U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Met ingang van 1 januari 2010 wordt in de Leidraad
Invordering 2008 nieuw beleid opgenomen over o.a. de dwangsom bij
niet tijdig beslissen en het nieuwe artikel 23a van de IW 1990.
Vanaf die datum bevat de Leidraad verder een definitie van
betalingsonmacht en worden de begrippen erf- en schenkbelasting
geïntroduceerd.
De Leidraad Invordering 2008, besluit van 12 juni 2008, nr.
CPP2008/1137M, Stcrt. 2008, nr. 122, laatstelijk gewijzigd bij
besluit van 9 juli 2009, nr. CPP2009/1047M, Stcrt. 2009, nr. 10929,
wordt gewijzigd als volgt.
A. In artikel 1.1.2 wordt in de opsomming van definities
“toeslagenschuld” vervangen door: toeslagschuld.
B. In artikel 1.1.5 wordt de vierde volzin vervangen door vier
volzinnen, luidende:
Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn
van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in
gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op
beroepschriften bij administratief beroep geldt een
verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot
verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb).
Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt
niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen
(artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van
de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende
gevallen:
- bezwaarschriften tegen
beschikkingen betalingskorting als bedoeld in artikel 30, eerste
lid, van de wet;
- bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als
bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
- bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als
bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet;
- bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
van de Kostenwet invordering rijksbelastingen; en
- bezwaarschriften tegen voor bezwaar vatbare beschikkingen als
bedoeld in de regeling.
C. Artikel 1.1.8, eerste volzin, wordt vervangen door:
Onverminderd het bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en
onderdeel e, van de wet doet de deurwaarder geen exploten of
verricht geen executiehandelingen tussen 20.00 uur ’s avonds en
07.00 uur ’s ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende
feestdag, behalve na een daartoe strekkend verlof van de
voorzieningenrechter.
D. In artikel 3.3 wordt aan het slot, onder vervanging van de punt
door een puntkomma, aan de opsomming toegevoegd:
- procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex
artikel 435, derde lid, of artikel 708, tweede lid, Rv.
E. In artikel 7.1 wordt na de laatste volzin een alinea toegevoegd,
luidende: Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de
dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd,
tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik.
F. In artikel 7.7 worden de laatste drie volzinnen vervangen door:
Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden
schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de
betaling door de aansprakelijkgestelde.
G. In artikel 7a wordt "In aansluiting op artikel 7a van de
wet" vervangen door: In aansluiting op artikel 4:89 Awb en
artikel 7a van de wet.
H. Artikel 9.5 wordt gewijzigd als volgt.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Begrippen bij
betalingstermijnen.
b. In de eerste volzin wordt “twee maanden” telkens vervangen door:
zes weken. Voorts wordt “31 december” vervangen door: 12 december.
c. In de tweede volzin wordt “twee maanden” vervangen door: zes
weken. Voorts wordt “30 april” vervangen door: 11 april. Tenslotte
wordt “28 april” vervangen door: 10 april.
d. De derde en de vierde volzin worden vervangen door: Als de
dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de
laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand
later (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die
hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de
dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15
april. Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15
maart, vervalt de termijn op 26 april.
I. In artikel 11.3, eerste volzin, wordt na “belastingaanslag;”
toegevoegd: en.
J. In artikel 12.2 wordt “successierecht” telkens vervangen door:
successierecht of erfbelasting.
K. In artikel 13.3, derde volzin, wordt “successierecht” vervangen
door: successierecht of erfbelasting.
L. In artikel 14.2.9, derde volzin, wordt “het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering” vervangen door: Rv.
M. In artikel 22.8.10, tiende alinea, wordt “Als contracten een
langere looptijd dan hebben” vervangen door: Als contracten een
langere looptijd hebben.
N. Na artikel 22a.1 wordt het volgende artikel ingevoegd.
Artikel 23a Bijzonder verhaalsrecht op goederen van het afgezonderd
particulier vermogen en op goederen van een derde waarin het
afgezonderd particulier vermogen een belang heeft van 5 percent of
meer
In aansluiting op artikel 23a van de wet beschrijft dit artikel het
beleid over:
- de situaties waarin het
verhaalsrecht gebezigd kan worden;
- de volgorde van uitwinning van goederen van de diverse partijen
(belastingschuldige, afgezonderd particulier vermogen en de
derde).
23a.1. Wanneer kan het bijzonder verhaalsrecht worden ingeroepen
Het bijzonder verhaalsrecht kan slechts worden ingeroepen in
situaties waarin sprake is van belastingaanslagen, voor zover zij
aan de belastingschuldige zijn opgelegd als gevolg van een
toerekening van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in
artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor de
invordering van andere belastingschulden dan de in de vorige volzin
genoemde, kan het verhaalsrecht niet worden ingeroepen. Voordat het
verhaalsrecht wordt toegepast dient vast te staan dat de
belastingschuldige in gebreke is met het nakomen van zijn
betalingsverplichtingen en zelf onvoldoende verhaal biedt. Indien
belastingschuldige over verhaalsactiva beschikt waarover een
rechtsgeding aanhangig is of die zich in het buitenland bevinden
dan wel anderszins niet eenvoudig zijn uit te winnen, worden die
activa niet meegenomen bij de beoordeling of belastingschuldige
voldoende verhaal biedt.
23a.2. Volgorde van uitwinning van daarvoor in aanmerking komende
goederen.
Artikel 23a bepaalt dat in gevallen waarin de belastingschuldige in
gebreke is met het voldoen van belastingaanslagen die aan hem zijn
opgelegd als gevolg van een toerekening van een afgezonderd
particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a van de Wet
inkomstenbelasting 2001, die belastingaanslagen door de ontvanger
kunnen worden ingevorderd met gebruikmaking van het in artikel 23a
beschreven bijzonder verhaalsrecht. Dit houdt in dat door de
ontvanger niet alleen invorderingsmaatregelen kunnen worden
getroffen ten laste belastingschuldige maar ook - met gebruikmaking
van het bijzonder verhaalsrecht - door het nemen van verhaal op de
goederen van
1) het afgezonderd particulier
vermogen;
2) een derde waarin het afgezonderd particulier vermogen een belang
heeft van 5 percent of meer.
Indien aan de belastingschuldige belastingaanslagen zijn
opgelegd als gevolg van een toerekening van een afgezonderd
particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a van de Wet
inkomstenbelasting 2001, dient de ontvanger - met inachtneming van
het in de laatste volzin van 23.2. bepaalde - vooreerst invordering
ten laste van belastingschuldige zelf te beproeven.
Pas daarna beproeft de ontvanger invordering met toepassing van het
bijzonder verhaalsrecht zoals beschreven in artikel 23a, onderdeel
a, van de wet, op goederen van het afgezonderd particulier
vermogen. Pas nadat gebleken is dat invordering op goederen van het
afgezonderd particulier vermogen faalt dan wel niet toereikend is
om de volledige fiscale verplichtingen aan te zuiveren kan de
ontvanger overgaan tot aanwending van het bijzonder verhaalsrecht
zoals beschreven in artikel 23a, onderdeel b, van de wet. Verhaal
op goederen van de derde als bedoeld in artikel 23a, onderdeel b,
kan slechts worden uitgeoefend ten belope van het belang dat het
afgezonderd particulier vermogen heeft in die derde.
O. Artikel 24.3 wordt gewijzigd als volgt.
a. In de zesde volzin vervalt “feitelijk”.
b. De zevende volzin vervalt.
P. Artikel 25.1.9 wordt vervangen door:
Artikel 25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag
Als de belastingschuldige uitstel van betaling vraagt voor een
ambtshalve opgelegde belastingaanslag, verleent de ontvanger ten
hoogste één maand uitstel om de belastingschuldige in de
gelegenheid te stellen alsnog bij de inspecteur een bezwaarschrift
tegen de aanslag in te dienen. Dat bezwaarschrift moet vergezeld
gaan van het ingevulde aangiftebiljet.
Als de belastingschuldige het bezwaarschrift en het aangiftebiljet
niet binnen deze termijn indient, deelt de ontvanger hem mee dat
het uitstel is vervallen. De ontvanger verleent niet nogmaals
uitstel van betaling om het bezwaarschrift en het aangiftebiljet
alsnog bij de inspecteur in te dienen.
De ontvanger verleent geen uitstel zoals hier bedoeld als het een
heffing van een andere instantie betreft, waarvan de invordering
aan de Belastingdienst is opgedragen en die andere instantie al in
een eerder stadium uitstel heeft verleend om betrokkene de
gelegenheid te geven alsnog een bezwaarschrift in te dienen en
aangifte te doen.
Q. In artikel 25.7.1 wordt na de laatste volzin een volzin
toegevoegd, luidende:
Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden
geschaad, kan hij ondanks de behandeling van het beroep wel
invorderingsmaatregelen treffen.
R. In artikel 26.1.9, achtste gedachtestreepje, onderdeel i, wordt
na “plaatsgevonden.” een volzin toegevoegd, luidende:
De afwijzende beslissing op het kwijtscheldingsverzoek blijft
beperkt tot het deel van de belastingaanslag waarvoor de
belastingschuldige verwijtbaarheid treft.
S. Artikel 26.2.12 wordt gewijzigd als volgt.
a. In de zesde volzin wordt “55” vervangen door: 57.
b. In de zevende volzin wordt “49” vervangen door: 50.
c. In de vijfde volzin na de eerste formule wordt “aangegeven met
X” vervangen door: aangegeven met X, met dien verstande dat X
altijd tenminste nul bedraagt.
T. In artikel 26.6 worden de laatste vier volzinnen vervangen door:
Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen
meer te nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een
tijdsbepaling opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke
beschikking herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden
niet nakomt, neemt de ontvanger een nieuwe beschikking, waarbij hij
zijn eerdere beschikking intrekt. De ontvanger kan hiertoe pas
overgaan nadat hij de belastingschuldige een brief heeft gestuurd
over zijn voornemen de eerdere beschikking in te trekken en niet
binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of de tijdsbepaling
is voldaan.
U. Artikel 27.3 wordt gewijzigd als volgt.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Stuiting van de verjaring.
b. Na de laatste volzin wordt een volzin toegevoegd, luidende: Als
de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling
stuit door een schriftelijke mededeling, maakt hij die
schriftelijke mededeling bekend aan de belastingschuldige.
V. In artikel 28 vervalt in de opsomming het eerste
gedachtestreepje en de tekst daarachter, luidende: cheque
buitenland en invorderingsrente;.
W. Artikel 28.1 vervalt.
X. In artikel 34, eerste volzin, wordt “huurder bemand materieel
ook inlener” vervangen door: vervoersovereenkomsten en huur van
bemand materieel.
Y. Artikel 34.1 wordt gewijzigd als volgt.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Vervoersovereenkomsten en
huur van bemand materieel.
b. De eerste drie volzinnen worden vervangen door: Degene die
uitsluitend personeel inhuurt voor het verrichten van vervoer over
de weg is hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 34 van de
wet als de werkzaamheden onder zijn toezicht of leiding
plaatsvinden. Degene die een vervoersovereenkomst afsluit met een
vervoerder (de huur van bemand materieel daaronder begrepen) is in
beginsel hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 34 van de
wet mits de werkzaamheden die aan het vervoer zijn verbonden onder
zijn toezicht of leiding plaatsvinden. Er is geen sprake van
toezicht of leiding van de inlener als:
- het vervoer - al dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde -
plaatsvindt op basis van een vervoersovereenkomst waarop de
bepalingen van Titel 13, Afdeling 2 van boek 8 BW (artikel 8:1090
e.v. waaronder in ieder geval art 8:1131 BW (retentierecht
vervoerder)) van toepassing zijn; en
- tenminste de voorwaarden opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 10
van de Algemene Vervoerscondities (AVC) 2002 van toepassing zijn;
en
- een vrachtbrief is opgemaakt voor zover deze bij of krachtens
wettelijk voorschrift verplicht is.
Z. In artikel 35.2.2 wordt gewijzigd als volgt.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Vervoersovereenkomsten en
werk van stoffelijke aard.
b. In de eerste volzin wordt “Zuivere vervoersovereenkomsten”
vervangen door: Vervoersovereenkomsten als bedoeld in artikel 34.1.
AA. Artikel 36.5.1 wordt gewijzigd als volgt.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Betalingsonmacht en de wijze
van melding daarvan.
b. Voorafgaand aan de eerste volzin wordt een volzin toegevoegd,
luidende: Onder betalingsonmacht wordt verstaan de omstandigheid
dat een belastingschuldige niet tijdig tot het betalen van
belastingen is overgegaan, ongeacht of die omstandigheid is
veroorzaakt door (tijdelijke) financiële problemen van de
belastingschuldige, door onwil van de belastingschuldige of door
andere oorzaken en voorts ongeacht of wel of geen aangifte is
gedaan.
AB. Artikel 36.5.4 wordt gewijzigd als volgt.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Termijn melding
betalingsonmacht.
b. Voorafgaand aan de huidige volzin wordt een volzin toegevoegd,
luidende: Hoofdstuk III van het besluit regelt binnen welke termijn
de belastingschuldige de betalingsonmacht aan de ontvanger moet
melden.
c. In de tweede volzin (nieuw) wordt “eerste” vervangen door:
eerste en tweede.
AC. In artikel 36.5.9 wordt “twee maanden” telkens vervangen door:
acht weken.
AD. In artikel 36.5.10, eerste volzin, wordt “twee maanden”
vervangen door: acht weken.
AE. In 36.5.11, laatste volzin, wordt “zo spoedig mogelijk”
vervangen door: binnen acht weken.
AF. Artikel 46 wordt gewijzigd als volgt.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Aansprakelijkheid voor
rechten van successie of erfbelasting, overgang en schenking of
schenkbelasting.
b. In de eerste volzin worden na “successierecht” telkens
ingevoegd: of erfbelasting.
AG. Artikel 46.1 wordt gewijzigd als volgt.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Volgorde
aansprakelijkstelling voor successierecht of erfbelasting.
b. In de eerste volzin wordt “successie” vervangen door: successie
of erfbelasting.
AH. Artikel 46.2 wordt gewijzigd als volgt.
a. Het opschrift wordt vervangen door: Buiten Nederland wonende
verkrijgers en successierecht of erfbelasting.
b. Het woord “successie” wordt telkens vervangen door: successie of
erfbelasting.
AI. In artikel 73.4.1, laatste volzin, wordt direct na de puntkomma
toegevoegd: of.
AJ. In artikel 73.5.4, tweede volzin, vervalt na “beschouwd”:
worden.
AK. Artikel 74 wordt gewijzigd als volgt.
a. De tweede volzin wordt vervangen door: Voor belastingaanslagen
betreffende de rechten van successie of schenking dan wel schenk-
of erfbelasting bevat artikel 25 van de wet uitstelfaciliteiten in
het derde, twaalfde en dertiende lid.
b. In de vierde volzin vervalt “elfde,”.
c. In de laatste volzin, zesde gedachtestreepje, vervalt “elfde
en”.
AL. In artikel 74.5, eerste volzin, vervalt “in de familiesfeer”.
AM. In artikel 74.6, opschrift, vervalt “elfde en”.
AN. Artikel 74.6.1 wordt gewijzigd als volgt.
a. In het opschrift vervalt “elfde en”.
b. In de tweede volzin wordt na het woord “successie” ingevoegd: of
erfbelasting. Voorts vervalt “elfde en”.
AO. Artikel 74.6.2 vervalt.
AP. In artikel 75.8, eerste en enige volzin, wordt na “betaald”
toegevoegd: De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op
de beslagkosten.
AQ. In artikel 75.11 wordt telkens "€ 10.643" vervangen door: € 11.026.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010, met
dien verstande dat:
a. Artikel I, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 oktober 2009; en
b. Artikel I, onderdelen H en U, terugwerken tot en met 1 juli
2009.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 24 december 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager
Vanaf 1 oktober 2009 is § 4.1.3.2 (Dwangsom bij niet tijdig
beslissen) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van kracht. Kort
gezegd betekent dit dat de overheid een dwangsom moet betalen
wanneer zij niet binnen de wettelijk vastgestelde termijn een
beslissing neemt. Op de Invorderingswet 1990 (de wet) is hoofdstuk
4 van de Awb niet van toepassing. Onderdeel B beschrijft een aantal
gevallen waarin de genoemde § 4.1.3.2 wel van toepassing is.
Daarnaast bewerkstelligt onderdeel B de aanpassing van artikel
1.1.5 van de Leidraad Invordering 2008 aan de verdagingstermijnen
van de artikelen 7:10 en 7:24 van de Awb, die op 1 oktober 2009
gewijzigd zijn.
Op 1 juli 2009 is de 4e tranche van de Awb in werking getreden. Bij
het wijzigingsbesluit van 9 juli 2009, nr. CPP2009/1047M (Stcrt.
2009, nr. 10929) is artikel 9.5 van de Leidraad Invordering 2008
daarop niet aangepast. Dat gebeurt nu alsnog (onderdeel H).
Vanaf 1 januari 2010 komen in de Successiewet komen de begrippen
erf- en schenkbelasting voor. Dit wijzigingsbesluit introduceert
die begrippen ook in de Leidraad Invordering 2008.
In onderdeel N wordt het beleid weergegeven inzake het nieuwe
artikel 23a van de wet, dat een bijzonder verhaalsrecht regelt. Het
nieuwe artikel 23a is in de wet opgenomen met ingang van 1 januari
2010 bij de Wet vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en
herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede
introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen
in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956.
Het wijzigingsbesluit bevat (in de onderdelen X, Y en Z) ook een
precisering van de situaties wanneer de inleners- en
ketenaansprakelijkheid geen toepassing vinden bij de inhuur van
bemand materieel. De reikwijdte van de criteria toezicht en leiding
door de vervoerder zijn geënt op de in de vervoersbranche
gebruikelijke vervoersovereenkomsten en de daarbij behorende
vervoerscondities. Daarmee worden de in de praktijk gesignaleerde
onduidelijkheden weggenomen.
In de brief van 13 november 2009 van de staatssecretaris van
Financiën aan de Tweede Kamer staat dat in de Leidraad Invordering
2008 zal worden vastgelegd wanneer betalingsonmacht in de zin van
artikel 36 van de wet geacht wordt te ontstaan en tot welk moment
een rechtsgeldige betaling gedaan kan worden. Daarom zijn de
artikelen 36.5.1 en 36.5.4 van de Leidraad Invordering 2008
aangepast (onderdelen AA en AB).