV gebruik worden gemaakt
Ten aanzien van de zekerheidsstelling moeten aan de
vergunninghouder voor een fictieve IVV dezelfde voorwaarden worden
gesteld als aan de vergunninghouder die wel in het bezit is van een
IVV met fysieke opslag.
In de vergunningen moeten, naast de wettelijk voorgeschreven
voorwaarden, in ieder geval de volgende voorwaarden worden
opgenomen:
a. De vergunninghouder van de IVV van waaruit de
verbruiksbelastinggoederen zullen worden overgebracht maakt een
vervoersopdracht op voor de vergunninghouder van de fictieve IVV.
Op deze vervoersopdracht moet te allen tijde het nummer van de
factuur respectievelijk de factuurdatum worden vermeld. Deze
gegevens mogen niet worden vervangen door gegevens van bijvoorbeeld
pakbonnen of andere vervoersbescheiden.
Tevens moet op de vervoersopdracht worden vermeld: VERGUNNING
FICTIEF IVV.
b. De vergunninghouder van de fictieve IVV tekent de
vervoersopdracht van de vergunninghouder van de IVV van waaruit de
goederen zullen worden overgebracht voor ontvangst af en stuurt
deze overeenkomstig artikel 2, derde lid, van het besluit terug
naar de leverancier.
c. Vervolgens maakt de vergunninghouder van de fictieve IVV een
nieuwe vervoersopdracht op voor de daadwerkelijke fysieke
overbrenging van de verbruiksbelastinggoederen vanaf de IVV waar de
goederen daadwerkelijk liggen opgeslagen naar de andere fysieke
IVV. Die vervoersopdracht zal bij de aanvang van het vervoer van de
verbruiksbelastinggoederen bij het vervoermiddel aanwezig moeten
zijn.
De overbrenging naar een andere lidstaat van de EU dient te blijken
uit de boeken en bescheiden en de overbrenging naar een derde land
moet blijken uit een voor uitvoer afgetekende aangifte ten uitvoer
(artikelen 3 en 4 van het besluit).
d. In de administratie moet een relatie worden gelegd tussen de
vervoersopdrachten waarmee de verbruiksbelastinggoederen fictief
naar de fictieve IVV zijn overgebracht en die waarmee de
verbruiksbelastinggoederen fysiek naar een andere IVV zijn
overgebracht.
Op de facturen moet een verwijzing worden gesteld naar het nummer
van de vervoersopdracht of worden aangegeven dat het overbrenging
betreft naar een lidstaat van de EU of een derde land
overeenkomstig artikelen 3 en 4 van het besluit. Tevens moet het
vergunningnummer worden vermeld met de aantekening: FICTIEF
IVV.
Op grond van artikel 21, tweede lid, van de wet kan een
ondernemer in het kader van zijn onderneming, anders dan in een
IVV, op verzoek toestemming krijgen om in plaats van een
dagaangifte een weekaangifte te doen voor het voorhanden hebben van
verbruiksbelastinggoederen.
In artikel 53a, tweede lid, van de Wet op de accijns moet een
vergunninghouder van een geregistreerd bedrijf weekaangifte voor de
verschuldigde accijns doen.
Aangezien handelaren in alcoholhoudende dranken (waaronder
geregistreerde bedrijven) ook handelen in alcoholvrije dranken,
kunnen zij worden geconfronteerd met verschillende procedures.
Deze handelwijze brengt zowel voor het bedrijfsleven als voor de
belastingdienst onnodige administratieve handelingen met zich mee.
Goedkeuring
In verband hiermee keur ik goed dat bij uitslag van alcoholvrije
dranken in de zin van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de
wet de belasting die in een week op de voet van artikel 19 van de
wet verschuldigd is geworden uiterlijk de vrijdag van de week
daaropvolgend op aangifte wordt voldaan. De aan de inspecteur te
vragen toestemming, zoals bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de
wet wordt daarbij geacht te zijn verleend.
Op grond van artikel 29, tweede lid, van de wet kan alleen aan
degene die aan de verbruiksbelastinggoederen een
vrijstellingsbestemming geeft een vergunning worden verleend. Dit
heeft tot gevolg dat een handelaar in verbruiksbelastinggoederen
alleen met betaling van de verbruiksbelasting aan een
vrijstellingsgenietende kan leveren. Vrijstellingsgenietende kan
vervolgens teruggaaf van verbruiksbelasting vragen. De handelaar
zou alleen met een IVV onder schorsing van de verbruiksbelasting
aan een vrijstellingsgenietende kunnen leveren.
Goedkeuring
Ik keur, mede ter voorkoming van administratieve lasten, goed dat
aan handelaren die regelmatig verbruiksbelastinggoederen aan
vrijstellingsgenietenden leveren ook een vrijstellingsvergunning
wordt verleend als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de wet.
Naast de wettelijk voorgeschreven voorwaarden, kan de inspecteur in
de vergunning nadere voorwaarden stellen. Zo kan worden bepaald dat
aan de inspecteur een overzicht wordt verstrekt waaruit blijkt aan
welke vrijstellingsgenietenden de goederen met vrijstelling worden
afgeleverd.
Op grond van artikel 26 van het besluit moet bij een verzoek om
teruggaaf van belasting steeds de aankoopfactuur van de
desbetreffende producten worden overgelegd.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur toestemming kan verlenen de
aankoopfacturen niet met het verzoek om teruggaaf mee te zenden. In
dat geval moet de aankoopfactuur bij de administratie van degene
die om teruggaaf verzoekt worden bewaard.
Op grond van artikel 32, eerste lid, van de regeling moeten de
belastingzegels zodanig op de kleinverpakking van de tabak worden
bevestigd dat de verpakking niet kan worden geopend zonder de
belastingzegel te beschadigen.
Snuiftabak wordt veelal in de handel gebracht in doosjes en flesjes
met een nettogewicht van minder dan 10 g. Deze doosjes en flesjes
zijn bij invoer nader verpakt in een zogenaamde overdoos, waarin
zich doorgaans 24 doosjes dan wel 12 flesjes bevinden.
Goedkeuring
In afwijking van artikel 32, eerste lid, van de regeling, keur ik
goed dat in de gevallen waarin sprake is van bovengenoemde
verpakkingswijze de belastingzegel voor snuiftabak wordt
aangebracht op de overdoos. Dit behoort te geschieden op de wijze
als voor het aanbrengen van de zegel op een kleinverpakking is
voorgeschreven. Hierbij geldt verder als voorwaarde dat op de
overdoos behalve de in artikel 34 van de regeling bedoelde gegevens
ook het aantal kleinverpakkingen wordt vermeld.
Voorts moet op de belastingzegel een nettogewicht zijn vermeld dat
het werkelijke gewicht van de in die grootverpakking aanwezige
snuiftabak het meest nabij komt.
Op grond van artikel 34, tweede lid, van de regeling moeten op
de verpakking onder andere de soort en de hoeveelheid van pruim- of
snuiftabak worden vermeld.
Goedkeuring
Ik keur goed dat bij de vermelding van de soort pruim- en
snuiftabak genoegen kan worden genomen met de aanduiding
"tabak" of "gekorven tabak" of met de
aanduiding van hun specifieke benamingen.
Als er geen enkele twijfel kan ontstaan omtrent de inhoud, kan de
vermelding achterwege blijven.
Het kan voorkomen dat geleverde belastingzegels onbruikbaar zijn
door druk- of snijfouten van de drukker of distributeur van de
belastingzegels.
Goedkeuring
Ik keur om praktische redenen goed dat, in aanvulling op artikel
37, eerste lid, van de regeling, ook de belastingzegels die door
druk- of snijfouten van de drukker of distributeur onbruikbaar zijn
geworden met het daarvoor vastgestelde formulier naar de
distributeur mogen worden teruggezonden. Ook mag voor die zegels,
in aanvulling op artikel 39, eerste lid, van de regeling, teruggaaf
van de belasting worden verzocht.
Als de daadwerkelijk in de IVV aanwezige voorraad
verbruiksbelastinggoederen groter is dan de administratie aangeeft,
is sprake van een meerbevinding.
In een IVV kunnen producten bij vergissing worden omgewisseld. Bij
die omwisseling ontstaat een vermis bij het ene artikel en een
meerbevinding bij het andere artikel. In dat geval is het redelijk
om onder bepaalde voorwaarden toe te staan dat een vermis met een
meerbevinding wordt gesaldeerd.
De Hoge Raad der Nederlanden (arrest nr. 34.000 van 23 december
1998) is voor de accijns van oordeel dat een redelijke toepassing
van de Wet op de accijns meebrengt dat saldering van verschillen
binnen groepen van accijnsgoederen geoorloofd is. Daarbij mogen
alle accijnsgoederen in de vergelijking worden betrokken, mits zij
zijn onderworpen aan hetzelfde accijnstarief. De meer- en
minderbevindingen mogen geen gevolg zijn van andere verschillen
zoals productieverliezen, productieoverschotten of
vervoersverschillen.
De Hoge Raad overwoog daarbij dat van belanghebbende, die een
onbetwist deugdelijke administratie voert, niet kan worden verlangd
dat hij de oorzaken van de verschillen aangeeft. Het gaat immers om
verschillen die uitsluitend volgen uit die administratie en niet
verklaarbaar zijn.
Dit betekent, aldus de Hoge Raad, dat de vermiste accijnsgoederen
pas worden aangemerkt als te zijn uitgeslagen, nadat de
meerbevonden accijnsgoederen met hetzelfde accijnstarief daarop in
mindering zijn gebracht (artikel 88, eerste lid, van de Wet op de
accijns). Het vermis en de meerbevinding moeten betrekking hebben
op verschillen tussen de voorraad volgens de administratie en de
daadwerkelijke opgeslagen voorraad.
Goedkeuring
Ingevolge artikel 37 van de wet is artikel 88, eerste lid, van de
Wet op de accijns van overeenkomstige toepassing verklaard.
In verband daarmee keur ik goed dat het salderen van meer- en
minderbevindingen, zoals dat van toepassing is voor de accijns, ook
van toepassing is op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere producten.
De saldering van meer- en minderbevindingen kan onder de volgende
voorwaarden worden toegepast.
a. Er moet sprake zijn van een deugdelijke administratie. Dat wil
zeggen dat de administratie moet voldoen aan het bepaalde in
artikel 11 van het besluit.
Indien naar het oordeel van de inspecteur de administratie niet
aan deze voorwaarden voldoet, is er geen sprake van een deugdelijke
administratie. De inspecteur moet dit uiteraard wel voldoende
motiveren.
b. De saldering is slechts mogelijk indien er sprake is van
hetzelfde tarief. In de artikelen 10 en 13 van de wet zijn de
tarieven vermeld.
c. De Hoge Raad heeft geen uitspraak gedaan over de periode
waarover de saldering mag worden toegepast. In de praktijk worden
meer- en minderbevindingen vastgesteld bij inventarisatie van de
IVV-voorraad.
De administratie van een IVV moet op elk moment een juiste weergave
geven van de daadwerkelijke voorraad. In verband daarmee wordt de
voorraad regelmatig geïnventariseerd. Vervolgens wordt na die
inventarisatie de administratie weer in overeenstemming gebracht
met de werkelijke voorraad, waarbij alle afzonderlijke meer- en
minderbevindingen in de administratie worden opgenomen.
Saldering van de meer- en minderbevindingen moet daarom direct na
de inventarisaties plaatsvinden, ongeacht het aantal
inventarisaties.
Dit betekent dat ook bedrijven die hun voorraad in gedeelten
inventariseren (partiële inventarisaties) direct na die
gedeeltelijke inventarisatie de meer- en minderbevindingen moeten
salderen.
Het opnemen van meer- en minderbevindingen op een aparte lijst na
elke partiële inventarisatie en daarna eenmaal per jaar alle meer-
en minderbevindingen salderen, is hiermee niet in overeenstemming.
d. Indien na inventarisatie, saldering en aanpassing van de
administratie een vermis resteert, moet dit vermis worden opgenomen
in de periodieke aangifte van de maand waarin het vermis is
geconstateerd.
Op grond van artikel 40 van de wet, juncto artikel 95 van de Wet
op de accijns is het verboden om pruim- en snuiftabak aan anderen
dan wederverkopers te verkopen, te koop aan te bieden of af te
leveren voor een lagere prijs dan die is vermeld op de
belastingzegels. Bij de opheffing van een winkel stuit dit op
praktische problemen.
Goedkeuring
Ik keur goed dat bij de opheffing van een winkelbedrijf de
inspecteur op schriftelijk verzoek een vergunning kan verlenen om
pruim- en snuiftabak tegen een lagere prijs dan die is vermeld op
de belastingzegels te verkopen, te koop aan te bieden of af te
leveren.
Bij het verzoek moet een opgaaf van de soort, de hoeveelheid, het
merk en de verpakking van de pruim- en snuiftabak worden gedaan.
Een dergelijke vergunning wordt niet verleend voor producten die
- uit de tweede hand zijn gekocht zoals bijvoorbeeld bij opkopers;
- worden verkocht vanuit een winkelbedrijf dat geen vaste plaats
heeft;
- uit automaten worden verkocht.
Op grond van artikel 40 van de wet, juncto artikel 95, tweede
lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns is het niet toegestaan
dat een vergunninghouder van een IVV aan andere dan wederverkopers
pruim- en snuiftabak verkoopt of levert tegen een lagere prijs dan
die op de belastingzegels is vermeld. Op grond van artikel 40 van
de wet, juncto artikel 95, derde lid, van de Wet op de accijns valt
onder dit verbod ook elke andere handeling van de vergunninghouder
of wederverkoper die erop is gericht de koper van pruim- en
snuiftabak direct of indirect voordeel te bezorgen. Onder andere is
het verboden om in enigerlei vorm geschenken, toegiften en bonnen
te verstrekken.
Goedkeuring
Ik keur echter goed dat een kleinhandelaar bij de verkoop van
pruim- en snuiftabak bonnen, zegels of airmiles verstrekt indien:
a. de verstrekking van de bonnen, zegels of airmiles duidelijk
geschiedt in het kader van een spaarsysteem, waarbij die bonnen,
zegels of airmiles pas na verloop van tijd in grotere aantallen bij
voorbeeld na verzameling in speciale plakboekjes kunnen worden
ingewisseld;
b. de bonnen, zegels of airmiles worden verstrekt in alle winkels
die tot het bedrijf behoren;
c. de bonnen, zegels of airmiles worden verstrekt bij alle of
nagenoeg alle artikelen die in het betrokken bedrijf worden
verkocht;
d. de verstrekking van de bonnen, zegels of airmiles voor pruim- en
snuiftabak naar dezelfde maatstaf geschiedt als voor alle of
nagenoeg alle andere in het bedrijf verkochte goederen.
Het besluit van 21 maart 2008, CPP2007/ 3286M (Stcrt. 2008, 70)
is met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot en met de dagtekening van dit besluit.
Den Haag, 7 december 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager.