U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
De Staatssecretaris van Financiën,
Handelende wat artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister
van Verkeer en Waterstaat.
Handelende wat artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001
betreft, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;
Handelende wat de artikelen 15c en 17 van de Wet op de
loonbelasting 1964 betreft in overeenstemming met de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 2.14a, 3.13, eerste lid, onderdeel i, 3.34,
3.38, 3.55, 3.56, 3.57, 3.87, 4.17a, vijfde en negende lid, 4.17b,
vierde lid, 4.17c, vierde lid, 4.41, 6.15, 6.17, 6.33, vijfde lid,
en 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 14 en 14a
van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, artikel 2,
tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering
waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, de artikelen 11a,
13bis, zevende en zeventiende lid, 15c, 17, tweede lid, 19a, 19g,
28, aanhef en onderdeel c, en 33, tweede lid, aanhef en onderdeel
a, van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 6, derde lid,
en 14, negende lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting
en premie volksverzekeringen, de artikelen 9, eerste lid, onderdeel
f, 13, twaalfde lid, onderdeel b, onder 1°, en onderdeel c, onder
1°, 14a, 14b en 23c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969,
de artikelen 4, 4e, 4f, 10, 10a en 10b van de Wet op de
dividendbelasting 1965, de artikelen 1a, 16, 17, 32 en 35b tot en
met 35e van de Successiewet 1956, de artikelen 2, derde lid,
onderdeel b, en vierde lid, 3, tweede lid, 6, 13, 21k, 31, 30f,
zesde lid, 38, 39, 53, tweede lid, 56, 67 en 84 van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, de artikelen 2, eerste lid, onderdeel i,
5, tweede lid, 25, 26, 29, 31, 63a en 67 van de Invorderingswet
1990, artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene
douanewet, artikel 10 van de Registratiewet, artikel 2, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij
de heffing van belastingen, artikel 17, tweede lid, van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen, artikel 14 van de Wet
openbaarheid van bestuur en de artikelen XXXIII en XXIVA van het
Belastingplan 2010, de artikelen 28i, 28p, 32f, tweede lid, 32h en
32i van de Wet op de omzetbelasting 1968, de artikelen 10, zesde
lid en 14a, vierde lid, van de Wet op de belasting van
personenauto’s en motorrijwielen 1992, de artikelen 1:3, eerste
lid, onderdeel c, 2:1, 6:3, 9:5, 10:11 Algemene douanewet, artikel
2:2 van het Algemeen douanebesluit, de artikelen 27, zevende lid,
37, tweede lid, 38, 42a, vierde lid, 63, 64, tweede lid, 70, zesde
lid, 71e, vierde lid, 71f, vierde lid, 71g, eerste lid, 75, derde
lid, 78, van de Wet op de accijns, artikel 12 van het
Uitvoeringsbesluit accijns, artikel VIIIA van de Wijziging van de
Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten, de artikelen 10,
derde lid, 15, tweede lid, en 35, tweede lid, van de Wet op de
verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere
produkten, de artikelen 71, tweede lid, artikel 80, van de Wet
belastingen op milieugrondslag, artikel 28i van het
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag;
Besluit:
De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt
gewijzigd:
A. In artikel 1, eerste lid, wordt “2.14, 3.10”
vervangen door "2.14, 2.14a, 3.10" en wordt “3.27, 3.63”
vervangen door “3.27, 3.55, 3.56, 3.57, 3.63”. Voorts wordt “4.14,
4.51” vervangen door “4.14, 4.17a, 4.17b, 4.17c, 4.41, 4.51” en
wordt “9.2 en 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001” vervangen
door “9.2, 9.4 en 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de
artikelen 14 en 14a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting
2001 en artikel XXXIII van het Belastingplan 2010”.
B. Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
1. Degene die als begunstigde een juridisch afdwingbaar recht
heeft ten laste van een afgezonderd particulier vermogen, wordt in
zoverre in de belastingheffing betrokken.
2. Indien aan twee of meer personen de bezittingen en schulden
alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier
vermogen worden toegerekend, wordt bij deze toerekening aangesloten
bij de waarde van hetgeen ten tijde van de afzondering door ieder
van de bedoelde personen of hun rechtsvoorgangers is afgezonderd in
de zin van artikel 2.14a, derde lid, van de wet. Met uitkeringen
uit het vermogen van het afgezonderd particulier vermogen wordt op
overeenkomstige wijze rekening gehouden.
3. Ingeval bij een afzondering van vermogen in een afgezonderd
particulier vermogen niet bekend is welk vermogen door iemand is
afgezonderd, vindt toerekening van dit vermogen plaats naar rato
van het aantal personen dat vermogen daarin heeft afgezonderd.
4. Onder het onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke
voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect,
afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier
vermogen, bedoeld in artikel 2.14a, derde lid, onderdeel a, van de
wet, wordt mede verstaan:
a. het vervreemden van
vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen
tegen een prijs die afwijkt van de waarde in het economische
verkeer;
b. het bedingen van voorwaarden bij het vervreemden van
vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen die
niet overeenkomen met voorwaarden die in het maatschappelijk
verkeer gebruikelijk zijn;
c. het inbrengen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd
particulier vermogen waarbij de inbreng en daarmee samenhangende
rechtshandelingen gericht zijn op of direct of indirect verband
houden met het ontgaan of uitstellen van de toerekening, bedoeld in
artikel 2.14a, eerste lid, van de wet.
5. Bezittingen en schulden van een afgezonderd particulier vermogen worden in aanmerking genomen naar de waarde in het economisch verkeer die zou gelden als deze bezittingen en schulden deel zouden uitmaken van het vermogen van degene aan wie de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend.
6. De erfgenaam die gebruik wil maken van de tegenbewijsregeling, bedoeld in artikel 2.14a, zesde lid, van de wet, dient ten minste de volgende gegevens aan de inspecteur over te leggen:
a. een beschrijving van het soort
afgezonderd particulier vermogen en land van vestiging;
b. de oprichtingsakte van het afgezonderd particulier vermogen
inclusief bijlagen (zoals instructies, reglementen, letter of
wishes, statuten);
c. de meest actuele jaarstukken van het afgezonderd particulier
vermogen over minimaal drie jaren;
d. naam- en adresgegevens van de inbrenger van het vermogen en van
de overige erfgenamen;
e. alle overige stukken waaruit blijkt dat de bedoelde erfgenaam
geen begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen en dit
in de toekomst ook nooit kan worden.
C. Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Als mobiliteitsprojecten in het kader van het project Anders betalen voor mobiliteit als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de wet worden aangewezen:
a. Spitsmijden A15 als bedoeld in het
Uitvoeringsconvenant Spitsmijden A15 (Stcrt. 2009, 14);
b. Mobiliteitsproject ‘Prijsprikkels door Bedrijven voor de
Bereikbaarheid van Haaglanden’ als bedoeld in het
Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject ‘Prijsprikkels door
Bedrijven voor de Bereikbaarheid van Haaglanden’ (Stcrt. 2009,
10581);
c. Betaald Rijden Proef Stadsregio Amsterdam als bedoeld in het
Uitvoeringsconvenant mobiliteitsproject Proef Betaald Rijden
(Amsterdam) (Stcrt. 2009, 11593);
d. Mobiliteitsproject regio Eindhoven-’s-Hertogenbosch als bedoeld
in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject regio
Eindhoven-’s-Hertogenbosch (Stcrt. 2009, 11790);
e. Mobiliteitsprojecten SLIM Prijzen en SLIM Prijzen Waalbrug als
bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsprojecten SLIM
Prijzen en SLIM Prijzen Waalbrug (Stcrt. 2009, 18102), en
f. Mobiliteitproject Beloningsmaatregel Utrecht Oost als bedoeld in
het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject Beloningsmaatregel
Utrecht Oost (Stcrt. 2009, 18120).
D. Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Voor de toepassing van de artikelen 3.55, tweede en vijfde lid,
3.56, tweede lid, 3.57, tweede lid, en 4.41, tweede en derde lid,
van de wet en de artikelen 14, derde lid, en 14a, tweede lid, van
het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 worden van de staten
die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.
E. In artikel 16, tweede lid, wordt “elfde lid”
vervangen door: negende lid.
F. Na artikel 26 worden vier artikelen ingevoegd,
luidende:
1. Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, artikel 4.17b, tweede lid, of artikel 4.17b, derde lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de erflater.
2. Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, of artikel 4.17c, eerste lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de vervreemder.
1. Onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de wet wordt ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet, een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet.
2. Aan het gestelde in artikel 4.17a, vierde lid, onderdeel a, van de wet wordt ook geacht te zijn voldaan indien de daar bedoelde preferente aandelen worden verkregen van een rechtsopvolger krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht van degene die de aandelen heeft omgezet als bedoeld in genoemd onderdeel.
3. Indirect gehouden preferente aandelen zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde lid, laatste volzin, van de wet indien:
a. de preferente aandelen een
omzetting vormen van een eerder door de erflater gehouden indirect
belang van gewone aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde
lid, onderdelen a en b, van de wet;
b. de omzetting in preferente aandelen gepaard is gegaan met het
toekennen van gewone aandelen aan een ander;
c. ten tijde van de omzetting in preferente aandelen de
vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een
onderneming dreef als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid,
onderdeel a, van de wet, of een medegerechtigdheid hield als
bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel b, van de wet, en
d. de verkrijger van de indirect gehouden preferente aandelen reeds
voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of indirect
aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel
b.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in de eerste volzin ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet, een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet. Voorts wordt daaronder ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
4. Indien preferente aandelen zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, derde de lid of vijfde lid, van de wet, dan behouden deze aandelen het karakter dat zij in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c, van die wet voor zover de houder van deze preferente aandelen ook houder is van de gewone aandelen die bij het ontstaan van de preferente aandelen zijn toegekend aan de bedrijfsopvolger.
5. Voor de bepaling of de verkrijger van de preferente aandelen voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d, van de wet worden de preferente aandelen niet gerekend tot het geplaatste kapitaal. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voor de toepassing van het derde lid, eerste volzin, onderdeel d.
1. Aan de in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, van de wet
bedoelde termijn van 36 maanden wordt geacht te zijn voldaan indien
zich na het aangaan van de aldaar bedoelde dienstbetrekking een
omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid.
2. Het eerste lid is van toepassing indien de vervreemder:
a. door ziekte of gebreken gedurende
ten minste één jaar niet in staat is, of vermoedelijk niet in staat
zal zijn, om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en
geestelijk gezonde personen die overigens in gelijke omstandigheden
verkeren, kunnen verdienen;
b. in staat van faillissement is verklaard;
c. surséance van betaling heeft aangevraagd, of
d. onder curatele is gesteld.
Aan de in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, van de wet
bedoelde voorwaarde wordt geacht ook te zijn voldaan indien:
a. de vennootschap waarop de aandelen
of winstbewijzen betrekking hebben, een belang heeft in een ander
lichaam;
b. dat andere lichaam een onderneming drijft of een
medegerechtigdheid houdt, een en ander als bedoeld in artikel
4.17c, eerste lid, onderdeel a, van de wet, en
c. de verkrijger reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk
voorafgaan aan het tijdstip van de vervreemding in dienstbetrekking
is van dat andere lichaam.
G. Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt “€ 290” vervangen door: €
295.
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt “€ 350” vervangen door: € 355.
3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt “€ 410” vervangen door: € 415.
4. In het eerste lid, onderdeel d, wordt “€ 350” vervangen door: € 355.
5. In het tweede lid, onderdeel a, wordt “€ 700” telkens vervangen door: € 710.
6. In het tweede lid, onderdeel b, wordt “€ 1050” telkens
vervangen door: € 1065.
H. Artikel 37 komt te luiden:
1. De extra kosten van een op voorschrift van een arts of een
diëtist gehouden dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid,
onderdeel f, en zevende lid, van de wet, worden bepaald aan de hand
van de navolgende tabel:
|
Voor het dieet bij het ziektebeeld en de aandoening
|
op welk dieet de in deze kolom genoemde typering van toepassing is |
bedragen
|
|
|---|---|---|---|
|
Algemene symptomen
|
groeiachterstand bij kinderen
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt
|
€ 950
|
|
|
|
energieverrijkt
|
€ 650
|
|
|
ondervoeding
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt
|
€ 950
|
|
|
|
energieverrijkt
|
€ 650
|
|
|
decubitus
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt
|
€ 950
|
|
Hypertensie en hartziekten
|
decompensatio cordis, hartfalen
|
natriumbeperkt
|
€ 100
|
|
Infectieziekten
|
aids
|
energieverbruik in combinatie met eitwitverrijkt
|
€ 950
|
|
Luchtwegen
|
chronische obstructieve longziekten (COPD)
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt
|
€ 950
|
|
|
|
energieverijkt
|
€ 650
|
|
Maag-, darm- en leverziekten
|
dumping syndroom
|
lactosebeperkt
|
€ 100
|
|
|
chronische pancreatitis
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt
|
€ 650
|
|
|
cystic fibrosis
|
energieverrijkt
|
€ 650
|
|
|
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt
|
€ 950
|
|
|
coeliakie en ziekte van Dühring
|
glutenvrij
|
€ 1400
|
|
|
|
glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt
|
€ 1500
|
|
|
overige (inclusief short bowel, leverziekten)
|
energieverrijkt
|
€ 650
|
|
|
|
energieverrijkt in combinatie met MCT verrijkt (met en zonder
vitaminepreparaat
|
€ 1350
|
|
|
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt
|
€ 950
|
|
|
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en |
€ 1150
|
|
Metabole ziekten
|
hypercholesterolemie
|
verzadigd vetbeperkt in combinatie met
fyto/plantensterolenvrrijkt
|
€ 100
|
|
|
vetstofwisselingsstoornis
|
vetbeperkt in combinatie met MCT-vet verrijkt
|
€ 800
|
|
|
fructose intolerantie
|
fructosebeperkt
|
€ 50
|
|
|
galactosemie
|
galactosevrij
|
€ 50
|
|
|
sacharase isomaltase deficiëntie
|
sterk sacharosebeperkt, in combinatie met (iso) maltosebeperkt
|
€ 3750
|
|
|
eiwitstofwisselingsstoornis (zoals PKU en hyperlysinemie)
|
sterk eiwitbeperkt
|
€ 2700
|
|
Nierziekten
|
nierziekten
|
natriumbeperkt
|
€ 100
|
|
|
chronische nierinsufficiëntie met hemodialyse
|
eiwitverrijkt in combinatie met natriumbeperkt
|
€ 250
|
|
|
nefrotisch syndroom
|
natriumbeperkt
|
€ 100
|
|
Oncologie
|
oncologie
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt
|
€ 950
|
|
|
energieverrijkt
|
€ 650
|
|
|
Overige
|
voedselovergevoeligheid
|
koemelkeiwitvrij
|
€ 100
|
|
|
|
soja-eiwitvrij
|
€ 50
|
|
|
|
kippenei-eiwitvrij
|
€ 50
|
|
|
|
lactosebeperkt
|
€ 100
|
|
|
|
tarwevrij
|
€ 1000
|
|
|
|
tarwevrij in combinatie met kippenei-eitwitvrij |
€ 1100
|
|
|
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij
|
€ 150
|
|
|
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met
|
€ 250
|
|
|
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij en
soja-eiwitvrij
|
€ 300
|
|
|
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met kippeneieiwitvrij, soja-eiwit
en
|
€ 1250
|
|
|
|
koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij
|
€ 1400
|
|
|
brandwonden
|
energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt
|
€ 950
|
|
|
lymfe lekkage
|
eiwitverrijkt in combinatie met sterk (LCT-) vetbeperkt en
MCT-vet verrijkt
|
€ 1100
|
|
|
epilepsie
|
sterk eiwitbeperkt en koolhydraatbeperkt in combinatie met
vetverrijkt en
|
€ 550
|
Voor overige diëten worden de extra kosten gesteld op nihil.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. referentievoeding: een gezonde
voeding conform een Nederlands voedingspatroon, gebaseerd op de
Richtlijnen Goede Voeding en Richtlijnen Voedselkeuze;
b. energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt: een
voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van
de referentievoeding en een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van
ten minste 15% van de hoeveelheid energie;
c. energieverrijkt: een voorgeschreven energiebehoefte van ten
minste 125% ten opzichte van de referentievoeding;
d. natriumbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 2000 mg natrium
per etmaal;
e. lactosebeperkt: een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram
per etmaal;
f. glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt: glutenvrij en een
voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;
g. energieverrijkt in combinatie met MCT-vet verrijkt: een
voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van
de referentievoeding en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van
ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;
h. energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en
lactosebeperkt: een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste
125% ten opzichte van de referentievoeding, een voorgeschreven
hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de hoeveelheid energie en
een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;
i. verzadigd vetbeperkt in combinatie met
fyto/plantensterolenverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid
verzadigd vet die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid
energie en een voorgeschreven hoeveelheid plantaardige stanolen of
van plantaardige sterolen van ten minste 2 gram per etmaal;
j. vetbeperkt in combinatie met MCT-vet verrijkt: een
voorgeschreven hoeveelheid vet die voorziet in niet meer dan 15%
van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven hoeveelheid
MCT-vet van ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;
k. fructosebeperkt: een voorgeschreven fructosebeperking tot 2 gram
per etmaal;
l. sterk eiwitbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 10 gram
eiwit per etmaal;
m. eiwitverrijkt in combinatie met natriumbeperkt: een
voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de
hoeveelheid energie en een voorgeschreven beperking tot 2000 mg
natrium per etmaal;
n. eiwitverrijkt in combinatie met sterk (LCT-)vetbeperkt en
MCT-vet verrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten
minste 15% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven
hoeveelheid vet die voorziet in niet meer dan 10% van de
hoeveelheid energie en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van
ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;
o. sterk eiwitbeperkt en koolhydraatbeperkt in combinatie met
vetverrijkt en MCT-vet verrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid
eiwit die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie,
een voorgeschreven hoeveelheid koolhydraten die voorziet in niet
meer dan 20% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven
hoeveelheid vet van ten minste 70% van de hoeveelheid energie ten
opzichte van de referentievoeding waarvan een voorgeschreven
hoeveelheid MCT-vet van 25% van de hoeveelheid energie.
3. Voor de toepassing van het eerste lid geldt voor:
a. eenzelfde dieettypering die
meerdere keren in aanmerking zou komen éénmaal het bedrag behorende
bij die dieettypering;
b. verschillende dieettyperingen die in aanmerking zouden komen bij
eenzelfde ziektebeeld en aandoening elk van de bij die
dieettyperingen behorende bedragen;
c. deels overeenkomende dieettyperingen bij eenzelfde ziektebeeld
en aandoening, alleen het hoogste van de voor het van toepassing
zijnde ziektebeeld en aandoening geldende bedragen.
4. Ingeval extra uitgaven voor een op voorschrift van een arts of diëtist gehouden dieet niet gedurende het gehele kalenderjaar worden gedaan, worden de met toepassing van het eerste lid bepaalde bedragen naar tijdsgelang herrekend.
5. Een voorschrift als bedoeld in artikel 6.17, achtste lid, van
de wet bevat ten minste:
a. gegevens waaruit blijkt dat degene
die het voorschrift afgeeft medicus of diëtist is;
b. naam, praktijkadres, telefoonnummer en handtekening van de
medicus of diëtist die het voorschrift afgeeft;
c. naam, adres en burgerservicenummer van de persoon aan wie het
dieet is voorgeschreven;
d. het ziektebeeld en de aandoening van de persoon, bedoeld in
onderdeel c, en de dieettypering van het voorgeschreven dieet;
e. de dagtekening van het voorschrift, de ingangsdatum van het te
volgen dieet en indien van toepassing de einddatum van het te
volgen dieet.
I. Artikel 41a wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef van het eerste lid wordt “Een kerkelijke,
levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of
algemeen nut beogende instelling” vervangen door: Een uitsluitend
of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogende instelling.
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt “dat de instelling het
algemeen belang dient” vervangen door: dat de instelling
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient.
J. Na artikel 45a wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op
een te hoog bedrag is vastgesteld, tenzij:
a. zeven jaren zijn verlopen na het
einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking
heeft;
b. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit
jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag
onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van
Financiën anders heeft bepaald;
c. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit
beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn
uitgevaardigd nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is
komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft
bepaald;
d. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit de
omstandigheid dat eerst nadat die belastingaanslag onherroepelijk
vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale
faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of
op een ander wettelijk voorgeschreven moment; of
e. sprake is van enig feit waardoor ten onrechte inkomstenbelasting
is geheven en als gevolg van die heffing een andere belasting, al
dan niet van dezelfde belastingplichtige, ter zake van datzelfde
feit niet is geheven en ook niet meer kan worden geheven, met dien
verstande dat in dat geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt
voor zover het bedrag van de eerstgenoemde belasting het bedrag van
de andere belasting te boven gaat.
K. Na artikel 45c wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Met betrekking tot gevallen waarin het genereren van inkomen uit
sparen en beleggen uit de woning bedoeld in artikel 3.111, tweede
lid, tweede volzin, van de wet reeds is aangevangen vóór 1 januari
2010, blijft artikel 3.111, tweede lid, van de wet, zoals dit
luidde op 31 december 2009, van toepassing, tenzij de
belastingplichtige ermee instemt dat:
a. het gaan genereren van inkomsten
uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 3.111, tweede lid,
tweede volzin, van de wet niet wordt aangemerkt als een
vervreemding als bedoeld in artikel 3.119a van de wet;
b. indien op grond van artikel 3.119b, eerste lid, van de wet een
beschikking eigenwoningreserve is of wordt afgegeven, die
beschikking wordt herzien;
c. indien de woning vanaf enig moment weer belastbare inkomsten uit
eigen woning genereert, dit niet wordt aangemerkt als een
verwerving als bedoeld in artikel 3.119a van de wet.
De Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 wordt als
volgt gewijzigd:
A. Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, wordt “in het kalenderjaar 2009, en het
bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2012 door hem in gebruik wordt
genomen” vervangen door: in het kalenderjaar 2009 of 2010, en het
bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2012, onderscheidenlijk vóór 1
januari 2013, door hem in gebruik wordt genomen.
2. Aan het eerste lid worden twee volzinnen toegevoegd, luidende:
Met betrekking tot een schip waarvoor verplichtingen zijn aangegaan
of voortbrengingskosten zijn gemaakt in het kalenderjaar 2010, is
de eerste volzin slechts van toepassing indien de winst met
betrekking tot dit schip ten minste tot 1 januari 2020 niet wordt
bepaald met toepassing van artikel 3.22 van de wet. De inspecteur
kan voor situaties van een zakelijke vervreemding ontheffing van de
toepassing van de tweede volzin verlenen.
3. In het derde lid wordt “De in het eerste lid genoemde datum van
1 januari 2012” vervangen door: De in het eerste lid genoemde datum
van 1 januari 2012, onderscheidenlijk 1 januari 2013,.
B. Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.
2. In het eerste lid, eerste volzin, wordt “eindigt de periode waarin het bedrijfsmiddel moet voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 13, op 31 december 2011” vervangen door “eindigt de periode waarbinnen het bedrijfsmiddel in gebruik genomen moet zijn op 31 december 2011, onderscheidenlijk op 31 december 2012.
3. Er wordt een lid toegevoegd,
luidende:
2. Ingeval met betrekking tot een in artikel 13, eerste lid, tweede
volzin, bedoeld schip vanaf enig moment vóór 1 januari 2020 de
winst wordt bepaald met toepassing van artikel 3.22 van de wet,
vindt artikel 3.38 van de wet toepassing voordat artikel 3.23,
tweede lid, van de wet toepassing vindt.
De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt als volgt
gewijzigd:
A. In artikel 1 wordt “11, 12” vervangen door “11,
11a, 12” en wordt “18, 19f” vervangen door: 18, 19a, 19f.
B. Na artikel 11 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
1. De minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering,
bedoeld in artikel 11a, derde lid, onderdeel a, onder 2°, en
onderdeel b, onder 2°, van de wet wordt bepaald aan de hand van de
volgende tabel.
|
Ingeval de gerechtigde
|
|
bedraagt de minimale
|
|---|---|---|
|
I
|
II
|
III
|
|
-
|
25
|
17
|
|
25
|
30
|
14
|
|
30
|
35
|
11
|
|
35
|
40
|
8
|
|
40
|
45
|
5
|
|
45
|
50
|
4
|
|
50
|
55
|
3
|
|
55
|
60
|
2
|
|
60 |
-
|
1 |
2. Ingeval de uitkeringen toekomen aan kinderen of pleegkinderen
van de werknemer die ten tijde van het ontvangen van de eerste
uitkering jonger zijn dan 30 jaar, bedraagt het aantal jaren tussen
de eerste en de laatste uitkering, in afwijking van het eerste lid,
nimmer meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan
30 jaar.
C. In artikel 21c, derde lid, wordt “tiende lid”
vervangen door: elfde lid.
D. Artikel 21c wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “tweede
lid” vervangen door: vierde lid.
2. In het tweede lid wordt “eerste lid” vervangen door: eerste tot
en met derde lid.
2. In het derde lid wordt “elfde lid” vervangen door: dertiende
lid.
E. Artikel 34, eerste lid, wordt als volgt
gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt “€ 13,25”
vervangen door: € 13,50.
2. In onderdeel b worden “€ 56,25”, “€ 13,00” en “€ 2,60” vervangen
door respectievelijk € 72,00, € 16,50 en € 3,30.
3. In onderdeel c worden “€ 31,00”, “€ 7,25” en “€ 1,45” vervangen
door respectievelijk € 39,75, € 9,25 en € 1,85.
4. In onderdeel d wordt “€ 14,50” vervangen door: € 14,00.
F. In artikel 35, eerste lid, worden “€
154,50”, “€ 35,75” en “€ 7,15” vervangen door respectievelijk €
157,50, € 36,25 en € 7,25.
G. In artikel 51 wordt de tabel vervangen door:
|
Huisvesting:
|
per maand
|
per week
|
per dag
|
|
a. aan boord van binnenschepen -
|
€ 144,00
|
€ 33,00
|
€ 6,60
|
|
- van een schip van meer dan 500,
|
€ 108,00
|
€ 24,75
|
€ 4,95
|
|
- van een ander schip of van baggermaterieel: |
€ 72,00
|
€ 16,50
|
€ 3,30
|
|
2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft: |
€ 59,00
|
€ 13,50
|
€ 2,70
|
|
b. aan boord van zeeschepen
2. voor de werknemer die aan
|
|
|
€ 10,05
€ 4,70
|
|
c. aan boord van vissersschepen:
|
|
|
€ 3,25 |
| d. in pakwagens van kermis-
exploitanten: voor de werknemer die in een pak- wagen woont en geen gezin heeft: |
€ 59,00
|
€ 13,50
|
€ 2,70
|
|
e. voor de werknemer die niet is
|
nihil
|
nihil
|
nihil
|
H. In artikel 55 worden “€ 2,10”, “€ 2,10” en
“€ 4,00” vervangen door respectievelijk € 2,20, € 2,20 en € 4,20.
I. In artikel 59, eerste lid, wordt “4,9%”
vervangen door: 2,5%.
J. Na artikel 60 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Voor de toepassing van artikel 19a van de wet worden van de
staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.
K. In artikel 61k, tweede lid, tweede volzin wordt
“een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde
kredietinstelling” vervangen door: een in een andere lidstaat van
de Europese Unie of in IJsland of Noorwegen gevestigde
kredietinstelling.
L. In artikel 68, eerste lid, onderdeel b, wordt
“onderdelen l, m, o, p en q” vervangen door: onderdelen m, o en q,.
M. Artikel 91, tweede lid, komt te luiden:
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de samenloop van:
a. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 10 van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en ander loon uit
vroegere dienstbetrekking dat de inhoudingsplichtige verstrekt;
b. een uitkering ter zake van een afkoop als bedoeld in artikel
3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001
en ander loon uit vroegere dienstbetrekking dat de
inhoudingsplichtige verstrekt.
De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering wordt als volgt
gewijzigd:
A. In artikel 6 wordt de in het eerste lid
opgenomen tabel vervangen door:
|
Indien hij de leeftijd heeft bereikt van
|
Doch niet de leeftijd van
|
|
|
15 jaren
|
16 jaren
|
€ 5425
|
|
16 jaren
|
17 jaren
|
€ 6238
|
|
17 jaren
|
18 jaren
|
€ 7143
|
|
18 jaren
|
19 jaren
|
€ 8228
|
|
19 jaren
|
20 jaren
|
€ 9494
|
|
20 jaren
|
21 jaren
|
€ 11121
|
|
21 jaren
|
22 jaren
|
€ 13110
|
|
22 jaren
|
23 jaren
|
€ 15370
|
|
23 jaren
|
|
€ 18082
|
B. Na artikel 12bb wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
1. Voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, onderdeel i,
van de wet worden als opleidingen aangewezen opleidingen die zijn
opgenomen in het register, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, of in het register, bedoeld in
artikel 7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.
2. Voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, onderdeel i, van
de wet wordt per werknemer in de loonadministratie vastgelegd:
a. een bewijs van het
opleidingsniveau waarover de werknemer bij aanvang van de opleiding
beschikt;
b. het bewijs van inschrijving dat ten minste bevat de naam van de
instelling waar de werknemer de opleiding aanvangt, alsmede de naam
van de opleiding en de duur hiervan.
3. De inschrijving, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ziet
op deelname aan ten minste een kwart van de gehele opleiding.
De Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 wordt als
volgt gewijzigd:
A. In artikel 1 wordt “de artikelen 9, 10, 13, 21
en 25a” vervangen door: de artikelen 9, 10, 13, 14a, 14b, 21, 23c
en 25a.
B. In artikel 2 wordt “5 percent” vervangen door:
4,5 percent.
C. Artikel 2a wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef van het eerste lid wordt “Voor de toepassing van
artikel 13, elfde lid, laatste volzin van de wet” vervangen door:
Voor de toepassing van artikel 13, twaalfde lid, onderdeel b, onder
1°, van de wet.
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt “bedraagt ten minste 20% van de waarde in het economische verkeer” vervangen door: bedraagt doorgaans ten minste 20% van de waarde in het economische verkeer.
3. In het tweede lid, tweede volzin, wordt “doen zich voor” vervangen door: doen zich in ieder geval voor.
4. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:
3. Onder feitelijk van derden
aangetrokken vreemd vermogen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, wordt mede begrepen vreemd vermogen dat verband houdt
met door een ander tot het concern behorend lichaam feitelijk van
derden aangetrokken vreemd vermogen indien dat andere lichaam om
zakelijke redenen het binnen het concern benodigde vreemd vermogen
van derden aantrekt.
D. Na artikel 2a worden twee artikelen
ingevoegd, luidende
1. Voor de toepassing van artikel 13, twaalfde lid, onderdeel c,
onder 1°, van de wet worden de werkzaamheden van een lichaam als
daar bedoeld aangemerkt als actieve
terbeschikkingstellingswerkzaamheden indien aan de volgende
voorwaarden is voldaan:
a. het lichaam houdt zich anders dan
incidenteel bezig met het ter beschikking stellen van
bedrijfsmiddelen ten behoeve van tot het concern behorende
lichamen;
b. de aanschaffingskosten van de ter beschikking gestelde
bedrijfsmiddelen zijn voor ten minste 20% gefinancierd met
feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen;
c. het lichaam is in zijn bestuur en de dagelijkse bedrijfsvoering,
waarbij de normale bemoeienis met de bedrijfsvoering door de
aandeelhouder of de concernleiding buiten beschouwing blijft,
zelfstandig in het nemen van beslissingen over:
1°. de aanschaf, het onderhoud, de vervreemding en het beheer,
waaronder begrepen beslissingen inzake de voorwaarden waaronder ter
beschikking wordt gesteld, van materiële vaste activa;
2°. de aanschaf, het onderhoud, de ontwikkeling en het beheer,
waaronder begrepen beslissingen inzake de voorwaarden waaronder ter
beschikking wordt gesteld, van immateriële vaste activa;
d. het lichaam heeft de economische eigendom van de ter beschikking
gestelde bedrijfsmiddelen;
e. het aantal personen in dienstbetrekking tot het lichaam, hun
bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn in overeenstemming met
de aard en functie van het lichaam en het lichaam beschikt over een
eigen kantoor dat is voorzien van de gebruikelijke faciliteiten, en
f. het lichaam verricht de voor deze regeling relevante transacties
via eigen bankrekeningen.
2. Indien het lichaam niet voldoet aan de in het eerste lid, onderdeel b, opgenomen voorwaarde wordt het lichaam geacht aan deze voorwaarde te voldoen indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het lichaam ten minste in dezelfde mate met feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen is gefinancierd als het concern waarvan het lichaam deel uitmaakt.
3. Onder feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt mede begrepen vreemd vermogen dat verband houdt met door een ander tot het concern behorend lichaam feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen indien dat andere lichaam om zakelijke redenen het binnen het concern benodigde vreemd vermogen van derden aantrekt.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt als concern
aangemerkt de belastingplichtige tezamen met de met hem verbonden
lichamen, bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de wet.
Voor de toepassing van de artikelen 14a, elfde lid, 14b, achtste
lid en 23c, derde en vierde lid, van de wet worden van de staten
die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.
De Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt als volgt
gewijzigd:
A. In artikel 1 wordt “de artikelen 4c, vierde
lid, 9 en 10” vervangen door: de artikelen 4, tweede lid, 4c,
vierde lid, 4e, 4f, 9 en 10.
B. Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Voor de toepassing van de artikelen 4, tweede lid, en 10, derde
lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 worden van de staten
die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.
C. Na artikel 1aa worden twee artikelen ingevoegd,
luidende:
Op grond van artikel 4e van de Wet op de dividendbelasting 1965
kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover
de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter
beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige
schriftelijk verklaart dat hij met betrekking tot dat dividend een
verzoek zal doen om toepassing van artikel 4.12a van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Op grond van artikel 4f van de Wet op de dividendbelasting 1965
kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover
de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter
beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige
schriftelijk verklaart dat met betrekking tot dat dividend sprake
is van een situatie als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de
Invorderingswet 1990.
De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 1, eerste lid, wordt “30f, vierde
lid, 39, 47, tweede lid” vervangen door: 30f, vierde lid, 38,
tweede lid, 39, 47, tweede lid.
B. In artikel 2, tweede lid, wordt “het recht van
successie en het recht van overgang” vervangen door: de
erfbelasting.
C. In artikel 21, eerste lid, wordt “het recht van
successie, het recht van schenking en het recht van overgang”
vervangen door: de erfbelasting en de schenkbelasting.
D. Aan artikel 24 wordt een volzin toegevoegd,
luidende:
Deze mededeling wordt geacht een verzoek om herziening als bedoeld
in artikel 9.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 te
zijn.
E. Artikel 30b wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel d wordt ", onderscheidenlijk vóór de
inhouding" vervangen door: of op een ander wettelijk
voorgeschreven moment.
2. In onderdeel e wordt "voor zover de met de laatstgenoemde
inkomensgegevens samenhangende inkomstenbelasting of loonbelasting
niet kan worden nagevorderd, onderscheidenlijk nageheven doordat de
termijn voor navordering, onderscheidenlijk naheffing is
verstreken" vervangen door: met dien verstande dat in dat
geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover de met het
laatstgenoemde inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of
loonbelasting is of kan worden geheven.
F. Na hoofdstuk 8 wordt een hoofdstuk ingevoegd,
luidende:
Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling
Voor de toepassing van artikel 38, tweede lid, van de wet,
worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland en
Noorwegen.
G. Artikel 43c, eerste lid, wordt als volgt
gewijzigd:
1. Aan onderdeel b wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
6°. loonheffingennummers behorende bij de instellingen die zijn opgenomen in het overzicht van de Stichting Pensioenfonds ABP, ten behoeve van het koppelen van overheidswerkgevers aan de bestaande arbeidsvoorwaardelijke sectoren in het kader van beleidsonderzoek;.
2. Onderdeel d komt te luiden:
d. de Minister van Economische Zaken:
1°. gegevens die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van het
Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997;
2°. gegevens met betrekking tot bedrijven als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorraadvorming
aardolieproducten 2001 ten behoeve van de uitvoering van die
wet;.
3. Onderdeel h komt te luiden:
h. de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer:
1°. gegevens omtrent rechthebbenden van auto’s, welke
rechthebbenden eerste kentekenhouder zijn van een nieuw
motorrijtuig met een roetfilter, ten behoeve van de uitvoering en
handhaving door SenterNovem van de Subsidieregeling voor
motorrijtuigen met emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf
BPM;
2°. de resultaten van bestandsbevragingen ter verificatie van bij
de VROM-inspectie aanwezige informatie, voor zover niet afkomstig
uit opsporingsonderzoeken, ten behoeve van het toezicht op
woningcorporaties;
3°. specifieke branche- en productkennis, resultaten en bevindingen
van ingestelde onderzoeken en acties alsmede gegevens van burgers
en bedrijven die behoren tot de doelgroep vuurwerkimporteurs,
groothandelaren en detailhandelaren, ten behoeve van het selecteren
van door de VROM-inspectie te inspecteren vuurwerkbedrijven;.
4. Aan onderdeel j wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
6°. de naam, het adres en de woonplaats van erfgenamen, ten behoeve van het innen van openstaande gemeentelijke belastingschulden van de overledene;.
5. In onderdeel m vervalt de zinsnede “bij handhavingsknelpunten”.
6. Onderdeel u komt te luiden:
u. de participanten van het samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid Financieel Expertise Centrum (FEC), genoemd in artikel 1 van het Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van het Financieel Expertise Centrum (Stcrt. 2009, 71): de gegevens die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de in dat convenant opgenomen verplichtingen;.
7. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel x door een puntkomma, worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:
y. de gemeenschappelijke regeling
DCMR Milieudienst Rijnmond: gegevens die van belang kunnen zijn
voor de vergunningverlening, en het toezicht en de handhaving van
de gemeentelijke en provinciale taken in het kader van de Wet
milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder;
z. de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: gegevens
over het inkomen van uitgetreden vissers, ten behoeve van het
controleren van de juistheid van de aan die vissers toegekende
financiële tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid,
onderdeel d, van de Regeling LNV-subsidies door de Dienst
Regelingen;
aa. de Voedsel en Waren Autoriteit: gegevens met betrekking tot het
doen van loonaangifte door horecaondernemers ten behoeve van het op
grond van artikel 11a, eerste en vierde lid, van de Tabakswet te
maken onderscheid tussen werkgevers met werknemers en werkgevers
zonder werknemers.
De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 wordt als volgt
gewijzigd:
A. In artikel 1 wordt “de artikelen 2, derde lid,
onderdeel b, en vierde lid, 3, tweede lid, 53, tweede lid, 56 en 84
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen” vervangen door: de
artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, 3, tweede lid,
39, 53, tweede lid, 56 en 84 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen.
B. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid onderdeel b, komt
te luiden:
b. Belastingdienst/Douane;.
2. In het eerste lid, onderdeel d, wordt “Belastingdienst/Centrum
voor informatie- en communicatietechnologie (B/CICT)” vervangen
door “Belastingdienst /Centrum voor applicatieontwikkeling en
-onderhoud (B/CAO)” en wordt “Belastingdienst/Centrum voor proces-
en productontwikkeling (B/CPP)” vervangen door:
Belastingdienst/Centrum voor infrastructuur en exploitatie (B/CIE).
3. In het eerste lid, onderdeel d, wordt na het tweede onderdeel
een onderdeel ingevoegd, luidende:
- Belastingdienst/Centrum voor ondersteuning IV (B/COI);.
4. In het eerste lid, onderdeel e, wordt “Laboratorium” vervangen door: Douane Laboratorium.
5. In de aanhef van het derde lid wordt “De in het eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdelen zijn” vervangen door: Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel is.
6. Het derde lid, onderdeel e, komt te luiden:
e. de kolenbelasting, voor zover deze wordt geheven ter zake van de invoer, bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, onderdeel m, en 35 van de Wet belastingen op milieugrondslag;.
7. Het derde lid, onderdeel f, vervalt.
C. Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Het in het artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde
organisatieonderdeel is mede belast met de heffing en invordering
van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, tenzij:
a. de belasting wordt voldaan door de
vergunninghouder, bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting
van personenauto’s en motorrijwielen 1992, of
b. teruggaaf op verzoek wordt verleend.
D. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt
“onderdelen a tot en met d en f” vervangen door: “onderdelen a, c,
d en f.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, staat onder leiding van de algemeen directeur Douane.
E. In artikel 5, eerste lid, wordt “onderdelen
a, b en c.1” vervangen door “onderdelen a en c1”. Voorts wordt
“genoemde organisatieonderdelen” vervangen door: genoemde
organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel
3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.
F. Artikel 5a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt
“onderdelen a, b en c.1” vervangen door “onderdelen a en c1”.
Voorts wordt “genoemde organisatieonderdelen” vervangen door:
genoemde organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in
artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.
2. In het tweede lid wordt “a, b, en c.1 en f, “ vervangen door
"a, c1 en f,". Voorts wordt “genoemde
organisatieonderdelen” vervangen door: genoemde
organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel
3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.
G. Artikel 6, tweede lid, alsmede de aanduiding
”1.” voor het eerste lid vervallen.
H. Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
De bevoegde functionaris, bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij
de heffing van belastingen is:
a. voor de toepassing van de
artikelen 4e en 4l van die wet: de inspecteur, bedoeld in artikel
5, eerste lid;
b. voor de toepassing van de artikelen 4j, 4k en 6a van die wet: de
voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Centrale
administratie (B/CA);
c. voor de toepassing van artikel 4o van die wet: de voorzitter van
het managementteam van de Belastingdienst/Oost.
I. In artikel 7 wordt “onderdelen a en b,”
vervangen door “onderdeel a”. Voorts wordt “genoemde
organisatieonderdelen” vervangen door: genoemde
organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel
3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.
J. In artikel 8 wordt “onderdelen a, b, c.1 en
c.2” vervangen door “onderdelen a, c1 en c2” en wordt “genoemde
organisatieonderdelen” vervangen door "genoemde
organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel
3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel".
Voorts wordt in de tweede volzin “De voorzitters” vervangen door:
De voorzitters en de algemeen directeur.
K. In artikel 9 wordt “onderdelen a, b en c.1”
vervangen door “onderdelen a en c1”. Voorts wordt “genoemde
organisatieonderdelen” vervangen door: genoemde
organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel
3, eerst lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.
L. In artikel 9a wordt “onderdelen a, c.1, c.2, en
d” vervangen door: onderdelen a, c1, c2.
M. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “onder
welke inspecteur of ontvanger” vervangen door: onder welk
belastingkantoor of onder welke douaneregio.
2. In het tweede lid wordt “onderdelen a en b” vervangen door
“onderdeel a”. Voorts wordt “genoemd organisatieonderdeel”
vervangen door: onder genoemde organisatieonderdeel en de algemeen
directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde
organisatieonderdeel.
3. In het derde lid wordt “de voorzitter van een managementteam als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b” vervangen
door: de voorzitter van een managementteam als bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel a, en de algemeen directeur van het in
artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.
N. Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerstel lid wordt “het
recht van successie en het recht van schenking” vervangen door: de
schenk- en de erfbelasting.
2. In het tweede lid wordt “het recht van schenking” vervangen
door: de schenkbelasting.
3 In het derde lid wordt “ het recht van schenking” vervangen door:
de schenkbelasting.
4. Het vierde lid vervalt.
O. Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “de
kolenbelasting” vervangen door: de kolenbelasting anders dan
bedoeld in artikel 3, derde lid onderdeel e.
2. In het eerste lid vervalt de zinsnede “, voor zover deze niet
wordt geheven van producten die worden aangemerkt als minerale
oliën in de zin van artikel 25 van de Wet op de accijns”.
P. Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De NAVO, met uitzondering van het NATO C3 Agency te Den Haag,
ressorteert met betrekking tot de heffing en invordering van
rijksbelastingen, andere dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder
de voorzitter van het managementteam van de
Belastingdienst/Haaglanden.
2. In het tweede lid wordt “echtgenoten of partners” vervangen
door: partners als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001,.
Q. Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef van het eerste lid
wordt “instelling” vervangen door: instelling of personen die op
grond van internationaal recht geheel of gedeeltelijk zijn
vrijgesteld van belasting,.
2. Aan het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het
slot van onderdeel y door een puntkomma, twee onderdelen
toegevoegd, luidende:
z. het instituut voor Nieuwe Technologieën van de Universiteit van
de Verenigde Naties (UNU/INTECH) te Maastricht;
aa. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart
(Eurocontrol) te Beek.
4. In het vierde lid wordt “echtgenoten of partners” vervangen
door: partners als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Onder de in het eerste lid genoemde voorzitter ressorteren de
Nederlandse leden van het Europees Parlement en hun partners als
bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
R. In artikel 21 wordt “de Landinrichtingswet“
vervangen door “de ingetrokken Landinrichtingwet”. Voorts wordt een
volzin toegevoegd, luidende:
Met betrekking tot de uitvoering van de Natuurschoonwet ressorteert
de natuurlijke persoon, het lichaam of de entiteit, voor zover
aangewezen door Onze Minister, onder de voorzitter van het
managementteam van de Belastingdienst/Oost Brabant.
S. Artikel 23 vervalt.
T. Artikel 24 vervalt
U. De Bijlage bij de Uitvoeringsregeling Belastingdienst
2003 wordt vervangen door de Bijlage Uitvoeringregeling
Belastingdienst 2003 zoals die is opgenomen in de bijlage
bij deze regeling.
De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt als volgt
gewijzigd:
A. Artikel 1b wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt “de
hoofdstukken 1A en 1B” vervangen door: de hoofdstukken 1B en 1C.
2. In het derde lid wordt “3, 4a, 5, 5a, 6, 6a” vervangen door: 3,
3a, 4a, 5, 5a, 6a.
B. Artikel 1e, tweede lid, wordt als volgt
gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt “Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993” vervangen door: Wet op het financieel
toezicht.
2. In onderdeel b wordt “in een andere lidstaat van de Europese
Unie en die in die lidstaat” vervangen door: in een andere lidstaat
van de Europese Unie, in Noorwegen of in IJsland en die in die
staat.
C. In artikel 1g, eerste lid, tweede volzin, wordt
“naar een andere lidstaat van de Europese Unie” vervangen door:
naar een andere lidstaat van de Europese Unie, Noorwegen of
IJsland.
D. Artikel 2 komt te luiden:
1. De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens
schriftelijk verzoek uitstel van betaling van de door hem
verschuldigde inkomstenbelasting in gevallen als bedoeld in artikel
25, achtste lid, eerste volzin, van de wet, mits voldoende
zekerheid is gesteld en is ingestemd met door de ontvanger gestelde
voorwaarden. Het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling
blijven achterwege:
a. in geval van emigratie van de
belastingschuldige naar een andere lidstaat van de Europese Unie;
b. in geval van geconserveerd inkomen als bedoeld in artikel 2.8,
vierde, vijfde, zesde of zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting
2001, waarbij de verkrijger van de aandelen of winstbewijzen een
natuurlijk persoon is die woont in een andere lidstaat van de
Europese Unie;
c. ingeval de belastingschuldige woont in een andere lidstaat van
de Europese Unie en de inkomstenbelasting is verschuldigd door de
toepassing van artikel 7.5, vierde, vijfde, onderscheidenlijk
zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 waarbij de
verwervende of verkrijgende vennootschap in een andere lidstaat van
de Europese Unie is gevestigd, onderscheidenlijk de verplaatsing
van de werkelijke leiding geschiedt naar een andere lidstaat van de
Europese Unie.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt voor belastingaanslagen opgelegd met toepassing van artikel 2.8, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 uitstel van betaling verleend op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige en de verkrijger gezamenlijk.
3. Het uitstel eindigt uiterlijk op de eerste dag van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
4. Ingeval aandelen of winstbewijzen waarvan de waarde ten grondslag ligt aan de in het eerste lid bedoelde belasting worden vervreemd in de zin van artikel 4.12 of 4.16, eerste lid, onderdelen a tot en met g en i, en tweede tot en met vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, beëindigt de ontvanger het uitstel voor zover dit aan deze aandelen of winstbewijzen kan worden toegerekend. In geval van een teruggaaf van wat op aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is gestort dan wel van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd, beëindigt de ontvanger het uitstel voor zover dit aan deze teruggaaf kan worden toegerekend. Het uitstel wordt voorts door de ontvanger beëindigd in een situatie als bedoeld in artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de wet.
5. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 het uitstel worden voortgezet, in welk geval de aandelen in of winstbewijzen van de verkrijgende vennootschap voortaan worden geacht aan het verleende uitstel ten grondslag te liggen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing in geval van een vervreemding in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
6. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdelen e of f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of wegens een verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater onderscheidenlijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap het uitstel worden voortgezet. Ingeval de belastingaanslag inkomstenbelasting betreft ter zake van geconserveerd inkomen door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan het uitstel van betaling echter niet worden voortgezet voor zover het uitstel kan worden toegerekend aan het vervreemdingsvoordeel dat ingevolge artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zou zijn genomen wanneer zowel de belastingschuldige als de verkrijger in Nederland zouden hebben gewoond ten tijde van de overgang.
7. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 het uitstel worden voortgezet voor het gedeelte dat betrekking heeft op de nog tot het vermogen van de belastingschuldige behorende aandelen of winstbewijzen.
8. Ingeval aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen worden geschonken kan op gezamenlijk schriftelijk verzoek van de belastingschuldige en de verkrijger van die aandelen of winstbewijzen, het uitstel van betaling worden voortgezet voor het gedeelte dat betrekking heeft op die aandelen of winstbewijzen, mits de verkrijger reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de schenking in dienstbetrekking is van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen direct of indirect betrekking hebben. Ingeval de belastingaanslag inkomstenbelasting betreft ter zake van geconserveerd inkomen door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan het uitstel van betaling echter niet worden voortgezet voor zover het uitstel kan worden toegerekend aan het vervreemdingsvoordeel dat ingevolge artikel 4.17c van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zou zijn genomen wanneer zowel de belastingschuldige als de verkrijger in Nederland zou hebben gewoond ten tijde van de schenking.
9. Ingeval zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25, achtste lid, onderdelen a, b of c, van de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
10. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lidstaat
van de Europese Unie mede verstaan: Noorwegen en IJsland.
E. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt “twee
maanden” vervangen door: zes weken.
2. In het vierde lid, onderdeel a, wordt “schuldig gebleven
overdrachtsprijs” vervangen door: schuldig gebleven tegenprestatie.
3. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, wordt na
het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
5. Voor zover een vervreemdingsvoordeel of een regulier voordeel
binnen zes maanden wordt aangewend voor een aflossing op de
schuldig gebleven tegenprestatie, wordt alleen de aflossing in
aanmerking genomen voor de toepassing van het vierde lid.
4. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende:
7. Voor de toepassing van artikel 25, negende lid, van de wet
worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland en
Noorwegen.
F. Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
1. De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling van de door hem verschuldigde inkomstenbelasting in gevallen als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de wet en tot een omvang als bij dat artikel alsmede krachtens dat artikel in de navolgende leden is bepaald.
2. Het uitstel wordt verleend voor het bedrag aan inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 25, elfde lid, eerste volzin, mits dat bedrag € 2269 te boven gaat.
3. Het uitstel houdt in dat de verschuldigde belasting kan worden voldaan in tien gelijke jaarlijkse termijnen waarvan de eerste termijn zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later.
4. De ontvanger vermindert het bedrag waarvoor uitstel van
betaling is verleend:
a. ingeval aandelen of winstbewijzen
welke aan het uitstel ten grondslag liggen worden vervreemd in de
zin van artikel 25, tiende lid, van de wet: voor zover het uitstel
aan deze aandelen of winstbewijzen kan worden toegerekend;
b. ingeval in een kalenderjaar uit de aandelen of winstbewijzen
welke aan het uitstel ten grondslag liggen reguliere voordelen als
bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 worden genoten welke
uitgaan boven het dubbele van de belasting die in dat jaar op de
voet van het derde lid moet worden voldaan: voor de helft van
hetgeen er boven uitgaat.
5. Ingeval zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in het
vierde lid stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan
onverwijld schriftelijk in kennis.
G. Artikel 4a wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt na het
tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
3. In geval van een vervreemding waarbij de koper de overdrachtsprijs schuldig is gebleven als bedoeld in artikel 25, veertiende lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet en er een aflossing plaatsvindt, vermindert de ontvanger het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend met de helft van die aflossing.
2. In het vierde lid (nieuw) wordt “artikel 25, veertiende lid, vierde volzin” vervangen door: artikel 25, veertiende lid, tweede volzin.
H. In artikel 5, derde lid, wordt “artikel 25,
zestiende lid, derde volzin” vervangen door: artikel 25, zestiende
lid, tweede volzin.
I. Artikel 6 vervalt.
J. In artikel 6a, eerste lid, wordt “de rechten
van successie of schenking” vervangen door: de schenk- of
erfbelasting.
K. In artikel 6b, eerste lid, wordt “daarin zijn
begrepen rechten van successie of schenking” vervangen door: daarin
is begrepen schenk- of erfbelasting.
L. In artikel 8, tweede lid, wordt “de
Ruilverkavelingswet 1954, de Herverkavelingswet Walcheren 1947, de
Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet
Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën of de
Landinrichtingswet” vervangen door: de Ruilverkavelingswet 1954, de
Reconstructiewet Midden-Delfland of de Herinrichtingswet
Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën.
M. In artikel 15, eerste lid, onderdeel f, wordt
“€ 9,10” vervangen door: € 10,10.
N. Artikel 28b wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid wordt “36 000” vervangen door: 72
000.
2 Het derde lid komt te luiden:
3. In de formules wordt met A aangegeven het aantal dagen van het
tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de
belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn en eindigt op de
vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste
betalingstermijn, met B het aantal dagen van het tijdvak dat
aanvangt op de dag na de dagtekening van het afschrift van de
uitspraak of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de
vermindering of de herziening tot een lager bedrag van de
belastingaanslag, wordt bekendgemaakt en eindigt op de vervaldag
van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn
en met P het rentepercentage voor de te verlenen of de terug te
nemen betalingskorting.
In artikel 1 van de Regeling bekendmaking
percentage heffingsrente en invorderingsrente bij belastingen wordt
“voor het vierde kwartaal 2009: 2,50” vervangen door: voor het
eerste kwartaal 2010: 2,50.
Artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “de
belanghebbende” vervangen door: de belanghebbende, zijn partner of
een medebewoner.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. In afwijking in zoverre van het eerste lid kan van een wijziging
als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, alsmede van wijzigingen
die leiden tot een beëindiging van het voorschot op de
tegemoetkoming ook telefonisch dan wel anderszins mondeling
mededeling worden gedaan aan de Belastingdienst/Toeslagen.
De Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering
onroerende zaken wordt ingetrokken.
De Uitvoeringsregeling Wob Financiën wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 1, onderdeel o, wordt “de
voorzitters van de managementteams’ vervangen door: de voorzitters
van de managementteams en de algemeen directeur van de
Belastingdienst/Douane.
B. Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “de
voorzitters van de managementteams” vervangen door: de voorzitters
van de managementteams en de algemeen directeur.
2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:
De in het eerste lid bedoelde algemeen directeur is bevoegd aan de
overige directeuren bij Belastingdienst/Douane ondermandaat te
verlenen voor het nemen van de in het eerste lid bedoelde
beslissingen.
3. In het derde lid wordt “bedoelde voorzitters” vervangen door:
bedoelde voorzitters en de algemeen directeur.
4. In het vierde lid wordt “bedoelde voorzitters” vervangen door:
bedoelde voorzitters en de algemeen directeur.
De Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 wordt als volgt
gewijzigd:
A. In artikel 1, eerste lid, wordt “31, 33, zesde
lid” vervangen door: 31, zevende lid, 32f, tweede lid, 32h, 32i.
Voorts wordt “en 35a, vierde lid” vervangen door: 35a, vierde lid,
en 37d.
B. In artikel 4a, derde lid, onderdeel a, wordt “€
227” vervangen door: € 500.
C. In artikel 9a, onderdeel g, wordt “artikel 14,
derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998” vervangen door:
artikel 13, zevende lid en artikel 14, eerste lid, van de
Arbeidsomstandighedenwet 1998.
D. Na artikel 33 wordt een nieuw artikel
ingevoegd, luidende:
1. De aanvrager van het
teruggaafverzoek als bedoeld in artikel 32f van de wet neemt in het
verzoek alle informatie op die is voorgeschreven in de artikelen 8
en 9, lid 1, van Richtlijn 2008/9/EG.
2. De aanvrager van het verzoek bedoeld in het eerste lid
omschrijft in het verzoek mede zijn beroepsactiviteit op de wijze
als genoemd in artikel 32h van de wet.
3. De aanvrager kan zowel voor het verstrekken van de gegevens in
het in het eerste lid bedoelde verzoek als voor alle mogelijke
andere op dit teruggaafverzoek betrekking hebbende te verstrekken
aanvullende of verder aanvullende gegevens, gebruik maken van de
Nederlandse, Engelse of Duitse taal.
E. Bijlage L wordt vervangen door de BIJLAGE L
zoals die is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
De Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en
motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 1 wordt “9a, tweede lid, 9b, vierde
lid, 9ba, derde lid, 10, zesde en achtste lid” vervangen door: 9,
elfde lid, 9a, tweede lid, 9b, vierde lid, 9c, vierde lid, 10,
zesde en achtste lid, 10a, eerste lid.
B. In artikel 6a, eerste lid wordt in de aanhef
“toepassing van artikel 9a, tweede lid, en artikel 9ba, derde lid”
vervangen door: toepassing van de artikelen 9, elfde lid, 9a,
tweede lid en 9c, vierde lid.
C. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid, onderdeel a,
wordt “koerslijst voor de verkoop van gebruikte motorrijtuigen door
wederverkopers aan particulieren in Nederland” vervangen door:
koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door
wederverkopers in Nederland.
2. In het vierde lid, onderdeel b, wordt “verkoop van het
motorrijtuig door een wederverkoper aan een particulier in
Nederland” vervangen door: inkoop van het motorrijtuig door een
wederverkoper in Nederland.
3. In het vijfde lid, wordt “toepassing van artikel 10, zesde lid,
van de wet” vervangen door: toepassing van de artikelen 10, zesde
lid en 10a, eerste lid, van de wet.
4. In het vijfde lid komt de tabel als volgt te luiden:
|
Indien sinds het tijdstip
|
maar minder dan
|
is het percentage |
en voor iedere
|
|---|---|---|---|
|
0 dagen
|
1 maand
|
0
|
5
|
|
1 maand
|
3 maanden
|
5
|
3
|
|
3 maanden
|
5 maanden
|
11
|
2,5
|
|
5 maanden
|
9 maanden
|
16
|
2,25
|
|
9 maanden
|
1 jaar en 6 maanden
|
25
|
1, 444
|
|
1 jaar en 6 maanden
|
2 jaar en 6 maanden
|
38
|
0, 917
|
|
2 jaar en 6 maanden
|
3 jaar en 6 maanden
|
49
|
0,833
|
|
3 jaar en 6 maanden
|
4 jaar en 6 maanden
|
59
|
0,75
|
|
4 jaar en 6 maanden
|
5 jaar en 6 maanden
|
68
|
0,5
|
|
5 jaar en 6 maanden
|
6 jaar en 6 maanden
|
74
|
0,416
|
|
6 jaar en 6 maanden
|
7 jaar en 6 maanden
|
79
|
0,416
|
|
7 jaar en 6 maanden
|
8 jaar en 6 maanden
|
84
|
0,333
|
|
8 jaar en 6 maanden
|
9 jaar en 6 maanden
|
88
|
0,333
|
|
9 jaar en 6 maanden
|
|
92
|
0,083
|
D. In artikel 8d, eerste lid, komt de tabel als
volgt te luiden:
|
ten minste
|
maar minder dan
|
is het percentage
|
|---|---|---|
|
0 dagen
|
1 maand
|
5
|
|
1 maand
|
3 maanden
|
3
|
|
3 maanden
|
5 maanden
|
2,5
|
|
5 maanden
|
9 maanden
|
2,25
|
|
9 maanden
|
1 jaar en 6 maanden
|
1, 444
|
|
1 jaar en 6 maanden
|
2 jaar en 6 maanden
|
0, 917
|
|
2 jaar en 6 maanden
|
3 jaar en 6 maanden
|
0,833
|
|
3 jaar en 6 maanden
|
4 jaar en 6 maanden
|
0,75
|
|
4 jaar en 6 maanden
|
5 jaar en 6 maanden
|
0,5
|
|
5 jaar en 6 maanden
|
6 jaar en 6 maanden
|
0,416
|
|
6 jaar en 6 maanden
|
7 jaar en 6 maanden
|
0,416
|
|
7 jaar en 6 maanden
|
8 jaar en 6 maanden
|
0,333
|
|
8 jaar en 6 maanden
|
9 jaar en 6 maanden
|
0,333
|
|
9 jaar en 6 maanden
|
|
0,083
|
E. Artikel 10 wordt geschrapt.
De Algemene douaneregeling wordt als volgt gewijzigd:
A. Artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aanhef en onder g wordt vervangen
door:
g. Verordening 1186/2009: Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 november 2009
betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake
douanevrijstellingen (PbEG L 324);.
2. In aanhef en onder k, wordt “artikel 2, eerste lid, onderdelen b
en c” vervangen door: artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b.
B. In artikel 1:4, eerste lid, wordt "De
voorzitters van de managementteams” vervangen door: De algemeen
directeur en de voorzitters van de managementteams.
C. Artikel 1:5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "De
voorzitters van de managementteams, bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003"
vervangen door: De algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde
lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003 en de
voorzitters van de managementteams, bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003.
2. In het tweede lid wordt “De voorzitters van de managementteams
van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de
Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, genoemde
organisatieonderdelen zijn” vervangen door: De algemeen directeur,
bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling
belastingdienst 2003, is.
D. In artikel 1:10, eerste lid, wordt "De
voorzitter van het managementteam Belastingdienst/Douane
Rotterdam" vervangen door: De algemeen directeur, bedoeld in
artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst
2003.
E. Aan artikel 1:14 wordt een nieuw lid
toegevoegd, luidende:
4. Het is verboden onjuiste of
onvolledige gegevens te verstrekken:
a. aan de kamer, bedoeld in het eerste lid, bij een aanvraag tot
afgifte van een certificaat van oorsprong; of
b. aan een ander ten behoeve van een aanvraag tot afgifte van een
certificaat van oorsprong door de kamer, als bedoeld in het eerste
lid.
F. Aan artikel 1:16 wordt een nieuw lid
toegevoegd, luidende:
4. Het is verboden onjuiste of
onvolledige gegevens te verstrekken:
a. bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; of
b. aan een ander ten behoeve van de aanvraag, bedoeld in het eerste
lid.
G. In artikel 1:17, eerste lid, wordt “de
afgifte van oorsprongsverklaringen” vervangen door: preferentiële
en niet-preferentiële oorsprongsvraagstukken.
H. In artikel 2:5, vijfde lid, wordt “summier”
vervangen door: summiere.
I. Artikel 5:6 vervalt.
J. In artikel 7:2, eerste lid, wordt “de artikelen
2, 11, eerste lid, 16, 19, 25, 32, 38, 51, 52, 53, 59 bis, 60, 63
bis, 63 quater, 65, 71, 72, 79 en 100 van Verordening 918/83”
vervangen door: de artikelen 3, 12, eerste lid, 17, 20, 21, 28, 34,
43, 44, 45, 51, 53, 57, 59, 61, 67, 68, 74 en 95 van Verordening
1186/2009. Voorts wordt “de artikelen 71 en 72 van Verordening
918/83” vervangen door: de artikelen 67 en 68 van Verordening
1186/2009.
K. Artikel 7:3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “de
artikelen 2, 11, 16, 19, 25, 32 en 38 van Verordening 918/83”
vervangen door: de artikelen 3, 12, 17, 20, 21, 28 en 34 van
Verordening 1186/2009.
2. In het tweede lid wordt “artikel 11 van Verordening 918/83”
vervangen door: artikel 12 van Verordening 1186/2009.
3. In het derde lid wordt “de artikelen 16 en 19 van Verordening
918/83” vervangen door: de artikelen 17 en 20 van Verordening
1186/2009.
4. In het vierde lid wordt “artikel 37, eerste lid, van Verordening
918/83” vervangen door: artikel 33, eerste lid, van Verordening
1186/2009.
5. In het vijfde lid wordt “de artikelen 71 en 72 van Verordening
918/83” vervangen door: de artikelen 67 en 68 van Verordening
1186/2009.
L. Artikel 7:4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “artikel
51, tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83” vervangen
door: artikel 43, aanhef en onder b, van Verordening 1186/2009.
2. In het tweede lid wordt “artikel 52, tweede lid, tweede
gedachtestreepje, van Verordening 918/83” vervangen door: artikel
44, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009.
3. In het derde lid wordt “artikel 59 bis, tweede lid, onderdeel a,
van Verordening 918/83” vervangen door: artikel 51, tweede lid,
onderdeel a, van Verordening 1186/2009.
4. In het vierde lid wordt “artikel 60, tweede lid, tweede
gedachtestreepje van Verordening 918/83” vervangen door: artikel
53, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009.
5. In het vijfde lid wordt ”artikel 62, onderdeel a, van
Verordening 918/83” vervangen door: artikel 55, aanhef en onder a,
van Verordening 1186/2009.
6. In het zesde lid wordt “artikel 63 bis, eerste lid, van
Verordening 918/83” vervangen door: artikel 57 van Verordening
1186/2009.
7. In het zevende lid wordt “artikel 63quater van Verordening
918/83” vervangen door: artikel 59 van Verordening 1186/2009.
8. In het achtste lid wordt “artikel 65, eerste lid, onderdeel a,
en artikel 79, eerste lid, van Verordening 918/83” vervangen door:
de artikelen 61, eerste lid, onderdeel a, en 74, eerste lid, van
Verordening 1186/2009.
9. In het negende lid wordt “de artikelen 71 en 72, eerste lid, van
Verordening 918/83” vervangen door: de artikelen 67 en 68, eerste
lid, van Verordening 1186/2009.
10. In het tiende lid wordt “artikel 117 van Verordening 918/83”
vervangen door: artikel 112 van Verordening 1186/2009.
M. In artikel 7:6 wordt “artikel 91 van
Verordening 918/83” vervangen door: artikel 86 van Verordening
1186/2009.
N. In artikel 7:7 wordt “artikel 118 van
Verordening 918/83” vervangen door: artikel 113 van Verordening
1186/2009.
O. In artikel 7:9, derde lid, wordt “twee
personenvoertuigen” vervangen door: maximaal twee
personenvoertuigen.
P. In artikel 7:17, onderdeel b, wordt “50,0%”
vervangen door: 50,4%.
Q. Artikel 7:18 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt “de artikelen
29 tot en met 31 van Verordening 918/83” vervangen door: de
artikelen 25 tot en met 27 van Verordening 1186/2009.
2. In aanhef en onder a wordt “artikel 31, onderdeel b, eerste en
tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83” vervangen door:
artikel 27, onderdeel b, eerste en tweede gedachtestreepje, van
Verordening 1186/2009.
R. In artikel 7:19 wordt “de artikelen 32 tot en
met 38 van Verordening 918/83” vervangen door: de artikelen 28 tot
en met 34 van Verordening 1186/2009.
S. In artikel 7:21 wordt “artikel 50 van
Verordening 918/83” vervangen door: artikel 42 van Verordening
1186/2009. Voorts wordt “Verordening 918/83” vervangen door:
Verordening 1186/2009.
T. In artikel 7:22 wordt “artikel 51 van
Verordening 918/83” vervangen door: artikel 43 van Verordening
1186/2009. Voorts wordt “Verordening 918/83” vervangen door:
Verordening 1186/2009.
U. In artikel 7:23 wordt “artikel 60 van
Verordening 918/83” vervangen door: artikel 53 van Verordening
1186/2009.
V. Artikel 7:24 wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanduiding “1.” voor de tekst
vervalt.
2. In de aanhef wordt “de artikelen 71 en 72 van Verordening
918/83” vervangen door: de artikelen 67 en 68 van Verordening
1186/2009.
W. In artikel 7:25 wordt “artikel 109 van
Verordening 918/83” vervangen door: artikel 104 van Verordening
1186/2009. Voorts wordt “artikel 109, onderdeel q, van Verordening
918/83” vervangen door: artikel 104, onderdeel q, van Verordening
1186/2009.
X. Artikel 7:27 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “de
artikelen 2 tot en met 19, 27, 28, 63 quater, 79 tot en met 85, 90,
91, 100 tot en met 106 en 112 tot en met 117 van Verordening
918/83” vervangen door: de artikelen 3 tot en met 20, 23, 24, 59,
74 tot en met 80, 85, 86, 95 tot en met 101 en 107 tot en met 112
van Verordening 1186/2009.
2. In het tweede lid wordt “de artikelen 2 tot en met 19, 25, 28,
61 tot en met 63, 63 quater tot en met 69, 79, tot en met 108 en
110 tot en met 118 van Verordening 918/83” vervangen door: de
artikelen 3 tot en met 20, 21, 24, 54 tot en met 56, 59 tot en met
65, 74 tot en met 103 en 105 tot en met 113 van Verordening
1186/2009.
3. In het derde lid wordt “artikel 27 van Verordening 918/83”
vervangen door: artikel 23 van Verordening 1186/2009.
4. In het vierde lid wordt “de artikelen 2 tot en met 19, 27, 28,
63 quater, 79 tot en met 85, 90, 91, 95 tot en met 106 en 112 tot
en met 117 van Verordening 918/83” vervangen door: de artikelen 3
tot en met 20, 23, 24, 59, 74 tot en met 80, 85, 86, 90 tot en met
101 en 107 tot en met 112 van Verordening 1186/2009.
Y. Artikel 10:1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding
“1.” geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Overtreding van het verbod:
a. bedoeld in artikel 1:14, vierde lid; of
b. bedoeld in artikel 1:16, vierde lid;
vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een
bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 150.
Z. In artikel 10:2 wordt na “Het opstellen van”
ingevoegd: een leveranciersverklaring of.
AA. Na artikel 10:4 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
De in de artikelen 10:1, 10:2, 10:3, en 10:4 genoemde bedragen
worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari 2015,
overeenkomstig artikel 9:6a van de wet, bij ministeriële regeling
gewijzigd.
BB. Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:
1. "Douane Noord, douanekantoor
Eemshaven" wordt vervangen door: Eemshaven.
2. "Douane Zuid, douanekantoor Moerdijk" wordt vervangen
door: Moerdijk.
3. "Douane Zuid, douanekantoor Vlissingen" wordt
vervangen door: Vlissingen.
4. "Douane West, douanekantoor Schiphol, locatie
Amsterdam" wordt vervangen door: Amsterdam.
5. "Douane Rotterdam, douanekantoor Reeweg:
- voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Heijplaat,
Hoek van Holland, Rozenburg, Schiedam, Vlaardingen en Zwijndrecht.
- voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Rotterdam
welke zich, gezien vanaf het douanekantoor Rotterdam Reeweg,
bevinden tot en met het Beerkanaal."
wordt vervangen door:
Rotterdam:
- voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Heijplaat,
Hoek van Holland, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Vlaardingen en
Zwijndrecht.
6. “Douane Rotterdam, douanekantoor Maasvlakte:
- voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Rotterdam
welke zich, gezien vanaf het douanekantoor Rotterdam Maasvlakte,
bevinden tot aan het Beerkanaal.” vervalt.
CC. Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel 1 wordt "Douane
Noord, douanekantoor Duiven" vervangen door: Duiven.
2. In onderdeel 1 wordt "Douane Noord, douanekantoor De
Lutte" vervangen door: De Lutte.
3. In onderdeel 1 wordt "Douane Noord, douanekantoor Eelde
Airport" vervangen door: Groningen Airport Eelde.
4. In onderdeel 1 wordt "Douane Zuid, douanekantoor
Maastricht-Aachen Airport" vervangen door: Maastricht-Aachen
Airport.
5. In onderdeel 1 wordt "Douane Zuid, douanekantoor
Moerdijk" vervangen door: Moerdijk.
6. In onderdeel 1 wordt "Douane Zuid, douanekantoor
Vlissingen" vervangen door: Vlissingen.
7. In onderdeel 1 wordt "Douane Zuid, douanekantoor Eindhoven
Airport" vervangen door: Eindhoven Airport.
8. In onderdeel 1 wordt "Douane Zuid, douanekantoor
Hazeldonk" vervangen door: Hazeldonk
9. In onderdeel 1 wordt "Douane West, douanekantoor Rotterdam
Airport" vervangen door: Rotterdam Airport.
10. In onderdeel 1 wordt "Douane West, douanekantoor Schiphol”
vervangen door: Schiphol.
11. In onderdeel 1 wordt “Den Helder, Schiphol, Texel en
Valkenburg” vervangen door: Den Helder, Schiphol en Texel.
12. In onderdeel 3 wordt “Eindhoven Airport, Twente en Valkenburg”
vervangen door: Eindhoven Airport en Twente.
DD. In bijlage X wordt “artikel 51, tweede
streepje van de Verordening 918/83” vervangen door: artikel 43,
onder b, van Verordening 1186/2009.
EE. In bijlage XI wordt “artikel 52, tweede lid,
tweede streepje van de Verordening 918/83” vervangen door: artikel
44, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009.
FF. In bijlage XIII wordt “artikel 60, tweede lid,
tweede streepje van de Verordening 918/83” vervangen door: artikel
53, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009.
GG. In bijlage XIV wordt “artikel 63quater van de
Verordening 918/83” vervangen door: artikel 59 van Verordening
1186/2009.
HH. In bijlage XV wordt “artikelen 71 en 72,
eerste lid, van de Verordening 918/83” vervangen door: de artikelen
67 en 68, eerste lid, van Verordening 1186/2009.
De Uitvoeringsregeling accijns wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 1 wordt “42, derde lid” vervangen
door “42, tweede lid, 42a, vierde lid”. Voorts wordt “71d, vierde
lid” vervangen door: 71d, vierde lid, 71e, vierde lid, 71f, vierde
lid, 71g, eerste lid”.
B. In artikel 2, onderdeel b, vervalt "(Stb.
1991, 754)".
C. In artikel 14, vierde lid, wordt "artikel
28, van de wet" vervangen door: artikel 28 van de wet.
D. Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid wordt
"tussenprodukten en van overige alcoholhoudende
produkten" telkens vervangen door: tussenproducten en van
overige alcoholhoudende producten.
2. in het tweede lid vervalt “alsmede bij de verordening Akk
etikettering van wijn 1986”.
E. In artikel 16 wordt "tussenprodukten,
overige alcoholhoudende produkten en tabaksprodukten"
vervangen door “tussenproducten, overige alcoholhoudende producten
en tabaksproducten”. Voorts vervalt aan het slot "(Stb. 1980,
223)".
F. Na artikel 20c wordt een nieuw artikel
ingevoegd, luidende:
In een verzoek om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats
als bedoeld in artikel 42a van de wet wordt met betrekking tot
hetgeen in artikel 42a van de wet is bepaald, in ieder geval
vermeld:
a. een omschrijving van de aard van
het bedrijf en het btw-identificatienummer van het bedrijf;
b. het adres waar het bedrijf van de vergunninghouder wordt
gevestigd;
c. een omschrijving van de administratie, alsmede het adres waar
deze administratie wordt gehouden.
G. In artikel 27 wordt "die in
overeenstemming met de voorzitter van het managementteam van de
Belastingdienst/Douane West is vastgesteld" vervangen door:
die in overeenstemming met de algemeen directeur, bedoeld in
artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst
2003, is vastgesteld.
H. Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "de
levering van vloeibaar gemaakt petroleumgas, bedoeld in artikel 70,
eerste lid, onderdeel e, van de wet heeft plaatsgevonden"
vervangen door: de levering van minerale oliën, bedoeld in artikel
70, eerste lid, onderdeel e, van de wet heeft plaatsgevonden.
2. Het vijfde lid komt te luiden:
5. In de verklaring, bedoeld in artikel 27a van het besluit, worden
vermeld:
a. de naam en het adres van de gebruiker;
b. de naam en het adres van de leverancier;
c. de hoeveelheid van de minerale oliën; en
d. de datum en het nummer van de factuur.
3. Het zesde lid vervalt.
I. Artikel 35a komt te luiden:
1. De teruggaaf, bedoeld in artikel
71e van de wet, geschiedt op verzoek van de tuinbouwer.
2. Het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken na
afloop van het kalenderkwartaal waarin de minerale oliën zijn
ontvangen.
3. In het verzoek om teruggaaf worden vermeld:
a. het kwartaal waarover teruggaaf wordt verzocht;
b. naam en adres van de tuinbouwer;
c. de hoeveelheid en de soort minerale olie waarvoor teruggaaf
wordt verzocht;
d. de datum van levering van de minerale oliën;
e. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd, en
f. de verklaring dat de tuinbouwer de minerale oliën ter zake
waarvan teruggaaf wordt gevraagd gebruikt voor verwarming ter
bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten.
5. Bij het verzoek om teruggaaf worden de aankoopfacturen
overgelegd van de in het verzoek om teruggaaf vermelde hoeveelheid
minerale oliën waarvoor teruggaaf wordt verzocht.
J. Artikel 35b komt te luiden:
1. In het verzoek om teruggaaf,
bedoeld in artikel 71f, eerste lid, van de wet, worden de volgende
gegevens vermeld:
a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;
b. naam en adres van de verbruiker;
c. de hoeveelheid en de soort minerale olie waarvoor teruggaaf
wordt verzocht;
d. de datum van levering van de minerale oliën;
e. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd, en
f. de verklaring dat de minerale oliën ter zake waarvan teruggaaf
wordt gevraagd, voor eigen verbruik zijn betrokken.
2. De administratie van degene die het in het eerste lid bedoelde
verzoek om teruggaaf indient, is zodanig ingericht dat daarin op
overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van
de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.
K. Artikel 35c komt te luiden:
Artikel 26 van de Uitvoeringsregeling
belastingen op milieugrondslag is van overeenkomstige toepassing op
de teruggaafregeling, bedoeld in artikel 71g van de wet, met dien
verstande dat in artikel 26, eerste lid, onderdeel c, en tweede
lid, onderdeel c, voor 'eindfactuur' dient te worden
gelezen: aankoopfactuur.
L. Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid wordt
"tabaksprodukten" telkens vervangen door:
tabaksproducten.
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt "het hoofd van de
voorzitter van het managementteam Belastingdienst/Douane West"
vervangen door: de algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde
lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003.
M. In artikel 43, derde lid, worden“AZ01”, “BZ01”
en “CZ01” vervangen door onderscheidenlijk: AY02, BY02 en CY02.
N. Bijlage A.2 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b, wordt "de
voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Douane
West" vervangen door: de algemeen directeur, bedoeld in
artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst
2003.
2. In onderdeel c, wordt "de voorzitter van het managementteam
van de Belastingdienst/Douane West is vastgesteld" vervangen
door: de algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van
de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, is vastgesteld.
De Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije
dranken en van enkele andere produkten wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 1
vervalt "(Stb. 1992, 683)" en "(Stb. 1992, 685)”.
B. In artikel 8
vervalt "(Stb. 1980, 223)".
C. In artikel 12,
tweede lid, wordt "artikel 2, vijfde lid, van het besluit”
vervangen door: artikel 2, zesde lid, van het besluit.
D. In artikel 24,
eerste lid, onderdeel b, wordt "de voorzitter van het
managementteam Belastingdienst/Douane West" vervangen door: de
algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de
Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003.
De Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag wordt als
volgt gewijzigd:
A. Artikel 1 komt te luiden:
Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, vierde lid, 11,
vierde lid, 14, vierde lid, 20, vierde lid, 21, tweede lid, 25,
tweede lid, 28, tweede lid, onderdeel d, 38, tweede lid, onderdeel
b, 39, tweede lid, 44, vijfde lid, 45, vierde lid, 47, tweede,
derde en vijfde lid, 50, zesde lid, 54, zesde lid, 59, zevende lid,
60, vierde lid, 63, zesde lid, 64, zesde lid, 67, vierde lid, 68,
vierde lid, 69, negende lid, 70, zesde lid, 71, tweede en derde
lid, 80, onderdeel a, onder 4°, 86, tweede lid, en 92, tweede lid,
van de Wet belastingen op milieugrondslag en de artikelen 18,
vijfde lid, 19, tweede lid, onderdeel c, en 27, derde lid, 28i, van
het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.
B. Artikel 13 vervalt.
C. Artikel 18 vervalt.
D. Artikel 23 vervalt.
E. In artikel 28, tweede lid, wordt "bedoeld
in artikel 53, vierde lid, van de wet” vervangen door: bedoeld in
artikel 53, tweede lid, van de wet.
F. Aan artikel 32, derde lid, wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een
puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
f. toner- en inktcartridges.
G. Na artikel 32a wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
De producentenorganisatie, bedoeld in artikel 28i van het
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag, wordt aangewezen
in de bij deze regeling behorende bijlage.
H. Na artikel 35 wordt een Bijlage bij de
Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag toegevoegd,
zoals die is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
Artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, zoals
dat artikel luidde op 31 december 2009, blijft van toepassing met
betrekking tot belastingaanslagen ter zake van inkomstenbelasting
wegens een schenking van tot een aanmerkelijk belang behorende
aandelen of winstbewijzen die voor 1 januari 2010 heeft
plaatsgevonden, met dien verstande dat het vijfde lid van artikel 3
van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 zoals dat artikel
luidt met ingang van 1 januari 2010, eveneens van toepassing is.
1. Een functionaris die op grond van de Uitvoeringsregeling
belastingdienst 2003 en de Algemene douaneregeling, zoals deze
luiden na inwerkingtreding van deze regeling, is aangewezen als
directeur, inspecteur of ontvanger treedt in de plaats van de
functionaris die als zodanig vóór inwerkingtreding van deze
regeling bevoegd was.
2. Beslissingen die zijn of worden genomen door een directeur,
inspecteur of ontvanger die als zodanig vóór inwerkingtreding van
deze regeling bevoegd was, worden geacht te zijn genomen door de
directeur, inspecteur of ontvanger die als zodanig op grond van de
Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003 en de Algemene
douaneregeling, zoals deze luiden na inwerkingtreding van deze
regeling, is aangewezen.
3. Ingeval in een beschikking na inwerkingtreding van deze regeling
wordt verwezen naar een (onderdeel van een) organisatieonderdeel
dan wel een functionaris, genoemd in de Uitvoeringsregeling
belastingdienst 2003 of de Algemene douaneregeling, zoals deze
luidden vóór inwerkingtreding van deze regeling, wordt dit geacht
een verwijzing te zijn naar het daarvoor in de plaats gekomen
(onderdeel van het) organisatieonderdeel dan wel de daarvoor in de
plaats gekomen functionaris in de Uitvoeringsregeling
belastingdienst 2003 of de Algemene douaneregeling, zoals deze
luiden na inwerkingtreding van deze regeling.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010,
met dien verstande dat:
a. de artikelen I, onderdeel J, en VII, onderdeel D, voor het eerst
toepassing vinden met betrekking tot belastingaanslagen voor
inkomstenbelasting ter zake van tijdvakken die aanvangen op of na 1
januari 2010;
b. artikel I, onderdeel D, terug werkt tot en met 1 januari 2009;
c. artikel III, onderdeel C, terugwerkt tot en met 1 januari 2008;
d. artikel III, onderdeel D, terugwerkt tot en met 1 januari 2009;
e. artikel VII, onderdeel E, voor het eerst toepassing vindt met
betrekking tot inkomensgegevens over het kalenderjaar 2010;
f. artikel VIII, onderdeel B, onder 6, terugwerkt tot en met 1
januari 2008;
g. artikel XVI, onderdeel H, in werking treedt met ingang van 31
januari 2010.
h. artikel XVI, onderdeel P, in werking treedt met ingang van 1
maart 2010;
i. artikel XVII, onderdeel M, in werking treedt met ingang van 1
maart 2010;
j. artikel XIX, onderdelen F, G en H terugwerkt tot en met 1
januari 2008.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager.
| Gemeente |
Belastingkantoor
|
Douaneregio
|
|---|---|---|
|
Aa en Hunze
|
Noord
|
Groningen
|
|
Aalburg
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Aalsmeer
|
Holland Midden
|
Schiphol Cargo
|
|
Aalten
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Abcoude
|
Holland Midden
|
Nijmegen
|
|
Achtkarspelen
|
Noord
|
Groningen
|
|
Alblasserdam
|
Rijnmond
|
Roosendaal
|
|
Albrandswaard
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Alkmaar
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Almelo
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Almere
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Alphen aan den Rijn
|
Haaglanden
|
Amsterdam / Nijmegen
|
|
Alphen-Chaam
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Ameland
|
Noord
|
Groningen
|
|
Amersfoort
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Amstelveen
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Amsterdam
|
Amsterdam
|
Amsterdam
|
|
Andijk
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Anna Paulowna
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Apeldoorn
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Appingedam
|
Noord
|
Groningen
|
|
Arnhem
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Assen
|
Noord
|
Groningen
|
|
Asten
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Baarle-Nassau
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Baarn
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Barendrecht
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Barneveld
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Bedum
|
Noord
|
Groningen
|
|
Beek
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Beemster
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Beesel
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Bellingwedde
|
Noord
|
Groningen
|
|
Bergambacht
|
Haaglanden
|
Nijmegen
|
|
Bergeijk
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Bergen (L)
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Bergen (N-H)
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Bergen op Zoom
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Berkelland
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Bernheze
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Bernisse
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Best
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Beuningen
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Beverwijk
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Binnenmaas
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Bladel
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Blaricum
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Bloemendaal
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Boarnsterhim
|
Noord
|
Groningen
|
|
Bodegraven
|
Haaglanden
|
Nijmegen
|
|
Boekel
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Bolsward
|
Noord
|
Groningen
|
|
Borger-Odoorn
|
Noord
|
Groningen
|
|
Borne
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Borsele
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Boskoop
|
Haaglanden
|
Nijmegen
|
|
Boxmeer
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Boxtel
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Breda
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Breukelen
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Brielle
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Bronckhorst
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Brummen
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Brunssum
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Bunnik
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Bunschoten
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Buren
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Bussum
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Capelle aan de IJssel
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Castricum
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Coevorden
|
Noord
|
Groningen
|
|
Cranendonck
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Cromstrijen
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Cuijk
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Culemborg
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Dalfsen
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Dantumadeel
|
Noord
|
Groningen
|
|
De Bilt
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
De Marne
|
Noord
|
Groningen
|
|
De Ronde Venen
|
Holland Midden
|
Nijmegen
|
|
De Wolden
|
Noord
|
Groningen
|
|
Delft
|
Haaglanden
|
Amsterdam
|
|
Delfzijl
|
Noord
|
Groningen
|
|
Den Haag
|
Haaglanden
|
Amsterdam
|
|
Den Helder
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Deurne
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Deventer
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Diemen
|
Amsterdam
|
Amsterdam
|
|
Dinkelland
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Dirksland |
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Doesburg
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Doetinchem |
Oost |
Nijmegen
|
|
Dongen |
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Dongeradeel |
Noord
|
Groningen
|
|
Dordrecht |
Rijnmond
|
Roosendaal
|
|
Drechterland |
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Drimmelen |
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Dronten
|
Randmeren
|
Groningen
|
|
Druten
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Duiven |
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Echt-Susteren |
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Edam-Volendam |
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Ede |
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Eemnes |
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Eemsmond |
Noord
|
Groningen
|
|
Eersel
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Eijsden
|
Limburg |
Eindhoven
|
|
Eindhoven |
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Elburg |
Randmeren
|
Groningen
|
|
Emmen
|
Noord
|
Groningen
|
|
Enkhuizen
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Enschede
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Epe
|
Randmeren
|
Nijmegen |
|
Ermelo
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Etten-Leur
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Ferwerderadiel
|
Noord
|
Groningen
|
|
Franekeradeel
|
Noord |
Groningen |
|
Gaasterlân-Sleat
|
Noord
|
Groningen
|
|
Geertruidenberg
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Geldermalsen
|
Rivierenland
|
Nijmegen |
|
Geldrop-Mierlo
|
Oost-Brabant |
Eindhoven |
|
Gemert-Bakel
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Gennep
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Giessenlanden
|
Rivierenland
|
Roosendaal
|
|
Gilze en Rijen |
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Goedereede |
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Goes
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Goirle |
Oost-Brabant
|
Roosendaal
|
|
Gorinchem
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Gouda
|
Haaglanden
|
Nijmegen
|
|
Graafstroom
|
Rijnmond
|
Roosendaal
|
|
Graft-de Rijp
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Grave
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Groesbeek
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Groningen
|
Noord
|
Groningen
|
|
Grootegast
|
Noord
|
Groningen
|
|
Gulpen-Wittem
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Haaksbergen |
Oost
|
Nijmegen
|
|
Haaren
|
Oost-Brabant
|
Roosendaal / Eindhoven
|
|
Haarlem
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Haarlemmerliede en Spaarnwoude |
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Haarlemmermeer |
Holland Midden
|
Schiphol Passagiers / Schiphol Cargo
|
|
Halderberge |
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Hardenberg
|
Oost
|
Groningen
|
|
Harderwijk
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Hardinxveld-Giessendam
|
Rijnmond |
Roosendaal
|
|
Haren |
Noord
|
Groningen
|
|
Harenkarspel
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Harlingen
|
Noord
|
Groningen
|
|
Hattem
|
Randmeren
|
Groningen
|
|
Heemskerk
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Heemstede
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Heerde
|
Randmeren
|
Groningen
|
|
Heerenveen
|
Noord
|
Groningen
|
|
Heerhugowaard |
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Heerlen |
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Heeze-Leende
|
Oost-Brabant |
Eindhoven
|
|
Heiloo |
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Hellendoorn
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Hellevoetsluis
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Helmond |
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Hendrik Ido Ambacht
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Hengelo (O)
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
’s-Hertogenbosch |
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Het Bildt
|
Noord
|
Groningen
|
|
Heumen
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Heusden
|
Oost-Brabant
|
Roosendaal / Eindhoven
|
|
Hillegom
|
Holland Midden
|
Schiphol Cargo
|
|
Hilvarenbeek
|
Oost-Brabant
|
Roosendaal |
|
Hilversum |
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Hof van Twente
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Hoogeveen
|
Noord
|
Groningen
|
|
Hoogezand-Sappemeer
|
Noord
|
Groningen
|
|
Hoorn
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Horst aan de Maas
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Houten
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Huizen
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Hulst
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
IJsselstein
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Kaag en Braassem
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Kampen
|
Randmeren
|
Groningen |
|
Kapelle
|
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Katwijk
|
Holland Midden
|
Amsterdam |
|
Kerkrade
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Koggenland
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Kollumerland en Nieuwkruisland
|
Noord
|
Groningen
|
|
Korendijk
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Krimpen aan de IJssel
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Laarbeek
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Landerd
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Landgraaf
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Landsingerland |
Haaglanden
|
Amsterdam
|
|
Landsmeer
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Langedijk
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Laren
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Leek |
Noord
|
Groningen
|
|
Leerdam
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Leeuwarden
|
Noord
|
Groningen
|
|
Leeuwarderadeel
|
Noord
|
Groningen
|
|
Leiden
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Leiderdorp
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Leidschendam-Voorburg
|
Haaglanden
|
Amsterdam
|
|
Lelystad
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Lemsterland
|
Noord
|
Groningen
|
|
Leudal
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Leusden
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen |
|
Liesveld |
RIjnmond
|
Roosendaal
|
|
Lingewaal
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Lingewaard
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Lisse
|
Holland Midden
|
Schiphol Cargo
|
|
Lith
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Littenseradiel
|
Noord
|
Groningen
|
|
Lochem |
Oost
|
Nijmegen
|
|
Loenen
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Loon op Zand
|
Oost-Brabant
|
Roosendaal
|
|
Lopik
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Loppersum
|
Noord
|
Groningen
|
|
Losser
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Maarssen |
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Maasbracht
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Maasdonk
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Maasdriel
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Maasgouw
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Maassluis
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Maastricht
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Margraten
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Marum
|
Noord
|
Groningen
|
|
Medemblik |
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Meerssen
|
Limburg |
Eindhoven
|
|
Menaldumadeel
|
Noord
|
Groningen
|
|
Menterwolde
|
Noord
|
Groningen
|
|
Meppel
|
Noord
|
Groningen
|
|
Middelburg |
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Middelharnis
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Midden-Delfland
|
Haaglanden
|
Amsterdam
|
|
Midden-Drenthe
|
Noord
|
Groningen
|
|
Mill en Sint Hubert
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Millingen aan de Rijn
|
Rivierenland
|
Nijmegen |
|
Moerdijk |
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Montferland
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Montfoort
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen |
|
Mook en Middelaar
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Muiden
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Naarden |
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Neder-Betuwe
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Nederlek
|
Haaglanden
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Nederweert
|
Limburg
|
Eindhoven |
|
Neerijnen
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Niedorp
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Nieuw-Lekkerland
|
Rijnmond
|
Roosendaal
|
|
Nieuwegein
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Nieuwkoop
|
Holland Midden West
|
Nijmegen
|
|
Nijefurd
|
Noord
|
Groningen
|
|
Nijkerk
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Nijmegen
|
Rivierenland |
Nijmegen
|
|
Noord-Beveland |
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Noordenveld
|
Noord
|
Groningen
|
|
Noordoostpolder
|
Randmeren
|
Groningen
|
|
Noordwijk
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Noordwijkerhout
|
Holland Midden
|
Schiphol Cargo
|
|
Nuenen, Gerwen en Nederwetten
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Nunspeet
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Nuth
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Oegstgeest |
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Oirschot
|
Oost-Brabant
|
Roosendaal
|
|
Oisterwijk
|
Oost-Brabant
|
Roosendaal
|
|
Oldambt
|
Noord
|
Groningen
|
|
Oldebroek
|
Randmeren
|
Groningen
|
|
Oldenzaal
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Olst-Wijhe
|
Oost
|
Groningen
|
|
Ommen
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Onderbanken
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Oost Gelre
|
Oost
|
Nijmegen
|
|
Oosterhout
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Oostflakkee
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Ooststellingwerf
|
Noord
|
Groningen
|
|
Oostzaan
|
Holland Noord
|
Amsterdam |
|
Opmeer
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Opsterland
|
Noord
|
Groningen
|
|
Oss
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Oud-Beijerland
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven |
|
Oude IJsselstreek
|
Oost
|
Nijmegen |
|
Ouder-Amstel
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Ouderkerk
|
Haaglanden
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Oudewater |
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen |
|
Overbetuwe
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Papendrecht |
Rijnmond
|
Roosendaal
|
|
Peel en Maas
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven |
|
Pekela
|
Noord
|
Groningen
|
|
Purmerend
|
Holland Noord |
Amsterdam
|
|
Putten
|
Randmeren |
Amsterdam
|
|
Pijnacker-Nootdorp
|
Haaglanden
|
Nijmegen
|
|
Raalte
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Reeuwijk
|
Haaglanden
|
Nijmegen |
|
Reimerswaal
|
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Renkum
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Renswoude
|
Utrecht-Gooi |
Nijmegen
|
|
Reusel-de Mierden
|
Oost-Brabant |
Roosendaal |
|
Rheden
|
Rivierenland
|
Nijmegen |
|
Rhenen
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Ridderkerk
|
Rijnmond |
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Rijnwaarden
|
Rivierenland |
Nijmegen |
|
Rijnwoude
|
Haaglanden |
Amsterdam |
|
Rijssen-Holten |
Oost |
Nijmegen |
|
Rijswijk
|
Haaglanden
|
Amsterdam |
|
Roerdalen |
Limburg |
Eindhoven
|
|
Roermond
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Roosendaal
|
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Rotterdam (m.u.v. Rotterdam-
|
Rijnmond |
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Rotterdam
|
Rijnmond
|
Amsterdam
|
|
Rozenburg
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Rozendaal
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Rucphen
|
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Schagen |
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Schermer
|
Holland Noord
|
Amsterdam |
|
Scherpenzeel |
Randmeren
|
Nijmegen |
|
Schiedam
|
Rijnmond |
Rotterdam Rijnmond / Haven |
|
Schiermonnikoog
|
Noord
|
Groningen
|
|
Schijndel
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Schinnen
|
Limburg |
Eindhoven
|
|
Schoonhoven
|
Haaglanden
|
Nijmegen
|
|
Schouwen-Duiveland
|
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Simpelveld
|
Limburg
|
Eindhoven |
|
Sint-Anthonis
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Sint-Michielsgestel |
Oost-Brabant |
Eindhoven
|
|
Sint-Oedenrode
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Sittard-Geleen
|
Limburg
|
Eindhoven |
|
Skarsterlân
|
Noord |
Groningen
|
|
Sliedrecht |
Rijnmond |
Roosendaal |
|
Slochteren
|
Noord |
Groningen
|
|
Sluis
|
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Smallingerland
|
Noord
|
Groningen |
|
Sneek
|
Noord
|
Groningen |
|
Soest
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen |
|
Someren
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven |
|
Son en Breugel
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven
|
|
Spijkenisse
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven |
|
Stadskanaal
|
Noord
|
Groningen |
|
Staphorst |
Randmeren |
Groningen |
|
Stede Broec
|
Holland Noord |
Amsterdam |
|
Steenbergen
|
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Steenwijkerland
|
Randmeren |
Groningen |
|
Stein
|
Limburg |
Eindhoven
|
|
Strijen
|
Rijnmond |
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Ten Boer
|
Noord
|
Groningen
|
|
Terneuzen
|
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Terschelling
|
Noord
|
Groningen |
|
Teylingen
|
Holland Midden |
Groningen
|
|
Texel |
Holland Noord |
Amsterdam/ Schiphol Cargo |
|
Tholen
|
Zuidwest |
Roosendaal |
|
Tiel
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Tilburg |
Oost-Brabant
|
Roosendaal |
|
Tubbergen |
Oost |
Nijmegen |
|
Twenterand |
Oost
|
Nijmegen
|
|
Tynaarlo
|
Noord
|
Groningen |
|
Tytsjerksteradiel |
Noord
|
Groningen
|
|
Ubbergen
|
Rivierenland
|
Nijmegen |
|
Uden
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven |
|
Uitgeest
|
Holland Noord |
Amsterdam
|
|
Uithoorn
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Urk
|
Randmeren |
Groningen |
|
Utrecht
|
Utrecht-Gooi |
Nijmegen
|
|
Utrechtse Heuvelrug
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen |
|
Vaals
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Valkenburg aan de Geul
|
Limburg |
Eindhoven
|
|
Valkenswaard
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven |
|
Veendam |
Noord
|
Groningen
|
|
Veenendaal
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Veere |
Zuidwest |
Roosendaal |
|
Veghel |
Oost-Brabant
|
Eindhoven |
|
Veldhoven
|
Oost-Brabant |
Eindhoven
|
|
Velsen
|
Holland-Midden
|
Amsterdam
|
|
Venlo
|
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Venray
|
Limburg |
Eindhoven |
|
Vianen
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen |
|
Vlaardingen
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven
|
|
Vlagtwedde
|
Noord
|
Groningen |
|
Vlieland
|
Noord |
Groningen |
|
Vlissingen
|
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Vlist
|
Haaglanden
|
Nijmegen
|
|
Voerendaal |
Limburg
|
Eindhoven
|
|
Voorschoten
|
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Voorst
|
Randmeren
|
Nijmegen |
|
Vught
|
Oost-Brabant
|
Eindhoven |
|
Waalre
|
Oost-Brabant |
Eindhoven |
|
Waalwijk |
Oost-Brabant |
Roosendaal |
|
Waddinxveen |
Haaglanden |
Nijmegen
|
|
Wageningen
|
Randmeren
|
Nijmegen
|
|
Wassenaar
|
Haaglanden |
Amsterdam |
|
Waterland |
Holland Noord
|
Amsterdam |
|
Weert |
Limburg |
Eindhoven |
|
Weesp
|
Utrecht-Gooi |
Nijmegen
|
|
Werkendam |
Zuidwest
|
Roosendaal
|
|
Wervershoof |
Holland Noord |
Amsterdam
|
|
West Maas en Waal
|
Rivierenland |
Nijmegen
|
|
Westerveld
|
Noord
|
Groningen |
|
Westervoort
|
Rivierenland
|
Nijmegen |
|
Westland
|
Haaglanden |
Amsterdam |
|
Weststellingwerf
|
Noord |
Groningen |
|
Westvoorne
|
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven |
|
Wierden
|
Oost |
Nijmegen |
|
Wieringen
|
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Wieringermeer |
Holland Noord
|
Amsterdam |
|
Wijchen
|
Rivierenland |
Nijmegen |
|
Wijdemeren
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen |
|
Wijk bij Duurstede
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen |
|
Oldambt
|
Noord |
Groningen
|
|
Winsum |
Noord |
Groningen |
|
Winterswijk
|
Oost |
Nijmegen
|
|
Woensdrecht
|
Zuidwest
|
Roosendaal |
|
Woerden
|
Utrecht-Gooi |
Nijmegen |
|
Wormerland |
Holland Noord |
Amsterdam |
|
Woudenberg
|
Utrecht-Gooi |
Nijmegen |
|
Woudrichem
|
Zuidwest |
Roosendaal |
|
Wûnseradiel |
Noord |
Groningen
|
|
Wymbritseradiel
|
Noord |
Groningen
|
|
Zaanstad |
Holland Noord
|
Amsterdam
|
|
Zaltbommel
|
Rivierenland
|
Nijmegen
|
|
Zandvoort |
Holland Midden
|
Amsterdam
|
|
Zederik
|
Rivierenland |
Nijmegen |
|
Zeevang |
Holland Noord |
Amsterdam
|
|
Zeewolde |
Randmeren
|
Nijmegen |
|
Zeist
|
Utrecht-Gooi
|
Nijmegen
|
|
Zevenaar |
Rivierenland |
Nijmegen
|
|
Zijpe
|
Holland-Midden
|
Amsterdam
|
|
Zoetermeer
|
Haaglanden
|
Amsterdam |
|
Zoeterwoude
|
Holland Midden |
Amsterdam
|
|
Zuidhorn |
Noord |
Groningen
|
|
Zuidplas |
Holland Midden |
Nijmegen / Rotterdam Rijnmond Rotterdam Haven / Amsterdam |
|
Zundert
|
Zuidwest |
Roosendaal |
|
Zutphen
|
Oost |
Nijmegen
|
|
Zwartewaterland |
Randmeren
|
Groningen |
|
Zwijndrecht |
Rijnmond
|
Rotterdam Rijnmond / Haven |
|
Zwolle |
Randmeren
|
Groningen
|
(Publicatieblad van de Europese Unie 2009/C 289/06)
| LAND VAN UITGIFTE | MUNTEENHEID[1] | |
| AFGHANISTAN | (20 AFGHANI)
10 000 AFGHANI (1/2 AMANI) (1 AMANI) (2 AMANI) (4 GRAMS) (8 GRAMS) 1 TILLA 2 TILLAS |
|
| ALBANIË | 20 LEKE
50 LEKE 100 LEKE 200 LEKE 500 LEKE |
|
| ALDERNEY | 5 POUNDS
25 POUNDS 1 000 POUNDS |
|
| ANDORRA | 50 DINERS
100 DINERS 250 DINERS 1 SOVEREIGN |
|
| ANGUILLA | 5 DOLLARS
10 DOLLARS 20 DOLLARS 100 DOLLARS |
|
| ARGENTINIË | 1 ARGENTINO | |
| ARUBA | 10 FLORIN
25 FLORIN |
|
| AUSTRALIË | 5 DOLLARS
15 DOLLARS 25 DOLLARS 50 DOLLARS 100 DOLLARS 150 DOLLARS 200 DOLLARS 250 DOLLARS 500 DOLLARS 1 000 DOLLARS 2 500 DOLLARS 3 000 DOLLARS 10 000 DOLLARS 1/2 SOVEREIGN (= 1/2 POUND) 1 SOVEREIGN (= 1 POUND) |
|
| BAHAMA'S | 10 DOLLARS
20 DOLLARS 25 DOLLARS 50 DOLLARS 100 DOLLARS 150 DOLLARS 200 DOLLARS 250 DOLLARS 2 500 DOLLARS |
|
BELGIË |
10 ECU
20 ECU 25 ECU 50 ECU 100 ECU 50 EURO GOLD 100 EURO 20 FRANCS 5 000 FRANCS |
|
| BELIZE | 25 DOLLARS
50 DOLLARS 100 DOLLARS 250 DOLLARS |
|
| BERMUDA | 10 DOLLARS
25 DOLLARS 30 DOLLARS 50 DOLLARS 60 DOLLARS 100 DOLLARS 200 DOLLARS 250 DOLLARS |
|
| BHUTAN | 1 SERTUM
2 SERTUMS 5 SERTUMS |
|
| BOLIVIA | 4 000 PESOS BOLIVIANOS | |
| BOTSWANA | 5 PULA
150 PULA 10 THEBE |
|
| BRAZILIË | 300 CRUZEIROS
(4 000 REIS) (5 000 REIS) (6 400 REIS) (10 000 REIS) (20 000 REIS) |
|
| BRITSE MAAGDENEILANDEN | 100 DOLLARS | |
| BULGARIJE | (1 LEV)
(5 LEVA) (10 LEVA) (20 LEVA) (100 LEVA) (125 LEVA) (1 000 LEVA) (10 000) LEVA) (20 000) LEVA) |
|
| BURUNDI | 10 FRANCS
25 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS |
|
| CANADA | 1 DOLLAR
2 DOLLARS 5 DOLLARS 10 DOLLARS 20 DOLLARS 50 DOLLARS 100 DOLLARS 175 DOLLARS 200 DOLLARS 350 DOLLARS 1 SOVEREIGN |
|
| CAYMANEILANDEN | 25 DOLLARS
50 DOLLARS 100 DOLLARS 250 DOLLARS |
|
| CHILI | 2 PESOS
5 PESOS 10 PESOS 20 PESOS 50 PESOS 100 PESOS 200 PESOS |
|
| CHINA | 5/20 YUAN (1/20 oz)
10/50 YUAN (1/10 oz) 25/100 YUAN (1/4 oz) 50/200 YUAN (1/2 oz) 100/500 YUAN (1 oz) 5 (YUAN) 10 (YUAN) 20 (YUAN) 25 (YUAN) 50 (YUAN) 100 (YUAN) 150 (YUAN) 200 (YUAN) 250 (YUAN) 300 (YUAN) 400 (YUAN) 450 (YUAN) 500 (YUAN) 1 000 (YUAN) |
|
| COLOMBIA | 1 PESO
2 PESOS 2 1/2 PESOS 5 PESOS 10 PESOS 20 PESOS 100 PESOS 200 PESOS 300 PESOS 500 PESOS 1 000 PESOS 1 500 PESOS 2 000 PESOS 15 000 PESOS |
|
| CONGO | 10 FRANCS
20 FRANCS 25 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS |
|
| COOKEILANDEN | 100 DOLLARS
200 DOLLARS 250 DOLLARS |
|
| COSTA RICA | 5 COLONES
10 COLONES 20 COLONES 50 COLONES 100 COLONES 200 COLONES 1 500 COLONES 5 000 COLONES 25 000 COLONES |
|
| CUBA | 4 PESOS
5 PESOS 10 PESOS 20 PESOS 50 PESOS 100 PESOS |
|
| CYPRUS | 50 POUNDS | |
| DENEMARKEN | 10 KRONER
20 KRONER |
|
| DOMINICAANSE REPUBLIEK | 30 PESOS
100 PESOS 200 PESOS 250 PESOS |
|
| DUITSLAND | 1 DM
100 EURO |
|
| ECUADOR | 1 CONDOR
10 SUCRES |
|
| EILAND MAN | 1/20 ANGEL
1/10 ANGEL 1/4 ANGEL 1/2 ANGEL 1 ANGEL 5 ANGEL 10 ANGEL 15 ANGEL 20 ANGEL 1/25 CROWN 1/10 CROWN 1/5 CROWN 1/2 CROWN 1 CROWN 50 PENCE 1 POUND 2 POUNDS 5 POUNDS 50 POUNDS (1/2 SOVEREIGN) (1 SOVEREIGN) (2 SOVEREIGNS) (5 SOVEREIGNS) |
|
| EL SALVADOR | 25 COLONES
50 COLONES 100 COLONES 200 COLONES 250 COLONES |
|
| EQUATORIAAL-GUINEA | 250 PESETAS
500 PESETAS 750 PESETAS 1 000 PESETAS 5 000 PESETAS |
|
| ETHIOPIË | 400 BIRR
600 BIRR 10 (DOLLARS) 20 (DOLLARS) 50 (DOLLARS) 100 (DOLLARS) 200 (DOLLARS) |
|
| FIJI | 5 DOLLARS
10 DOLLARS 200 DOLLARS 250 DOLLARS |
|
| FILIPIJNEN | 1 000 PISO
1 500 PISO 5 000 PISO |
|
| FINLAND | 100 EURO
1 000 MARKKAA 2 000 MARKKAA |
|
| FRANKRIJK | 1/4 EURO
10 EURO 20 EURO 50 EURO 5 FRANCS 10 FRANCS 40 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS 500 FRANCS 655,97 FRANCS |
|
| GABON | 10 FRANCS
25 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS 1 000 FRANCS 3 000 FRANCS 5 000 FRANCS 10 000 FRANCS 20 000 FRANCS |
|
| GAMBIA | 200 DALASIS
500 DALASIS 1 000 DALASIS |
|
| GIBRALTAR | 1/25 CROWN
1/10 CROWN 1/5 CROWN 1/2 CROWN 1 CROWN 2 CROWNS 50 PENCE 1 POUND 5 POUNDS 25 POUNDS 50 POUNDS 100 POUNDS 1/25 ROYAL 1/10 ROYAL 1/5 ROYAL 1/2 ROYAL 1 ROYAL |
|
| GUATEMALA | 5 QUETZALES
10 QUETZALES 20 QUETZALES |
|
| GUERNSEY | 1 POUND
5 POUNDS 10 POUNDS 25 POUNDS 50 POUNDS 100 POUNDS |
|
| GUINEE | 1 000 FRANCS
2 000 FRANCS 5 000 FRANCS 10 000 FRANCS |
|
| HAÏTI | 20 GOURDES
50 GOURDES 100 GOURDES 200 GOURDES 500 GOURDES 1 000 GOURDES |
|
| HONDURAS | 200 LEMPIRAS
500 LEMPIRAS |
|
| HONGARIJE | 1 DUKAT
4 FORINT = 10 FRANCS 8 FORINT = 20 FRANCS 50 FORINT 100 FORINT 200 FORINT 500 FORINT 1 000 FORINT 5 000 FORINT 10 000 FORINT 20 000 FORINT 50 000 FORINT 100 000 FORINT 20 KORONA 100 KORONA |
|
| HONGKONG | 1 000 DOLLARS | |
| IJSLAND | 500 KRONUR
10 000 KRONUR |
|
| INDIA | 1 MOHUR
15 RUPEES 1 SOVEREIGN |
|
| INDONESIË | 2 000 RUPIAH
5 000 RUPIAH 10 000 RUPIAH 20 000 RUPIAH 25 000 RUPIAH 100 000 RUPIAH 200 000 RUPIAH |
|
| IRAK | (5 DINARS)
(50 DINARS) (100 DINARS) |
|
| IRAN | (1/2 AZADI)
(1 AZADI) (1/4 PAHLAVI) (1/2 PAHLAVI) (1 PAHLAVI) (2 1/2 PAHLAVI) (5 PAHLAVI) (10 PAHLAVI) 50 POUND 500 RIALS 750 RIALS 1 000 RIALS 2 000 RIALS |
|
| ISRAËL | 20 LIROT
50 LIROT 100 LIROT 200 LIROT 500 LIROT 1 000 LIROT 5 000 LIROT 5 NEW SHEQALIM 10 NEW SHEQALIM 20 NEW SHEQALIM 5 SHEQALIM 10 SHEQALIM 500 SHEQEL |
|
| IVOORKUST | 10 FRANCS
25 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS |
|
| JAMAICA | 100 DOLLARS
250 DOLLARS |
|
| JERSEY | 1 POUND
2 POUNDS 5 POUNDS 10 POUNDS 20 POUNDS 25 POUNDS 50 POUNDS 100 POUNDS 1 SOVEREIGN |
|
| JOEGOSLAVIË | 20 DINARA
100 DINARA 200 DINARA 500 DINARA 1 000 DINARA 1 500 DINARA 2 000 DINARA 2 500 DINARA 5 000 DINARA 1 DUCAT 4 DUCATS |
|
| JORDANIË | 2 DINARS
5 DINARS 10 DINARS 25 DINARS 50 DINARS 60 DINARS |
|
| KATANGA | 5 FRANCS | |
| KENIA | 100 SHILLINGS
250 SHILLINGS 500 SHILLINGS |
|
| KIRIBATI | 150 DOLLARS | |
| LESOTHO | 1 LOTI
2 MALOTI 4 MALOTI 10 MALOTI 20 MALOTI 50 MALOTI 100 MALOTI 250 MALOTI 500 MALOTI |
|
| LETLAND | 100 LATU | |
| LIBERIA | 12 DOLLARS
20 DOLLARS 25 DOLLARS 30 DOLLARS 50 DOLLARS 100 DOLLARS 200 DOLLARS 250 DOLLARS 500 DOLLARS 2 500 DOLLARS |
|
| LUXEMBURG | 5 EURO
10 EURO 20 FRANCS 40 FRANCS |
|
| MACAU | 250 PATACAS
500 PATACAS 1 000 PATACAS 10 000 PATACAS |
|
| MALAWI | 250 KWACHA | |
| MALEISIË | 100 RINGGIT
200 RINGGIT 250 RINGGIT 500 RINGGIT |
|
| MALI | 10 FRANCS
25 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS |
|
| MALTA | 50 EURO
5 (LIRI) 10 (LIRI) 20 (LIRI) 25 (LIRI) 50 (LIRI) 100 (LIRI) LM 25 |
|
| MARSHALLEILANDEN | 20 DOLLARS
50 DOLLARS 200 DOLLARS |
|
| MAURITIUS | 100 RUPEES
200 RUPEES 250 RUPEES 500 RUPEES 1 000 RUPEES |
|
| MEXICO | 1/20 ONZA
1/10 ONZA 1/4 ONZA 1/2 ONZA 2 PESOS 2 1/2 PESOS 5 PESOS 10 PESOS 20 PESOS 50 PESOS 250 PESOS 500 PESOS 1 000 PESOS 2 000 PESOS |
|
| MONACO | 10 EURO
20 EURO 100 EURO 100 FRANCS 200 FRANCS |
|
| MONGOLIË | 750 (TUGRIK)
1 000 (TUGRIK) |
|
| NEDERLAND | (1 DUKAAT)
(2 DUKAAT) 10 EURO 20 EURO 50 EURO 1 GULDEN 5 GULDEN 10 GULDEN |
|
| NEDERLANDSE ANTILLEN | 5 GULDEN
10 GULDEN 50 GULDEN 100 GULDEN 300 GULDEN |
|
| NEPAL | 1 ASARPHI
1 000 RUPEES |
|
| NICARAGUA | 50 CORDOBAS | |
| NIEUW-ZEELAND | 5 DOLLARS
10 DOLLARS 150 DOLLARS 1,56 grammes/1/20 ounce 3,11 grammes/1/10 ounce 7/77 grammes/1/4 ounce 15,56 grammes1/2 ounce 31,1 grammes/1 ounce |
|
| NIGER | 10 FRANCS
25 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS |
|
| NOORWEGEN | 20 KRONER
1 500 KRONER |
|
| OMAN | 25 BAISA
50 BAISA 100 BAISA 1/4 OMANI RIAL 1/2 OMANI RIAL OMANI RIAL 5 OMANI RIALS 10 OMANI RIALS 15 OMANI RIALS 20 OMANI RIALS 25 OMANI RIALS 75 OMANI RIALS |
|
| OOSTENRIJK | 10 CORONA ( = 10 KRONEN)
20 CORONA ( = 20 KRONEN) 100 CORONA ( = 100 KRONEN) 1 DUCAT (4 DUCATS) 10 EURO 25 EURO 50 EURO 100 EURO 4 FLORIN = 10 FRANCS (= 4 GULDEN) 8 FLORIN = 20 FRANCS (= 8 GULDEN) 25 SCHILLING 100 SCHILLING 200 SCHILLING 200 SCHILLING/10 EURO 500 SCHILLING 1 000 SCHILLING 2 000 SCHILLING |
|
| PAKISTAN | 3 000 RUPEES | |
| PANAMA | 100 BALBOAS
500 BALBOAS |
|
| PAPOEA-NIEUW-GUINEA | 100 KINA | |
| PERU | 1/5 LIBRA
1/2 LIBRA 1 LIBRA 5 SOLES 10 SOLES 20 SOLES 50 SOLES 100 SOLES |
|
| POLEN | 50 ZLOTYCH (orzel bielik)
50 ZLOTYCH 100 ZLOTYCH (orzel bielik) 100 ZLOTY CH 200 ZLOTYCH (orzel bielik) 200 ZLOTY CH 500 ZLOTYCH (orzel bielik) |
|
| PORTUGAL | 1 ESCUDO
100 ESCUDOS 200 ESCUDOS 500 ESCUDOS 5 EURO 8 EURO 10 000 REIS |
|
| RHODESIË | 1 POUND
5 POUNDS 10 SHILLINGS |
|
| RUSLAND | 25 ROUBLES
50 ROUBLES 100 ROUBLES 200 ROUBLES 1 000 ROUBLES 10 0000 ROUBLES |
|
| RWANDA | 10 FRANCS
25 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS |
|
| SALOMONSEILANDEN | 10 DOLLARS
25 DOLLARS 50 DOLLARS 100 DOLLARS |
|
| SAN MARINO | 20 EURO
50 EURO 1 SCUDO 2 SCUDI 5 SCUDI 10 SCUDI |
|
| SAUDI-ARABIË | 1 GUINEA (= 1 SAUDI POUND) | |
| SENEGAL | 10 FRANCS
25 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS 250 FRANCS 500 FRANCS 1 000 FRANCS 2 500 FRANCS |
|
| SERVIË | 10 DINARA
20 DINARA |
|
| SEYCHELLEN | 1 000 RUPEES
1 500 RUPEES |
|
| SIERRA LEONE | 1/4 GOLDE
1/2 GOLDE 1 GOLDE 5 GOLDE 10 GOLDE 1 LEONE 20 DOLLARS 50 DOLLARS 100 DOLLARS 250 DOLLARS 500 DOLLARS 2 500 DOLLARS |
|
| SINGAPORE | 1 DOLLAR
2 DOLLARS 5 DOLLARS 10 DOLLARS 20 DOLLARS 25 DOLLARS 50 DOLLARS 100 DOLLARS 150 DOLLARS 250 DOLLARS 500 DOLLARS |
|
| SLOVENIË | 100 EURO
180 EURO 2 500 TOLARS 5 000 TOLARS 20 000 TOLARS 25 000 TOLARS |
|
| SOMALIË | 20 SHILLINGS
50 SHILLINGS 100 SHILLINGS 200 SHILLINGS 500 SHILLINGS 1 500 SHILLINGS |
|
| SPANJE | 2 (ESCUDOS)
10 (ESCUDOS) 200 EURO 400 EURO 10 PESETAS 20 PESETAS 25 PESETAS 5 000 PESETAS 10 000 PESETAS 20 000 PESETAS 40 000 PESETAS 80 000 PESETAS 100 (REALES) |
|
| SUDAN | 25 POUNDS
50 POUNDS 100 POUNDS |
|
| SURINAME | 20 DOLLARS
50 DOLLARS 100 GULDEN |
|
| SWAZILAND | 2 EMALANGENI
5 EMALANGENI 10 EMALANGENI 20 EMALANGENI 25 EMALANGENI 50 EMALANGENI 100 EMALANGENI 250 EMALANGENI 1 LILANGENI |
|
| SYRIË | ( 1/2 POUND)
(1 POUND) |
|
| TANZANIA | 1 500 SHILINGI
2 000 SHILINGI |
|
| THAILAND | (150 BAHT)
(300 BAHT) (400 BAHT) (600 BAHT) (800 BAHT) (1 500 BAHT) (2 500 BAHT) (3 000 BAHT) (4 000 BAHT) (5 000 BAHT) (6 000 BAHT) |
|
| TONGA | 1/2 HAU
1 HAU 5 HAU 1/4 KOULA 1/2 KOULA 1 KOULA |
|
| TSJAAD | 3 000 FRANCS
5 000 FRANCS 10 000 FRANCS 20 000 FRANCS |
|
| TSJECHIË | 1 000 KORUN (1 000 Kč )
2 000 KORUN (2 000 Kč ) 2 500 KORUN (2 500 Kč ) 5 000 KORUN (5 000 Kč ) 10 000 KORUN (10 000 Kč ) |
|
| TSJECHOSLOWAKIJE | 1 DUKÁT
2 DUKÁT 5 DUKÁT 10 DUKÁT |
|
| TUNESIË | 2 DINARS
5 DINARS 10 DINARS 20 DINARS 40 DINARS 75 DINARS 10 FRANCS 20 FRANCS 100 FRANCS 5 PIASTRES |
|
| TURKIJE | (25 KURUSH) (= 25 PIASTRES)
(50 KURUSH) (= 50 PIASTRES) (100 KURUSH) (= 100 PIASTRES) (250 KURUSH) (= 250 PIASTRES) (500 KURUSH) (= 500 PIASTRES) 1/2 LIRA 1 LIRA 500 LIRA 1 000 LIRA 10 000 LIRA 50 000 LIRA 100 000 LIRA 200 000 LIRA 1 000 000 LIRA 60 000 000 LIRA |
|
| TURKS- & CAICOSEILANDEN | 100 CROWNS | |
| TUVALU | 50 DOLLARS | |
| UGANDA | 50 SHILLINGS
100 SHILLINGS 500 SHILLINGS 1 000 SHILLINGS |
|
| URUGUAY | 5 000 NUEVO PESOS
20 000 NUEVO PESOS 5 PESOS |
|
| VATICAANSTAD | 20 EURO
50 EURO 10 LIRE GOLD 20 LIRE 100 LIRE GOLD |
|
| VENEZUELA | (10 BOLIVARES)
(20 BOLIVARES) (100 BOLIVARES) 1 000 BOLIVARES 3 000 BOLIVARES 5 000 BOLIVARES 10 000 BOLIVARES 5 VENEZOLANOS |
|
| VERENIGD KONINKRIJK | (1/3 GUINEA)
(1/2 GUINEA) 50 PENCE 2 POUNDS 5 POUNDS 10 POUNDS 25 POUNDS 50 POUNDS 100 POUNDS QUARTER SOVEREIGN (1/2 SOVEREIGN) (= 1/2 POUND) (1 SOVEREIGN) (= 1 POUND) (2 SOVEREIGNS) (5 SOVEREIGNS) |
|
| VERENIGDE ARABISCHE EMIRATEN | (500 DIRHAMS)
(750 DIRHAMS) (1 000 DIRHAMS) |
|
| VERENIGDE STATEN | 1 DOLLAR
2,5 DOLLAR 5 DOLLARS 10 DOLLARS (AMERICAN EAGLE) 20 DOLLARS 25 DOLLARS 50 DOLLARS |
|
| WEST-SAMOA | 50 TALA
100 TALA |
|
| ZAÏRE | 100 ZAIRES | |
| ZAMBIA | 250 KWACHA | |
| ZUID-AFRIKA | 1/10 KRUGERRAND
1/4 KRUGERRAND 1/2 KRUGERRAND 1 KRUGERRAND 1/10 oz NATURA 1/4 oz NATURA 1/2 oz NATURA 1 oz NATURA 1/2 POND 1 POND 1/10 PROTEA 1 PROTEA 1 RAND 2 RAND 5 RAND 25 RAND 1/2 SOVEREIGN (= 1/2 POUND) 1 SOVEREIGN (= 1 POUND) |
|
| ZUID-KOREA | 2 500 WON
20 000 WON 25 000 WON 30 000 WON 50 000 WON |
|
| ZWEDEN | 10 KRONOR
20 KRONOR 1 000 KRONOR 2 000 KRONOR |
|
| ZWITSERLAND
|
10 FRANCS
20 FRANCS 50 FRANCS 100 FRANCS |
[1] In de lijst geeft de munteenheid de op de munten vermelde valuta weer. Indien de valuta niet in Romeins schrift op de munt is aangegeven, is de munteenheid voor zover mogelijk tussen haakjes vermeld.
Postbus 1150
2990 CA BARENDRECHT
Postbus 204
2665 ZL BLEISWIJK
Postbus 222
4190 CE GELDERMALSEN
Postbus 1056
5900 BB VENLO
Postbus 125
2670 AC NAALDWIJK
Postbus 28
6590 AA GENNEP
Postbus 79
2990 AB BARENDRECHT
Postbus 3021
5902 RA VENLO
Havenweg 11-C
8251 KB DRONTEN
Daalder 13
8305 BE EMMELOORD
Ebweg 12C
2991 LT BARENDRECHT
Postbus 11
2678 ZG DE LIER
Postbus 7
5300 AA ZALTBOMMEL
Postbus 3200
5902 RE VENLO
Aan de Fremme 33
6269 BK MARGRATEN
De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale
uitvoeringsregelingen, waarbij een deel voortvloeit uit het
Belastingplan 2010, Overige fiscale maatregelen 2010, Fiscale
vereenvoudigingswet 2010 en de wet van 23 december 2009 houdende
wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten
(vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening
tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van
een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb 564).
Daarnaast vloeit een aantal wijzigingen voort uit de nieuwe
organisatiestructuur van de Douane. Per 1 januari 2010 gaan de vier
douaneregio’s op in één landelijk werkend organisatieonderdeel: de
Belastingdienst/Douane.
Voorts worden de bepalingen betreffende vrijstellingen van
belastingen bij invoer aangepast aan de vervanging van Verordening
(EEG) nr. 918/83 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28
maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling
inzake douanevrijstellingen (PbEG L 105) door Verordening (EG) nr.
1186/2009 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16
november 2009 betreffende de instelling van een communautaire
regeling inzake douanevrijstellingen (PbEG L 324). Hierdoor is het
actualiseren van diverse artikelen in de Algemene douaneregeling
nodig.
Verder bevat de onderhavige regeling enkele wijzigingen van de
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 die voortvloeien uit de
Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de
omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe
regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van
omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor de teruggaaf van
omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers
(implementatie richtlijnen BTW-pakket). Voorts zijn bedragen
aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen.
Tevens zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd en zijn enige
omissies hersteld. Aan de wijzigingen van de diverse regelingen
zijn geen zelfstandige budgettaire, nalevings- of
uitvoeringseffecten verbonden.
Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om mee te delen dat
- net als in 2009 - ook in 2010 de uitzonderingsmogelijkheid op het
vlagvereiste van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, van de Wet
IB 2001, niet van toepassing is. Op basis van artikel 3.22, tiende
lid, van de Wet IB 2001 is in overeenstemming met de Minister van
Verkeer en Waterstaat vastgesteld dat op landelijk niveau de
nettotonnage van voor de tonnageregeling kwalificerende schepen die
de vlag voeren van een van de lidstaten gedurende de periode 2006
tot en met 2008 is afgenomen ten opzichte van de periode 2005 tot
en met 2007. Het driejaarsgemiddelde is in de periode 2006 tot en
met 2008 ten opzichte van de periode 2005 tot en met 2007 gemiddeld
gedaald van 67,880% naar 63,787%. Voor schepen die in het
kalenderjaar 2010 in gebruik worden genomen, houdt dit in dat de
voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de lidstaten wel
geldt, tenzij een van de uitzonderingsgronden van artikel 3.22,
zesde lid, onderdeel a of b, van de Wet IB 2001 van toepassing is.
Er wordt op dit punt derhalve ook in 2010 geen bepaling in de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen.
Artikel I, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 geeft met ingang van
1 januari 2010 ook uitvoering aan de artikelen 2.14a, 3.55, 3.56,
3.57, 3.63, 4.17a, 4.17b, 4.17c, 4.41 en 9.6 van de Wet IB 2001.
Daarom wordt artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 aangevuld met een verwijzing naar deze
artikelen.
Artikel I, onderdeel B (artikel 4a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
In het eerste lid van het ingevolge dit onderdeel per 1 januari
2010 in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 op te nemen
artikel 4a is een begrenzing aangebracht van de reikwijdte van
artikel 2.14a van de Wet IB 2001. Voor zover iemand een juridisch
afdwingbaar recht heeft ten laste van een APV, is geen sprake van
een toe te rekenen afgezonderd particulier vermogen. Degene die een
juridisch afdwingbaar recht heeft ten laste van een APV wordt voor
dit recht zelf en de inkomsten daaruit in de belastingheffing
betrokken. Het ingevolge artikel 2.14a van de Wet IB 2001 toe te
rekenen vermogen wordt in zoverre verlaagd. Als deze stap is
genomen, resulteert het discretionaire deel van het APV. Artikel
2.14a van de Wet IB 2001 beschrijft de hoofdregel hoe wordt
omgegaan met het discretionaire deel van het APV: toerekening vindt
plaats naar rato van de inbreng aan de persoon die vermogen in het
APV heeft ingebracht (of aan diens erfgenamen). Zolang een ander
dan de inbrenger geen concreet recht krijgt ten laste van het APV,
blijft tijdens zijn leven het vermogen toegerekend worden aan de
inbrenger. Zodra een begunstigde evenwel jegens een APV een
concreet juridisch afdwingbaar recht krijgt, wordt een schenking
aan de begunstigde geconstateerd die daarvoor wordt belast. De
begunstigde wordt vervolgens voor het recht zelf en de inkomsten
daaruit betrokken in de heffing van inkomstenbelasting. De wijze
waarop dit gebeurt is afhankelijk van de aard van het recht en de
aard van de inkomsten. Bij de inbrenger wordt in zoverre niet meer
geheven: het recht van de begunstigde is een schuld van de
inbrenger. Bij overlijden van de inbrenger worden de
vermogensbestanddelen van het APV, onder aftrek van de voormelde
schuld aan de begunstigde, geacht tot de nalatenschap van de
inbrenger te behoren. De erfgenamen worden pro rata belast voor de
fictieve verkrijging krachtens erfrecht. Voor de toerekening per
erfgenaam wordt de wettelijke of de testamentaire verdeling
gevolgd. Uitgegaan wordt derhalve van de feitelijke verdeling.
Het tweede lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 ziet op de situatie dat meer dan één
persoon vermogen in een APV heeft ingebracht. De regeling beoogt
geen onderscheid te maken tussen de ingebrachte
vermogensbestanddelen en de latere waardeontwikkelingen. Overlijden
van een inbrenger heeft in de regel geen gevolgen voor de andere
inbrenger, tenzij deze inbrenger ook erfgenaam is van de overleden
inbrenger. De regeling geeft ook duidelijkheid voor uitkeringen uit
het APV. De transparante behandeling van een APV beoogt te
voorkomen dat belastingclaims (bijvoorbeeld op een
aanmerkelijkbelangpakket) zonder belastingheffing worden
doorgeschoven naar andere inbrengers. Bedacht dient te worden dat
toerekeningskwesties alleen aan de orde zijn voor het
discretionaire deel van het APV; voor zover er concrete rechten
zijn of worden gecreëerd, vindt toerekening aan de gerechtigde
plaats. Concrete rechten vereisen een goede en controleerbare
administratieve vastlegging.
Heeft de inbreng in het APV op hetzelfde moment door meerdere
inbrengers plaatsgevonden dan vindt vermenging van vermogen plaats
en wordt toegerekend naar rato van de werkelijke waarden van de
ingebrachte vermogensbestanddelen, ongeacht de aard van de
vermogensbestanddelen.
Voorbeeld 1: A stort € 1 miljoen contanten en B stort een
aanmerkelijkbelangpakket ter waarde van € 1 miljoen in SPF A-B. Aan
iedere inbrenger wordt 50% van de bezittingen en schulden alsmede
de opbrengsten en uitgaven van SPF A-B toegerekend. Dat betekent
dat A aan B € 500 000 contant overdraagt en B een
50%-aanmerkelijkbelangpakket aan A vervreemdt. Voor B is sprake van
een aanmerkelijkbelangtransactie en A verkrijgt een
aanmerkelijkbelangpakket met een verkrijgingsprijs van € 500 000.
Stijgen de ingebrachte contanten in waarde en daalt de waarde van
het ingebrachte aanmerkelijkbelangpakket dan blijft de toerekening
van het discretionaire deel 50:50. Ontvangt de SPF een regulier
voordeel ter zake van het aanmerkelijkbelangpakket dan wordt dat
voordeel in gelijke delen bij de twee inbrengers in de heffing van
box 2 betrokken.
Heeft de inbreng in het APV op verschillende momenten door
verschillende inbrengers plaatsgevonden dan wordt toegerekend naar
rato van de werkelijke waarden van de ingebrachte
vermogensbestanddelen ten tijde van de inbreng.
Voorbeeld 2: X stort € 1 miljoen contanten in 2010 en Y stort 4
jaar later een aanmerkelijkbelangpakket ter waarde van € 1 miljoen
in discretionaire trust Z. De ingebrachte contanten waren belegd in
obligaties die ten tijde van B’s inbreng € 1 500 000 waard zijn.
Aan X wordt tot Y’s inbreng 100% van de bezittingen en schulden
alsmede de opbrengsten en uitgaven van trust Z toegerekend. De
inbreng van Y betekent dat X aan Y voor € 600.000 aan obligaties
overdraagt en Y een 60%-aanmerkelijkbelangpakket aan X vervreemdt.
Voor Y is sprake van een aanmerkelijkbelangtransactie en X
verkrijgt een aanmerkelijkbelangpakket met een verkrijgingsprijs
van € 600 000. Vanaf het moment van inbreng door Y wordt aan X 60%
en aan Y 40% van de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten
en uitgaven van trust Z toegerekend. Stijgt de waarde van de
obligaties en daalt de waarde van het ingebrachte
aanmerkelijkbelangpakket dan blijft de toerekening 60:40. Ontvangt
de trust een regulier voordeel ter zake van het
aanmerkelijkbelangpakket dan wordt dat voordeel in de verhouding
60:40 toegerekend aan de twee inbrengers en bij hen in de heffing
van box 2 betrokken.
Met uitkeringen uit het APV wordt op overeenkomstige wijze rekening
gehouden. Dit betekent dat uitkeringen geacht worden uitkeringen te
zijn van de personen aan wie wordt toegerekend. Keert SPF A-B in
voorbeeld 1 uit aan de twee kinderen van inbrenger B dan worden
deze betalingen geacht te zijn gedaan door A en B in gelijke delen.
Voor de schenkbelasting en het toepasselijke tarief kan dit
gevolgen hebben. Voor de inkomstenbelasting blijft de toerekening
van de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven
van SPF A-B ongewijzigd: A en B nemen ieder 50% in aanmerking.
Overlijdt een inbrenger dan treden zijn erfgenamen in zijn rechten
en verplichtingen. Overlijdt inbrenger A in voorbeeld 1 en heeft
hij vier erfgenamen, dan wordt aan iedere erfgenaam ingevolge het
eerste lid van artikel 2.14a van de Wet IB 2001, 12,5% van de
bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van SPF
A-B toegerekend. Het 50%-deel van B blijft ongewijzigd.
Het derde lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 ziet op een bijzondere situatie: niet is
bekend welk vermogen op enig moment door iemand in een APV met een
of meer inbrengers oorspronkelijk is afgezonderd. Als de inbreng
lange tijd geleden heeft plaatsgevonden kan zich een dergelijke
situatie voordoen. Voor zover geen discussie bestaat ten aanzien
van de inbreng van bepaalde vermogensbestanddelen, vindt de
toerekening in zoverre plaats overeenkomstig de waarde van de
inbreng. Ter voorkoming van toerekeningsproblemen vindt de
toerekening van vermogen waarvan de inbrenger niet is te bepalen
plaats naar rato van het aantal personen dat vermogen heeft
afgezonderd.
Het vierde lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 geeft nadere inhoud aan het begrip ‘het
onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden
rechtens dan wel in feite, direct of indirect, afzonderen van
vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen’,
bedoeld in artikel 2.14a, derde lid, onderdeel a, van de Wet IB
2001. Vervreemding van vermogensbestanddelen aan een APV tegen een
prijs die afwijkt van de waarde in het economische verkeer, leidt
tot de constatering dat vermogen wordt afgezonderd in de zin van de
regeling. Hetzelfde geldt voor het vervreemden van
vermogensbestanddelen aan een APV waarbij voorwaarden worden
bedongen die niet overeenkomen met voorwaarden die in het
maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn. Tevens wordt hier gezien
op het inbrengen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd
particulier vermogen waarbij de inbreng en daarmee samenhangende
rechtshandelingen gericht zijn op of direct of indirect verband
houden met het ontgaan of uitstellen van de toerekening, bedoeld in
artikel 2.14a, eerste lid, van de Wet IB 2001. Gedacht kan
bijvoorbeeld worden aan de volgende situaties:
- Een belastingplichtige leent onder zakelijke voorwaarden gelden
aan een SPF. Hij is niet de formele oprichter maar bezit wel de
oprichtersrechten van de SPF. De SPF beoogt de belangen van de
familie van de geldlener te dienen. De SPF richt met het geleende
geld een Antilliaanse vennootschap op. De Antilliaanse vennootschap
koopt tegen zakelijke voorwaarden aandelen van een vennootschap
waarvan de geldlener de directeur is. Het vermogen van de SPF wordt
in een dergelijke situatie toegerekend aan de geldlener.
- Een belastingplichtige leent onder zakelijke voorwaarden gelden
aan een trust. Hij is niet de formele insteller van de trust. De
trust beoogt de belangen van de familie van de geldlener te dienen.
De trust richt met het geleende geld een Jersey vennootschap op. De
Jersey vennootschap koopt tegen zakelijke voorwaarden aandelen van
een vennootschap waarvan de geldlener de directeur is. Het vermogen
van de trust wordt in een dergelijke situatie toegerekend aan de
geldlener.
- Een Stiftung stort een deel van haar vermogensbestanddelen in een
door de Stiftung ingestelde Anglo-Amerikaanse trust. De bezittingen
en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van de Stiftung
alsmede die van de trust worden toegerekend aan de inbrenger van
het vermogen in de Stiftung.
Het begrip afzonderen dient daar waar het gaat om het bestrijden
van constructies ter zake van de bedoelde toerekening van vermogen
in een APV derhalve ruim te worden opgevat. Ervaringen uit de
praktijk met bijvoorbeeld de terbeschikkingstellingsregeling, waar
in het derde lid van de artikelen 3.91 en 3.92 van de Wet IB 2001
een gelijkluidende terminologie voorkomt, kunnen richting geven aan
de term afzonderen van vermogen.
Het vijfde lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat bezittingen en schulden van een
APV in aanmerking dienen te worden genomen naar de waarde in het
economisch verkeer. Van het APV zelf gaat geen waardedrukkend
effect uit. De toevoeging dat de vermogensbestanddelen worden
gewaardeerd als maken zij rechtstreeks deel uit van het vermogen
van degene aan wie de bezittingen en schulden alsmede de
opbrengsten en uitgaven van het APV worden toegerekend, ziet onder
andere op het als een eenheid in aanmerking nemen in het vermogen
van de persoon aan wie wordt toegerekend.
Het zesde lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 ziet op de situatie dat een erfgenaam
tegenbewijs kan leveren dat hij geen begunstigde is van het APV. De
tegenbewijsregeling, bedoeld in het zesde lid van artikel 2.14a van
de Wet IB 2001, beoogt om in uitzonderlijke situaties de
mogelijkheid te bieden dat aan personen geen vermogen van het APV
wordt toegerekend omdat zij geen begunstigde zijn van het APV en
dat ook nooit kunnen worden. De belastingplichtige overlegt daartoe
de benodigde gegevens en inlichtingen. De ingevolge genoemd artikel
4a, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
te verstrekken stukken zijn cumulatief.
Artikel I, onderdeel C (artikel 6a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
Op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 behoren niet tot de winst voordelen die
worden genoten op grond van mobiliteitsprojecten die worden
gehouden in het kader van het project Anders betalen voor
mobiliteit. In artikel 6a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 zijn de mobiliteitsprojecten opgenomen die
in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 3.13, eerste
lid, onderdeel i, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Ter zake van
de genoemde projecten zijn er uitvoeringsconvenanten gesloten
tussen het ministerie van Verkeer en Waterstaat en de betreffende
regio’s. De in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 opgesomde projecten zijn aangewezen door de
Minister van Financiën in overeenstemming met de Minister van
Verkeer en Waterstaat.
Artikel I, onderdeel D (artikel 11 van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
Ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 zijn de artikelen 3.55,
tweede en vijfde lid, 3.56, tweede lid, 3.57, tweede lid, en 4.41,
tweede en derde lid van de Wet IB 2001 in overeenstemming gebracht
met de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07
(Europese Commissie tegen Nederland). Ingevolge deze bepalingen kan
bij ministeriële regeling een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte voor de
toepassing van deze artikelen worden aangewezen, in welk geval
vestiging in die staat voor de toepassing van deze artikelen op
dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging in een lidstaat van de
Europese Unie. Met de in bij deze wijzigingsregeling opgenomen
wijzigingen wordt invulling gegeven aan deze bevoegdheid en worden
IJsland en Noorwegen aangewezen.
Artikel I, onderdeel E (artikel 16 van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
In het tweede lid van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 wordt verwezen naar de verklaring, bedoeld
in artikel 3.87, elfde lid, van de Wet IB 2001 (de reisverklaring).
Sinds 1 januari 2009 wordt de reisverklaring echter omschreven in
het negende lid van artikel 3.87 van de Wet IB 2001. Daarom wordt
in het tweede lid van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 de verwijzing naar het elfde lid van
artikel 3.87 van de Wet IB 2001 met terugwerkende kracht tot en met
1 januari 2009 gewijzigd in een verwijzing naar het negende lid van
artikel 3.87 van de Wet IB 2001. Hiermee is geen inhoudelijke
wijziging beoogd.
Artikel I, onderdeel F (artikelen 26a, 26b, 26c en 26d van de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)
Artikel 26a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting
2001
Deze bepaling is gebaseerd op de delegatiebevoegdheden van de
ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 per 1 januari 2010 in te
voegen artikelen 4.17a, negende lid, 4.17b, vierde lid, en 4.17c,
vierde lid, van de Wet IB 2001.
In het eerste lid van artikel 26a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat de in dat lid genoemde
verzoeken door de gezamenlijk belanghebbenden dienen te worden
ingediend bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling
van de erflater. Het betreft het in artikel 4.17a, eerste lid van
de Wet IB 2001 opgenomen verzoek om toepassing van de
doorschuifregeling bij vererving van tot een aanmerkelijk belang
behorende aandelen of winstbewijzen (hierna: ab-aandelen), en de
verzoeken om toepassing van de artikel 4.17b, tweede lid of derde
lid, van de Wet IB 2001. Op grond van artikel 4.17b, tweede lid,
van de Wet IB 2001 wordt onder voorwaarden bij de erflater geen
conserverende aanslag opgelegd indien de overgang krachtens
erfrecht op een niet in Nederland wonende verkrijger, binnen twee
jaar na het overlijden wordt gevolgd door een verdeling van de
nalatenschap voor zover daarbij de verkregen aandelen of
winstbewijzen worden toebedeeld aan een in Nederland wonende
verkrijger. De regeling van artikel 4.17b, derde lid, van de Wet IB
2001 maakt het mogelijk dat de doorschuifregeling van toepassing is
op alle preferente aandelen of de gehele vordering, mits deze
binnen twee jaar na het overlijden bij boedelscheiding zijn
toebedeeld aan de bedrijfsopvolger. De gezamenlijk belanghebbenden
zijn de rechtsgeldige vertegenwoordiger(s) van erflater en de
verkrijger. In het tweede lid van artikel 26a van de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat de in
dat lid genoemde verzoeken door de gezamenlijk belanghebbenden
dienen te worden ingediend bij de inspecteur die is belast met de
aanslagregeling van de vervreemder. Het betreft het in artikel
4.17b, eerste lid, van de Wet IB 2001 opgenomen verzoek om
toepassing van de doorschuifregeling bij verdeling van de
nalatenschap binnen twee jaar, en het in artikel 4.17c, eerste lid,
van die wet opgenomen verzoek om toepassing van de
doorschuifregeling bij schenking van ab-aandelen. De gezamenlijk
belanghebbenden zijn in dat geval de vervreemder en de verkrijger.
Omdat de verzoeken door meerdere personen dienen te worden
ondertekend, moet het verzoek schriftelijk worden gedaan.
Artikel 26b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting
Dit artikel is gebaseerd op de delegatiebevoegdheid van artikel
4.17a, vijfde en negende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
In dat artikel is geregeld in welke mate de aanmerkelijkbelangclaim
kan worden doorgeschoven bij vererving. Dit is het geval voor zover
de waarde van de aandelen toerekenbaar is aan het
ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen
betrekking hebben. In dit artikel worden nadere regels gegeven met
betrekking tot preferente aandelen.
De vervreemding van preferente aandelen door het overlijden van de
aanmerkelijkbelanghouder kwalificeert alleen voor de
doorschuifregeling indien deze preferente aandelen zijn ontstaan in
het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging. In dat geval vormt
de vererving van de preferente aandelen naar de beoogde
bedrijfsopvolger het sluitstuk van de eerder ingezette
bedrijfsopvolging.
In geval van direct gehouden preferente aandelen is de
bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing als de preferente
aandelen zijn uitgegeven in het kader van een gefaseerde
bedrijfsopvolging als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, van de
wet. In dit lid is de grondvorm van een gefaseerde
bedrijfsopvolging beschreven. Uiteraard kan de gefaseerde
bedrijfsopvolging ook op een andere wijze gestalte worden gegeven.
Zo is het ook mogelijk dat de gewone aandelen in het kader van een
aandelenfusie worden ingebracht in een lichaam tegen uitreiking van
preferente aandelen in dat lichaam, waarbij de gewone aandelen in
dat lichaam worden gehouden door de bedrijfsopvolger of een
vennootschap van de bedrijfsopvolger. Eveneens is het mogelijk dat
de preferente aandelen ontstaan in het kader van een juridische
splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de Wet IB 2001 of een
juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de Wet IB 2001.
Voor deze andere vormen van een gefaseerde bedrijfsopvolging is in
artikel 26b, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 een voorziening opgenomen.
In het tweede lid van artikel 26b van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 is een voorziening opgenomen voor situaties
waarin als gevolg van een overgang krachtens
huwelijksvermogensrecht of erfrecht ten aanzien van de houder van
de preferente aandelen een wijziging optreedt, voordat de
bedrijfsopvolging definitief gestalte heeft gekregen door de
vervreemding van de preferente aandelen aan de beoogd
bedrijfsopvolger. Ter illustratie zijn hierna twee voorbeelden
opgenomen.
Voorbeeld 1
A is weduwnaar. Hij is enig aandeelhouder van BV-X. Hij zet deze
aandelen om in preferente aandelen, terwijl de BV nieuwe gewone
aandelen uitreikt aan A’s kind Z. Enige tijd daarna trouwt A in
wettelijke gemeenschap van goederen met B. Hierdoor verkrijgt B de
helft van de preferente aandelen krachtens huwelijksvermogensrecht
(boedelmenging). Indien B vervolgens overlijdt en B’s preferente
aandelen worden verkregen door Z is naar de letter van de wet niet
verkregen van een erflater die de aandelen heeft omgezet. Door de
werking van het tweede lid kan B in aanmerking komen voor de
bedrijfsopvolgingsregeling.
Voorbeeld 2
G en H zijn met elkaar getrouwd op huwelijkse voorwaarden en hebben
één kind, D. G is enig aandeelhouder van BV-Y. G zet deze aandelen
om in preferente aandelen, terwijl de BV nieuwe gewone aandelen
uitreikt aan D. Enige tijd daarna overlijdt G zonder bij testament
over zijn nalatenschap te hebben beschikt. G’s preferente aandelen
in BV-Y worden nu geërfd door zijn vrouw H. Op grond van de
wettelijke verdeling krijgt D een vordering op H. In deze situatie
is de bedrijfsopvolgingsregeling niet van toepassing ter zake van
het overlijden van G en de vervreemding van de aandelen aan H,
omdat H niet de houder is van de gewone aandelen. Artikel 26b van
de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 brengt daarin geen
verandering, omdat H niet de beoogde bedrijfsopvolger is. Als H
overlijdt en D verkrijgt de preferente aandelen, dan zou die
vervreemding door het overlijden van H naar de letter van de wet
echter ook niet kwalificeren voor de bedrijfsopvolgingsregeling,
omdat H de preferente aandelen niet hield als gevolg van een
omzetting van door H eerder gehouden gewone aandelen. Dit gevolg is
niet wenselijk omdat D de beoogde bedrijfsopvolger is en, via
‘tussenkomst’ van H, de preferente aandelen alsnog krachtens
erfrecht verkrijgt. Het tweede lid voorziet ook in deze situatie.
Voor de situatie waarin aandelen in een werkmaatschappij indirect
worden gehouden (dus via een holding) is in artikel 4.17a, vijfde
lid, van de wet bepaald dat toerekening van het vermogen van de
werkmaatschappij aan de holding kan plaatsvinden. Met betrekking
tot preferente aandelen is daarbij bepaald dat toerekening alleen
mag plaatsvinden indien de preferente aandelen zijn uitgegeven in
het kader van een bedrijfsoverdracht die voldoet aan bij
ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden
worden gegeven in het derde lid van artikel 26b van de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De eisen die worden
gesteld aan de indirect gehouden preferente aandelen, komen overeen
met de eisen die worden gesteld aan de direct gehouden preferente
aandelen. Omdat indirect gehouden preferente aandelen ook kunnen
ontstaan in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel
14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, is deze
omzettingsvorm in de derde volzin van het derde lid opgenomen.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een vader die in zijn
BV een winkel in A heeft en een winkel in B. De zoon wil winkel B
overnemen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een bedrijfsfusie.
Daartoe geeft de BV van de zoon preferente aandelen uit aan de BV
van vader. Op min of meer dezelfde wijze kunnen preferente aandelen
ontstaan in het kader van een aandelenfusie, een juridische
splitsing en een juridische fusie. Daarom zijn ook deze vormen
genoemd in de tweede volzin van het vierde lid.
Verder is in artikel 26b van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 bepaald dat indien eenmaal sprake is van
preferente aandelen die voldoen aan de omschrijving van artikel
4.17a, derde lid, van de wet de kwalificatie van de preferente
aandelen als zijnde ‘ontstaan in het kader van een gefaseerde
bedrijfsopvolging’ blijft bestaan zolang en voor zover de
preferente aandelen aan de gewone aandelen gekoppeld blijven.
Hierop ziet het vierde lid van artikel 26b van de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Dit betekent dat
indien de doorschuifregeling ter zake van de bedoelde preferente
aandelen is toegepast bij de vervreemding aan de ‘eerste’ opvolger
bij zijn overlijden de doorschuifregeling ook van toepassing is ter
zake van de preferente aandelen voor zover zijn rechtsopvolger
krachtens erfrecht ook de gewone aandelen verkrijgt die eerder bij
de gefaseerde bedrijfsopvolging aan de eerste opvolger zijn
uitgegeven. Met deze bepaling wordt voorkomen dat de eerste
opvolger in feite verplicht de preferente aandelen moet laten
inkopen om te voorkomen dat de doorschuifregeling in de toekomst
niet van toepassing zou zijn.
Voorbeeld 3
Vader bezit 100% van de aandelen in BV-X. Tijdens zijn leven worden
zijn aandelen omgezet in preferente aandelen en gelijktijdig worden
aan zijn zoon gewone aandelen toegekend. Ook overigens wordt
voldaan aan de eisen van artikel 4.17a, derde lid, van de wet.
Vader overlijdt en de zoon (enig erfgenaam) verkrijgt de preferente
aandelen. Deze preferente aandelen kwalificeren voor de toepassing
van artikel 4.17a, zodat de doorschuifregeling kan worden toegepast
voor zover de waarde van de aandelen toerekenbaar is aan het
ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen
betrekking hebben. Indien de zoon na twintig jaar overlijdt, en
zijn vermogen wordt verkregen door zijn dochter (ook enig
erfgenaam), dan zou de zoon zonder nadere bepaling voor wat betreft
de preferente aandelen niet voor de doorschuifregeling in
aanmerking komen. Ten aanzien van hem zijn de preferente aandelen
immers niet ontstaan in het kader van een bedrijfsoverdracht, zoals
in de wet omschreven. Hij heeft tijdens zijn leven namelijk geen
gewone aandelen omgezet in preferente aandelen. Artikel 26b, vierde
lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 voorziet in
deze situatie. Zolang de gewone aandelen en de preferente aandelen
“tot eenzelfde vermogen blijven behoren”, anders gezegd “aan elkaar
gekoppeld blijven”, behouden de preferente aandelen het etiket
‘ontstaan in het kader van een bedrijfsopvolging’.
Mocht de zoon 40% van zijn gewone aandelen tijdens zijn leven
hebben verkocht, dan kwalificeert bij de vererving naar zijn
dochter slechts 60% van de door haar geërfde preferente aandelen
als aandelen bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, van de wet.
Vanaf het moment dat de gewone aandelen en de preferente aandelen
ontkoppeld worden, is ten aanzien van de preferente aandelen geen
sprake meer van kwalificerende aandelen. De preferente aandelen en
de gewone aandelen moeten dus steeds “bij elkaar blijven”.
Ten slotte is in het vijfde lid van artikel 26b van de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 bepaald dat voor de
bepaling of de houder van de gewone aandelen minimaal 5% van het
geplaatste aandelenkapitaal houdt, geen rekening wordt gehouden met
de omvang van het geplaatste kapitaal dat toerekenbaar is aan het
preferente aandelenkapitaal. Als het totale geplaatste kapitaal 100
is en hiervan 90 toerekenbaar is aan de preferente aandelen, moet
de verkrijger derhalve voor ten minste 5% van 10 aandeelhouder
zijn.
Opgemerkt wordt dat artikel 26b ook van toepassing is voor de
toepassing van artikel 4.17c van de Wet inkomstenbelasting 2001. In
dat geval dient in het derde lid voor “erflater” te worden gelezen:
schenker.
Artikel 26c van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting
2001
Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de
delegatiebevoegdheid van het ingevolge Overige fiscale maatregelen
2010 per 1 januari 2010 in te voegen artikel 4.17c, vierde lid, van
de Wet IB 2001, op grond waarvan de driejaarstermijn voor de
doorschuifregeling bij schenking van ab-aandelen kan worden
verkort. Als na het aangaan van de dienstbetrekking door de beoogde
bedrijfsopvolger zich één van de in het artikel 26c, tweede lid,
van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 genoemde
situaties voordoet, kunnen de ab-aandelen direct met toepassing van
de doorschuifregeling worden geschonken aan de beoogde
bedrijfsopvolger. Bij de formulering van genoemd tweede lid is
aangesloten bij de doorschuifregeling bij leven in de
IB-winstsfeer, zoals opgenomen in artikel 13a van de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
Artikel 26d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting
2001
Artikel 26d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
bevat een tegemoetkoming voor de situaties waarin aandelen in een
holdingmaatschappij worden geschonken en de verkrijger alleen in
dienstbetrekking is bij een werkmaatschappij. Dit artikel is
gebaseerd op de delegatiebevoegdheid van het ingevolge Overige
fiscale maatregelen 2010 per 1 januari 2010 in te voegen artikel
4.17c, vierde lid, van de Wet IB 2001. Voor de situatie dat in het
kader van een bedrijfsopvolging een groep van vennootschappen (een
holdingmaatschappij met een of meer werkmaatschappijen) wordt
geschonken, en de verkrijger in dienstbetrekking is van een van de
werkmaatschappij en niet van de holding, wordt ook geacht te zijn
voldaan aan de bestuurderseis van artikel 4.17c, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet IB 2001, mits deze dienstbetrekking voldoet
aan het criterium van 36 maanden en de werkmaatschappij een
onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt als bedoeld in
artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel a, van die wet.
Artikel I, onderdeel G (artikel 36 van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
De bedragen van de maximumaftrek voor levensonderhoud van kinderen
zijn geactualiseerd op basis van de bedragen die zijn vastgesteld
in de Regeling indexering AKW-bedragen juli 2009.
Artikel I, onderdeel H (artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
In artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is
de zogenoemde dieetkostentabel opgenomen. De dieetkostentabel bevat
een limitatieve opsomming van de meerkosten die horen bij de
combinatie van type dieet, ziektebeeld en aandoening. Deze
meerkosten zijn aftrekbaar als dieetkosten binnen de regeling
uitgaven voor specifieke zorgkosten. Naast een prijsupdate is deze
nieuwe dieetkostentabel ook inhoudelijk herzien. De tabel is
opgesteld door het Nibud in samenwerking met het Voedingscentrum en
in overleg met de Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD) en
andere specialisten op het gebied van diëtetiek. Voor de
vaststelling van de dieetkostentabel is een nieuwe benadering
gekozen om te komen tot de vaststelling van de meerkosten. Nieuwe
kennis en inzichten hebben geleid tot wijzigingen in de
uitgangspunten voor dieetadvisering en productkeuzes. De meerkosten
van dieetvoeding worden bepaald aan de hand van de methode voor het
berekenen van meer- of minderkosten van dieetadviezen ten opzichte
van een referentievoeding. Voorheen werd voor het samenstellen van
de referentievoeding uitgegaan van het eetpatroon van de gemiddelde
Nederlander, zowel wat betreft productkeuzes als wat betreft
hoeveelheden. In het nieuwe systeem wordt uitgegaan van een nieuwe
referentievoeding die is opgesteld door het Voedingscentrum met als
basis de aanbevolen hoeveelheden voeding per dag voor een volwassen
man in de leeftijd van 19 tot 50 jaar (de groep met de hoogste
meerkosten). Het voedingscentrum baseert zich hierbij op de
Richtlijnen Voedselkeuze (Voedingscentrum 2009) die zijn afgeleid
van de Richtlijnen Goede Voeding (Gezondheidsraad 2006). De nieuwe
referentievoeding is dus een gezonde voeding waarbij rekening is
gehouden met het Nederlandse voedingspatroon. Aangezien een gezonde
voeding in het algemeen het uitgangspunt is in de dieetadvisering
ligt het voor de hand dat de referentievoeding eveneens een gezonde
voeding representeert. De meerkosten die een persoon heeft als
gevolg van een dieet is het verschil tussen de prijs van het
referentie-dieetadvies en die van de standaardreferentievoeding,
omgerekend naar een bedrag per jaar. De nieuwe methode van
vaststelling kan ertoe leiden dat voor bepaalde diëten geen
meerkosten meer gemaakt worden terwijl dat voorheen wel zo was.
Deze diëten komen niet meer voor in de dieetkostentabel. Voor
andere diëten gelden nu wel of hogere meerkosten dan voorheen.
Lagere meerkosten kunnen ontstaan doordat zoals aangegeven de
referentievoeding uitgaat van gezonde voeding in plaats van wat
gemiddeld in Nederland wordt gegeten. Voorheen zorgde een gezond
dieetadvies ten opzichte van een gemiddeld eetpatroon al voor
meerkosten, wat nu niet meer het geval is. Daarnaast zijn
dieetproducten veel beter verkrijgbaar dan voorheen, wat heeft
gezorgd voor een lagere prijs van deze producten. In de tabel zijn
limitatief de diëten opgenomen die op basis van de nieuwe
systematiek leiden tot meerkosten en mits is voldaan aan de overige
voorwaarden recht geven op aftrek van dieetkosten. Voorheen werden
alleen bedragen van meer dan € 113 in de dieetkostentabel
opgenomen, het drempelbedrag voor dieetkosten. Met de nieuwe
benadering is ervoor gekozen om niet langer een afzonderlijke
drempel te hanteren voor dieetkosten waardoor er ook lagere
bedragen in de tabel voorkomen. Voor de aftrek van dieetkosten is
daarmee alleen de algemene drempel voor de uitgaven voor specifieke
zorgkosten van toepassing.
Artikel I, onderdeel I (artikel 41a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
De wijziging van artikel 41a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 houdt verband met de wet van 23 december
2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere
belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en
herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede
introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen
in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb.
564). Ingevolge die wet wordt de definitie van algemeen nut
beogende instelling (hierna: ANBI) in artikel 6.33, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2010
gewijzigd. Als ANBI worden voortaan alleen instellingen aangemerkt,
die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut dienen.
Als gevolg daarvan wordt ook artikel 41a van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001 dienovereenkomstig aangepast.
Artikel I, onderdeel J (artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
In het ingevolge de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 per 1 januari
2010 in te voegen artikel 9.6, tweede lid, van de Wet IB 2001 is
bepaald dat bij ministeriële regeling gevallen worden aangewezen
waarin door de inspecteur een onjuiste belastingaanslag
inkomstenbelasting ambtshalve wordt verminderd. De regels voor
ambtshalve vermindering van de belastingaanslag inkomstenbelasting
zijn dezelfde als de regels die gelden voor ambtshalve vermindering
van het verzamelinkomen (vergelijk artikel 30b van de
Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994). Ook
sluiten deze regels aan bij de regels uit het Beleidsbesluit
ambtshalve verminderen of teruggeven, zoals dat met ingang van 1
januari 2010 in werking treedt (Stcrt. 2009, nr. 19523). Dit is om
de regels voor ambtshalve vermindering zoveel mogelijk met elkaar
te stroomlijnen, ongeacht of het gaat om inkomensgegevens, te weten
het verzamelinkomen of belastbare jaarloon (artikel 30b van de
Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994), de
belastingaanslagen inkomstenbelasting (artikel 45aa van de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001) of andere belastingen
(artikel 65 van de AWR in samenhang met het voornoemde
beleidsbesluit). Dit is ook van belang als in de toekomst de
gewenste uitbreiding van de rechtsbescherming bij ambtshalve
vermindering van de inkomstenbelasting naar de
vennootschapsbelasting plaatsvindt. De bijzondere regeling voor de
belastingaanslagen inkomstenbelasting, geregeld in artikel 45aa van
de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, houdt het volgende
in. Als een belastingaanslag inkomstenbelasting op een te hoog
bedrag is vastgesteld, vermindert de inspecteur in alle gevallen -
op verzoek of uit eigen beweging – die belastingaanslag. Er zijn
slechts vijf uitzonderingen. In de eerste plaats is om
doelmatigheidsredenen de mogelijkheid tot vermindering in de tijd
beperkt, te weten tot zeven jaren na het einde van het jaar waarop
de belastingaanslag betrekking heeft. Bij de andere uitzonderingen
gaat het kort gezegd om de situaties dat na het onherroepelijk vast
komen te staan van de belastingaanslag er nieuwe jurisprudentie is
gewezen, nieuw beleid is uitgevaardigd, dan wel een beroep op een
fiscale faciliteit wordt gedaan dat bijvoorbeeld bij de aangifte
inkomstenbelasting had moeten worden gedaan. Als sprake is van een
feit waardoor ten onrechte inkomstenbelasting is geheven – de
belastingaanslag inkomstenbelasting op een te hoog bedrag is
vastgesteld - en als gevolg van die heffing een andere belasting
(uit een ander kalenderjaar of van een andere belastingplichtige)
ter zake van datzelfde feit niet is geheven en ook niet meer kan
worden geheven, dan vindt wel ambtshalve vermindering van de
belastingaanslag inkomstenbelasting plaats voor zover het bedrag
van de eerstgenoemde belasting het bedrag van de andere belasting
te boven gaat.
Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat als de inspecteur kennis
neemt van andere feiten dan die naar aanleiding waarvan hij
voornemens is ambtshalve vermindering van de belastingaanslag
inkomstenbelasting te verlenen en die andere feiten grond opleveren
voor het vermoeden dat die belastingaanslag onjuist is berekend,
hij daarmee rekening houdt bij het verminderen.
Artikel I, onderdeel K (artikel 45d van de Uitvoeringsregeling
inkomstenbelasting 2001)
Het per 1 januari 2010 in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting
2001 in te voegen artikel 45d regelt de uitwerking van het in
artikel XXXIII van het Belastingplan 2010 opgenomen overgangsrecht
ter zake van het eveneens in het Belastingplan 2010 aangepaste
artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001.
In de memorie van toelichting op artikel XXXIII van het
Belastingplan 2010 is al aangegeven dat in het geval de per 1
januari 2010 geldende tekst van artikel 3.111, tweede lid, van de
Wet IB 2001 onverkort van toepassing zou worden op gevallen waarin
de verhuur reeds vóór 1 januari 2010 is aangevangen, de maatregel
tot onredelijke uitkomsten zou kunnen leiden. Om dergelijke
uitkomsten te voorkomen is in artikel XXXIII van het Belastingplan
2010 geregeld dat de wijziging van artikel 3.111, tweede lid, van
de Wet IB 2001 niet van toepassing is op gevallen waarin verhuur
van de woning reeds is aangevangen vóór 1 januari 2010, tenzij de
belastingplichtige instemt met bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het hiervoor
genoemde artikel 45d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting
2001. Op grond van dat artikel is de per 1 januari 2010 geldende
tekst van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001 in deze
situatie wel van toepassing als de belastingplichtige ermee instemt
dat:
a. de in beginsel als vervreemding aan te merken overgang naar box
3, die vóór 1 januari 2010 heeft plaatsgevonden als gevolg van de
verhuur, met terugwerkende kracht niet als vervreemding wordt
aangemerkt;
b. indien op grond van artikel 3.119b, eerste lid, van de Wet IB
2001 ter zake van de in onderdeel a bedoelde overgang naar box 3
een beschikking eigenwoningreserve is of wordt afgegeven, die
beschikking wordt herzien;
c. indien de woning vanaf enig moment (na het beëindigen van de
verhuur) weer belastbare inkomsten uit eigen woning genereert, dit
niet wordt aangemerkt als een verwerving als bedoeld in artikel
3.119a van de Wet IB 2001.
Artikel II, onderdelen A en B (artikelen 13 en 15 van de
Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001)
Om de liquiditeits- en financieringspositie van bedrijven die voor
vervanging- of uitbreidingsinvesteringen staan te verbeteren heeft
het kabinet met ingang van 2009 een zogenoemde tijdelijke
willekeurige afschrijving ingevoerd voor investeringen in het
belang van de bevordering van de economische ontwikkeling. Gezien
de economische situatie heeft het kabinet bij het Belastingplan
2010 besloten om deze maatregel ook te laten gelden voor
investeringen die in 2010 worden verricht2]. Met de
wijzigingen van de artikelen 13 en 15 van de Uitvoeringsregeling
willekeurige afschrijving 2001 wordt bewerkstelligd dat de
tijdelijke willekeurige afschrijving met een jaar wordt verlengd en
daarmee ook geldt voor investeringen die zijn gedaan in 2010. In
samenhang daarmee wordt voor investeringen uit 2010 de uiterste
termijn voor ingebruikname gesteld op 31 december 2012.
Tevens bewerkstelligen deze wijzigingen dat met betrekking tot
investeringen in schepen in het kalenderjaar 2010 als aanvullende
voorwaarde geldt dat de winst met betrekking tot het schip niet
vóór 1 januari 2020 mag worden bepaald aan de hand van het
tonnageregime van artikel 3.22 van de Wet IB 2001. Hiermee wordt
buiten twijfel gesteld dat het niet mogelijk is om een onbedoeld
fiscaal voordeel bij investeringen in zeeschepen te creëren door de
tijdelijke willekeurige afschrijving en het tonnageregime binnen
een kort tijdsbestek te combineren. Wanneer op enig moment niet
meer aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt op het onmiddellijk
daaraan voorafgaande tijdstip de boekwaarde van het zeeschip
gesteld op de boekwaarde die zou zijn bereikt indien geen
willekeurige afschrijving zou hebben plaatsgevonden. Geregeld is
dat in dat geval eerst deze ophoging van de boekwaarde moet plaats
vinden en pas daarna de winstberekening die is voorgeschreven in
artikel 3.23, tweede lid, van de Wet IB 2001.
De voorwaarde dat de winst niet vóór 1 januari 2020 op basis van
het tonnageregime wordt bepaald, geldt niet meer vanaf het tijdstip
dat het schip voor die datum is vervreemd aan een derde. Alsdan is
namelijk het verschil tussen de waarde van het schip en de lage
boekwaarde vanwege de toegepaste vervroegde afschrijving, reeds in
de winst opgenomen en daarmee is in feite de toegepaste
willekeurige afschrijving teruggenomen. Alleen vervreemdingen welke
tot een fiscale afrekening leiden, zijn relevant. Bij geruisloze
doorschuiving (zoals bijvoorbeeld bij een omzetting naar een NV of
BV, het aangaan van een bedrijfsfusie of een juridische fusie)
blijft de voorwaarde doorlopen en gaat de sanctie over op de nieuwe
eigenaar van het schip. Aangezien de situaties van geruisloze
doorschuiving in dit verband zeer divers zijn, is de tekst zodanig
geredigeerd dat de sanctie altijd doorloopt, behoudens in situaties
van een zakelijke vervreemding. In die situaties verleent de
inspecteur een ontheffing, mits er feitelijk is afgerekend.
________
2] Kamerstukken II 2008/09, 32128, nr. 3, blz. 13.
Artikel III, onderdeel A (artikel 1 van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)
De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geeft met ingang van 1
januari 2010 ook uitvoering aan de artikelen 11a en 19a van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Daarom is artikel 1 van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 aangevuld met een verwijzing
naar deze artikelen.
Artikel III, onderdeel B (artikel 12 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001)
Bij Belastingplan 2010 is een bancaire variant van de
stamrechtvrijstelling geïntroduceerd (artikel 11a van de Wet LB
1964). Met deze wijzigingen wordt invulling gegeven aan de
delegatiebepaling in artikel 11a, derde lid, onderdelen a en b, van
de Wet LB 1964, betreffende de minimale periode (in jaren) tussen
de eerste en de laatste uitkering van een stamrechtspaarrekening of
een stamrechtbeleggingsrecht. In het nieuwe artikel 12
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat uitvoering geeft aan
genoemd artikel 11a, derde lid, van de Wet LB 1964, wordt bepaald
dat de periode tussen de eerste en de laatste uitkering ten minste
een in de derde kolom van de tabel vastgesteld aantal jaren
bedraagt. Uitgangspunt bij het vastgestelde aantal jaren is dat het
voor periodieke uitkeringen geldende onzekerheidsvereiste (in 2009
is dat 0,94%) zo goed mogelijk wordt benaderd. De minimale periode
is, met inachtneming van actuarieel geldende normen, afhankelijk
gesteld van de leeftijd van de gerechtigde tot de uitkeringen in
leeftijdscohorten van vijf jaar. Het staat de gerechtigde in
principe vrij termijnen bijvoorbeeld maandelijks, per kwartaal of
jaarlijks te laten plaatsvinden, zolang maar wordt voldaan aan het
vereiste in artikel 11a, derde lid, van de Wet LB 1964. In het
tweede lid van artikel 12 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting
2001 is de uitzondering op de hoofdregel, bedoeld in artikel 11a,
derde lid, onderdeel b, onder 2o van de Wet LB 1964, opgenomen.
Voor kinderen of pleegkinderen van de werknemer die ten tijde van
het ontvangen van de eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar,
bedraagt de periode tussen de eerste en de laatste uitkering nimmer
meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar.
Hiermee is aangesloten bij het op dit punt voor periodieke
uitkeringen geldende artikel 11, vierde lid, van de Wet LB 1964
Ter illustratie zijn onderstaand twee voorbeelden opgenomen.
Voorbeeld 1
Een werknemer overlijdt terwijl de uitkeringen nog niet zijn
ingegaan. Op dat moment is de leeftijd van zijn twee kinderen 26 en
31 jaar. In de stamrechtbankspaarovereenkomst is geregeld dat bij
het overlijden van de werknemer de uitkeringen toekomen aan zijn
twee kinderen, elk voor 50%. In de tabel is af te lezen dat de
periode tussen de eerste en de laatste uitkering bij een
gerechtigde die bij ingang van de uitkeringen een leeftijd van 26
jaar heeft, ten minste 14 jaar bedraagt. Echter, volgens het tweede
lid van artikel 12 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001,
in samenhang met artikel 11a, derde lid, onderdeel b, onder 2o, van
de Wet LB 1964, bedraagt de periode dan nimmer meer dan het aantal
jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar. Voor het jongste
kind bedraagt de periode dus ten hoogste 4 jaar.
Met betrekking tot het deel voor het kind van 31 jaar is het vijfde
lid van artikel 11a van de Wet LB 1964 van toepassing, en wordt dat
deel (50%) van het tegoed op het onmiddellijk aan het overlijden
voorafgaande tijdstip bij de werknemer aangemerkt als loon uit
vroegere dienstbetrekking.
Voorbeeld 2
Een werknemer laat de uitkeringen uit zijn stamrechtbeleggingsrecht
in gaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 64 jaar bereikt.
Voor dat geval valt in de tabel af te lezen dat er minimaal 1 jaar
tussen de eerste en de laatste termijn moet zitten.
Artikel III, onderdeel C (artikel 21c van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)
Als gevolg van een vernummering van een aantal leden van artikel
13bis van de Wet LB 1964 die op 1 januari 2008 heeft
plaatsgevonden, is de verwijzing in artikel 21c, derde lid, van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 naar het tiende lid van
artikel 13bis van de Wet LB 1964 met ingang van die datum niet meer
juist. Daarom wordt deze verwijzing met terugwerkende kracht tot en
met 1 januari 2008 gewijzigd in een verwijzing naar het elfde lid
van artikel 13bis van de Wet LB 1964. Hiermee is geen inhoudelijke
wijziging beoogd.
Artikel III, onderdeel D (artikel 21c van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)
Als gevolg van een vernummering van een aantal leden van artikel
13bis van de Wet op de Wet LB 1964 die op 1 januari 2009 heeft
plaatsgevonden, zijn de verwijzingen in artikel 21c van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 naar het tweede lid, naar
het eerste lid en (sinds de in artikel III onderdeel C, opgenomen
wijziging) naar het elfde lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964
met ingang van die datum niet meer juist. Daarom worden deze
verwijzingen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009
gewijzigd in verwijzingen naar respectievelijk het vierde lid en
dertiende lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964. Hiermee is geen
inhoudelijke wijziging beoogd.
Artikel III, onderdeel E (artikel 34 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001)
De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van
bewassing en energie zijn geactualiseerd. Door de wijze van
afronding blijven de bedragen per dag en per week terzake van
bewassing en voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings-
en kookdoeleinden ongewijzigd. Door de geringe mutatie in de
onderliggende indexcijfers blijven ook de eveneens in dit artikel
opgenomen bedragen voor water ongewijzigd.
Artikel III, onderdeel F (artikel 35 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001)
De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn
geactualiseerd.
Artikel III, onderdeel G (artikel 51 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001)
De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan
boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van
kermisexploitanten zijn geactualiseerd.
Artikel III, onderdeel H (artikel 55 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001)
De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor maaltijden in
bedrijfskantines zijn geactualiseerd.
Artikel III, onderdeel I (artikel 59 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001)\
Het in dit artikel genoemde rentepercentage wordt gesteld op het
percentage van de heffings- en invorderingsrente bij belastingen
zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het
kalenderjaar.
Artikel III, onderdeel J (artikel 60 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001)
Ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 is artikel 19a van Wet
op de loonbelasting 1964 in overeenstemming gebracht met de
uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07 (Europese
Commissie tegen Nederland). Ingevolge dit artikel kan bij
ministeriële regeling een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte voor de toepassing van
dit artikel worden aangewezen, in welk geval vestiging in die staat
voor de toepassing van dit artikel op dezelfde wijze wordt
behandeld als vestiging in een lidstaat van de Europese Unie. Met
het ingevolge deze wijzigingsregeling in de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 in te voeren artikel 60a wordt invulling gegeven
aan deze bevoegdheid en worden IJsland en Noorwegen aangewezen.
Artikel III, onderdeel K (artikel 61k van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)
Voor de toelichting op de wijziging van artikel 61k van de
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt verwezen naar de in
artikel III, onderdeel J, opgenomen toelichting die mutatis
mutandis eveneens geldt voor artikel 19g van de Wet LB 1964 juncto
artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.
Artikel III, onderdeel L (artikel 68 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001)
Op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b,
van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 administreert de
inhoudingsplichtige bij de loonadministratie de gegevens met
betrekking tot de daar genoemde uitkeringen, vergoedingen en
verstrekkingen die door hem niet tot het loon van de werknemer zijn
gerekend. Genoemd onderdeel b is verouderd. De daarin genoemde
onderdelen l (de vrijstelling voor vergoedingen van bijzondere
ziektekosten) en p (de computervrijstelling) van artikel 11, eerste
lid, van de Wet LB 1964 zijn vervallen, zodat ook de verwijzingen
naar deze bepalingen kunnen vervallen. Omdat tevens enkele
redactionele aanpassingen nodig bleken te zijn, wordt artikel 68,
eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting
2001 opnieuw vastgesteld.
Artikel III, onderdeel M (artikel 91 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001)
Als een inhoudingsplichtige loon uit meer dan een vroegere
dienstbetrekking verstrekt, wordt hij op grond van artikel 91,
eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geacht
het totale bedrag te verstrekken uit een vroegere dienstbetrekking.
Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt voor afkoopsommen als
bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB
2001 die met ingang van 1 januari 2010 onder de loonbelasting
worden gebracht. Doordat de afkoopsom als loon uit een
afzonderlijke (vroegere) dienstbetrekking wordt verantwoord, met
een speciale code in de aangifte loonheffingen, kan bij de heffing
van inkomstenbelasting worden vastgesteld in hoeverre artikel 30i
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (revisierente) van
toepassing is. Deze uitzondering op de regel dat samenvoeging moet
plaatsvinden, wordt per 1 januari 2010 opgenomen in artikel 91,
tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001. De tekst van het tweede lid wordt in dat kader
opnieuw vastgesteld. De al bestaande uitzondering op de regel tot
samenvoeging (bij een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 10 van
de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en ander
loon uit vroegere dienstbetrekking dat de inhoudingsplichtige
verstrekt) is inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in de aanhef en
onderdeel a van dit tweede lid.
Artikel IV, onderdeel A (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering)
De bedragen zoals opgenomen in de tabel van artikel 6 van de
Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering zijn geactualiseerd voor
2010.
Artikel IV, onderdeel B (artikel 12c van de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering)
In het nieuwe artikel 12c van de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering zijn bepalingen opgenomen ter nadere invulling
van de ingevolge het Belastingplan 2010 in artikel 4, eerste lid,
onderdeel i, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie volksverzekeringen opgenomen tijdelijke uitbreiding van de
afdrachtvermindering onderwijs. In het eerste lid van artikel 12c
van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering is geregeld dat de
opleiding moet zijn opgenomen in het centraal register
beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, het zogeheten Crebo-register, dan wel in het
centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel
7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek, het zogeheten Croho-register. Uit de informatie over de
instelling en de opleiding, opgenomen in deze registers, valt het
beoogde opleidingsniveau af te leiden. De aanwijzing van de
opleiding betekent overigens niet zonder meer dat de
afdrachtvermindering van toepassing is; daarvoor is vereist dat ook
aan de overige voorwaarden is voldaan die bij of krachtens artikel
14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie
volksverzekeringen worden gesteld.
Artikel V, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking
vennootschapsbelasting 1971)
De Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 geeft met
ingang van 1 januari 2010 ook uitvoering aan de artikelen 14a, 14b
en 23c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Daarom is
artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971
aangevuld met een verwijzing naar deze artikelen.
Artikel V, onderdeel B (artikel 2 van de Uitvoeringsbeschikking
vennootschapsbelasting 1971)
Ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen mogen ingevolge
artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 bij het bepalen van de winst een
redelijke rente in aftrek brengen over het vermogen bij het begin
van het jaar. Het percentage van die redelijke rente wordt
aangepast aan de renteontwikkelingen van de laatste jaren. Dit
percentage is berekend aan de hand van het gemiddelde effectieve
rendement van staatsleningen gedurende de laatste 15 jaar, waarbij
voor de jaren na 2003 alleen het effectieve rendement van de
jongste tienjarige staatslening is meegenomen. Op grond van deze
berekening wordt het percentage per 1 januari 2010 verlaagd van 5%
naar 4,5%.
Artikel V, onderdeel C (artikel 2a van de
Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)
De aangepaste verwijzing in de aanhef van het eerste lid van
artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting
1971 hangt samen met de wijzigingen van artikel 13 van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 zoals opgenomen in Overige fiscale
maatregelen 2010. In de in het eerste lid, onderdeel b, van artikel
2a van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971
opgenomen 20%-extern-vreemdvermogeneis is de term ‘doorgaans’
opgenomen. Met het opnemen van de term doorgaans wordt bereikt dat
de werkzaamheden van een concernfinancieringslichaam ook als actief
worden aangemerkt als gedurende een korte periode niet aan de
20%-extern-vreemdvermogeneis wordt voldaan. Dit moet wel het gevolg
zijn van omstandigheden die buiten de directe invloedssfeer van het
concern liggen.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een situatie waarin een
concernfinancieringslichaam een US-dollarschuld aan een derde
partij heeft waardoor aan de 20%-extern-vreemdvermogeneis wordt
voldaan. Als door een wisselkoersdaling van de dollar op enig
moment niet aan de 20%-extern-vreemdvermogeneis zou worden voldaan,
blijft het concernfinancieringslichaam actief. Wel moet het concern
maatregelen nemen zodat na enige tijd weer aan de
20%-extern-vreemdvermogeneis wordt voldaan. Een ander voorbeeld
betreft een externe schuld die als gevolg van de kredietcrisis
tijdelijk niet geherfinancierd kan worden. Ook hier geldt dat het
concern maatregelen moet nemen zodat na enige tijd weer aan de
20%-extern-vreemdvermogeneis wordt voldaan. In artikel 2a, tweede
lid, van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 is
een uitzondering op de 20%-extern-vreemdvermogeneis opgenomen.
Onderdeel van deze uitzondering is dat de concernlichamen waarvoor
het lichaam financieringswerkzaamheden verricht zelf geen vreemd
vermogen van derden hebben aangetrokken, behoudens vanwege
specifieke zakelijke redenen.
In de praktijk is gebleken dat er naast de drie in de tweede volzin
van het tweede lid van artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking
vennootschapsbelasting 1971 genoemde redenen meer specifieke
zakelijke redenen kunnen worden onderkend. Door de limitatieve
opsomming kwalificeren die redenen echter niet. Om die reden is in
de slotzin van het tweede lid de term ‘in ieder geval’ opgenomen.
De opsomming van specifieke zakelijke redenen van dit lid is
hierdoor niet langer limitatief. Bij specifieke zakelijke redenen
zal het normaal gesproken gaan om bepalende omstandigheden die
buiten de directe invloedssfeer van het concern liggen. Zo kan in
een geval waarbij nationale wetgeving financiering via een lokale
bank eist, sprake zijn van een specifieke zakelijke reden.
Concernbeleid en -richtlijnen kwalificeren normaal gesproken echter
niet, ook niet als ze om niet fiscale redenen zijn vormgegeven
(behalve als ze het gevolg zijn van omstandigheden die buiten de
directe invloedssfeer van het concern liggen). In het nieuwe derde
lid van artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking
vennootschapsbelasting 1971 is een bepaling opgenomen die regelt
dat voor de 20%-extern-vreemdvermogeneis van het eerste lid,
onderdeel b, ook het vreemde vermogen meetelt dat van een andere
concernmaatschappij is verkregen, waarvan de functie is om extern
geld aan te trekken. Deze uitbreiding geldt alleen als het
concernfinancieringslichaam om zakelijke redenen via een ander
lichaam (een deel van) het door het concern benodigde externe
vreemd vermogen aantrekt. Van een zakelijke reden kan bijvoorbeeld
sprake zijn als het concern om zwaarwegende commerciële redenen via
een ander lichaam dan het 2a-lichaam het door het concern benodigde
externe vreemd vermogen aantrekt. Verder wordt er een verband
geëist tussen de lening aan het concernfinancieringslichaam en de
externe lening. Met de term 'verband' wordt bereikt dat het
vreemde vermogen historisch terug te voeren is naar extern
aangetrokken vreemd vermogen. Het hoeft niet om een ‘direct
verband’ te gaan omdat een dergelijke parallelliteit te strak zou
kunnen zijn, bijvoorbeeld in geval de concernvennootschap een
commercial paper programma heeft waarin dagelijks mutaties
plaatsvinden.
Artikel V, onderdeel D (artikel 2b van de
Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)
Voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling is van belang of
een dochtermaatschappij die zich bezig houdt met
concernfinanciering en/of het ter beschikking stellen van activa
dit al dan niet actief doet. In artikel 2a van de
Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 is geregeld
wanneer sprake is van actieve concernfinanciering. Hoewel deze
bepaling niet is toegesneden op de beantwoording van de vraag of
sprake is van actieve terbeschikkingstelling binnen concern, geldt
die tot nu toe ook daarvoor. In de memorie van toelichting op het
in Overige fiscale maatregelen 2010 opgenomen nieuwe artikel 13,
twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969, staat daarom dat in de Uitvoeringsbeschikking
vennootschapsbelasting 1971 zal worden bepaald wat onder actieve
terbeschikkingstellingswerkzaamheden moet worden verstaan. Het
nieuwe artikel 2b van de Uitvoeringsbeschikking
vennootschapsbelasting 1971 is gebaseerd op het nieuwe artikel 13,
twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 en regelt met ingang van 1 januari 2010 wat onder actieve
terbeschikkingstellingswerkzaamheden moet worden verstaan. De tekst
is ontleend aan artikel 2a, van de Uitvoeringsbeschikking
vennootschapsbelasting 1971 maar is op onderdelen toegespitst op
terbeschikkingstellingswerkzaamheden. Hierna worden de verschillen
voor zover nodig toegelicht.
20%-extern-vreemdvermogeneis
Eén van de kenmerken van lichamen die actief bedrijfsmiddelen ter
beschikking stellen, is dat zij een zekere mate van
beslissingsbevoegdheid hebben over de wijze van financiering van de
bedrijfsmiddelen. Daarbij ligt het niet voor de hand dat zij hun
niet zelf ontwikkelde bedrijfsmiddelen volledig met eigen vermogen
zullen financieren. Omdat voorts vrijwel geen enkel concern
volledig met eigen vermogen is gefinancierd, is in het eerste lid,
onderdeel b, een extern-vreemdvermogeneis opgenomen. Deze
20%-extern-vreemdvermogeneis grijpt aan bij de aanschaffingskosten
van de ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen. Dit sluit beter
aan bij bedrijfsmiddelen waarop moet worden afgeschreven dan de
20%-extern-vreemdvermogeneis van artikel 2a, eerste lid, onderdeel
b, van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 die
aangrijpt bij de actiefzijde van de balans. Er is bewust voor
gekozen om de 20%-extern-vreemdvermogeneis te beperken tot de
aanschaffingskosten. Dit betekent dat er geen
20%-extern-vreemdvermogeneis geldt als een ter beschikking te
stellen bedrijfsmiddel door het lichaam zelf wordt voortgebracht.
Hiermee wordt recht gedaan aan risicovolle ontwikkeltrajecten,
bijvoorbeeld in de sfeer van medicijnontwikkeling, die juist
vanwege het grote risico met eigen vermogen worden gefinancierd.
Via het tweede lid is geregeld dat indien een
terbeschikkingstellingslichaam niet aan de
20%-extern-vreemdvermogeneis voldoet, dit lichaam geacht wordt hier
toch aan te voldoen als het lichaam ten minste evenveel extern
vreemd vermogen heeft als het concern als geheel. Het begrip extern
vreemd vermogen (feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen)
is via het derde lid op dezelfde wijze ingevuld als bij artikel 2a
van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Voor een
toelichting wordt dan ook verwezen naar de toelichting op het
nieuwe derde lid van genoemd artikel 2a.
Substance
Bij de substance-eisen van het eerste lid, onderdeel c, is
onderscheid gemaakt tussen het ter beschikking stellen van
materiële vaste activa en het ter beschikking stellen van
immateriële vaste activa. De reden hiervoor is dat dit naar hun
aard wezenlijk andere activiteiten betreffen.
Artikel V, onderdeel D (artikel 2c van de
Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)
Bij Overige fiscale maatregelen 2010 zijn de artikelen de artikelen
14a, elfde lid, 14b, achtste lid, en 23c, derde en vierde lid, van
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in overeenstemming
gebracht met de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07
(Europese Commissie tegen Nederland). Ingevolge deze bepalingen kan
bij ministeriële regeling een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte voor de
toepassing van deze artikelen worden aangewezen,in welk geval
vestiging in die staat voor de toepassing van deze artikelen op
dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging in een lidstaat van de
Europese Unie. Met het ingevolge deze wijzigingsregeling in de
Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 in te voegen
artikel 2c wordt invulling gegeven aan deze bevoegdheid en worden
IJsland en Noorwegen aangewezen.
Artikel VI, onderdeel A (artikel 1 van de
Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)
De Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 geeft met ingang
van 1 januari 2010 ook uitvoering aan de artikelen 4, tweede lid,
4e en 4f van de Wet op de dividendbelasting 1965. Daarom is artikel
1 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 aangevuld
met een verwijzing naar deze artikelen.
Artikel VI, onderdeel B (artikel 1a van de
Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)
De artikelen 4, tweede lid, en 10, derde lid, van de Wet op de
dividendbelasting 1965 zijn ingevolge Overige fiscale maatregelen
2010 in overeenstemming gebracht met de uitspraak van het Hof van
Justitie in zaak C-521/07 (Europese Commissie tegen Nederland).
Ingevolge deze bepalingen kan bij ministeriële regeling een staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte voor de toepassing van deze artikelen worden
aangewezen, in welk geval vestiging in die staat voor de toepassing
van deze artikelen op dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging
in een lidstaat van de Europese Unie. Met het ingevolge deze
wijzigingsregeling in te voegen artikel 1a van de
Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt invulling
gegeven aan deze bevoegdheid en worden IJsland en Noorwegen
aangewezen.
Artikel VI, onderdeel C (1artikelen 1ab en 1ac van de
Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)
Met ingang van 1 januari 2010 worden in de artikelen 4e en 4f van
de Wet op de dividendbelasting 1965 twee nieuwe
inhoudingsvrijstellingen dividendbelasting opgenomen. In de
artikelen 1ab en 1ac van de Uitvoeringsbeschikking
dividendbelasting 1965 is in dat kader geregeld dat die
inhoudingsvrijstellingen kunnen worden toegepast, voor zover de
opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter
beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige
schriftelijk verklaart dat zich een situatie voordoet waarop de
vrijstelling ziet. De Belastingdienst kan (op grond van artikel 47
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) desgewenst vragen die
schriftelijke verklaring te overleggen.
Artikel VII, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)
De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
geeft met ingang van 1 januari 2010 ook uitvoering aan artikel 38,
tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarom is
artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake
rijksbelastingen 1994 aangevuld met een verwijzing naar artikel 38
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel VII, onderdeel B en C (artikelen 2 en 21 van de
Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)
De wijzingen van de artikelen 2, tweede lid, en 21, eerste lid van
de Uitvoeringsregeling Algemenen wet inzake rijksbelastingen 1994
betreffen een technische aanpassing in verband met de wijziging van
de Successiewet 1956 ingevolge de wet van 23 december 2009 houdende
wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten
(vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening
tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van
een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564).
Artikel VII, onderdeel D (artikel 24 van de Uitvoeringsregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)
Met de introductie van artikel 9.5 van de Wet IB 2001 wordt met
ingang van belastingjaar 2010 beoogd om in het proces van
voorlopige aanslagen een duidelijker onderscheid te maken tussen de
fase waarin louter sprake is van het verzamelen en actualiseren van
gegevens (herzieningsfase) en de fase waarin sprake is van een
geschil tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst. Een en
ander is geregeld bij de Fiscale vereenvoudigingswet 2010. In dit
verband wordt in artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet
inzake rijksbelastingen 1994 bepaald dat de mededeling, bedoeld in
voornoemd artikel, wordt geacht een verzoek om herziening als
bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 te zijn.
Hiermee wordt geborgd dat er rechtsbescherming is als de
belastingplichtige relevante wijzigingen doorgeeft en de inspecteur
deze niet volgt. Naast de mogelijkheid van het doorgeven van
mutaties via een formulier, komt er in de loop van 2010 ook de
mogelijkheid van telefonisch muteren. De precieze vormgeving van
het telefonisch wijzigen van de voorlopige aanslag
inkomstenbelasting wordt thans onderzocht, zodat in het voorjaar
van 2010 daarover op basis van de resultaten van het onderzoek
wordt besloten. Dan zullen ook die wijzigingen in de onderhavige
uitvoeringsregeling hun beslag krijgen. De thans reeds opgenomen
wijziging van artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet
inzake rijksbelastingen 1994 is voor het eerst van toepassing met
betrekking tot belastingaanslagen inkomstenbelasting ter zake van
de tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2010. Hiermee is
geborgd dat de inwerkingtreding samenvalt met de inwerkingtreding
van de artikelen in de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 waaruit de
wijzigingen voortvloeien.
Artikel VII, onderdeel E (artikel 30b van de
Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)
De regels voor ambtshalve vermindering van het verzamelinkomen
behoren dezelfde te zijn als de regels die gelden voor ambtshalve
vermindering van de belastingaanslagen inkomstenbelasting, zeker nu
in artikel 21k, derde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen is geregeld dat het met de belastingaanslag
inkomstenbelasting samenhangende verzamelinkomen voor de toepassing
van dat artikel wordt geacht onderdeel uit te maken van die
belastingaanslag. De wijzigingen van artikel 30b van de
Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
hangen dan ook samen met het nieuwe artikel 45aa van de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en het Beleidsbesluit
ambtshalve verminderen of teruggeven, zoals dat met ingang van 1
januari 2010 in werking treedt (Stcrt. 2009, 19523). Zo is gebleken
is dat er meer momenten wettelijk zijn voorgeschreven waarop een
beroep op een fiscale faciliteit moet worden gedaan dan
bijvoorbeeld bij de aangifte of vóór de inhouding. Te denken valt
aan artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
waarin is geregeld dat er een keuzerecht is voor in het buitenland
geworven deskundigen zolang de aanslag niet onherroepelijk
vaststaat. Daarom is onderdeel d van artikel 30b van de
Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964, in
lijn met voornoemd Beleidsbesluit, aangepast. Ook is gebleken dat
onderdeel e van voornoemd artikel te beperkt was geredigeerd
doordat daarin voor de beperking van de ambtshalve vermindering
alleen werd gerept over navordering en naheffing, terwijl het ook
kan gaan om het opleggen van een aanslag. Daarom wordt genoemd
onderdeel e ruimer geformuleerd in die zin dat het geldt als er
niet is geheven en ook niet meer kan worden geheven. Deze
wijzigingen zijn voor het eerst van toepassing met betrekking tot
inkomensgegevens over het kalenderjaar 2010.
Artikel VII, onderdeel F (artikel 42 van de Uitvoeringsregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)
Artikel 38, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
is bij Overige fiscale maatregelen 2010 in overeenstemming gebracht
met de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07
(Europese Commissie tegen Nederland). Ingevolge deze bepaling kan
bij ministeriële regeling een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte worden
aangewezen, in welk geval vestiging in die staat voor de toepassing
van artikel 38, tweede lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen op dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging in
een lidstaat van de Europese Unie. Met de onderhavige wijziging
worden Noorwegen en IJsland als zodanige staten aangewezen.
Artikel VII, onderdeel G (artikel 43c van de Uitvoeringregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)
Artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake
rijksbelastingen 1994 regelt de gegevensverstrekking door de
Belastingdienst aan andere bestuursorganen ten behoeve van de goede
vervulling van hun publiekrechtelijk taak. Artikel VII, onderdeel
G, voegt enkele (taken van) bestuursorganen aan die lijst toe op
basis van nieuwe verzoeken om structurele gegevensverstrekking door
de Belastingdienst.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ook het afsprakendocument
met de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit –
dat invulling geeft aan de ontheffing van artikel 43c, eerste lid,
onderdeel p – is aangevuld. Een afschrift van dit afsprakendocument
ligt ter inzage op het Ministerie van Financiën.
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel b
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft
loonheffingennummers van de Belastingdienst nodig om
overheidswerkgevers te kunnen indelen in de 14
arbeidsvoorwaardelijke sectoren. Deze indeling draagt bij aan het
adequaat uitvoeren van beleidsonderzoek. Daarnaast heeft Tweede
Kamer om dit onderscheid gevraagd. De toevoeging van het nieuwe
subonderdeel aan artikel 43c, eerste lid, onderdeel b, voorziet in
deze gegevensverstrekking.
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel d
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel d, wordt opgedeeld in
subonderdelen. Subonderdeel 1 is inhoudelijk gelijk met de tot 1
januari 2010 geldende tekst van artikel 43c, eerste lid, onderdeel
d. Aan subonderdeel 2 wordt een gegevenscategorie toegevoegd. Het
betreft een overzicht van bedrijven die bepaalde categorieën
aardolieproducten per jaar uitslaan uit een accijnsgoederenplaats.
Dit overzicht wordt door het Ministerie van Economische Zaken
gebruikt bij het uitvoeren van de Wet voorraadvorming
aardolieproducten 2001.
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel h
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel h, wordt opgedeeld in
subonderdelen. Subonderdeel 1 is inhoudelijk gelijk met de tot 1
januari 2010 geldende tekst van artikel 43c, eerste lid, onderdeel
h. Subonderdeel 2 ziet op gegevens ten behoeve van het toezicht op
woningcorporaties. De VROM-Inspectie heeft voor een goede
taakuitoefening van haar publiekrechtelijke taak een verificatie
van de bij haar aanwezige gegevens nodig. De Belastingdienst
beschikt over gegevens die ter verificatie kunnen dienen. De
gegevensverstrekking geldt niet voor gegevens die afkomstig zijn
uit opsporingsonderzoeken. De gegevensverstrekking uit subonderdeel
3 draagt bij aan een effectief en efficiënt toezicht op
vuurwerkbedrijven door de VROM-Inspectie.
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel j, onder 6° (nieuw)
Onderhavige wijziging voegt een zesde subonderdeel toe aan artikel
43c, eerste lid, onderdeel j. Dit nieuwe subonderdeel regelt de
verstrekking van de naam, adres- en woonplaatsgegevens van
erfgenamen die de gemeente gebruikt om openstaande gemeentelijke
belastingschulden van de overledene te kunnen innen. Deze
specifieke gegevenscategorie ontbreekt thans nog in onderdeel j,
subonderdeel 2, en wordt vanwege het specifieke karakter van de
gegevens als afzonderlijk subonderdeel toegevoegd.
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel m
De omschrijving van artikel 43c, eerste lid, onderdeel m, wordt
aangepast. Destijds is de onderhavige omschrijving opgenomen om
fiscale informatie te kunnen verstrekken aan samenwerkingsverbanden
die integraal bestuurlijk toezicht tot doel hebben. In eerste
instantie ging het voornamelijk om de bestuurlijke aanpak van
handhavingsknelpunten (waaronder de zogenoemde vrijplaatsen).
Inmiddels zijn er meer samenwerkingsverbanden die voor het
integraal bestuurlijk toezicht fiscale informatie nodig hebben. Het
betreft de onlangs gestarte Regionale Informatie en Expertise
Centra (RIEC), waarin de verschillende regiokantoren van de
Belastingdienst participeren. De term ‘handhavingsknelpunten’ is te
beperkend om dit soort samenwerkingsverbanden onder de werking van
onderdeel m te kunnen brengen. Daarom wordt de omschrijving
aangepast.
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel u
Het Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader
van het Financieel Expertise Centrum (Stcrt. 2009, 71) vervangt het
Convenant herstructurering FEC. De onderhavige wijziging brengt het
eerste lid, onderdeel u, daarmee in overeenstemming.
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel y tot en met aa (nieuw)
Onderhavige wijziging voegt 3 onderdelen aan artikel 43c, eerste
lid, toe, die hieronder afzonderlijk worden toegelicht.
Onderdeel y: de Douane heeft gegevens beschikbaar vanuit
het toezicht in het kader van de Wet op de accijns. Deze gegevens
heeft DCMR Milieudienst Rijnmond nodig voor de vergunningverlening,
het toezicht en de handhaving van de gemeentelijke en provinciale
taken in het kader van de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming
en de Wet geluidhinder.
Onderdeel z: op grond van artikel 4:9, eerste lid,
onderdeel d, van de Regeling LNV-subsidies kunnen vissers die
vroegtijdig uittreden aanspraak maken op een financiële
tegemoetkoming. De Minister van LNV heeft de inkomensgegevens van
die vissers nodig om te controleren of een juiste tegemoetkoming is
verstrekt.
Onderdeel aa: op grond van artikel 11a, eerste en vierde
lid, van de Tabakswet dient de Voedsel en Waren Autoriteit in het
kader van het rookvrij maken van de horeca onderscheid te maken
tussen horecabedrijven mét personeel en horecabedrijven zonder
personeel. Deze taak kan slechts effectief worden uitgevoerd indien
de Voedsel en Waren Autoriteit gegevens van de Belastingdienst kan
gebruiken om te onderzoeken of personeel aanwezig is. Daartoe
levert de Belastingdienst de periodieke loonaangifte.
Artikel VIII onderdeel A tot en met T (de artikelen 1, 3, 3a,
4, 5, 5a, 6, 6a, 7, 8, 9, 9a 11, 19, 20, 23 en 24 van de
Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)
In het eerste hoofdstuk van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst
2003 (hierna: UrBD 2003) is de organisatie van de Belastingdienst
omschreven. Niet alleen de verschillende organisatieonderdelen van
de Belastingdienst, maar ook de taken die worden uitgevoerd, zijn
omschreven in artikel 3 van de UrBD 2003. Daarbij zijn ook de taken
van de organisatieonderdelen van Belastingdienst/Douane omschreven
in artikel 3, derde lid, van de UrBD 2003. Voor zover het de
rijksbelastingen betreft, bedoeld in de onderdelen b tot en met f
van artikel 3, derde lid, van de UrBD 2003, is aan de voorzitters
van de managementteams van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen
a, b en c1, genoemde organisatieonderdelen de bevoegdheid om de
heffings- en invorderingstaken uit te voeren gegeven in de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en artikel 5,
eerste lid, van de UrBD 2003. Op 1 januari 2010 wordt de
organisatie van de onderdelen van de Belastingdienst/Douane
aangepast. De vier douaneregio’s gaan op in één landelijk werkend
organisatieonderdeel, Belastingdienst/Douane. Dit
organisatieonderdeel kent een onderverdeling in negen
douaneregio’s. De Belastingdienst/Douane staat onder leiding van
een algemeen directeur. De algemeen directeur is landelijk bevoegd
als inspecteur, ontvanger en directeur in de zin van de Algemene
wet rijksbelastingen en de Algemene douanewet. De wijzigingen van
de UrBD 2003 in de artikelen 1, 3, 4, 5, 5a, 6, 7, 8, 9, en 23
houden hiermee verband. Om de belastingplichtigen inzicht te geven
binnen welke douaneregio zij in de eerste plaats voor hun
douaneaangelegenheden terecht kunnen, zijn in de UrBD 2003
zogenoemde ressorteerbepalingen opgenomen. Als hoofdregel geldt
daarbij dat, evenals voorheen, de woon- of vestigingsplaats van de
belastingplichtige of entiteit bepalend is. Artikel 11 van de UrBD
2003 en de Bijlage zijn hierop aangepast. De Belastingdienst/Douane
zal verder op de gebruikelijke wijze informatie verstrekken
aangaande de nadere uitwerking van de ressorteerbepalingen. Het op
aangifte voldoen van de belasting van personenauto's en
motorrijtuigen alsmede, in voorkomend geval, van de omzetbelasting
als bedoeld in artikel 17h, tweede lid, van de Wet op de
omzetbelasting 1968 kan met ingang van 1 januari 2010 niet meer
geschieden bij de Belastingdienst/Douane maar moet geschieden bij
de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de UrBD genoemde
organisatieonderdelen. De aanpassing van artikel 24 UrBD 2003
voorziet daarin. Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt de
ressorteringsbepaling ten aanzien van enkele internationale
instellingen te verduidelijken (en enkele redactionele wijzigingen
aan te brengen).
Onderdeel N
De in onderdeel N opgenomen wijziging van artikel 14 van de UrBD
betreft een technische aanpassing in verband met de wijziging van
de Successiewet 1956 ingevolge de wet van 23 december 2009 houdende
wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten
(vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening
tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van
een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564).
Onderdeel O
De in onderdeel O opgenomen wijziging van artikel 16 van de UrBD
betreft een redactionele aanpassing als gevolg van de in de Fiscale
vereenvoudigingwet 2010 opgenomen vereenvoudiging van de
belastingheffing op minerale oliën. De minerale oliën worden
voortaan alleen belast met accijns.
Artikel IX, onderdeel A (artikel 1b van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (UR IW 1990) is met
ingang van 1 november 2009 gewijzigd3]. Er is een nieuw
hoofdstuk 1A ingevoegd dat ziet op de overheidsvordering.
Abusievelijk is de verwijzing in artikel 1b, tweede lid, UR IW 1990
hier nog niet op aangepast. Met de onderhavige regeling wordt dit
hersteld. Voorts is de verwijzing in het derde lid naar de
artikelen van de UR IW 1990 die de verschillende situaties van
uitstel van betaling regelen aangepast aan de bestaande situatie
waarbij een nieuw artikel 3a is toegevoegd en artikel 6 is
vervallen.
_________
3] Stcr. 2009, 15128
Artikel IX, onderdeel B, onder 1 (artikel 1e van de
Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)
Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet op het financieel toezicht
in werking getreden. Bij de inwerkingtreding van deze wet is onder
andere de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
ingetrokken4]. In dat kader wordt de verwijzing in
artikel 1e, tweede lid, onderdeel a, UR IW 1990 naar de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vervangen door een verwijzing
naar de Wet op het financieel toezicht.
________
4] Stb.2006, 664
Artikel IX, onderdeel B, onder 2, en onderdeel C (artikelen 1e
en 1g van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)
Artikel 1e, tweede lid, en artikel 1g, eerste lid, UR IW 1990 zijn
in overeenstemming gebracht met het arrest van het Hof van Justitie
in de zaak Commissie tegen Nederland5]. In artikel 1g is
geregeld dat het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling niet
alleen achterwege blijven in geval van emigratie van de
belastingschuldige naar een andere lidstaat van de Europese Unie,
maar ook bij een emigratie naar Noorwegen of IJsland. In artikel 1e
is geregeld dat het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling
achterwege blijven in geval de verzekeraar in een andere lidstaat
van de Europese Unie is gevestigd of in Noorwegen of IJsland.
_______
5] HvJ EG 11 juni 2009, C-512/07
Artikel IX, onderdeel D (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
Artikel 2 UR IW 1990 wordt aangepast aan de aanpassingen van de
verwijzingen in van artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet
1990 (IW 1990) naar de Wet IB 2001. In artikel 25, achtste lid, IW
1990 is de bestaande betalingsfaciliteit uitgebreid met een
conserverende aanslag die wordt opgelegd wegens een schenking van
tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan
een verkrijger die niet in Nederland woont. Voorts is er een
conserverende aanslag geïntroduceerd voor een vervreemding van een
aanmerkelijk belang wegens een verdeling van een nalatenschap of
een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de
erflater onderscheidenlijk na de ontbinding van de
huwelijksgemeenschap indien de verkrijger niet in Nederland woont.
Voor conserverende aanslagen opgelegd door toepassing van artikel
2.8, vierde, vijfde, zesde of zevende lid, van de Wet IB 2001 wordt
in het eerste lid, onderdeel b, van artikel 2 UR IW 1990 geregeld
hoe om uitstel moet worden verzocht. In het eerste lid, onderdeel
b, van artikel 2 UR IW 1990 is geregeld dat het schriftelijk
verzoek en de zekerheidstelling achterwege kunnen blijven indien de
verkrijger van de aandelen of winstbewijzen in een lidstaat van de
Europese Unie woonachtig is. Een schriftelijk verzoek en het
stellen van zekerheid zijn wel vereist als de verkrijger niet in
een lidstaat van de Europese Unie woonachtig is. Voorts is in het
nieuwe tweede lid van artikel 2 UR IW 1990 geregeld dat in het
geval van een conserverende aanslag opgelegd met toepassing van
artikel 2.8, zevende lid, van de Wet IB 2001, partijen een
gezamenlijk schriftelijk verzoek dienen in te dienen om voor
uitstel van betaling in aanmerking te komen indien de verkrijger
niet in een lidstaat van de Europese Unie woonachtig is.
In het vijfde lid (nieuw) is geregeld dat het uitstel van betaling
onder nadere voorwaarden kan worden voortgezet als de aandelen of
winstbewijzen worden vervreemd in het kader van een aandelenfusie
als bedoeld in artikel 3.55 van de Wet IB 2001. De verkregen
aandelen of winstbewijzen worden geacht aan het uitstel van
betaling ten grondslag te liggen. Dit betekent dat bij een
vervreemding van de verkregen aandelen of winstbewijzen het uitstel
van betaling op grond van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, IW
1990 wordt beëindigd. Ook geldt de meldingsplicht van artikel 2,
negende lid (nieuw), UR IW 1990 ten aanzien van de verkregen
aandelen of winstbewijzen.
De uitbreiding van de bestaande betalingsfaciliteit van artikel 25,
achtste lid, met conserverende aanslagen opgelegd met toepassing
van artikel 2.8, vierde tot en met zevende lid, van de Wet IB 2001
geeft ook aanleiding om, naast de bestaande situaties, ook voor
deze gevallen de situaties te beschrijven waarin een verleend
uitstel van betaling ondanks een vervreemding van verkregen
aandelen of winstbewijzen kan worden voortgezet. Het nieuwe zesde
en achtste lid beschrijven die situaties alsmede de voorwaarden
waaronder het verleende uitstel kan worden voortgezet. Dit kan
bijvoorbeeld in geval van een schenking van de aandelen. Onder een
schenking valt ook de materiële schenking, ofwel de gift. Aangezien
de term “schenking” - als verzamelbegrip van formele schenking en
materiële schenking – meer is ingeburgerd dan de term “gift”, is de
term schenking gebezigd. Van belang is dat het “doorschenken” door
de verkrijger in het buitenland ook gevolgen heeft voor de
aansprakelijkheid op grond van artikel 45 IW 1990. De opvolgende
verkrijger kan aansprakelijk worden gesteld op grond van artikel 45
IW 1990.
In het zesde en achtste lid worden voor wat betreft de mogelijkheid
om het verleende uitstel voort te zetten restricties gehanteerd die
aansluiten op de binnenlandse situaties waarin de
vervreemdingsvoordelen wel tot een afrekening zouden leiden
ingevolge artikel 4.17a of 4.17c van de Wet IB 2001. In
binnenlandse situaties kan een doorschuifregeling worden gebruikt
wanneer aandelen of winstbewijzen worden geschonken aan of geërfd
door een verkrijger die binnen Nederland woont. Woont de verkrijger
in het buitenland, dan wordt er een conserverende aanslag opgelegd
voor de inkomstenbelasting over het vervreemdingsvoordeel waarvoor
op grond van artikel 25, achtste lid, IW 1990 uitstel van betaling
wordt verleend. De doorschuifregeling wordt slechts toegepast voor
het in de vennootschap, waarop de aandelen of winstbewijzen
betrekking hebben, aanwezige ondernemingsvermogen. De vervreemder
dient af te rekenen over het aanwezige beleggingsvermogen. De
conserverende aanslag wordt opgelegd voor het volledige
vervreemdingsvoordeel, inclusief eventueel aanwezig
beleggingsvermogen. Voorzover er beleggingsvermogen aanwezig is in
de vennootschap kan het uitstel van betaling niet worden voortgezet
bij een vervreemding.
Voorbeeld 1 werking artikel 2, zesde lid, UR IW 1990 in een
situatie met ook beleggingsvermogen
A heeft 100 aandelen met een waarde van 10 in X-BV. Dit
aandelenbezit vormt een aanmerkelijk belang. De aandelen zijn
destijds gekocht voor 5 per stuk. A emigreert naar het buitenland
en krijgt een conserverende aanslag voor een bedrag van 125, te
weten de belasting van 25% over de waardestijging van de aandelen.
Voor het bedrag van de conserverende aanslag wordt op grond van
artikel 25, achtste lid, IW 1990 uitstel van betaling verleend.
Vijf jaar na emigratie overlijdt A en worden de aandelen geërfd
door F. De waarde van een aandeel is inmiddels gestegen naar 12 en
is voor 40% toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen van X-BV.
Op grond van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, IW 1990 kan het
uitstel dan onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet.
Op grond van artikel 2, zesde lid, UR IW 1990 dient hiertoe een
schriftelijk verzoek te worden ingediend bij de ontvanger. Op grond
van het zesde lid, tweede volzin, zal het verzoek slechts
gedeeltelijk kunnen worden ingewilligd.
Als ten tijde van de vererving A en F in Nederland zouden hebben
gewoond, zou de vervreemding hebben geleid tot een in aanmerking te
nemen overdrachtsprijs van 100x12x60/100=720. Na aftrek van de
verkrijgingsprijs ad 100x5=500, leidt dit tot een ab-winst van 220.
De hierover verschuldigde belasting bedraagt 55 (25%). Dit leidt er
toe dat op de conserverende aanslag 55 moet worden betaald, zodat
slechts voor een bedrag van 125-55=70 het uitstel van betaling kan
worden voortgezet bij de erfgenaam.
De uitwerking is niet anders wanneer F bij het overlijden van A
reeds in Nederland zou wonen.
Voorbeeld 2 werking artikel 2, achtste lid, UR IW 1990 in een
situatie met alleen ondernemingsvermogen
A heeft 100 aandelen met een waarde van 10 in X-BV; de BV heeft
alleen ondernemingsvermogen. Dit aandelenbezit vormt een
aanmerkelijk belang. De aandelen zijn destijds gekocht voor 5 per
stuk. A emigreert naar het buitenland en krijgt een conserverende
aanslag voor een bedrag van 125, te weten de belasting van 25% over
de waardestijging van de aandelen. Voor het bedrag van de
conserverende aanslag wordt op grond van artikel 25, achtste lid,
IW 1990 uitstel van betaling verleend.
Na vijf jaar schenkt A de aandelen aan F. F is reeds gedurende 36
maanden die voorafgaan aan de schenking in dienstbetrekking van
X-BV; de BV heeft nog steeds alleen ondernemingsvermogen. Op grond
van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, IW 1990 kan het uitstel
onder nader te stellen voorwaarden voor het gehele bedrag worden
voortgezet. Op grond van artikel 2, achtste lid, UR IW 1990 dienen
A en F daartoe een schriftelijk verzoek in te dienen bij de
ontvanger.
Voorbeeld 3 werking artikel 2, achtste lid, UR IW 1990 in een
situatie met ook beleggingsvermogen
A heeft 100 aandelen met een waarde van 10 in X-BV. Dit
aandelenbezit vormt een aanmerkelijk belang. De aandelen zijn
destijds gekocht voor 5 per stuk. A emigreert naar het buitenland
en krijgt een conserverende aanslag voor een bedrag van 125, te
weten de belasting van 25% over de waardestijging van de aandelen.
Voor het bedrag van de conserverende aanslag wordt op grond van
artikel 25, achtste lid, IW 1990 uitstel van betaling verleend.
Vijf jaar na emigratie schenkt A de aandelen aan F. De waarde van
een aandeel is inmiddels gestegen naar 12 en is voor 40% toe te
rekenen aan het ondernemingsvermogen van X-BV. F is reeds gedurende
36 maanden voorafgaand aan de schenking in dienstbetrekking van
X-BV. Op grond van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, IW 1990
kan het uitstel dan onder nader te stellen voorwaarden worden
voortgezet ondanks de vervreemding aan F. Op grond van artikel 2,
achtste lid, UR IW 1990 dienen A en F daartoe een schriftelijk
verzoek in te dienen bij de ontvanger. Op grond van het achtste
lid, tweede volzin, zal het verzoek slechts gedeeltelijk kunnen
worden ingewilligd.
Als ten tijde van de schenking A en F in Nederland zouden hebben
gewoond, zou de schenking hebben geleid tot een in aanmerking te
nemen overdrachtsprijs van 100x12x60/100=720. Na aftrek van de
verkrijgingsprijs ad 100x5=500, leidt dit tot een ab-winst van 220.
De hierover verschuldigde belasting bedraagt 55 (25%). Dit leidt er
toe dat op de conserverende aanslag 55 moet worden betaald, zodat
slechts voor een bedrag van 125-55=70 het uitstel van betaling kan
worden voortgezet.
In het negende lid (nieuw) van artikel 2 UR IW 1990 is onderdeel c
van artikel 25, achtste lid, IW 1990 aan de opsomming toegevoegd.
Abusievelijk is onderdeel c, toen dit onderdeel in de wet is
opgenomen6], niet toegevoegd aan de
opsomming7] .
_______
6] Stb. 2003, 528
7] Stcr.2003, 250
Tot slot is artikel 2 UR IW 1990 in overeenstemming gebracht met
het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Commissie tegen
Nederland8]. In het tiende lid is geregeld dat in alle
gevallen waarin in artikel 2 UR IW 1990 wordt gesproken van een
lidstaat van de Europese Unie, hieronder mede wordt verstaan
Noorwegen en IJsland.
_______
8] HvJ EG 11 juni 2009, C-512/07.
Artikel IX, onderdeel E (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
In artikel 3, derde lid, UR IW 1990 is geregeld dat de
belastingschuld in tien jaarlijkse termijnen dient te worden
voldaan. De termijn waarbinnen de eerste termijn moet worden gedaan
is van twee maanden gewijzigd in zes weken. Dit hangt samen met de
wijziging van de betalingstermijn in artikel 9, eerste lid, IW 1990
als gevolg van de Aanpassingswet vierde tranche Awb.
In artikel 3, vierde lid, onderdeel a, UR IW 1990 is de term
“overdrachtsprijs” vervangen door de term “tegenprestatie”. Op die
manier wordt aangesloten bij de wettekst van artikel 25, negende
lid, IW 1990.
In artikel 3, vierde lid, UR IW 1990 worden de regels gegeven over
vermindering van het bedrag waarvoor uitstel van betaling is
verleend. Deze regels zouden ertoe leiden dat bijvoorbeeld een
regulier voordeel dat wordt gebruikt als aflossing op de schuldig
gebleven tegenprestatie tot tweemaal toe leidt tot een vermindering
van het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend. Geregeld
is in het nieuwe vijfde lid dat in een dergelijk geval slechts
éénmaal een vermindering wordt toegepast, namelijk alleen voor het
bedrag van de aflossing.
Tot slot is er een nieuw zevende lid toegevoegd waarin uitvoering
wordt gegeven aan de delegatiegrondslag opgenomen in artikel 25,
negende lid, tweede volzin, IW 1990. Op grond van dat zevende lid
wordt voor de toepassing van artikel 25, negende lid, IW 1990
vestiging in IJsland of Noorwegen gelijkgesteld aan vestiging in
een lidstaat van de Europese Unie.
Artikel IX, onderdeel F (artikel 3a van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
In het nieuw ingevoegde artikel 3a UR IW 1990 zijn regels gegeven
over het uitstel van betaling verleend op grond van artikel 25,
elfde lid, IW 1990. Zoals in de memorie van
toelichting9] op artikel 25, elfde lid, IW 1990, zoals
dat met ingang van 1 januari 2010 luidt, is aangegeven, worden bij
het uitstel van betaling de uitgangspunten van artikel 25, negende
lid, IW 1990 gevolgd. Artikel 3a UR IW 1990 is daarom geënt op
artikel 3 UR IW 1990. Uitstel van betaling wordt verleend gedurende
ten hoogste tien jaren waarbij jaarlijks een termijn moet worden
voldaan. De ontvanger vermindert het bedrag waarvoor uitstel van
betaling wordt verleend ingeval van een vervreemding van aandelen
of winstbewijzen en ingeval reguliere voordelen van substantiële
omvang worden genoten.
_______
9] Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, pagina 86.
Artikel IX, onderdeel G (artikel 4a van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
In het nieuw ingevoegde artikel 4a, derde lid, UR IW 1990 is
geregeld dat het uitstel van betaling gedeeltelijk wordt beëindigd
indien aflossingen plaatsvinden op de schuldig gebleven
overdrachtsprijs. Het uitstel wordt beëindigd voor het bedrag van
de helft van de aflossing.
In de tot 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 4a, vierde lid,
UR IW 1990 werd verwezen naar artikel 25, veertiende lid, vierde
volzin, IW 1990. In verband met een wijziging van artikel 25,
veertiende lid, IW 1990 bij Overige fiscale maatregelen 2010 is
deze verwijzing aangepast.
Artikel IX, onderdeel H (artikel 5 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
In de tot 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 5, derde lid,
UR IW 1990 wordt verwezen naar artikel 25, zestiende lid, derde
volzin, IW 1990. In verband met een wijziging van artikel 25,
zestiende lid, IW 1990, op grond van de Fiscale vereenvoudigingswet
2010 is deze verwijzing aangepast.
Artikel IX, onderdeel I (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
Artikel 6 van de UR IW 1990 vervalt. Als gevolg van de wet van 23
december 2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en enige
andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling
en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede
introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen
in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb.
564) vervalt artikel 25, elfde lid, IW 1990 met ingang van 1
januari 2010. Aangezien artikel 6 UR IW 1990 is gebaseerd op
artikel 25, elfde lid, IW 1990, vervalt met ingang van 1 januari
2010 artikel 6 UR IW 1990 ook.
Artikel IX, onderdelen J en K (artikelen 6a en artikel 6b van
de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)
In artikel 6a, eerste lid, en in artikel 6b, eerste lid, UR IW 1990
is “de rechten van successie en schenking” vervangen door: de
schenk- of erfbelasting. Deze wijzigingen hangen samen met de wet
van 23 december 2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en
enige andere belastingwetten (vereenvoudiging
bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de
Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor
afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001
en de Successiewet 1956) (Stb. 564).
Artikel IX, onderdeel L (artikel 8 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet inrichting landelijk gebied
in werking getreden10]. Bij de inwerkingtreding van deze
wet zijn onder andere de Herverkavelingswet Walcheren 1947 en de
Landinrichtingswet ingetrokken. De in artikel 8 UR IW 1990
opgenomen verwijzingen naar deze wetten kunnen derhalve ook
vervallen.
________
10] Stb. 2006, 677
Artikel IX, onderdeel M (artikel 15 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
In artikel 15, eerste lid, onderdeel f, UR IW 1990 is een
standaardbedrag per dag voor kostgangers opgenomen voor de bepaling
van de uitgaven in verband met het recht op kwijtschelding van
belastingen. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Voor het jaar
2010 wordt het bedrag gesteld op € 10,10.
Artikel IX, onderdeel N (artikel 28b van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990)
De inhoud van artikel 28b UR IW 1990 is vervangen door een nieuwe
tekst. In artikel 28b UR IW 1990 worden regels gesteld voor de
berekening van de te verlenen en de terug te nemen
betalingskorting. De nieuwe tekst van artikel 28b UR IW 1990 hangt
samen met de wijziging van artikel 27a IW 1990 met ingang van 1
januari 2010. De wijziging van artikel 27a van de IW 1990 houdt
weer verband met de aanpassing van het tijdvak voor berekening van
heffingsrente in artikel 30f, derde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen. Inhoudelijk komt een en ander er op neer dat
wordt teruggekeerd naar de systematiek van berekening van
betalingskorting zoals die luidde tot en met 31 december 2005. De
tekst van artikel 28b UR IW 1990 is daarmee in overeenstemming
gebracht.
Artikel X (Regeling bekendmaking percentage heffingsrente en
invorderingsrente)
Ingevolge artikel 30f, zesde lid, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen en artikel 29 IW 1990 is het rentepercentage van
de heffingsrente, onderscheidenlijk de invorderingsrente, in een
kalenderkwartaal gelijk aan de op de eerste werkdag van de tweede
kalendermaand voorafgaande aan dat kwartaal gegolden hebbende door
de Europese Centrale Bank voor basisherfinancieringstransacties
toegepaste interestvoet, dan wel, indien dit lager is, het naar de
gemiddelde koers van die dag door de Minister van Financiën
berekende, ongewogen gemiddelde effectieve rendement van de laatste
drie uitgegeven, aan Euronext effectenbeurs te Amsterdam genoteerde
staatsleningen waarbij dit effectieve rendement naar beneden wordt
afgerond op een vijfvoud van honderdste procenten en vervolgens
wordt verminderd met 0,5 procentpunt, met dien verstande dat het
aldus bepaalde percentage van de heffings- en invorderingsrente
vervolgens wordt vermeerderd met 1,50 procentpunt.
Gelet op het feit dat de door de Europese Centrale Bank voor
basisherfinancieringstransacties toegepaste interestvoet op 2
november 2009 1% bedroeg terwijl het hiervoor bedoelde
gecorrigeerde rendement van staatsleningen op die dag 2,05%
bedroeg, wordt het voor het eerste kwartaal 2010 te hanteren
percentage van de heffingsrente en de invorderingsrente – net als
voor het laatste kwartaal van 2009 - vastgesteld op 2,50%.
Artikel XI (artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen)
Op grond van artikel 17 van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen is de belanghebbende gehouden relevante wijzigingen die
optreden in de omstandigheden die van belang zijn voor de aanspraak
op of de hoogte van de tegemoetkoming te melden aan de
Belastingdienst/Toeslagen. De wijzigingen kunnen niet alleen door
de belanghebbende zelf maar ook door zijn partner of door een
medebewoner worden gemeld. In artikel 5 van de Uitvoeringsregeling
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Uitvoeringsregeling
Awir) is nader uitgewerkt welke wijzigingen in omstandigheden
aanleiding geven voor een melding en op welke wijze dat dient te
gebeuren. Om het melden van wijzigingen in de omstandigheden te
vergemakkelijken, is de mogelijkheid geschapen om bepaalde, veel
voorkomende, wijzigingen niet alleen schriftelijk of elektronisch
maar ook telefonisch (via de BelastingTelefoon) of anderszins
mondeling (via de klantenbalie) aan de Belastingdienst/Toeslagen
door te geven. Het moet dan gaan om wijzigingen die betrekking
hebben op de hoogte van het inkomen lopende het berekeningsjaar en
om wijzigingen die leiden tot het stopzetten van het voorschot.
Artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Awir is hiermee in
overeenstemming gebracht.
Artikel XII (Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet
waardering onroerende zaken)
De Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering
onroerende zaken omvat
eisen voor de vakbekwaamheid ten aanzien van taxateurs ter zake van
algemene
taxatietechnische kennis en praktijkvaardigheden alsmede specifieke
kennis en vaardigheden met betrekking tot de Wet waardering
onroerende zaken. Voor makelaars en taxateurs is er inmiddels een
door de branche zelf georganiseerd systeem van
persoonscertificering met registratie van de gecertificeerde
deskundigen. Een certificatiesysteem voor WOZ-taxateurs maakt ook
deel uit van het goed werkende systeem van persoonscertificering.
Het belang van vastlegging van eisen in een publiekrechtelijke
regeling is daarmee overbodig geworden. De Uitvoeringsregeling
vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken wordt daarom
ingetrokken.
Artikel XIII (artikelen 1 en 7 van de Uitvoeringsregeling Wob
Financiën)
Als gevolg van de aanpassingen in de organisatie van de
Belastingdienst/Douane moeten de relevante bepalingen in de
Uitvoeringsregeling WOB Financiën worden aangepast. Daartoe worden
de artikelen 1 en 7 van de Uitvoeringsregeling WOB Financiën
aangevuld met een verwijzing naar de algemeen directeur van de
Belastingdienst/Douane. De aanpassing in art. 7, tweede lid, is
gewenst om de ondermandatering aan de overige directeuren Douane
mogelijk te maken.
Artikel XIV, onderdeel D (artikel 33a van de
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)
Deze wijziging voorziet in het opnemen van een nieuw artikel 33a in
de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Dit artikel ziet op
de verplichtingen die van toepassing zijn op de teruggaafverzoeken
die door niet in Nederland gevestigde ondernemers uit andere
EU-lidstaten via de daar bestaande elektronische portalsites in
Nederland worden ingediend op grond van artikel 32b van de Wet op
de omzetbelasting 1968.
Zo wordt in het eerste lid van artikel 33a uitvoering gegeven aan
artikel 32f, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Bepaald is dat het teruggaafverzoek alle informatie moet bevatten
die is voorgeschreven in de artikelen 8 en 9, lid 1, van Richtlijn
2008/9/EG. Deze informatieverplichting is dezelfde als die welke
voor Nederlandse ondernemers is neergelegd in de artikelen 32c,
tweede lid, en 33d, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting
1968.
Verder wordt uitvoering gegeven aan artikel 32h van de Wet op de
omzetbelasting 1968. Het gaat er daarbij om dat in het
teruggaafverzoek van de niet in Nederland gevestigde ondernemer,
naast de informatie die daarin ingevolge artikel 32f van de Wet op
de omzetbelasting 1968 moet zijn opgenomen, ook de
beroepsactiviteit van de buitenlandse ondernemer aan de hand van
geharmoniseerde codes moet worden omschreven. Hiermee wordt zowel
voor de ondernemer als voor de Belastingdienst duidelijkheid
geboden en kan deze code mogelijke taalproblemen voor zijn. Het
betreft de zogenaamde nace-code. Ook onder de huidige
teruggaafprocedures van btw aan buitenlandse ondernemers moet deze
de aard van de bedrijfsuitoefening op het voor alle lidstaten
geldende formulier aangeven.
Het derde lid geeft uitvoering aan artikel 32i van de Wet op de
omzetbelasting 1968. Tot 2010 is de gebezigde taal Nederlands
geweest voor de afwikkeling van teruggaafverzoeken op grond van de
Achtste richtlijn. Na 1 januari 2010 wordt het ook mogelijk
daarvoor gebruik te maken van de Duitse en de Engelse taal.
Artikel XV, onderdeel A (Artikel 1 van de Uitvoeringsregeling
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)
Artikel 1 van de Uitvoeringsregeling BPM bevat een opsomming van
delegatiegrondslagen waaraan de regeling uitvoering geeft. Door de
wijzigingen in de Wet BPM per 1 januari 2010 die voorvloeien uit
het Belastingplan 2009 en de Wet overige fiscale maatregelen 2010
wijzigt de grondslag van twee artikelen in de Uitvoeringsregeling
BPM. Hieraan wordt artikel 1 van de Uitvoeringsregeling aangepast.
Omdat de wijziging van deze grondslagen helder uit dit artikel 1
blijkt, is het niet noodzakelijk om de wijziging van de grondslag
in een wetsartikel vast te leggen.
Artikel XV, onderdeel B (Artikel 6a van de Uitvoeringsregeling
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)
In het Belastingplan 2009 worden de artikelen die de
delegatiegrondslagen bevatten waaraan artikel 6a van de
Uitvoeringsregeling BPM uitvoering geeft herschikt per 1-1-2010. De
aanhef van dit artikel wordt hieraan aangepast. Het gaat om de
wijze waarop de CO2-uitstoot van een voertuig wordt aangetoond als
deze niet op officiële wijze is vastgesteld.
Artikel XV, onderdeel C (Artikel 8 van de Uitvoeringsregeling
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)
In de wet Overige fiscale maatregelen 2010 wordt een aanvullende
delegatiegrondslag voor het in de Uitvoeringsregeling BPM reeds
bestaande artikel 8, vijfde lid in het leven geroepen. De tekst van
dit artikel wordt hieraan aangepast. Het gaat om de toepassing van
de afschrijvingstabel bij het in de heffing betrekken van een
gebruikt voertuig.
Verder wordt in verband met de wijziging per 1 januari 2010 van het
afschrijvingsregime voor gebruikte voertuigen, opgenomen in artikel
10, tweede lid, van de wet, ook de Uitvoeringsregeling BPM
aangepast. Vóór de wijziging was het uitgangspunt van de wettelijke
regeling dat de afschrijving voor een gebruikt motorrijtuig werd
bepaald aan de hand van de consumentenwaarde in gebruikte staat. De
afschrijving werd dan uitgedrukt in een percentage van de
consumentenprijs in nieuwstaat. Ingevolge twee arresten van de Hoge
Raad11] is echter de inkoopwaarde voor een wederverkoper
in Nederland de basis voor de berekening. De wet is daarom zodanig
aangepast dat de afschrijving wordt uitgedrukt in een percentage
van de inkoopwaarde in nieuwstaat. Bij voorliggende wijziging van
de Uitvoeringsregeling BPM worden, zoals aangekondigd in de
toelichting bij de wet Overige fiscale maatregelen 2010, nu ook de
in de regeling opgenomen forfaitaire afschrijvingslijnen voor
gebruikte motorrijtuigen op dit punt aangepast. Het betreft de
facultatieve afschrijvingstabel voor heffing bij invoer en de tabel
voor de berekening van de teruggave bij uitvoer. De wijziging van
de tabel in artikel 8, vijfde lid, strekt ertoe de daarin genoemde
percentages te verhogen met het verschil tussen de afschrijving
over de verkoopprijs en de afschrijving over de inkoopprijs. De
afschrijving over de inkoopprijs is gemiddeld namelijk iets groter
dan die over de verkoopprijs. Een vergelijkend onderzoek aan de
hand van in de branche gebruikelijke koerslijsten laat zien dat dit
verschil bij auto’s jonger dan ongeveer 40 maanden tussen de 0 en 1
procent bedraagt. Bij auto’s ouder dan 40 maanden ligt dat tussen
de 1 en 2 procent. Deze verschillen zijn in de tabel afgerond op
hele procenten naar boven. Het gevolg van de wijziging van de tabel
is dat een importeur van een tweedehands auto die gebruik maakt van
de facultatieve tabel een wat grotere afschrijving mag toepassen op
de verschuldigde belasting, waardoor er wat minder belasting hoeft
te worden betaald.
_________
11] HR 10 juli 2009, LJN-nr. BJ2012, enHR 10 juli 2009, LJN-nr. BJ1971.
Artikel XV, onderdeel D (artikel 8d Uitvoeringsregeling
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)
De tabel in artikel 8d, eerste lid, waarmee de teruggave bij export
wordt berekend, wordt aangepast. Deze wijziging is gekoppeld aan de
wijziging van de tabel in artikel 8, vijfde lid van de
Uitvoeringsregeling BPM. Deze wijziging wordt toegelicht bij de
toelichting op artikel XV, onderdeel C. De beide tabellen hanteren
dezelfde afschrijving bij dezelfde leeftijd. De teruggaafregeling
is destijds in de wet opgenomen om een tijdselement in de heffing
van BPM in te brengen voor voertuigen die niet langdurig in
Nederland worden gebruikt. Bij deze voertuigen wordt eerst de BPM
geheven bij import, waarna bij export de BPM, verminderd met de
afschrijving, weer wordt teruggegeven. De forfaitaire afschrijving
bij import en bij export wordt op gelijke voet berekend, zodat per
saldo alleen de afschrijving over de gebruiksperiode in Nederland
wordt belast.
Artikel XV, onderdeel E (artikel 10 Uitvoeringsregeling
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)
Door middel van dit onderdeel wordt het materieel uitgewerkte
artikel 10 van de Uitvoeringsregeling BPM geschrapt.
Artikel XVI, onderdelen C, D, E, BB en CC (artikelen 1:4, 1:5
en 1:10, bijlagen III en IV bij de Algemene douaneregeling)
Heffing van rechten bij invoer en rechten bij uitvoer vindt plaats
op grond van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Volgens
het CDW is de douaneautoriteit belast met de uitvoering. Op grond
van artikel 4, derde lid, van het CDW in samenhang met artikel 1:3,
eerste lid, onderdelen c en d, van de Algemene douanewet is in
Nederland de inspecteur en ontvanger belast met de uitvoering. Met
de reorganisatie van de Belastingdienst/douane komt er een
wijziging in de aanwijzing van de functionarissen als inspecteur en
ontvanger en een wijziging in onder meer de aanduiding van de
regio’s en kantoren. De onderhavige artikelen strekken ertoe de
Algemene douaneregeling, in lijn met de aanpassingen van de
Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, aan te passen aan de
nieuwe organisatie.
Artikel XVI, onderdeel F (artikel 1:14 van de Algemene
douaneregeling)
Ingevolge het vierde lid van artikel 1:14 is het verboden onjuiste
of onvolledige gegevens te verstrekken aan de kamer bij een
aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong. Het verbod
geldt ook voor een derde die aan de aanvrager van een dergelijk
certificaat onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt. Degene die
het in artikel 1:14 omschreven verbod overtreedt maakt zich op
grond van artikel 11:3 schuldig aan het plegen van een strafbaar
feit en kan met toepassing van artikel 10:11 van de Algemene
douanewet gestraft worden met geldboete van de tweede categorie.
Artikel XVI, onderdeel G (artikel 1:16 van de Algemene
douaneregeling)
Dit artikel houdt het verbod in om onjuiste of onvolledige gegevens
te verstrekken bij een aanvraag om afgifte van een certificaat
inzake goederenverkeer. Zie voor een nadere toelichting artikel
1:14.
Artikel XVI, onderdeel H (artikel 1:17 van de Algemene
douaneregeling)
De technische aanpassing in het eerste lid van artikel 1:17 houdt
een nadere precisering in van de feitelijke werkzaamheden van de
commissie. De commissie besluit op beleidsvragen op het terrein van
de preferentiële en niet-preferentiële oorsprong in de meest brede
zin, die uit de dagelijkse praktijk afkomstig zijn.
Artikel XVI, onderdeel I (artikel 5:6)
In 2005 is Verordening (EG) Nr. 1084/2005 van de Commissie van 8
juli 2005 tot wijziging van de bijlagen II, III en V bij
Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een
gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde
textielproducten uit derde landen gepubliceerd. Uit die verordening
komt naar voren dat er met ingang van 1 januari 2008 geen
vergunning meer van toepassing is op het in het vrije verkeer
brengen van textielproducten uit China. Om die reden kan de
bepaling in de Algemene douaneregeling, die het brengen in het
vrije verkeer van dergelijke producten zonder vergunning verbiedt,
vervallen.
Artikel XVI, onderdeel O (artikel 7:9)
Artikel 7:9 bevat de vrijstelling van belastingen bij invoer van
personenvoertuigen door leden van het administratief, technisch en
bedienend personeel van bepaalde diplomatieke en consulaire
vertegenwoordigingen. Om onduidelijkheden omtrent de toepassing van
de bepaling weg te nemen wordt deze aangepast.
Artikel XVI, onderdeel P (artikel 7:17 van de Algemene
douaneregeling)
In artikel 7:17 van de Algemene douaneregeling zijn forfaitaire
accijnstarieven opgenomen
die van toepassing zijn voor reizigersbagage en kleine zendingen
die in Nederland worden ingevoerd en waarvoor geen vrijstelling van
accijns kan worden verleend.
In onderhavige regeling wordt het forfaitaire accijnstarief voor
rooktabak overeenkomstig de wijziging van de accijnstarieven voor
rooktabak in artikel 35 van de Wet op de accijns aangepast. Dit
forfaitaire accijnstarief is uitgedrukt als een percentage van de
kleinhandelsprijs. Voor rooktabak zal het percentage per 1 maart
2010 50,4 bedragen.
Artikel XVI, onderdeel Y (artikel 10:1 van de Algemene
douaneregeling)
Op grond van het tweede lid van artikel 10:1 heeft de inspecteur
bij het constateren van een overtreding van een verbod de
mogelijkheid aan de overtreder een bestuurlijke boete op te leggen.
Het overleggen van onjuiste of onvolledige gegevens ter verkrijging
van een certificaat van oorsprong is geen exclusieve zaak voor de
kamer, maar ook voor de inspecteur die met het douanetoezicht is
belast. De verstrekking van onjuiste informatie kan schadelijke
gevolgen hebben voor het handelsverkeer met derde landen omdat
hiermee het vertrouwen in een correcte afgifte van certificaten
waarmee de oorsprong dient te worden aangetoond, wordt ondergraven.
Bij de behandeling van een aanvraag tot afgifte van een certificaat
inzake goederenverkeer of bij een nacontrole nadat de goederen zijn
uitgevoerd kan aan het licht komen dat er onjuiste of onvolledige
gegevens door de belanghebbende zijn verstrekt. Ook in dit geval
heeft de inspecteur de bestuurlijke boete als instrument om
bestraffend op te kunnen treden.
Degene die een van de in artikel 1:16 omschreven verboden
overtreedt maakt zich op grond van artikel 11:3 schuldig aan het
plegen van een strafbaar feit en kan met toepassing van artikel
10:11 van de Algemene douanewet gestraft worden met geldboete van
de tweede categorie.
Artikel XVI, onderdeel Z (artikel 10:2 van de Algemene
douaneregeling)
Het betreft hier een technische aanpassing van artikel 10:2 om een
omissie te herstellen. De inspecteur kan nu ook in gevallen waarin
een leveranciersverklaring is opgemaakt op basis van onvolledige of
onjuiste gegevens of zonder dat het bewijs daarvoor in de
administratie aanwezig is een bestuurlijke boete opleggen.
Artikel XVI, onderdeel AA (artikel 10:5 van de Algemene
douaneregeling)
De wijziging in de Algemene douaneregeling, voor zover het betreft
de hoogte van de bedragen van de bestuurlijke boeten, wordt
aangebracht naar aanleiding van de herijking van het boetebeleid,
waarbij onder meer in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de
Algemene douanewet de boetebedragen worden geïndexeerd. In het
nieuwe artikel 10:5 van de Algemene douaneregeling wordt geregeld
dat de bedragen van de in dat artikel genoemde verzuimboeten
voortaan elke vijf jaar worden geïndexeerd overeenkomstig artikel
9:6a van de Algemene douanewet en daarmee overeenkomstig de
artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De
eerste indexatie zal plaatsvinden op 1 januari 2015.
Artikel XVII, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling
accijns)
Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de wijzigingen in de
delegatiebepalingen van de Wet op de accijns en het
Uitvoeringsbesluit accijns.
Artikel XVII, onderdeel B (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling
accijns)
De in dit onderdeel opgenomen wijziging is van redactionele aard.
Artikel XVII, onderdeel C (artikel 14 van de
Uitvoeringsregeling accijns)
De in dit onderdeel opgenomen wijziging is van redactionele aard.
Artikel XVII, onderdeel D (artikel 15 van de
Uitvoeringsregeling accijns)
De in dit onderdeel opgenomen wijziging is van redactionele aard.
De in het tweede lid van artikel 15 genoemde verordening is
vervallen.
Artikel XVII, onderdeel E (artikel 16 van de
Uitvoeringsregeling accijns)
De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen zijn van redactionele
aard.
Artikel XVII, onderdeel F (artikel 20d van de
Uitvoeringsregeling accijns)
Op grond van artikel 42a, vierde lid, van de wet bepaalt artikel
20d welke gegevens in ieder geval moeten worden vermeld in het
verzoek om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als
bedoeld in artikel 42a van de wet (de zogenoemde fictieve
accijnsgoederenplaats).
Artikel XVII, onderdelen G, L en N (artikelen 27 en 37 en
bijlage A.2 van de Uitvoeringsregeling accijns)
De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen zijn noodzakelijk in
verband met aanpassingen in de organisatie van de
Belastingdienst/Douane.
Artikel XVII, onderdeel H (artikel 33 van de
Uitvoeringsregeling accijns)
De wijziging van artikel 33, eerste lid, vloeit voort uit de
wijziging van artikel 70, eerste lid, onderdeel e, van de wet. De
in laatstbedoeld onderdeel opgenomen teruggaafregeling ziet met
ingang van 1 januari 2010 niet langer op vloeibaar gemaakt
petroleumgas, maar op minerale oliën waarvoor op de voet van
artikel 67 van de wet aanspraak op vrijstelling zou bestaan.
In het huidige artikel 33, vijfde lid, wordt verwezen naar artikel
26 van het Uitvoeringsbesluit. Laatstbedoelde bepaling is met
ingang van 1 juli 2008 is vervallen. Artikel 33, vijfde lid, bevat
nu nadere regels met betrekking tot de verklaring, bedoeld in
artikel 27a van het Uitvoeringsbesluit (tekst met ingang van 1
januari 2010).
Artikel 33, zesde lid, kan vervallen, aangezien artikel 27a van het
Uitvoeringsbesluit, waarnaar in eerstgenoemde bepaling wordt
verwezen, met ingang van 1 januari 2010 niet langer betrekking
heeft op vloeibaar gemaakt petroleumgas, maar op minerale oliën
waarvoor op de voet van artikel 67 van de wet aanspraak op
vrijstelling zou bestaan.
Artikel XVII, onderdelen I, J en K (artikelen 35a, 35b en 35c
van de Uitvoeringsregeling accijns)
De Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 voorziet erin dat halfzware
olie, gasolie en LPG voortaan alleen nog worden belast met accijns;
de energiebelasting op deze producten wordt ingebouwd in het
accijnstarief. De Wet belastingen op milieugrondslag kent een
aantal teruggaafregelingen voor vorenbedoelde minerale oliën. Deze
teruggaafregelingen worden overgeheveld naar de Wet op de accijns
(de artikelen 71e, 71f en 71g). Artikel 35a en 35b van de
Uitvoeringsregeling accijns komen overeen met de vervallen
artikelen 18 onderscheidenlijk 23 van de Uitvoeringsregeling
belastingen op milieugrondslag. Artikel 35c verklaart artikel 26
van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag van
overeenkomstige toepassing. In laatstbedoeld artikel, dat
betrekking heeft op de teruggaafregeling voor kerken en
non-profitinstellingen, wordt het begrip ‘eindfactuur’ gebruikt.
Dit ziet op de levering van aardgas en elektriciteit. Voor de in
artikel 71g van de wet juncto artikel 35c van de
Uitvoeringsregeling accijns bedoelde minerale oliën gaat het om de
aankoopfactuur.
Artikel XVII, onderdeel M (artikel 43 van de
Uitvoeringsregeling accijns)
Zoals gebruikelijk worden door de gewijzigde tarieven voor de
accijns voor sigaretten en rooktabak nieuwe accijnszegels
uitgegeven. De nieuwe accijnszegels voor sigaretten en rooktabak
zijn met ingang van 1 maart 2010 voorzien van een andere code.
De zegels voor sigaretten worden bedrukt met de code AY02. De
zegels voor rooktabak worden bedrukt met de code BY02. De zegels
voor pijptabak worden bedrukt met de code CY02. Aangezien het
tarief voor sigaren niet wordt gewijzigd, is voor deze accijnszegel
nog geen code vastgesteld.
Artikel XVIII, onderdelen A en B (artikelen 1 en 8 van de
Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken
en van enkele andere produkten)
De in deze onderdelen opgenomen wijzigingen zijn van redactionele
aard.
Artikel XVIII, onderdeel C (artikel 12 van de
Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken
en van enkele andere produkten)
Het huidige artikel 12, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling
verwijst naar artikel 2, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit. De
in artikel 2, vijfde lid, opgenomen regeling is met ingang van 1
juli 2008 opgenomen in artikel 2, zesde tot en met dertiende lid,
van het Uitvoeringsbesluit. In verband hiermee is vorenbedoelde
verwijzing aangepast.
Artikel XVIII, onderdeel D (artikel 24 van de
Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken
en van enkele andere produkten)
De in dit onderdeel opgenomen wijziging is noodzakelijk in verband
met aanpassingen in de organisatie van de Belastingdienst/Douane.
Artikel XIX, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling
belastingen op milieugrondslag)
Het eerste lid van dit artikel is in overeenstemming gebracht met
de wijzigingen in de delegatiebepalingen van de Wet belastingen op
milieugrondslag en het Uitvoeringsbesluit belastingen op
milieugrondslag.
Artikel XIX, onderdelen B, C, D en E (artikelen 13, 18, 23 en
28 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)
De Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 voorziet erin dat halfzware
olie, gasolie en LPG voortaan alleen nog worden belast met accijns;
de energiebelasting op deze producten wordt ingebouwd in het
accijnstarief. Artikel 13 kan in verband daarmee vervallen. De Wet
belastingen op milieugrondslag kent een aantal teruggaafregelingen
voor vorenbedoelde minerale oliën. Deze teruggaafregelingen worden
overgeheveld naar de Wet op de accijns (de artikelen 71e, 71f en
71g). De nieuwe artikelen 35a en 35b van de Uitvoeringsregeling
accijns komen overeen met de artikelen 18 onderscheidenlijk 23 van
de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag.
Laatstbedoelde artikelen komen eveneens te vervallen. De wijziging
van artikel 28 is van redactionele aard.
Artikel XIX, onderdeel F (artikel 32 van de Uitvoeringsregeling
belastingen op milieugrondslag)
Artikel 80, onderdeel a, onder 4, van de Wet belastingen op
milieugrondslag, biedt de mogelijkheid bij ministeriële regeling
producten aan te wijzen die wel voldoen aan de definitie van
verpakking, maar die naar hun aard hoofdzakelijk een andere functie
dan een verpakkingsfunctie hebben, en mitsdien niet als verpakking
worden beschouwd. Het gaat hierbij om producten die naar het
spraakgebruik niet echt als verpakkingen worden aangemerkt, maar
die door de oorspronkelijk brede definitie van het begrip
'verpakkingen' in art. 80, onderdeel a, Wet belastingen op
milieugrondslag, wel een verpakking zijn en aldus belastingobject
waren voor de verpakkingenbelasting. Als een product (de
verpakking) aldus bij ministeriële regeling als “exoot” wordt
aangewezen, valt het product buiten de verpakkingendefinitie en
wordt het product niet in de heffing betrokken. Deze “exoten” zijn
vermeld in artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling
belastingen op milieugrondslag.
In artikel II, onderdeel B, worden toner- en inktcartridges
toegevoegd aan de opsomming in artikel 32, derde lid, van de
Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. In aanvulling
op de producten die al genoemd worden in artikel 32, derde lid, van
de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag zijn ook deze
cartridges verpakkingen die naar hun aard hoofdzakelijk een andere
functie dan een verpakkingsfunctie hebben en worden mitsdien niet
langer als een verpakking beschouwd. Van belang is dat zogenaamde
'tonerflessen' hier niet onder vallen, deze zullen als
verpakking van toner gewoon belast blijven.
De maatregel zal terugwerkende kracht krijgen tot en met 1 januari
2008. Dit sluit aan bij de datum waarop artikel 32, derde lid, van
de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag, in werking
is getreden.
Artikel XIX, onderdelen G en H (artikel 32b en bijlage bij de
Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)
Artikel XIX, onderdeel G, bewerkstelligt dat na artikel 32a van de
Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag een artikel 32b
wordt ingevoegd. In artikel 32b wordt een rechtsgrondslag gecreëerd
voor een bijlage bij de Uitvoeringsregeling belastingen op
milieugrondslag waarin producentenorganisaties, bedoeld in artikel
28i van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag,
worden aangewezen.
Artikel XIX, onderdeel H, betreft de in onderdeel B aangekondigde
bijlage waarin de erkende producentenorganisaties zijn opgenomen
voor wie de verleggingsregeling van artikel 28i van het
Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag geldt. In artikel
28i, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op
milieugrondslag is de mogelijkheid voor de groente- en fruitsector
neergelegd dat, ingeval een teler van groente of fruit deze
producten verpakt ter beschikking stelt aan een
producentenorganisatie, de heffing van verpakkingenbelasting met
betrekking tot die terbeschikkingstelling wordt verlegd naar deze
producentenorganisatie.
Een van de redenen voor deze mogelijkheid tot verlegging is dat
deze producentenorganisaties vaak voorschrijven in welke soort
verpakkingen en hoe de producten verpakt dienen te worden. In veel
gevallen worden de verpakkingsmaterialen zelfs door deze
producentenorganisaties ingekocht en geleverd aan de kwekers en
importeurs. Voor de producentenorganisaties is het aldus
administratief eenvoudiger aan de verplichtingen van de
verpakkingenbelasting te voldoen. De producentenorganisaties op wie
deze verlegging van toepassing is, zijn vermeld in de betreffende
bijlage, behorende bij de Uitvoeringsregeling belastingen op
milieugrondslag.
Artikel XX (Overgangsrecht)
In artikel XXI is geregeld dat artikel 3 UR IW 1990, zoals dat
artikel luidde op 31 december 2009, van toepassing blijft met
betrekking tot belastingaanslagen ter zake van inkomstenbelasting
wegens een schenking die heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2010.
Op die manier is gewaarborgd dat de regels over het verzoeken om
uitstel van betaling en de beëindiging van het uitstel van betaling
blijven gelden voor lopende gevallen. Voorts is geregeld dat het
nieuwe vijfde lid van artikel 3 UR IW 1990 ook van toepassing is
voor gevallen waarin de schenking heeft plaatsgevonden voor 1
januari 2010. In het vijfde lid is namelijk een versoepeling
opgenomen voor de beëindiging van het uitstel van betaling.
Artikel XXI (Overgangsrecht)
In het onderhavige artikel zijn bepalingen van overgangsrecht
opgenomen die bewerkstelligen dat de overgang van de oude naar de
nieuwe functionaris in verband met
de reorganisatie van met name de douane naadloos verloopt. Dit kan
van belang zijn in de situatie dat een belanghebbende in bezwaar
komt tegen een vóór inwerkingtreding van onderhavige regeling
opgelegde beschikking. Een voorbeeld van toepassing van het tweede
lid is de situatie dat een beslissing wordt genomen door een vóór
inwerkingtreding van deze regeling bevoegde functionaris die is
gedateerd na inwerkingtreding van deze regeling. In dat geval
treedt de nieuwe aangewezen functionaris in de plaats van de oude.
Een voorbeeld van toepassing van het derde lid is de situatie dat
een beschikking wordt afgegeven waarbij er nog wordt verwezen naar
oude organisatieonderdelen op bijvoorbeeld het gebruikte
briefpapier.
Artikel XXII (inwerkingtreding)
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze regeling. De
regeling treedt met ingang van 1 januari 2010 in werking, met dien
verstande dat een aantal bepalingen terugwerken of eerst op een
later tijdstip voor het eerst toepassing vinden. Voor een
toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichting op de
desbetreffende bepalingen.
De Staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager .