U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken
en na overleg met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 3.42, tweede, vijfde en zevende lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
Besluit:
De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 wordt als
volgt gewijzigd:
A
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. – voor zover sprake is van een
investering in een voorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel
D, onder 2.1.A, letter a, van bijlage 1 van deze regeling – door
het bevoegde gezag voor het bedrijfsmiddel of onderdeel daarvan een
bouwvergunning is afgegeven ten tijde van de aanmelding, bedoeld in
artikel 3.42, zesde lid, van de wet;.
2. In het eerste lid vervallen de onderdelen c, d, en f.
3. In het eerste lid wordt na onderdeel b een onderdeel ingevoegd,
luidende:
c. - voor zover sprake is van een
investering in een of meerdere voorzieningen als bedoeld in artikel
1, onderdeel A, onder 1.2.l, letter c, artikel 1, onderdeel A,
onder 1.2.J, artikel 1, onderdeel B, onder 1.2.L, letter c, artikel
1, onderdeel B, onder 1.2.M, artikel 1, onderdeel B, onder 1.2.O,
artikel 1, onderdeel D, onder 5.1.A, artikel 1, onderdeel D, onder
5.1.D, van bijlage I van deze regeling – door het bevoegde gezag
voor het bedrijfsmiddel of het onderdeel daarvan een
milieuvergunning is afgegeven ten tijde van de aanmelding, bedoeld
in artikel 3.42, zesde lid, van de wet;.
4. In het eerste lid wordt onderdeel e verletterd tot onderdeel
d, onder vervanging van de puntkomma aan het slot door een punt.
5. In het tweede lid wordt “van het eerste lid, onderdeel e”
vervangen door: van het eerste lid, onderdeel d.
B
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd
1. In het vierde lid wordt “artikel 2, onderdeel b respectievelijk
onderdeel f” vervangen door: artikel 2, onderdeel b.
2. In het vijfde lid wordt “een kopie van de SDE-beschikking
alsmede van de afgegeven vergunning op grond van de Wet beheer
Rijkswaterstaatswerken” vervangen door “een kopie van de
SDE-beschikking”. Voorts wordt “artikel 2, onderdeel c,” vervangen
door: artikel 2, onderdeel d.
3. In het zesde lid wordt “artikel 2, onderdeel d” vervangen door:
artikel 2, onderdeel c.
C
Bijlage I wordt vervangen door de bij deze regeling behorende
bijlage I.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede
lid, van de wet worden aangemerkt:
A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in of bij
bedrijfsgebouwen
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij
bedrijfsgebouwen, door:
1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:
1.1.A. Toepassing van automatische
meet- en regelapparatuur.
1.1.B. Energie of aardgas tussenmeter voor het onderbemeteren van
het energieverbruik in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit:
tussenmeter voor het onderbemeteren van het verbruik op aardgas of
elektriciteit of warmte of stoom of perslucht, (eventueel) puls- of
busuitgang op de meter. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt per meter €
3000.
1.2.A. Toepassing van efficiëntere
apparatuur.
1.2.B. Warmtepomp voor het verwarmen van bedrijfsgebouwen of het
collectief verwarmen van woningen, en bestaande uit: elektrisch
gedreven warmtepomp met een COP ≥ 4,0 gemeten conform NEN-EN 14511
of absorptiewarmtepomp, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of
grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel)
verwarmingsnet. Bij een gasgestookte (absorptie)warmtepomp dient de
gas utilization efficiency ≥ 1,4 te zijn, gemeten conform NEN-EN
12309-2. Het maximum investeringsbedrag voor het verwarmingsnet dat
voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt € 200
per geïnstalleerde kW van het thermisch vermogen van de warmtepomp.
Warmtepompen die geplaatst worden in woningen komen niet in
aanmerking. Indien centraal opgestelde warmtepompen worden gebruikt
voor verwarming van woningen of andere gebouwen komen deze wel in
aanmerking.
1.2.C. Warmtepompboiler waarbij de warmte nuttig wordt aangewend
voor de verwarming van tapwater in bedrijfsgebouwen, en bestaande
uit: elektrisch gedreven warmtepompboiler met een COP ≥ 2,5 gemeten
conform NEN-EN 255-3, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of
grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.
1.2.D. Vermindering van de inzet van energie voor het conditioneren
van lucht met behulp van:
a. Droog- of bevochtigingrotor voor
het drogen of bevochtigen van lucht ten behoeve van
klimaatbeheersing in bedrijfsgebouwen door middel van een roterende
schijf, die vocht uitwisselt tussen de in- en uitgaande
luchtstroom, en bestaande uit: droog- of bevochtigingrotor,
aandrijving.
b. Adiabatische indirect werkende dauwpuntsluchtkoeler voor het
koelen van bedrijfsgebouwen, waarbij in de koeler een deel van de
gekoelde lucht over de bevochtigde warmtewisselaar wordt geleid en
afgevoerd, en bestaande uit: warmtewisselaar, ventilator, filter,
bevochtigingsapparatuur, (eventueel)
waterbehandelingsapparatuur.
1.2.E. Luchtdicht luchtverdeelsysteem
voor het transporteren van toe- of afvoerlucht in een
bedrijfsgebouw, en bestaande uit: luchtkanalen in combinatie met
luchtklep of geluiddemper of luchtkanaalnaverwarmer of –nakoeler of
luchtvolumeregelaar of aansluitkast van een
ventilatierooster, gemonteerd in het luchtkanaal van een
ventilatiesysteem, waarbij het ventilatiesysteem voldoet aan
luchtdichtheidsklasse C gemeten conform NEN-EN 1751. Het maximum
investeringsbedrag, dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt, bedraagt € 10 per m2 gebruiksoppervlak
volgens NEN 2580. Een ventilatorconvector of fancoilunit wordt niet
gerekend tot de hiervoor genoemde luchtdichte componenten.
1.2.F. Hoogrendement luchtverwarmer voor het verwarmen van ruimten
in bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: een direct gasgestookte
luchtverwarmer met een deellastrendement groter of gelijk aan 101 %
gemeten conform NEN-EN 1196, verbrandingsgasafvoersysteem,
(eventueel)
luchttoevoersysteem, (eventueel) voor ruimten met een gemiddelde
hoogte groter dan 5 meter een inducerend uitblaassysteem op de
luchtverwarmer met nozzles of verstelbare inducerende schoepen of
een individueel thermostatisch geregelde steunventilator in een
omkasting aan het
plafond gemonteerd die verticaal naar beneden blaast met nozzles of
verstelbare inducerende schoepen;
1.2.G. Direct gasgestookt stralingspaneel voor het verwarmen van
gesloten binnenruimten in bedrijfsgebouwen met een gemiddelde
hoogte groter dan 5 meter, niet zijnde tuinbouwkassen, en bestaande
uit:
a. direct gasgestookte donkerstraler
met een verbrandingsrendement groter of gelijk aan 86 % gemeten
conform NEN-EN 416 of NEN-EN 777, verbrandingsgasafvoersysteem,
(eventueel)
luchttoevoersysteem;
b. direct gasgestookte hogetemperatuurstraler met een belasting van ten minste 8 kW op onderwaarde gemeten conform NEN-EN 419.
1.2.H. HR-pomp bestemd voor centrale
verwarming, airconditioning of tapwater in bedrijfsgebouwen en
bestaande uit: stand-alone natloper centrifugaalpomp tot 2.500 Watt
met een EEI < 0,4 gemeten conform EN 1151 en geclassificeerd
door Europump.
1.2.I. Warmtekrachtinstallatie met behulp van een zuigermotor
met:
a. een nominaal elektrisch vermogen
tot 60 kWe voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht,
onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld
op jaarbasis ten minste 70 % bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het
elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 1500 per
kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het
nominaal motorvermogen;
b. een nominaal elektrisch vermogen van 60 kWe tot 1 MWe voor het
gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat
het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste
70 % bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie,
(eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt € 600 per kW elektrisch vermogen. Het
elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen.
c. een nominaal elektrisch vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWe
voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de
voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op
jaarbasis ten minste 75 % bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het
elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 350 per kW
elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het
nominaal motorvermogen.
Onder een warmtekrachtinstallatie
wordt verstaan de gecombineerde opwekking van warmte en
elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een
brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor
de productie van elektriciteit.
Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van
het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde
deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan
te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor
met elektrische ontsteking of compressieontsteking.
1.2.J. Warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een
zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht met
een nominaal elektrisch vermogen tot 150 MWe, onder de voorwaarde
dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten
minste 70 % bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie,
(eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt € 600 per kW elektrisch vermogen. Het
elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen. Een
warmtekrachtinstallatie met een nieuw opgesteld nominaal elektrisch
vermogen groter dan of gelijk aan 150 MWe komt niet in aanmerking
voor Energie-investeringsaftrek.
Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde
opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door
verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt
wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.
Voor het bepalen van het nieuw opgesteld nominaal elektrisch
vermogen van een warmtekrachtinstallatie dient het samenstel van
nieuwe voorzieningen te worden genomen waarbij onder een samenstel
van nieuwe voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige nieuwe
middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de productie
van elektriciteit opgewekt door middel van een
warmtekrachtinstallatie.
Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van
het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde
deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan
te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor
met elektrische ontsteking of compressieontsteking.
1.2.K. Brandstofcel voor het gelijktijdig opwekken van
elektriciteit en warmte, en bestaande uit brandstofcel, (eventueel)
brandstofreformer.
1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
2. Vermindering van de warmte- of koellast door:
2.1.A. HR-glas voor beglazing in buitengevel-, of dakconstructies voor:
a. bestaande bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat gemeten is conform NEN-EN 673 voor warmtereflecterend isolerend glas met een warmtewerende coating of gasgevulde spouw, met een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 1,2 W/m2K, (eventueel) kozijn, of
b. bedrijfsgebouwen, en bestaande
uit: meervoudig glas dat gemeten is conform NEN-EN 673 voor
warmtereflecterend isolerend glas met een warmtewerende coating of
gasgevulde spouw, met
een warmtedoorlatingscoëfficiënt U van maximaal 0,7
W/m2K, (eventueel) kozijn.
2.1.B. Isolatie voor bestaande
constructies in bedrijfsgebouwen door verbetering van de isolatie
van bestaande vloeren, daken, plafonds of wanden van ruimten, en
bestaande uit:
isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van de
lagen R = Σ (Rm) = Σ (d/λ) toeneemt met ten minste 1,50
m2K/W t.o.v. de oude situatie.
Het maximum bedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 20/m2 te
isoleren oppervlak. De warmteweerstand dient bepaald te zijn
conform NEN 1068.
2.1.C. Isolatie van koel- of vriesruimten door isolatiemateriaal
waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R=Σ(Rm) = Σ
(d/λ);
a. Voor het koelen of licht vriezen
bij een ruimtetemperatuur tussen +12°C en -10°C, ten minste 6,20
m2K/W dient te bedragen. Het maximum investeringsbedrag,
dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt €
25/m2 te isoleren oppervlak, of
b. Voor het vriezen bij een ruimtetemperatuur lager dan -10°C, ten
minste 10,50 m2K/W dient te bedragen. Het maximum
investeringsbedrag, dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt € 40/m2 te isoleren oppervlak.
Bij een scheiding tussen twee gekoelde ruimten is de zwaarste
warmteweerstandseis van toepassing.
De warmteweerstand dient bepaald te zijn conform NEN 1068.
2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverliezen.
3. Warmtehergebruik door:
3.1.A. Warmteterugwinning.
3.1.B. Warmte- of koudeterugwinningssysteem voor bestaande
bedrijfsgebouwen, en bestaande uit:
a. Warmtewisselaar, (eventueel)
luchtbehandelingskast, (eventueel) ventilator, (eventueel)
luchtkanalen, (eventueel) warmtewisselaar voor naverwarming of
nakoeling exclusief koelmachine of ketel;
b. Radiator met ventilatiedoorvoer door de buitenmuur, met
ingebouwde warmteterugwinning uit ventilatielucht en
ventilatieregeling op basis van CO2 meting.
3.2.A. Systeem voor het uitkoppelen
bij de bron en primair transport van afvalwarmte. Indien
afvalwarmte wordt geleverd door een investerende onderneming, dan
wordt de besparing op de locatie waar de afvalwarmte wordt
aangewend meegenomen bij het bepalen van het
besparingskental. De berekening dient te worden betrokken over het
totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen in het
uitkoppelen en primair transport van afvalwarmte.
Secundair transport (distributie) van afvalwarmte in stadswijken en
verwarmingsnetten zijn
uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.
Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig
wordt aangewend. Warmte
afkomstig van nieuw te bouwen elektrisch vermogen is geen
afvalwarmte.
4. Efficiënte verlichting door:
4.1.A. Toepassing van automatische
meet- en regelapparatuur.
4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
4.2.B. Daglichtsysteem met spiegel- of prismastuurelementen of
spiegelende kokers voor het optimaal benutten van daglicht in
bedrijfsgebouwen door een daglichtsysteem (niet zijnde (kunststof)
daglichtkoepels), waarbij het daglicht dieper in de ruimte wordt
gebracht, en
bestaande uit: buitenlichtkoepel, spiegel- of prismastuurelementen
of spiegelende kokers, (eventueel) actief zonvolgsysteem met
roterende spiegel, (eventueel) lichtdiffusor, (eventueel)
plafondspiegels.
4.2.C. Energie-efficiënt verlichtingssysteem voor:
a. vervanging van bestaande
binnenverlichting in bedrijfsgebouwen, en bestaande
uit:spiegeloptiekarmaturen voor directe verlichting in combinatie
met hoogfrequent elektronisch voorschakelapparaat en T5-high
efficiency (HE) fluorescentielampen, (eventueel) regelinstallatie
voor het regelen van de verlichting afhankelijk van de
daglichtintensiteit, (eventueel) automatische
aanwezigheidsdetectie, (eventueel)
reagerend op veegpulsen, of
b. vervanging van bestaande binnenverlichting in of
buitenverlichting bij bedrijfsgebouwen en bestaande uit:
spiegeloptiekarmaturen voor directe verlichting die uitsluitend
geschikt zijn voor compact fluorescentielampen of hogedruk
gasontladingslampen, elektronisch voorschakelapparaat, bijbehorende
lampen, (eventueel) automatische aanwezigheidsdetectie, of
c. opwaarderen van bestaande binnenverlichting (uitsluitend bij
vervanging van fluorescentielampen met conventionele ballast) in
bedrijfsgebouwen door het toepassen van HF-technologie en bestaande
uit: een module met geïntegreerd een hoogfrequent elektronisch
voorschakelapparaat met cut-off voorziening en T5-high efficiency
(HE) fluorescentielamp.
4.2.D. LED verlichtingssysteem voor verlichting in of bij bedrijfsgebouwen en bestaande uit:
a. LED-buizen, eventueel armatuur,
met een specifieke lichtstroom van ten minste 84 lm/W, als retrofit
van TL-buizen;
b. Armatuurmodule met geïntegreerde LED-lichtbron, met een
specifieke lichtstroom van ten minste 74 lm/W;
c. Downlighters/spots met een specifieke lichtstroom van ten minste
50 lm/W;
d. Armaturen in koel- of vriescellen of armaturen in koel- of
vriesmeubelen;
e. Noodverlichtingsarmaturen, vluchtwegsignaleringsarmaturen of
bewegwijzeringsarmaturen;
f. Verlichting in gevel- of reclameborden of verlichting voor het
aanlichten van gebouwen.
De specifieke lichtstroom onder a, b
en c dient gemeten te zijn conform LM-79-08 of gelijkwaardige
protocollen. Bij de categorieën a, b, en c gaat het om verlichting
die valt onder NEN-EN 12464-1 (binnenverlichting), NPR 13201-1
(openbare verlichting) of NEN 2443 (verlichting voor
parkeerterreinen, parkeer – en stallinggarages voor
personenauto’s).
Onder de specifieke lichtstroom wordt hier verstaan de verhouding
tussen de lichtstroom van het verlichtingssysteem (in lumen) en het
daartoe opgenomen elektrische vermogen (in Watt). Metingen op grond
van aan LM-79-08 gelijkwaardige protocollen dienen verricht te
worden door daartoe geaccrediteerde instellingen, waarbij LED
verlichting specifiek in de accreditatie-scope van de betreffende
instelling dient te zijn opgenomen. De lichtterugval in lumen van
het verlichtingssysteem gedurende de eerste 6.000 branduren
bedraagt maximaal 20% van de oorspronkelijk lichtstroom. Onder f
worden alleen verstaan de LED-lampmodules en driver. Het gevelbord
of reclamebord, frame of ombouw komt niet in aanmerking voor EIA.
4.2.E. Vluchtwegsignalering voor verlichte vluchtrouteaanduiding in
bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: armaturen die voorzien zijn van
met tritiumgas gevulde buisjes.
4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
5. Energieprestatieverbetering van
bestaande bedrijfsgebouwen voor het verbeteren van de
energieprestatie, bestaande uit een pakket van
energie-investeringen gebaseerd op een maatwerkadvies, zoals
vastgelegd in ISSO 75.2 (Energieprestatie Advies
Utiliteitsgebouwen, maatwerkadvies).
De energieprestatie van het bedrijfsgebouw moet door het pakket van
energie-investeringen:
a. voldoen aan minimaal label B,
waarbij de energie-index maximaal 1,15 bedraagt, of
b. met minimaal twee labels verbeteren, waarbij de energie-index
ten minste 0,30 moet afnemen.
Voor investeringen die deel uitmaken van het pakket van
energie-investeringen die ook zijn omschreven onder A.1.2.B.,
A.1.2.C., A.1.2.I., A.1.2.J., A.2.1.A., A.2.1.B. zijn de technische
eisen die aan deze bedrijfsmiddelen worden gesteld eveneens van
toepassing.
B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij processen
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij
processen door:
1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:
1.1.A. Toepassing van automatische
meet- en regelapparatuur.
1.1.B. Energie of aardgas tussenmeter voor het onderbemeteren van
het energieverbruik van processen en bestaande uit: tussenmeter
voor het onderbemeteren van het verbruik op aardgas of
elektriciteit of warmte of stoom of perslucht, (eventueel) puls- of
busuitgang op de meter. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt per meter €
3000.
1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
1.2.B. Gasgestookt HR-frituurtoestel voor het bereiden van
maaltijden, dat gemeten is conform NEN-EN 437, NEN-EN 203 en CR
1404, waarbij het thermisch rendement ten minste 83% op onderwaarde
bedraagt, de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 100
ppm en de jaar-emissiewaarde van NOX niet meer bedraagt dan:
a. 40 ppm voor toestellen met een
belasting t/m 36 kW op onderwaarde, of
b. 1,11 ppm per kW belasting voor toestellen met een belasting
tussen 36 kW en 54 kW op onderwaarde, of
c. 60 ppm voor toestellen met een belasting groter dan 54 kW op
onderwaarde.
De jaar-emissiewaarden van NOX en CO zijn gebaseerd op
droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en
bestaande uit: hoogrendement gastoestel, gastoevoer- en
verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.
1.2.C. Hoogrendementmotoren voor het
aandrijven van proceswerktuigen, en bestaande uit:
asynchrone elektromotoren met een nominaal vermogen kleiner of
gelijk aan 90 kW, die voldoen aan de EFF1 (CEMEP), IE2 (IEC) of IE3
(IEC), efficiency-klasse gemeten conform IEC.
1.2.D. Warmtepomp waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor
processen, en bestaande
uit: elektrisch gedreven warmtepomp met een COP ≥ 4,0 gemeten onder
normale bedrijfsomstandigheden of een absorptiewarmtepomp. Bij een
direct gasgestookte (absorptie)warmtepomp dient de gas utilization
efficiency ≥ 1,4 te zijn, gemeten onder normale
bedrijfsomstandigheden, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of
grondwaterbron, (eventueel) restwarmteopslagvat.
1.2.E. Gasgestookte hogedrukreiniger voor het reinigen van
oppervlakken met warm water onder hoge druk eventueel met
gelijktijdige dosering van reinigingsmiddelen, die gemeten is
conform NEN-EN 1196, waarbij het indirect rendement ten minste 100%
op onderwaarde bedraagt, de
jaar-emissiewaarde van de NOX niet meer bedraagt dan 60
ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer bedraagt dan 160 ppm.
De jaar-emissiewaarden van NOX en CO zijn gebaseerd op
droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische verbranding, en
bestaande uit: gasgestookte hogedrukreiniger, (eventueel) standaard
spuitlans, (eventueel) standaard hoge-drukslang.
1.2.F. Direct gasgestookte condenserende boiler voor de productie
van warm tapwater, en bestaande uit: een condenserende warm
tapwaterboiler, die gemeten is conform NEN-EN 89 en waarbij het
rendement ten minste 100% op onderwaarde bedraagt.
1.2.G. Energiezuinige UPS voor het verminderen van netvervuiling
voor ICT apparatuur en het leveren van elektriciteit bij
elektriciteitsuitval, waarbij de warmteverliezen van de UPS niet
groter mogen zijn dan:
8,0 %, bij een vermogen tot 10 kW; 7,0 %, bij een vermogen van 10
kW tot 80 kW; 6,5 %, bij een vermogen van 80 kW tot 250 kW; 5,0 %
bij een vermogen groter dan 250 kW, en bestaande uit: UPS,
(eventueel) batterijen, (eventueel) vliegwiel, (eventueel)
condensator, exclusief noodstroomopwekking.
1.2.H.Transportleiding voor levering van gasvormig koolstofdioxide
(CO2) aan glastuinbouwbedrijven voor het bemesten van
gewassen in tuinbouwkassen en bestaande uit: pijpleiding tussen de
externe bron en het glastuinbouwbedrijf, (eventueel) CO2
compressor/ventilator ten behoeve van CO2-transport naar
het glastuinbouwbedrijf, exclusief: distributiesysteem voor
CO2 in de kas, CO2 afvang, CO2 opslag in de
bodem en CO2 compressor ten behoeve van opslag van
CO2 in de bodem.
1.2.I. Gasgestookte (stoom)convectieoven voor het bereiden van
maaltijden, die gemeten is conform NEN-EN 437 en NEN-EN 203 en CR
1404, waarbij het indirect rendement ten minste 80% op onderwaarde
bedraagt, de jaar-emissiewaarde van NOX niet meer
bedraagt dan 83,6 ppm en de jaar-emissiewaarde van CO niet meer
bedraagt dan 100 ppm. De jaar-emissiewaarde van NOX en
CO zijn gebaseerd op droge verbrandingsgassen en stoïchiometrische
verbranding, en bestaande uit: gasgestookte (stoom)convectieoven,
gastoevoer- en verbrandingsgasafvoersysteem, exclusief accessoires.
1.2.J. Energiezuinige koel- of vriesinstallatie voor het koelen of
vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 12 °C, en bestaande
uit: ten minste één frequentiegeregelde compressor of één digitaal
geregelde scrollcompressor of één met een schuif regelbare
schroefcompressor, (natte)condensor ontworpen op maximaal 10 K
temperatuurverschil tussen condensatie- en buitenluchttemperatuur
met een specifiek ventilatorvermogen van de condensor van maximaal
25 W per kW condensorvermogen, bepaald conform NEN-EN 327
(luchtgekoelde condensor) of NEN-EN 15218 (verdampingscondensor),
weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot + 13 °C
buitentemperatuur, elektronische expansieregeling bij een direct
expansiesysteem, verdamper exclusief koelmeubel of koeltunnel.
Voor Energie-investeringsaftrek komt in aanmerking:
a. een koel- of vriesinstallatie op
basis van een halogeenvrij koudemiddel, uitgezonderd zijn de
installatiedelen die dit koudemiddel niet bevatten.
b. een koel- of vriesinstallatie met een ontwerpkoelvermogen tot
250 kW op basis van een koudemiddel dat een HFK bevat. Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt € 175 per kW ontwerpkoelvermogen. Een
koel- of vriesinstallatie op basis van een koudemiddel dat een HFK
bevat met een ontwerpkoelvermogen groter dan 250 kW komt niet in
aanmerking voor Energie-investeringsaftrek.
Voor het bepalen van het ontwerpkoelvermogen van een koel- of vriesinstallatie dient het samenstel van voorzieningen te worden genomen waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor het koelen of vriezen van ruimten of processen.
1.2.K. Energiezuinige professionele koel- of vrieskast met een maximale netto inhoud van 1500 liter voor;
a. het koelen van producten in de
temperatuurklasse M1 (+5 °C / -1 °C), met een energieverbruik van
ten hoogste 15 kWh per m3 netto inhoud in 48 uur gemeten conform
ISO 23953 in klimaatklasse 4 (30 °C, 55 % RV), en bestaande uit
koelkast of gekoelde werkbank, werkend op een halogeenvrij
koudemiddel, voorzien van geforceerde ventilatie in de kast en een
afzonderlijke geplaatste, niet in de wanden ingebouwde verdamper,
of
b. het vriezen van producten in de temperatuurklasse L1 ( -15 °C /
-18 °C), met een energieverbruik van ten hoogste 40 kWh per m3
netto inhoud in 48 uur gemeten conform ISO 23953 in klimaatklasse
4, en bestaande uit vrieskast, werkend op een halogeenvrij
koudemiddel, voorzien van een afzonderlijke geplaatste, niet in de
wanden ingebouwde verdamper.
1.2.L. Warmtekrachtinstallatie met behulp van een zuigermotor met:
a. een nominaal elektrisch vermogen
tot 60 kWe voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht,
onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld
op jaarbasis ten minste 70 % bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het
elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 1500 per
kW elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het
nominaal motorvermogen;
b. een nominaal elektrisch vermogen van 60 kWe tot 1 MWe voor het
gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de voorwaarde dat
het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis ten minste
70 % bedraagt, en bestaande uit: warmtekrachtinstallatie,
(eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet. Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt € 600 per kW elektrisch vermogen. Het
elektrisch vermogen is bepaald bij het nominaal motorvermogen.
c. een nominaal elektrisch vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWe
voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht, onder de
voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op
jaarbasis ten minste 75 % bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het
elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 350 per kW
elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het
nominaal motorvermogen.
Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde
opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door
verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt
wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.
Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van
het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde
deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan
te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor
met elektrische ontsteking of compressieontsteking.
1.2.M. Warmtekrachtinstallatie anders
dan met behulp van een zuigermotor voor het gelijktijdig opwekken
van warmte en kracht met een nominaal elektrisch vermogen tot 150
MWe, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement
gemiddeld op jaarbasis ten minste 70 % bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) aansluiting op het
elektriciteitsnet. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 600 per kW
elektrisch vermogen. Het elektrisch vermogen is bepaald bij het
nominaal motorvermogen. Een warmtekrachtinstallatie met een nieuw
opgesteld nominaal elektrisch vermogen groter dan of gelijk aan 150
MWe komt niet in aanmerking voor Energie-investeringsaftrek.
Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde
opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door
verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt
wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.
Voor het bepalen van het nieuw opgesteld nominaal elektrisch
vermogen van een warmtekrachtinstallatie dient het samenstel van
nieuwe voorzieningen te worden genomen waarbij onder een samenstel
van nieuwe voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige nieuwe
middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor de productie
van elektriciteit opgewekt door middel van een
warmtekrachtinstallatie.
Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van
het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde
deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan
te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder een zuigermotor wordt verstaan een inwendige explosiemotor
met elektrische ontsteking of compressieontsteking.
1.2.N. Brandstofcel voor het gelijktijding opwekken van
elektriciteit en warmte, en bestaande uit brandstofcel, (eventueel)
brandstofreformer.
1.2.O. Afvalgestookte installatie voor het nuttig aanwenden van
warmte door het verstoken van afval wat geheel of nagenoeg geheel
bestaat uit koolstofhoudende verbindingen en niet geheel of
nagenoeg geheel bestaat uit biomassa, waarvan het totaal
energetisch rendement ten minste 55% bedraagt en bestaande uit een
afvalgestookte installatie. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 400 per kW
totaal vermogen. Het totaal vermogen is de som van het
krachtvermogen en het thermisch vermogen van de productie van
nuttig aangewende warmte.
Onder afval wordt hier verstaan de terminaal te verwijderen,
niet-selectief ingezamelde fracties (restafval, grofvuil en
gemeentevuil met inbegrip straatvuil, veegvuil, marktafval,
opruiming van sluikstorten, zwerfvuil) én de selectief ingezamelde
fracties (aan huis en via containerparken).
Onder biomassa wordt hier verstaan: materiaal dat voor wat betreft
de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel
bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte
CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het
materiaal aanwezige koolstofverbindingen
afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het
materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook
van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen.
Bijvoorbeeld de volgende materiaalstromen:
– houtafval, sloophout, snoeihout, dunningshout en andere
houtachtige stromen;
– stro, bermmaaisel, riet, mest en overige agrarische residuen;
– residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen
bevatten;
– oud papier en karton;
– steekvast papierslib of steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
– specifiek voor het inzetten van duurzame energie geteelde
gewassen of delen daarvan;
– organische residuen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie.
Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van
het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde
deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan
te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
1.3.B. Condensatoren voor het verminderen van
elektriciteitsverliezen door het verbeteren van de arbeidsfactor
(cos φ) met minimaal 0,10 bij bestaande processen, en bestaande
uit: condensatoren.
2. Vermindering van de warmte- of koellast door:
2.1.A. Thermische isolering.
2.1.B. Energieschermen voor
a. het verminderen van het
warmteverlies in tuinbouwkassen, door het aanbrengen van
horizontaal beweegbare schermen aan de binnenzijde van de
lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor
tenminste 90 % dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel,
breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2 en waarbij
de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan
10%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel)
kierafdichtingsvoorzieningen (eventueel) scherm(kier)regeling,
(eventueel) meetbox boven het energiescherm.
Voor Energie-investeringsaftrek komt in aanmerking:
in een kas(afdeling) zonder belichting: het tweede en/of derde
scherm van de boven elkaar gelegen, horizontaal en elk op een eigen
dradenbed beweegbare schermen, of
in een kas(afdeling) met belichting: het derde scherm van de boven
elkaar gelegen, horizontaal en elk op een eigen dradenbed
beweegbare schermen.
b. het verminderen van het warmteverlies in tuinbouwkassen door het
aanbrengen van beweegbare gevelschermen aan de binnenzijde van de
lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor
ten minste 90% dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel,
breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 mm2 en waarbij
de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan
10%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel)
kierafdichtingsvoorzieningen.
c. het weren van een teveel aan zoninstraling en het verminderen
van het warmteverlies uit tuinbouwkassen door het aanbrengen van
beweegbare schermen aan de buitenzijde, boven de lichtdoorlatende
gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor ten minste 50 %
dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of
vlechtsel kleiner zijn dan 10 mm2 en waarbij de
lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 15
%, mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel)
afdichtingsvoorzieningen.
3. Warmtehergebruik door:
3.1.A. Warmteterugwinning.
3.1.B. Systeem voor warmtewinning uit tuinbouwkassen, voor het
afwisselend onttrekken en toevoeren van warmte, waarbij de
overtollige warmte tijdelijk wordt opgeslagen om op momenten van
warmtebehoefte weer ingezet te worden, en bestaande uit:
warmtewisselaar(s) met geïntegreerde toerengeregelde ventilator,
pomp, (eventueel) dagbuffer.
3.2.A. Systeem voor het uitkoppelen bij de bron en primair
transport van afvalwarmte. Indien afvalwarmte wordt geleverd door
een investerende onderneming, dan wordt de besparing op de locatie
waar de afvalwarmte wordt aangewend meegenomen bij het bepalen van
het
besparingskental. De berekening dient te worden betrokken over het
totale investeringsbedrag van alle betrokken ondernemingen in het
uitkoppelen en primair transport van afvalwarmte.
Secundair transport (distributie) van afvalwarmte in stadswijken en
verwarmingsnetten zijn uitgesloten voor Energie-investeringsaftrek.
Afvalwarmte is warmte die in de bestaande situatie niet nuttig
wordt aangewend. Warmte afkomstig van nieuw te bouwen elektrisch
vermogen is geen afvalwarmte.
4. Efficiënte verlichting door:
4.1.A. Toepassing van automatische
meet- en regelapparatuur.
4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
4.2.B. LED-belichtingssysteem voor het belichten van
tuinbouwgewassen in daglichtdichte ruimten of bij meerlagenteelt in
tuinbouwkassen met een afstand tussen de teeltlagen van maximaal
2,0 meter, en bestaande uit: systeem van topbelichting met
LED-lichtbron met een specifieke lichtstroom van ten minste 1,3
micromol fotonen per seconde per Watt.
De specifieke lichtstroom dient gemeten te zijn conform LM-79-08 of
gelijkwaardige protocollen. Onder de specifieke lichtstroom wordt
hier verstaan de verhouding tussen de lichtstroom van het
belichtingssysteem (in micromol fotonen per seconde) en het daartoe
opgenomen elektrische vermogen (in Watt). Metingen op grond van aan
LM-79-08 gelijkwaardige protocollen dienen verricht te worden door
daartoe geaccrediteerde instellingen, waarbij LED-berlichting
specifiek in de accreditatie-scope van de betreffende instelling
dient te zijn opgenomen. De lichtterugval in micromol fotonen per
seconde van het belichtingssysteem gedurende de eerste 15.000
branduren bedraagt maximaal 10% van de oorspronkelijke lichtstroom.
4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
C. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij
transportmiddelen
Technische voorzieningen in of aan voertuigen voor het vervoer over
de weg, vaartuigen bij de binnenvaart of bij railgebonden
voertuigen ten behoeve van energiebesparing:
1. Verbetering van de energie-efficiëntie door:
1.1.A. Toepassing van automatische
meet- en regelapparatuur.
1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
1.2.B. Energiezuinige scheepsmotor voor de hoofdvoortstuwing van
een bestaand binnenvaartschip, en bestaande uit een dieselmotor met
een nominaal vermogen van ten minste 250 kW, waarvan het
brandstofverbruik minder bedraagt dan 198 g/kWh, gemeten volgens
NEN-ISO 3046 -1:2002. Het maximum investeringsbedrag dat voor
Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt € 125 per kW
nominaal vermogen.
1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
1.3.B. Kopschot windscherm of spoiler intermodaal chassis voor het
beter geleiden van de
rijwind, ter vermindering van de aërodynamische weerstand van
voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport met een maximum
massa beladen voertuig van meer dan 3.500 kg, en bestaande uit:
vast aan de oplegger of het chassis gemonteerde kunststof of
metalen 3-D spoiler.
1.3.C. Zij-afscherming voor het verminderen van de aërodynamische
weerstand van voertuigen ten behoeve van goederenwegtransport door
middel van panelen ter afsluiting van de open
ruimte aan de zijkant van motorwagens, aanhangers, trekkers en
opleggers die tevens voldoen aan de eisen voor de
verkeersveiligheid conform EEG-richtlijn 89/297, en bestaande uit:
zijafscherming.
1.3.D. Spudpalen voor het stilleggen van bestaande
binnenvaartschepen, en bestaande uit spudpaal. Het maximum
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt € 20 000 per spudpaal.
1.3.E. Hydrodynamische ankerkluizen en ankers voor het verlagen van
de vaarweerstand van een binnenvaartschip, en bestaande uit: anker,
ankerkluis.
Het maximumbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking
komt, bedraagt € 20 000 per combinatie van ankerkluis en anker. Het
betreft een anker die in ingetrokken toestand het kluisgat volledig
afdicht en één geheel vormt met de huid van het schip.
2. Vermindering van de warmte- of koellast door:
2.1.A. Thermische isolering.
2.1.B. Lichtgewicht aramide koelcontainer voor het wegvervoer,
railvervoer, watervervoer of intermodaal vervoer, en bestaande uit:
koelcontainer of opbouw van koelwagens of -opleggers,
exclusief het aanwezige koelaggregaat, met aramide zijwanden met
een lengte van ten minste 6 meter en met een dikte van het
isolatiemateriaal van ten minste 42 mm. Hierbij dienen alle
zijwanden ten minste 220 g/m2 aramideweefsel of -legsel te
bevatten.
2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverlies.
3. Warmtehergebruik door:
3.1.A. Warmteterugwinning.
4. Efficiënte verlichting door:
4.1.A. Toepassing van automatische
meet en regelapparatuur.
4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
D. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van
duurzame energie
Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele
brandstoffen te beperken
door gebruik te maken van duurzame energie door:
1. Zonne-energie door:
1.1.A. Conversie naar elektriciteit
of warmte (met uitzondering van het gebruik van passieve
zonne-energie).
1.1.B. Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van
elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnecellen, en
bestaande uit: panelen met fotovoltaïsche zonnecellen met een
gezamenlijk piekvermogen van ten minste 90 Watt, (eventueel)
stroom/spanningsomvormer, (eventueel) accumulator. Het
investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt maximaal € 3000/kW piekvermogen.
1.1.C. Zonnecollectorsysteem voor het verwarmen van water of lucht,
en bestaande uit: zonnecollector,
(eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) warmtewisselaar,
(eventueel) in het vat geïntegreerde naverwarmer, (eventueel) in
luchtverwarmer geïntegreerde fotovoltaïsche zonnecellen,
(eventueel) absorptiekoelmachine die hoofdzakelijk werkt op
zonne-energie.
2. Windenergie door:
2.1.A. Windturbine met een nominaal vermogen > 25 kW voor het opwekken van elektrische energie, en bestaande uit: windturbine, mast, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) uitsluitend voor plaatsing en onderhoud van de windmolen bestemde ontsluitingsweg. Het maximum investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt voor windturbines die:
a. op Nederlands grondgebied, anders
dan in het niet gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale
zee of de Exclusieve Economische Zone, worden geplaatst € 600/kW;
b. in het niet gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee
of in de Exclusieve Economische Zone worden geplaatst € 1000/kW.
Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale elektrische
vermogen van de windturbine.
2.1.B. Windturbine met een nominaal
vermogen ≤ 25 kW voor het opwekken van elektrische energie, en
bestaande uit: windturbine, (eventueel) mast, (eventueel)
aansluiting op het elektriciteitsnet.
Het maximum investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt bedraagt € 3000/kW; Het vermogen (kW) is
gedefinieerd als het nominale elektrische vermogen van de
windturbine.
3. Waterkracht door:
3.1.A. Conversie naar elektrische of
mechanische energie,
3.1.B. Waterkrachtinstallatie voor:
a. het benutten van waterstroming of
het verval van waterstromen voor het opwekken van elektrische of
mechanische energie, en bestaande uit: waterrad of waterturbine,
(eventueel) transmissie, (eventueel) generator, (eventueel)
transformator, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, of
b. het opwekken van kracht of elektrische energie uit het verschil
in zoutgehalte van water en bestaande uit: membranen, (eventueel)
voorzuivering, (eventueel) turbine.
4. Benutten of opslaan van omgevingswarmte door:
4.1.A. Aardwarmtewinningssysteem voor
het winnen van warmte uit diepe aardlagen ten behoeve van de
verwarming van processen of van gebouwen, en bestaande uit:
aardwarmtewinningsinstallatie, aansluiting op verwarmingsnet
(eventueel) warmteopslagvat.
4.1.B. Grondwarmtewisselaar voor:
a. het koelen of verwarmen van water
voor gebruik in bedrijfsgebouwen, collectieve systemen voor
woningen of processen, met behulp van een in het grondwater
liggende warmtewisselaar, en bestaande uit: ondergrondse
warmtewisselaar, pomp, (eventueel) water-lucht warmtewisselaar in
stallen die de warmte of koude rechtstreeks uit de bodem afgeeft,
(eventueel) restwarmteopslagvat.
b. het verwarmen van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen,
collectieve systemen voor woningen of processen met behulp van een
in de wegverharding liggende warmtewisselaar, en bestaande uit:
pomp(en), ondergrondse warmtewisselaar of warmtevoerende buizen in
de wegverharding exclusief de wegverharding zelf, (eventueel)
restwarmteopslagvat.
c. het voorkoelen of voorverwarmen van buitenlucht voor het gebruik
in gebouwen met behulp van ondergrondse buizen als warmtewisselaar,
en bestaande uit: luchtgrondbuizen met een diameter van maximaal 40
cm, (eventueel) luchtplenum, (eventueel) automatisch geregelde
centrale bypass.
d. het koelen van elektronische inrichtingen en bestaande uit:
ondergrondse warmtewisselaar, (eventueel) pomp, water-lucht
warmtewisselaar die de koude uit de bodem rechtstreeks afgeeft,
(eventueel) ventilator.
Indien een grondwarmtewisselaar wordt gebruikt voor het koelen of
verwarmen van één woning is er geen sprake van een collectief
systeem en komt deze niet in aanmerking.
4.1.C. Warmte- of koude-opslag in de
bodem (aquifer) voor het opslaan van warmte of koude in de bodem
met behulp van grondwater als opslagmedium, ten behoeve van het
koelen of verwarmen van bedrijfsgebouwen of processen of het
collectief koelen of verwarmen van woningen, en bestaande uit: een
gesloten systeem met grondwaterbronnen/putten, die voor onttrekking
en injectie worden gebruikt en waarbij de jaarlijkse netto
thermische balans van de bodem nagenoeg neutraal is,
grondwaterpompen, transportleiding van putten naar
applicatievestiging, (eventueel) warmtewisselaar tussen grondwater
en gebouwnet, (eventueel) restwarmteopslagvat.
Indien een aquifer wordt gebruikt voor het koelen of verwarmen van
één woning is er geen sprake van een collectief systeem en komt
deze niet in aanmerking.
5. Benutten van warmte of kracht uit biomassa door:
5.1.A. Warmtekrachtinstallatie
gestookt met biomassa of uit biomassa verkregen gasvormige of
vloeibare energiedragers voor het gelijktijdig opwekken van warmte
en kracht, onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement
gemiddeld op jaarbasis ten minste 60 % bedraagt, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) rookgasreiniger, (eventueel)
rookgascondensor, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet,
(eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) primair
warmtetransportsysteem exclusief verwarmingsnetten in bouwwerken en
warmtedistributienetten in woonwijken.
Onder een warmtekrachtinstallatie wordt verstaan de gecombineerde
opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door
verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt
wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit.
Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van
het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde
deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan
te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van de
ingezette brandstof.
Onder biomassa wordt hier verstaan: materiaal dat voor wat betreft
de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel
bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte
CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het
materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange
CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig
zijn. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of
bijmenging van kunststoffen.
Bijvoorbeeld de volgende materiaalstromen:
– houtafval, sloophout, snoeihout, dunningshout en andere
houtachtige stromen;
– stro, bermmaaisel, riet, mest en overige agrarische residuen;
– residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen
bevatten;
– oud papier en karton;
– steekvast papierslib of steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
– specifiek voor het inzetten van duurzame energie geteelde
gewassen of delen daarvan;
– organische residuen uit de voedings- en
genotmiddelenindustrie.
5.1.B. Ketel gestookt met biomassa of
uit biomassa verkregen gasvormige of vloeibare energiedragers voor
het verwarmen van gebouwen of processen onder de voorwaarde dat het
warmterendement gemiddeld op jaarbasis ten minste 80 % bedraagt, en
bestaande uit: ketel, (eventueel) rookgasreiniger, (eventueel)
rookgascondensor, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel)
primair warmtetransportsysteem exclusief verwarmingsnetten in
bouwwerken en warmtedistributienetten in woonwijken.
Onder het warmterendement wordt verstaan het energetisch rendement
van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de
onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof.
Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder
D.5.1.A.
5.1.C. Opwaarderen van uit biomassa verkregen gasvormige
energiedragers naar aardgaskwaliteit, en bestaande uit:
biogasopwaardeerapparatuur, aansluiting op het aardgasnet,
(eventueel) compressor.
Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder
D.5.1.A.
5.1.D. Conversie naar vloeibare, gasvormige of vaste energiedragers
uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in biomassa,
waarbij de energiedrager wordt gebruikt voor het opwekken van
warmte of kracht of als transportbrandstof door: pyrolyse,
vergassing, torrefactie, thermische ontleding, chemische ontleding
of enzymatische ontleding, en bestaande uit: reactor waarin één van
de hiervoor genoemde processen plaatsvindt, (eventueel)
fermentatiereactor voor fermentatie van C5 en C6 suikers.
Nabehandelingsapparatuur voor het verder verwerken van de
reactorproducten en op- en overslagvoorzieningen komt niet in
aanmerking voor Energie-investeringsaftrek.
Wat hierbij onder biomassa is te verstaan is aangegeven onder
D.5.1.A.
E. Energie-advies of een maatwerkadvies zoals dit is vastgelegd
in ISSO 75.2.
Een energie-advies ter verbetering van de energie-efficiency van
objecten door middel van een
verkenning van de mogelijkheden om maatregelen te treffen, en
bestaande uit:
a. een rapportage waarin de mogelijkheden om maatregelen te treffen
ter verbetering van de
energie-efficiency zijn vastgelegd. Deze rapportage bevat in ieder
geval:
1. Beschrijving van het object;
2. Een overzicht van de totale energiehuishouding van het bestaande
totale object;
3. Een energiebalans van de relevante onderdelen van het bestaande
totale object;
4. Een overzicht van de mogelijkheden en de kwantificering tot
energiebesparing;
5. Een overzicht van de noodzakelijke organisatorische en
administratieve aanpassingen;
6. Een raming van de te verwachten investeringskosten en de te
verwachten baten.
Voor afnemers met een energiegebruik van meer dan 25.000 m3 aardgas
(of aardgasequivalent)
of 50.000 kWh elektriciteit per jaar gelden de volgende aanvullende
eisen:
7. Inzicht in alle maatregelen met een terugverdientijd tot en met
vijf jaar;
8. Van de energiebalans dient 90% van het totale energiegebruik te
worden gespecificeerd,
tenzij daar gemotiveerd van afgeweken kan worden;
9. Helder en eenvoudig plan voor het uitvoeren van de
energiebesparende maatregelen, of
b. een actieplan als omschreven in het EU Motor Challenge
Programme.
Het maatwerkadvies zoals dat neergelegd is in ISSO 75.2 is
afgestemd op de BRL9500 deel 4 EPA-maatwerkadvies voor bestaande
utiliteitsgebouwen.
Dit EPA-maatwerkadviesrapport bevat ten minste de volgende
gegevens:
1. Projectgegevens;
2. Huidige situatie;
3. Uitgangspunten en overwegingen;
4. Lijst van enkelvoudige maatregelen met hun
standaardterugverdientijd;
5. Maatregelpakketten met hun terugverdientijd en een indicatie van
hun gevolgen voor de kwaliteit van de binnenlucht, het thermisch
comfort en de kans op condensatie op en in de constructie;
6. Huidige energieverbruik;
7. Verwacht energieverbruik;
8. De terugverdientijd van de voorgestelde maatregelpakketten.
F. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bestaande
woningen
Energieprestatieverbetering van bestaande woningen voor het
verbeteren van de energieprestatie, bestaande uit een pakket van
energie-investeringen, zoals vastgelegd in ISSO 82.2
(Energieprestatie Advies Woningen, maatwerkadvies).
De energieprestatie van de woning moet door het pakket van
energie-investeringen:
a. voldoen aan minimaal label B, waarbij de energie-index maximaal
1,30 bedraagt, of
b. met minimaal twee labels verbeteren.
Voor investeringen die deel uitmaken van het pakket van
energie-investeringen die ook zijn omschreven onder A.1.2.I.,
A.1.2.J., A.2.1.A., A.2.1.B. zijn de technische eisen die aan deze
bedrijfsmiddelen worden gesteld eveneens van toepassing. Als in het
pakket van energie-investeringen een warmtepomp is opgenomen dan
geldt:
- een elektrisch aangedreven warmtepomp met voor water/water
systemen een COP ≥ 3,8 bij een conditie van W10/W45 bepaald conform
NEN-EN 14511 en, voor het geval de warmtepomp ook een bijdrage
levert aan de verwarming van tapwater, ten behoeve van de
verwarming van tapwater een COP ≥ 2,4. De warmtepomp is bestemd als
hoofd- of basisverwarming van een woning en niet primair gericht op
actieve koeling of verwarming van tapwater;
- een elektrisch aangedreven warmtepomp met voor brine/water
systemen een COP ≥ 3,0 bij een conditie van B0/W45 bepaald conform
NEN-EN 14511 en, voor het geval de warmtepomp ook een bijdrage
levert aan de verwarming van tapwater, ten behoeve van de
verwarming van tapwater een COP ≥ 2,4. De warmtepomp is bestemd als
hoofd- of basisverwarming van een woning en niet primair gericht op
actieve koeling of verwarming van tapwater;
- een gasgedreven warmtepomp met een minimum thermisch vermogen van
25 kWth, en een PER ≥ 1,4 ten behoeve van ruimteverwarming, bepaald
conform NEN-EN 12309, bij de testcondities die overeenkomen met het
systeemontwerp en die warmte onttrekt aan (buiten)lucht, bodem,
grondwater of oppervlaktewater. De warmtepomp is bestemd als hoofd-
of basisverwarming van een woning en niet primair gericht op
actieve koeling of verwarming van tapwater;
- een elektrisch aangedreven lucht/water warmtepomp met een COP ≥
3,6 bepaald conform NEN-EN 14511, bij de testconditie A7/W35 voor
warmtepompen op buitenlucht of A20/W45 voor warmtepompen op
ventilatielucht. De warmtepomp dient als hoofd- of basisverwarming
van een woning en mag niet primair gericht zijn op actieve koeling
of verwarming van tapwater.
Het investeringsbedrag dat voor Energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt maximaal
€ 15 000 per woning.
1. Bij de investeringen voor de technische voorzieningen als
omschreven in artikel 1 dient de
energiebesparing voor de investeringen onder:
A.1.1.A, A.1.2.A, A.1.3.A, A.2.2.A, A.3.1.A, A.3.2.A, A.4.1.A,
A.4.2.A en A.4.3.A ten
minste 0,2 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde
euro te bedragen, maar niet
meer dan 1,0 Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per
geïnvesteerde euro;
B.1.1.A, B.1.2.A, B.1.3.A, B.2.1.A, B.3.1.A, B.3.2.A, B.4.1.A,
B.4.2.A en B.4.3.A ten minste 0,6
Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro te
bedragen, maar niet meer dan 1,5
Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde euro;
C.1.1.A, C.1.2.A, C.1.3.A, C.2.1.A, C.2.2.A, C.3.1.A, C.4.1.A,
C.4.2.A en C.4.3.A ten minste 0,2
Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde
euro te bedragen, maar niet meer dan 0,8
Nm3 aardgasequivalent (a.e.) per jaar per geïnvesteerde
euro.
2. Bij het berekenen van de energiebesparing per geïnvesteerde euro voor technische voorzieningen dient geen rekening te worden gehouden met verkregen subsidies of andere bijdragen van derden.
3. Als referentie voor de berekening van de energiebesparing
dient bij aanpassingen aan bestaande bedrijfsgebouwen, aanpassingen
aan of vervanging van bestaande processen en aanpassingen aan of
vervanging van bestaande transportmiddelen het historisch
energiegebruik. Bij nieuwe processen, nieuwe bedrijfsgebouwen en
nieuwe transportmiddelen dient het in de betreffende branche
gemiddeld gangbare energiegebruik bij soortgelijke nieuwe
investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie.
Indien er sprake is van uitbreiding van een bestaand proces, wordt
het uitbreidingsgedeelte gezien als een nieuw proces waarvoor als
referentie voor de berekening van de energiebesparing het in de
betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij
soortgelijke nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen
dient te worden genomen.
Onder het historisch energiegebruik wordt verstaan het totale
energiegebruik gemeten over een representatieve periode,
voorafgaand aan het moment van investeren, waarin het
bedrijfsmiddel onder ontwerpomstandigheden is gebruikt, en
gebaseerd op de oorspronkelijke specificaties van het
bedrijfsmiddel.
4. Bij de berekening van de energiebesparing wordt de besparing
door verlaging van het primaire
energiegebruik per eenheid product door toepassing van
groeibevorderende stoffen of
groeibevorderende voorzieningen voor levende organismen buiten
beschouwing gelaten.
5. Wanneer de energiebesparing bij een aanpassing aan een bestaand proces het rechtstreekse gevolg is van een significant gewijzigde product- of grondstofspecificatie dan dient niet het historische energiegebruik, maar het in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij soortgelijke nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen als referentie te worden genomen.
6. De bovenstaande systematiek is ook van toepassing indien een
besparing plaatsvindt op de
fossiele brandstoffen, aardgas, aardolie of steenkool die als
grondstof worden ingezet en wordt
voldaan aan de gestelde besparingsnormen in lid 1.
Ook geldt dit indien wordt bespaard op waterstof die als grondstof,
secundaire hulpstof of
brandstof wordt ingezet en wordt voldaan aan de gestelde
besparingsnormen in lid 1.
De systematiek is daarnaast ook van toepassing indien een besparing
op fossiele brandstoffen
plaatsvindt door vloeibare- of gasvormige zuurstof of vloeibare- of
gasvormige stikstof of
vloeibare CO2 die als hulpstof worden ingezet en wordt voldaan aan
de gestelde
besparingsnormen in lid 1.
7. Onder bedrijfsgebouwen omschreven onder A wordt verstaan gebouwen die gebruikt worden voor bedrijfsdoeleinden, met uitzondering van (recreatie)woningen en tuinbouwkassen. Investeringen in of voor tuinbouwkassen moeten voldoen aan de vereisten genoemd onder B voor investeringen ten behoeve van processen.
8. Ten aanzien van de investeringen omschreven onder D moeten
deze voorzieningen er toe
strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door voor
ten minste 70 % van de
energie-inhoud gebruik te maken van duurzame energie. Onder
duurzame energie valt: zonne-energie, windenergie, waterkracht, het
benutten of opslaan van omgevingswarmte en biomassa.
9. Voor investeringen, die naar aard, toepassing en gebruik
overeenkomen met een nader
omschreven investering, zijn de eisen die worden gesteld aan zo’n
nader omschreven
investering van toepassing.
Dit geldt voor:
A.1.1.B.; A.1.2.B tot en met A.1.2.K; A.2.1.A tot en met A.2.1.C;
A.3.1.B.; A.4.2.B tot en met
A.4.2.E;
B.1.1.B.;B.1.2.B tot en met B.1.2.O.;B.1.3.B.; B.2.1.B.;B.3.1.B;
B.4.2.B;
C.1.2.B; C.1.3.B tot en met C.1.3.E; C.2.1.B;
D.1.1.B; D.1.1.C; D.2.1.A; D.2.1.B; D.3.1.B; D.4.1.A tot en met
D.4.1.C; D.5.1.A tot en met D.5.1.D.
10. Indien bij de in lid 9 genoemde nader omschreven investeringen de omschrijving zich beperkt tot de bestaande situatie, zijn investeringen die geen betrekking hebben op de bestaande situatie, uitgesloten van Energie-investeringsaftrek.
11. Een warmtebuffer of (rest)warmteopslagvat die niet hoofdzakelijk bestemd is voor het opslaan van (rest)warmte vrijkomend bij bedrijfsmiddelen genoemd onder A.1.2.B, A.1.2.C., A.3.2.A, B.1.2.D., B.3.1.B., B.3.2.A., D.1.1.C, D.4.1.A., D.4.1.B., D.4.1.C, D.5.1.A. en D.5.1.B. is uitgesloten van Energie-investeringsaftrek.
Bij de berekening van de besparing gelden de volgende
omrekenfactoren:
– 1 kWh elektrische energie komt overeen met 0,26 Nm3
aardgasequivalent (a.e.);
– 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 Nm3
aardgasequivalent (a.e.);
– 1 ton stookolie komt overeen met 1300 Nm3
aardgasequivalent (a.e.);
– 1 ton steenkool komt overeen met 925 Nm3
aardgasequivalent (a.e.);
– 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 Nm3
aardgasequivalent (a.e.);
– 1 liter LPG ten behoeve van wegvervoer komt overeen met 0,95
Nm3 aardgasequivalent (a.e.);
– 1 liter diesel ten behoeve van wegvervoer komt overeen met 1,13
Nm3 aardgasequivalent
(a.e.);
– 1 liter benzine ten behoeve van wegvervoer komt overeen met 1,04
Nm3 aardgasequivalent
(a.e.);
– 1 kilogram gasvormig waterstof komt overeen met 4,0
Nm3 aardgasequivalent (a.e.);
– 1 ton gasvormige zuurstof komt overeen met 104 Nm3
aardgasequivalent (a.e.)
– 1 ton gasvormige stikstof komt overeen met 65 Nm3
aardgasequivalent (a.e.)
– 1 ton vloeibare zuurstof komt overeen met 260 Nm3
aardgasequivalent (a.e.)
– 1 ton vloeibare stikstof komt overeen met 208 Nm3
aardgasequivalent (a.e.)
– 1 ton vloeibare kooldioxide (CO2) komt overeen met 49
Nm3 aardgasequivalent (a.e.)
– 1 Nm3 niet-Gronings aardgas komt overeen met X Nm3
aardgasequivalenten (a.e.)
Hierbij wordt X berekend door de onderste verbrandingswaarde in
MJ/Nm3 van het ingezette
aardgas te delen door 31,65 MJ/Nm3.
Indien wordt bespaard op een brandstof die niet is genoemd in de
voorgaande opsomming, dient de omrekenfactor bepaald te worden door
de onderste verbrandingswaarde van deze stof in MJ per eenheid
gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm3.
1. De voorwaarden als bedoeld in artikel 3.42, vijfde lid, van
de wet waaronder de kosten van
een daar bedoeld advies inzake energiebesparende maatregelen kunnen
worden begrepen
onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een
energie-investering, zijn:
a. de energie-investering vindt
plaats binnen 24 maanden na het tijdstip waarop de opdracht tot
het advies is verstrekt;
b. de energie-investering is aanbevolen in het advies;
c. de kosten van het advies worden niet tevens toegerekend aan
andere energie-investeringen;
en
d. artikel 3.46, eerste lid, onderdeel a, b, en d van de wet en
artikel 8, zevende lid, onderdeel b
en c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. Bij een gecombineerd energie-milieuadvies wordt 50% van de totale advieskosten toegerekend aan het energie-advies.
3. Bij de berekening van de energiebesparing per geïnvesteerde
euro voor investeringen als
bedoeld in artikel 2, blijven bij het geïnvesteerde bedrag de
kosten van het energie-advies buiten
beschouwing.
4. Een object is een bestaand totaal bedrijfsgebouw of een bestaand totaal proces dat apart bemeterd is voor energiedragers.
Voor investeringen onder A.5 Energieprestatieverbetering van
bestaande bedrijfsgebouwen en F. Investeringen ten behoeve van
energiebesparing in bestaande huurwoningen geldt dat op het moment
van melden alle noodzakelijke investeringsverplichtingen, waarmee
wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd onder A.5 en F, moeten
zijn aangegaan.
Algemeen
De energie-investeringsaftrek (EIA) biedt ondernemers die
investeren in energiebesparende bedrijfsmiddelen, of onderdelen
daarvan, een fiscaal voordeel. Jaarlijks vindt aanpassing van de
regeling aan de stand van de techniek plaats.
Voor de goede orde zij er op gewezen dat het van toepassing
verklaren van de energie-investeringsaftrekregeling voor de
Nederlandse Antillen en Aruba in een afzonderlijke Ministeriële
regeling is neergelegd.
De ontwerpregeling is op 7 december 2009 onder notificatienummer
2009/0648/NL voorgelegd aan de Europese Commissie ingevolge de
Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure
op het gebied van normen en technische voorschriften en regels
betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204),
zoals gewijzigd bij richtlijn nl. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L
217).
Met betrekking tot investeringen waarvoor een bepaalde vergunning noodzakelijk is, wordt in de tot 1 januari 2010 geldende tekst van de regeling geëist dat die vergunning op het moment van melden van de investering afgegeven moeten zijn. Dit is gedaan om te voorkomen dat recht op EIA ontstaat voor (ver) in de toekomst liggende investeringen ten nadele van investeringen die op korte termijn worden uitgevoerd en dus ook op korte termijn tot energiebesparing leiden. Het blijkt dat deze eisen een belemmering kunnen vormen bij projecten waar al vroeg investeringen worden gedaan, bijvoorbeeld in verband met lange levertijden. Om deze belemmeringen zoveel mogelijk te voorkomen worden vanaf 1 januari 2010 alleen nog eisen gesteld aan bedrijfsmiddelen waarbij een zeer premature melding een reëel risico is. In het vervolg dient een milieuvergunning te zijn afgegeven op het moment van melden van een investering in een afvalgestookte installatie, een warmtekrachtinstallatie met een zuigermotor vanaf 1 MW elektrisch, een warmtekrachtinstallatie anders dan met behulp van een zuigermotor, een warmtekrachtinstallatie gestookt met biomassa of een biobrandstof productie-installatie. Voor een windturbine die op land wordt geplaatst dient op het moment van melden een bouwvergunning te zijn afgegeven. Voor een windturbine die op zee wordt geplaatst dient de belastingplichtige op het moment van melden houder te zijn van een SDE-beschikking. Bij de SDE wordt getoetst op het aanwezig zijn van de benodigde vergunningen.
In de vanaf 1 januari 2010 geldende tekst van bijlage 1 van de
Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001, die als
bijlage bij de onderhavige regeling is opgenomen, zijn de
investeringen opgenomen die na inwerkingtreding van deze regeling
in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek.
De wijze van berekenen van de energiebesparing bij de niet nader
omschreven investeringen is scherper geformuleerd. Er is een
definitie opgenomen voor het historisch energiegebruik. Verder is
toegelicht hoe de energiebesparing berekend dient te worden bij de
uitbreiding van een bestaand proces. Ook is vastgelegd dat wanneer
de energiebesparing bij een aanpassing aan een bestaand proces het
rechtstreekse gevolg is van een significant gewijzigde product- of
grondstofspecificatie niet het historische energiegebruik, maar het
in de betreffende branche gemiddeld gangbare energiegebruik bij
soortgelijke nieuwe investeringen bij vergelijkbare toepassingen
als referentie dient te worden genomen.
Om de vermogensgrenzen die bij de warmtekrachtinstallatie worden
genoemd goed te definiëren is een definitie opgenomen van de manier
waarop het elektrisch vermogen bepaald dient te worden.
Warmtekrachtinstallaties met een elektrisch vermogen kleiner dan 60
kW zijn relatief duur. Om hier rekening mee te houden is een aparte
categorie opgenomen binnen de warmtekrachtinstallaties voor
installaties met een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan 60
kW, waarbij het maximum bedrag dat voor EIA in aanmerking komt €
1500 per kW bedraagt.
Zowel warmtepompen, aquifers als grondwarmtewisselaars die worden
gebruikt in collectieve systemen voor het verwarmen en eventueel
koelen van meerdere woningen kunnen nu in aanmerking komen voor
EIA. De energielijst is aangepast om naast het gebruik van aquifers
nu ook grondwarmtewisselaars als duurzame warmtebron bij
collectieve systemen voor het verwarmen en eventueel koelen van
woningen in aanmerking te laten komen. Voorwaarde is dat de
investeringen geen deel mogen uitmaken van de woningen zelf.
Warmtepompen, aquifers en grondwarmtewisselaars die wel deel
uitmaken van woningen komen niet in aanmerking voor EIA, omdat de
wet inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting waarop de EIA is
gebaseerd woningen uitsluit.
Het warmte- of koudeterugwinningssysteem voor bestaande
bedrijfsgebouwen is uitgebreid met een radiator met
ventilatiedoorvoer door de buitenmuur en ingebouwde
warmteterugwinning.
Bij de fluorescentielampen van het energie-efficiënt
verlichtingssysteem is de eis opgenomen dat het om T5
high-efficiency (HE) lampen moet gaan. Verder is bij het
energie-efficiënt verlichtingssysteem een onderdeel opgenomen voor
opwaarderen van bestaande binnenverlichting door het toepassen van
HF-technologie.
Het onderdeel noodverlichtingsarmaturen van het
LED-verlichtingssysteem is uitgebreid met
vluchtwegsignaleringsarmaturen en bewegwijzeringsarmaturen.
Voor vluchtwegsignalering is ook een aparte omschrijving opgenomen
voor armaturen die voorzien zijn van met tritiumgas gevulde
buisjes.
Bij de isolatie van koelruimten is de eis die wordt gesteld aan de
warmteweerstand van het isolatiemateriaal verhoogd van 5,2
m2K/W naar 6,2 m2K/W. Omdat het
isolatiemateriaal dat hieraan voldoet duurder is, is het maximum
bedrag dat voor EIA in aanmerking komt verhoogd van € 20 per
m2 naar € 25 per m2.
Professionele vrieskasten hoeven niet meer voorzien te zijn van
geforceerde ventilatie, omdat er ook andere, energiezuinige
varianten beschikbaar zijn. De maximale netto inhoud van de kasten,
die in aanmerking komen, is verhoogd van 1.000 liter naar 1.500
liter. Hierdoor zijn grotere energiezuinige uitvoeringen niet
langer uitgesloten.
Door de ontwikkelingen op het gebied van UPS en de toename in het
gebruik van ICT apparatuur is ervoor gekozen om een energiezuinige
UPS in de regeling op te nemen. Omdat de prestatie van deze
apparatuur afhankelijk is van het vermogen is bij het maximaal
toegestane warmteverlies onderscheid gemaakt tussen verschillende
vermogensklassen.
Condensatoren voor het verminderen van elektriciteitsverliezen
worden al jaren generiek gemeld. Bij nieuwe processen wordt dit
beschouwd als gangbaar en daarom is het toepassen van condensatoren
bij bestaande processen nu in de regeling opgenomen.
Voor de tuinbouw is een LED-belichtingssysteem voor daglichtdichte
ruimten of bij meerlagenteelt in tuinbouwkassen aan de regeling
toegevoegd. Deze innovatieve techniek is inmiddels doorontwikkeld
tot een bewezen techniek die energiezuiniger is dan de gangbare
wijze van belichten.
Voor de levering van CO2 aan tuinbouwkassen is naast de
transportleiding nu ook de compressor voor het transport van
CO2 in de regeling opgenomen.
Voor binnenvaartschepen zijn hydrodynamische ankerkluizen en ankers
aan de regeling toegevoegd. De kluizen met ankers verlagen de
vaarweerstand doordat het anker in ingetrokken toestand het
kluisgat volledig afdicht en één geheel vormt met de huid van het
schip. Het maximum bedrag dat voor EIA in aanmerking komt, is € 20
000 per combinatie van ankerkluis en anker.
De biobrandstofproductie-installatie is uitgebreid met een
fermentatiereactor voor het fermenteren van C5 en C6 suikers naar
bio-ethanol. Hierdoor wordt de ontwikkeling die plaatsvindt met
betrekking tot innovatieve technieken voor de productie van
biobrandstoffen uit houtachtige en celluloseachtige stromen uit
biomassa extra ondersteund met EIA.
De omschrijving voor wielnaafmotoren is verwijderd, omdat hiervan
geen gebruik werd gemaakt. Daarbij komt dat de
milieu-investeringsaftrek mogelijkheden biedt voor de
elektrificatie van transportmiddelen.
Het is niet langer nodig om de gasverwarmde wasdroger in de
regeling op te nemen. Indien deze investering voldoet aan de
besparingsnorm kan deze generiek worden aangevraagd.
Tot slot zijn ter verduidelijking enige redactionele wijzigingen
toegevoegd.
Volledigheidshalve zij nog opgemerkt, dat voor investeringen die
naar aard, toepassing en gebruik overeenkomen met een nader
omschreven investering de eisen die worden gesteld aan zo’n nader
omschreven investering van toepassing zijn. Het is derhalve niet zo
dat bij deze investeringen kan worden teruggevallen op de niet
nader omschreven investering.
De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010. Op
grond van artikel 3.51 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn de
in deze regeling opgenomen wijzigingen uitsluitend van toepassing
op verplichtingen die zijn aangegaan of voortbrengingskosten die
zijn gemaakt op of na 1 januari 2010.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager