U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Dit besluit is een actualisering van het besluit van 28
oktober 2009, nr. CPP2009/1820M over uitgaven voor levensonderhoud
van kinderen, specifieke zorgkosten, weekenduitgaven voor
gehandicapten en scholingsuitgaven.
Dit besluit is een actualisering van het besluit van 28 oktober
2009, nr. CPP2009/1820M. In dit besluit is uitgegaan van de
wetteksten en cijfers voor het jaar 2009. Per 1 januari 2009 zijn
de buitengewone uitgaven uit hoofdstuk 6 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 vervangen door de specifieke zorgkosten.
Het onderdeel over buitengewone uitgaven uit het besluit van 28
oktober 2009 is daarom in dit besluit vervangen door een onderdeel
over specifieke zorgkosten. Deze wijziging is aangegrepen om het
besluit ook op andere punten te herzien. Een aantal onderdelen uit
het besluit van 28 oktober 2009 komt niet meer in dit besluit voor
omdat hetgeen in die onderdelen was opgenomen inmiddels voldoende
duidelijk blijkt uit regelgeving, jurisprudentie of
voorlichtingsmateriaal van de Belastingdienst. Verder bevat dit
besluit in onderdeel 5.3. een nieuwe goedkeuring over de
leeftijdsgrenzen van de standaardstudieperiode. Tot slot zijn
redactionele aanpassingen gedaan.
Het besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M is ingetrokken
met ingang van de dag dat dit besluit in werking treedt (zie
onderdeel 6).
|
Wet IB 2001
|
Wet inkomstenbelasting 2001
|
|
UBIB 2001
|
Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
|
|
URIB 2001
|
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
|
Een belastingplichtige ondersteunt zijn bij hem wonende zoon
van 19 jaar met, naast kost en inwoning, € 150 per maand. De zoon
heeft na het afronden van een middelbare schoolopleiding nog geen
werk gevonden. De zoon kan een beroep doen op de Wet werk en
bijstand. Komt belastingplichtige in aanmerking voor aftrek van
uitgaven voor levensonderhoud?
Indien een ondersteunde recht heeft op bijstand op grond van de Wet
werk en bijstand, kan verschil van mening ontstaan over het
antwoord op de vraag of de belastingplichtige zich redelijkerwijs
gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven
(artikel 6.1, derde lid, van de Wet IB 2001). Gelet op de
overwegingen bij de totstandkoming van de Algemene Bijstandswet, de
voorloper van de Wet werk en bijstand, hoeft bij de beoordeling van
de vraag of onderhoudsuitkeringen nodig zijn om de ondersteunde in
staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan
overeenkomstig zijn plaats in de samenleving, niet te worden
nagegaan of de genieter van de onderhoudsuitkeringen een beroep op
de Wet werk en bijstand zou kunnen doen.
De omstandigheid dat de genieter van de onderhoudsuitkeringen zijn
recht op bijstand niet geldend maakt, is geen aanleiding de
gevraagde aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen
jonger dan 30 jaar geheel of gedeeltelijk te weigeren. Of aftrek
mogelijk is, hangt af van de feitelijke situatie (is feitelijk door
de ouder een lening verstrekt, inkomen en vermogen van de zoon,
arbeidsmarktomstandigheden en dergelijke). Als de vooruitzichten
zodanig zijn dat op korte termijn een verbetering van de situatie
valt te verwachten, kan het standpunt worden ingenomen dat de
ondersteuning in de vorm van een lening kan worden verstrekt (zie
Hof Arnhem 1 juni 1993, nr. 92/1072, V-N 1993/2784).
Een belastingplichtige voldoet met terugwerkende kracht aan
zijn alimentatieverplichtingen voor zijn kinderen over eerdere
jaren. Komt hij voor die jaren alsnog in aanmerking voor aftrek van
uitgaven voor levensonderhoud?
Nee, als in de betreffende jaren niet daadwerkelijk is betaald,
moeten (per definitie) de uitgaven voor het levensonderhoud immers
voor rekening van anderen zijn gekomen. In die situatie heeft
belastingplichtige “de ondersteunde” niet feitelijk onderhouden en
is daarom geen aftrek mogelijk. De uitgaven kunnen in het jaar van
betaling wel worden betrokken in de beoordeling of in dat jaar aan
de gestelde onderhoudsvereisten werd voldaan. De Commissie voor de
Verzoekschriften uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal kan zich
daarin ook vinden (Kamerstukken II 1995/96, 24425, nr. 75).
Een student vraagt na 1 oktober (te laat) studiefinanciering
aan. Hij krijgt deze met terugwerkende kracht tot 1 oktober, echter
niet de OV-jaarkaart. Zijn vader claimt aftrek van uitgaven voor
levensonderhoud, omdat zijn zoon op 1 oktober (peildatum) nog geen
studiefinanciering had.
Er bestond recht op studiefinanciering, deze is alleen te laat
aangevraagd. Er is ook met terugwerkende kracht studiefinanciering
ontvangen (met uitzondering van de OV-jaarkaart). Het is niet de
bedoeling van de wetgever alsnog aftrek van uitgaven voor
levensonderhoud te verlenen als geen gebruik is gemaakt van de
wettelijke mogelijkheden.
Een student (24) heeft een zogenaamde nullening, dat wil
zeggen dat hij na het verstrijken van de voor zijn studie reguliere
studieperiode € 0 leent maar dat hij wel een OV-jaarkaart krijgt.
Zijn vader geeft hem iedere maand € 400 om in zijn levensonderhoud
te voorzien. Heeft de vader recht op aftrek van uitgaven voor
levensonderhoud?
De beperking van artikel 6.14, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
IB 2001 is niet van toepassing omdat de student in deze situatie
geen recht heeft op een “prestatiebeurs volgens de Wet
studiefinanciering 2000 die niet uitsluitend bestaat uit een
reisvoorziening in de zin van die wet”.
Voorwaarde voor de aftrek levensonderhoud is dat de
belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen
voelen tot het doen van die uitgaven (artikel 6.1, derde lid, van
de Wet IB 2001). Daarbij spelen feitelijke omstandigheden een rol
zoals: de leenmogelijkheid van de Wet studiefinanciering 2000,
eigen inkomen, vermogen, eventuele schenkingen, aandeel in
nalatenschap ouder, hoeveel tijd nog tot afstuderen,
arbeidsmarktomstandigheden, al solliciterend etc. Indien op korte
termijn een verbetering van de situatie van de ondersteunde
optreedt, kan het standpunt worden ingenomen dat de ondersteuning
in de vorm van een lening kan worden verstrekt (zie Hof Arnhem 1
juni 1993, nr. 92/1072, V-N 1993/2784).
Uitsluitend een toekomstverwachting gebaseerd op het volgen van een
studie is onvoldoende om op grond van de mogelijkheid van een
lening geen aftrek te verlenen voor uitgaven voor levensonderhoud
(zie HR 6 december 1995, nr. 30 884, LJN AA1686). Bovendien is de
enkele omstandigheid dat iemand een lening kan aangaan niet
voldoende om aan te nemen dat hij in zijn eigen levensonderhoud kan
voorzien (zie HR 10 februari 2006, nr. 40 972, LJN AV1383).
Is bij co-ouderschap aftrek van de bijdrage in het
levensonderhoud van het kind mogelijk?
Bij co-ouderschap wordt het kind op basis van een overeenkomst in
gelijke mate door beide ouders verzorgd en onderhouden. Volgens
artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag - zoals dat
artikel sinds 5 oktober 1995 luidt - wordt de kinderbijslag in dat
geval gelijk verdeeld over beide ouders, tenzij in de overeenkomst
anders is overeengekomen. Beide ouders hebben daardoor recht op
kinderbijslag en beide ouders kunnen dat recht ook geldend maken.
Dat blijkt uit artikel 5a van het Samenloopbesluit: “Indien twee
personen op basis van een overeenkomst een kind overwegend in
gelijke mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een
gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt, tenzij in de
overeenkomst anders is overeengekomen, de kinderbijslag waarop één
van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk verdeeld
betaald aan deze personen terwijl de kinderbijslag waarop de andere
persoon recht heeft, niet wordt uitbetaald.”
Het recht op kinderbijslag van één van de ouders wordt dus niet
uitbetaald en het recht van de andere ouder wordt wel uitbetaald
(hoewel de uitbetaling soms wordt verdeeld over beide ouders).
Aftrek van uitgaven voor levensonderhoud is alleen mogelijk bij de
ouder wiens recht op kinderbijslag niet wordt uitbetaald. Het maakt
verder niet uit hoe de uitbetaling van het recht op kinderbijslag
van de andere ouder daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zie artikel
35 van de URIB 2001.
Van een gezin met kinderen wordt de moeder voor langere tijd
in een verpleeginstelling opgenomen. De grootouders zorgen vanaf
juni 2009 voor de kinderen. Vader blijft in de echtelijke woning
wonen. Hij heeft een inkomen van € 31.000 per jaar. In 2009 maken
de grootouders kosten voor het inrichten van slaapkamers voor de
kinderen ad € 900 en overige kosten. Voor de inrichting van de
slaapkamers claimen zij een aftrek van € 900. Voor de overige
kosten claimen zij de forfaitaire bedragen. Bestaat er voor de
grootouders recht op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud?
De kleinkinderen zijn in beginsel geen kinderen als bedoeld in
Afdeling 6.4 van de Wet IB 2001. De ondersteuning van de
kleinkinderen komt hierdoor niet voor aftrek van uitgaven voor
levensonderhoud in aanmerking. Indien ervan wordt uitgegaan dat de
ondersteuning aan de zoon ten goede komt, kan mogelijk recht op
aftrek voor de uitgaven voor levensonderhoud bestaan indien de zoon
jonger dan 30 jaar is. De behoeftigheid van de zoon moet dan worden
onderzocht. Gezien zijn inkomen ligt behoeftigheid niet voor de
hand. Indien de zoon wel behoeftig is (bijvoorbeeld door zeer hoge
verpleegkosten van zijn echtgenote die niet worden vergoed), moet
de gedrongenheid van zijn ouders worden beoordeeld. Van belang is
dan of er andere potentiële ondersteuners zijn of dat het mogelijk
is om een lening af te sluiten. Indien de behoeftigheid van de zoon
en de gedrongenheid van zijn ouders komt vast te staan, bestaat
recht op aftrek voor uitgaven voor levensonderhoud tot de
forfaitaire bedragen van artikel 36 van de URIB 2001.
Een belastingplichtige ondersteunt zijn dochter (jonger dan
30 jaar) met € 1.300 per maand. De dochter heeft geen inkomen maar
is in bezit van een eigen woning met een ruime overwaarde. Omdat
zij haar eigen huis “niet wil opeten” wil zij geen
bijstandsuitkering aanvragen. Kan belastingplichtige de uitgaven
als uitgaven voor levensonderhoud aftrekken?
In het algemeen staat eigen vermogen van een ondersteunde de aftrek
van uitgaven voor levensonderhoud in de weg. Alleen als er
bijzondere omstandigheden zijn die aantasting van het vermogen in
de weg staan, kan toch sprake zijn van behoeftigheid van de dochter
en zou belastingplichtige zich gedrongen kunnen voelen de uitkering
te doen. Uit de jurisprudentie blijkt dat een bijzondere
omstandigheid niet snel aanwezig wordt geacht. Zie onder andere Hof
Den Haag 27 november 1973, nr. 100/1973 (BNB 1974/276), Hof Den
Haag 12 maart 1981, nr. 115A/80 (BNB 1982/135) en Hoge Raad 22 juli
1985, nr. 23 235 (BNB 1985/254).
Een zeer klein vermogen (bijvoorbeeld het vermogen dat ingevolge de
Wet werk en bijstand niet behoeft te worden aangesproken) kan
buiten beschouwing blijven. Zie Hof Den Bosch 28 april 1997, nr.
92/3184 (FED 1997/893).
Wanneer komt iemand in aanmerking voor aftrek van specifieke
zorgkosten wegens ziekte of invaliditeit?
Om uitgaven in aanmerking te kunnen nemen als specifieke zorgkosten
wegens ziekte of invaliditeit moet aan de volgende voorwaarden zijn
voldaan:
1. de uitgaven zijn gedaan voor de belastingplichtige, zijn
partner, zijn jonger dan 27-jarige kinderen, tot zijn huishouden
behorende ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder of bij
de belastingplichtige inwonende zorgafhankelijke ouders, broers of
zussen;
2. de uitgaven zijn gedaan in verband met ziekte of invaliditeit;
3. de uitgaven vallen onder één van de rubrieken genoemd in artikel
6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001;
4. als het gaat om uitgaven voor genees- en heelkundige hulp moet
deze hulp door een naar Nederlandse begrippen bevoegde arts of op
voorschrift en onder begeleiding van een naar Nederlandse begrippen
bevoegde arts worden gedaan;
5. de uitgaven behoren niet tot de beperkingen van uitgaven voor
specifieke zorgkosten die zijn genoemd in artikel 6.18 Wet IB 2001;
6. de uitgaven moeten drukken;
7. belastingplichtige kan zich redelijkerwijs niet aan deze
uitgaven onttrekken (voelt zich redelijkerwijs gedrongen om de
uitgaven te doen).
Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule aftrek van
specifieke zorgkosten toe te staan voor uitgaven die niet zijn
opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 pleeg ik af te wijzen.
De wetgever heeft bewust gekozen voor een beperking van de als
specifieke zorgkosten aan te merken uitgaven tot die welke in
artikel 6.17 van de Wet IB 2001 als uitgaven wegens ziekte of
invaliditeit worden genoemd. De door de wetgever noodzakelijk
geachte uitzonderingen hierop, zijn uitdrukkelijk in de wet
opgenomen. Aan de artikelen 6.1 en 6.17 van de Wet IB 2001 ligt de
gedachte ten grondslag dat uitsluitend uitgaven wegens ziekte of
invaliditeit als specifieke zorgkosten in aanmerking dienen te
worden genomen, indien en voor zover zij direct verband houden met
de ziekte of invaliditeit en de belastingplichtige zich daaraan op
grond van medische noodzaak redelijkerwijs niet kan onttrekken. Een
zijdelingse samenhang met de ziekte of invaliditeit is niet
voldoende.
Om uitgaven in aanmerking te kunnen nemen als specifieke zorgkosten wegens ziekte of invaliditeit moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: 1. de uitgaven zijn gedaan voor de belastingplichtige, zijn partner, zijn jonger dan 27-jarige kinderen, tot zijn huishouden behorende ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder of bij de belastingplichtige inwonende zorgafhankelijke ouders, broers of zussen; 2. de uitgaven zijn gedaan in verband met ziekte of invaliditeit; 3. de uitgaven vallen onder één van de rubrieken genoemd in artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001; 4. als het gaat om uitgaven voor genees- en heelkundige hulp moet deze hulp door een naar Nederlandse begrippen bevoegde arts of op voorschrift en onder begeleiding van een naar Nederlandse begrippen bevoegde arts worden gedaan; 5. de uitgaven behoren niet tot de beperkingen van uitgaven voor specifieke zorgkosten die zijn genoemd in artikel 6.18 Wet IB 2001; 6. de uitgaven moeten drukken; 7. belastingplichtige kan zich redelijkerwijs niet aan deze uitgaven onttrekken (voelt zich redelijkerwijs gedrongen om de uitgaven te doen). Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule aftrek van specifieke zorgkosten toe te staan voor uitgaven die niet zijn opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 pleeg ik af te wijzen. De wetgever heeft bewust gekozen voor een beperking van de als specifieke zorgkosten aan te merken uitgaven tot die welke in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 als uitgaven wegens ziekte of invaliditeit worden genoemd. De door de wetgever noodzakelijk geachte uitzonderingen hierop, zijn uitdrukkelijk in de wet opgenomen. Aan de artikelen 6.1 en 6.17 van de Wet IB 2001 ligt de gedachte ten grondslag dat uitsluitend uitgaven wegens ziekte of invaliditeit als specifieke zorgkosten in aanmerking dienen te worden genomen, indien en voor zover zij direct verband houden met de ziekte of invaliditeit en de belastingplichtige zich daaraan op grond van medische noodzaak redelijkerwijs niet kan onttrekken. Een zijdelingse samenhang met de ziekte of invaliditeit is niet voldoende.
Een invalide heeft een rolstoel nodig. De gemeente kan het
benodigde hulpmiddel op grond van de Wet maatschappelijke
ondersteuning (kosteloos) verstrekken, geheel afgestemd op de
lichamelijke toestand van belastingplichtige. Desondanks kiest
belastingplichtige ervoor zelf een andersoortige rolstoel aan te
schaffen. Is er sprake van drukkende uitgaven?
Aftrek is mogelijk, tenzij duidelijk is dat de belastingplichtige
puur op grond van zijn persoonlijke voorkeur zelf een rolstoel
heeft aangeschaft. Dan is geen sprake van drukkende uitgaven in de
zin van artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.
Belastingplichtige, een gepensioneerd verpleegkundige, is
religieuze. Zij heeft de gelofte van armoede afgelegd hetgeen
betekent dat alleen de orde kan beschikken over haar inkomen en
vermogen. In enig jaar betaalt de orde voor behandelingen van
belastingplichtige door tandarts en doktoren € 8.000. Kan
belastingplichtige dit bedrag als ziektekosten in haar aangifte
verwerken?
Nee. Omdat de orde de kosten heeft betaald, drukken deze niet op
belastingplichtige. Ik keur echter het volgende goed.
Goedkeuring
Tegenover de verplichte besteding van de inkomsten van leden van
religieuze orden staat doorgaans de plicht van de orde om te
voorzien in de kosten van levensonderhoud van de leden. Voor zover
de religieuze orde uitgaven doet ten behoeve van een ordelid en
deze uitgaven naar hun aard kwalificeren als persoonsgebonden
aftrekposten als bedoeld in Hoofdstuk 6 van de Wet IB 2001, kan het
ordelid deze uitgaven niet als zodanig in aanmerking nemen. Op
grond van artikel 6.1, onderdeel a, van de Wet IB 2001 komen
persoonsgebonden aftrekposten immers slechts voor aftrek in
aanmerking indien en voor zover zij op een belastingplichtige
drukken. Dit betekent dat uitgaven voor rekening van
belastingplichtige moeten komen. In de onderhavige situatie is
daarvan geen sprake nu de orde de uitgaven voor haar rekening
neemt.
Ik keur goed dat door religieuze orden ten behoeve van haar leden
aan derden betaalde bedragen wegens ziekte en invaliditeit van die
ordeleden, voor de heffing van inkomstenbelasting van de leden op
wie de uitgaven betrekking hebben, kunnen worden beschouwd als
uitgaven wegens ziekte en invaliditeit als bedoeld in artikel 6.17
van de Wet IB 2001. Hieraan verbind ik de volgende voorwaarden:
- uit de door de derden uitgebrachte declaraties en nota’s blijkt
op welk ordelid de uitgaven betrekking hebben;
- behalve aan de voorwaarde van “drukken”, is ook aan alle overige
voorwaarden voor specifieke zorgkosten van de Wet IB 2001
voldaan.
Een belastingplichtige heeft de ziekte van Alzheimer en
verblijft daarom in een verzorgingstehuis. Dit verzorgingstehuis
valt niet binnen de reikwijdte van de AWBZ. De vertegenwoordiger
van het verzorgingstehuis wil met de inspecteur een afspraak maken
over het bedrag dat voor deze belastingplichtige en alle andere
bewoners als ziektekosten aftrekbaar is. Op welke wijze kan dat?
Voor de verzorgingstehuizen die niet binnen de reikwijdte van de
AWBZ vallen, roept het bepalen van het als ziektekosten aftrekbare
deel van de pensionprijs mogelijk praktische problemen op. Daarom
keur ik het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat een vertegenwoordiger van een
niet-AWBZ-verzorgingstehuis afspraken maakt met de inspecteur
waaronder de bewoners vallen over het gedeelte van de pensionprijs
dat voor alle bewoners als specifieke zorgkosten kan worden
aangemerkt. Onder een verzorgingstehuis versta ik een instelling
die zich ten doel stelt, en dit ook feitelijk effectueert, personen
die door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid niet meer
zelfstandig kunnen wonen, op te nemen en te verzorgen.
De instelling verstrekt een berekening van de kosten die zien op
een aanspraak op verpleging bij ziekte en op lichamelijke
verzorging die voortvloeit uit de ziekte. Het gaat vooral om de in
de pensionprijs begrepen salarissen van medisch personeel, het
gedeelte van de huisvestingskosten (energie, huur, onderhoud) dat
ziet op een zieken- of verpleegafdeling (dus niet de
recreatieruimte) en de kosten van medische middelen. Tevens
overlegt de instelling de uitgebreide jaarstukken en een
toelichting hoe de bedragen in de berekening zijn opgebouwd en hoe
deze zich verhouden tot de bedragen uit de jaarstukken. Overigens
kan het contract tussen instelling en bewoner een indicatie geven
over de aanspraken van de bewoner en eventueel de daartegenover
staande financiële bijdragen van de bewoner.
Indien in de servicekosten voor bewoners van serviceflats en
dergelijke een aanspraak op verzorging bij ziekte of invaliditeit
is begrepen, is het vorenstaande op overeenkomstige wijze van
toepassing.
Belastingplichtige heeft rugklachten en gaat, zonder
verwijsbrief van de huisarts, naar de fysiotherapeut. De
fysiotherapeut bepaalt aan de hand van een intake dat de
behandeling conform richtlijnen en protocollen tot zijn
deskundigheidsgebied behoort. Behandeling volgt. Kan
belastingplichtige de uitgaven voor fysiotherapie als specifieke
zorgkosten in aanmerking nemen?
Ja, de drukkende uitgaven voor deze eerstelijnszorg zijn met ingang
van 1 januari 2006 zonder verwijsbrief als specifieke zorgkosten in
aanmerking te nemen.
Om uitgaven voor genees- en heelkundige hulp in aanmerking te
kunnen nemen, moet deze hulp normaliter door een naar Nederlandse
begrippen bevoegde arts of op voorschrift en onder begeleiding van
een naar Nederlandse begrippen bevoegde arts worden geboden. Bij
een behandeling zonder verwijsbrief door een fysiotherapeut is in
beginsel niet voldaan aan deze voorwaarde. Vanaf 1 januari 2006 is
dat echter geen probleem. Door de Zorgverzekeringswet en
wijzigingen in de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg hebben fysiotherapeuten met ingang van 1 januari
2006 een bijzondere status. Dit geldt niet voor andere paramedici.
Voor behandelingen door de fysiotherapeut die niet tot de
eerstelijnszorg behoren, zoals (sport)massages, blijft een
voorafgaande verwijzing door een bevoegde arts overigens
noodzakelijk om de uitgaven als specifieke zorgkosten in aanmerking
te kunnen nemen.
Een belastingplichtige heeft een gehandicapt kind van 24
jaar dat in een AWBZ-instelling woont. Tijdens een aantal weekenden
en de vakantie verblijft het kind bij belastingplichtige thuis. Kan
belastingplichtige de reiskosten van/naar de instelling en de
verblijfkosten bij belastingplichtige thuis aftrekken?
Van specifieke zorgkosten is alleen sprake voor zover de uitgaven
vallen onder de limitatieve opsomming van de uitgaven wegens ziekte
of invaliditeit (artikel 6.17 van de Wet IB 2001).
Mogelijk geldt dat voor de reiskosten. Daarvoor is van belang dat
bedoelde reiskosten samen met de overige vervoerskosten van het
gezin meer bedragen dan de totale vervoerskosten van degenen die
wat financiële- en gezinssituatie betreft in een vergelijkbare
positie verkeren. Voor de beantwoording van de vraag of
belastingplichtige zich gedrongen heeft kunnen voelen om de extra
reiskosten van het kind voor zijn rekening te nemen, moet rekening
worden gehouden met de inkomens- en vermogenspositie van het kind.
De verblijfkosten zijn niet tot de specifieke zorgkosten te
rekenen. Dergelijke kosten vallen in beginsel onder de uitgaven
voor levensonderhoud. Voor aftrek uitgaven voor levensonderhoud is
van belang of ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Ook
daarbij spelen eigen inkomen en vermogen van het kind een rol (zie
onderdeel 2).
Belastingplichtige is geboren in 1955. Hij is gedeeltelijk
kaalhoofdig en laat een haartransplantatie (kosten € 10.000)
uitvoeren. Zijn deze kosten aan te merken als specifieke
zorgkosten?
Leefgewoonten, aanleg en het natuurlijk proces van
ouder worden, kunnen zich manifesteren door lichamelijke
veranderingen (kaalheid, vetophoping, rimpels en dergelijke). Op
zich zijn deze niet als ziekte in de zin van Afdeling 6.5 van de
Wet IB 2001 aan te merken. Deze veranderingen kunnen evenwel leiden
tot psychische stoornissen of lichamelijke klachten (bijvoorbeeld
veroorzaakt bij aanzienlijk overgewicht) welke een zodanige ernst
en omvang hebben dat deze wel als ziekte kunnen worden beschouwd.
Belastingplichtige zal dit aannemelijk moeten maken. Alleen het
uitgeven van een aanzienlijk bedrag is hiertoe onvoldoende.
Het kan zijn dat de kaalhoofdigheid en dergelijke het gevolg of
bijverschijnsel is van een ziekte of van het gebruik van
geneesmiddelen wegens een ziekte, bestraling en dergelijke. Als dat
het geval is, kunnen de kosten, indien overigens aan de voorwaarden
wordt voldaan, wel als specifieke zorgkosten worden aangemerkt.
Belastingplichtige volgt een therapie die naast het volgen
van een dieet ook bestaat uit het gebruik van vitamines en
mineralen ter vergroting van de weerstand. Zijn deze uitgaven voor
vitamines en mineralen aftrekbaar?
Uitgaven voor voedingssupplementen zoals vitamines en
mineralen zijn in het algemeen niet aftrekbaar. Aftrek als
geneesmiddel is alleen mogelijk als het gaat om middelen die als
geneesmiddel worden aangemerkt en die niet voor andere doeleinden
dan als geneesmiddel plegen te worden aangewend (zie Hoge Raad 27
november 1996, nr. 31 835, LJN: AA1753). Uitsluitend als vitamines
en mineralen op medisch voorschrift in het kader van een therapie
worden gebruikt, is aftrek mogelijk (zie Hof Amsterdam 24 mei 1996,
nr. 95/1255, V-N 1997, blz. 1118 en Hof Arnhem 17 oktober 1996,
Infobulletin 96/972).
Belastingplichtige bezoekt de bedrijfsarts. Hij rijdt
hiervoor acht keer in zijn auto naar een plaats op 95 kilometer van
zijn woonplaats. De werkgever geeft hiervoor geen enkele
vergoeding. Belastingplichtige neemt 8 x 2 x 95 x € 0,28 als
specifieke zorgkosten in aanmerking. Kan dat?
Nee. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet IB 2001 kunnen uitgaven voor vervoer tot de
specifieke zorgkosten worden gerekend. Het moet dan gaan om
uitgaven wegens ziekte of invaliditeit. Dit betekent dat, voor
zover hier van belang, de uitgaven moeten zien op kosten van het
gebruik van een auto door een zieke of invalide voor het ondergaan
of met het oog op het ondergaan van een medische behandeling. Een
bedrijfsarts geeft in zijn algemeenheid geen medische behandeling.
Een bedrijfsarts speelt een ondersteunende rol op het gebied van
ziekteverzuim en bijvoorbeeld reïntegratie van langdurig zieke
medewerkers. De medische behandeling van belastingplichtige zal
plaatsvinden door de eigen huisarts of door een specialist. De
reiskosten naar de bedrijfsarts zijn daarom normaal gesproken niet
gemaakt voor het ondergaan van een medische behandeling en komen
dan ook niet als specifieke zorgkosten voor aftrek in aanmerking.
Belastingplichtige is lid van een belangenvereniging die
zich richt op de belangen van mensen met een bepaalde ziekte.
Belastingplichtige betaalt in verband met zijn lidmaatschap een
contributie aan de belangenvereniging. Is de betaalde contributie
aftrekbaar als specifieke zorgkosten?
De betaalde contributie is in de meeste gevallen niet aftrekbaar
als specifieke zorgkosten. Aftrek is alleen mogelijk als de
contributie kan worden beschouwd als uitgaven wegens ziekte genoemd
in artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001. Daarvan zal
meestal geen sprake zijn.
Alleen als de activiteiten van de belangenvereniging bijna geheel
bestaan uit het geven van medische informatie en directe hulp aan
patiënten onder verantwoording van in de betreffende ziekte
gespecialiseerde artsen, kunnen deze activiteiten worden aangemerkt
als aan de leden verstrekte genees- of heelkundige hulp. In een
dergelijke uitzonderingssituatie is de betaalde contributie
aftrekbaar als specifieke zorgkosten.
Een lichamelijk gehandicapte belastingplichtige claimt
aftrek van uitgaven van zogenoemde leefkilometers. Hij is in het
bezit van een bestelbus. Kan belastingplichtige de uitgaven van
zogenoemde leefkilometers aftrekken als specifieke zorgkosten?
Uitgaven voor zogenoemde leefkilometers zijn niet
zonder meer aftrekbaar als specifieke zorgkosten. Er is slechts een
aftrekmogelijkheid als in verband met ziekte of invaliditeit extra
uitgaven voor vervoer worden gedaan. Dit is het geval indien de
totale vervoerskosten van de zieke of invalide belastingplichtige
hoger zijn dan die van vergelijkbare (gezonde) personen en hij
aannemelijk maakt dat deze hogere kosten voortvloeien uit de ziekte
of invaliditeit, is voor dat deel aftrek mogelijk. Een
persoonsgebonden budget dat is verstrekt voor vervoersvoorzieningen
moet op de kosten in mindering worden gebracht omdat de kosten in
zoverre niet drukken.
Bij het in aanmerking nemen van de kosten maakt het niet uit of in
plaats van een normale personenauto een bestelbus wordt gebruikt of
een tweede auto is aangeschaft. Het gaat om de totale
vervoerskosten. Daarbij kunnen CBS-cijfers en het jaarlijkse
onderzoek van de Consumentenbond een indicatie geven over de
gebruikelijke autokosten.
Een belastingplichtige lijdt aan de ziekte van Alzheimer.
Hij is niet meer in staat zelfstandig te wonen. In plaats van
belastingplichtige te laten opnemen in een verpleegtehuis besluit
de familie hem thuis te laten verplegen. Daartoe doet men een
beroep op een bemiddelende instelling voor particuliere
ziekenverpleging. Er is geen persoonsgebonden budget aangevraagd.
De totale kosten bedragen € 400 tot € 450 per dag (inclusief
bemiddelingskosten). Zijn deze uitgaven voor hem aftrekbaar?
De uitgaven, inclusief de bemiddelingskosten, zijn aftrekbaar voor
zover het gaat om uitgaven voor medische verzorging. Als tevens
huishoudelijke werkzaamheden worden verricht, zal moeten worden
bepaald welk deel van de uitgaven hierop betrekking heeft. Artikel
6.17, derde tot en met vijfde lid, van de Wet IB 2001 regelt de
beperkingen inzake de uitgaven voor extra gezinshulp. De uitgaven
die betrekking hebben op huishoudelijke werkzaamheden zijn slechts
aftrekbaar indien en voor zover de in het derde lid van dit artikel
vermelde drempel wordt overschreden.
Belastingplichtige verblijft in een AWBZ-instelling en heeft
een indicatie als meervoudig complex gehandicapt. Hij neemt in 2009
deel aan een door de instelling georganiseerde collectieve
bewonersvakantie. De AWBZ-instelling heeft de kosten van deze
bewonersvakantie aan belastingplichtige afzonderlijk in rekening
gebracht. De instelling heeft voor deze vakantie extra verplegend
dan wel verzorgend personeel ingehuurd omdat de zorg vaak één op
één is. Kan belanghebbende de extra salariskosten en extra kosten
van verblijf voor het verplegend en/of medisch personeel die aan
hem in rekening zijn gebracht als specifieke zorgkosten in
aanmerking nemen?
Ja, belanghebbende kan de extra salariskosten en extra kosten van
verblijf voor het verplegend en/of medisch personeel die aan hem in
rekening zijn gebracht als gevolg van de collectieve
bewonersvakantie, als specifieke zorgkosten in aanmerking nemen. De
kosten van vakanties behoren niet tot het standaardpakket van
verstrekkingen door AWBZ-instellingen. De vakantiekosten worden dus
niet vergoed via de AWBZ en maken geen deel uit van de eigen
bijdrage.
Uitgaven voor geneeskundige hulp met inbegrip van farmaceutische en
andere hulpmiddelen en vervoer behoren op grond van artikel 6.17
van de Wet IB 2001 tot de uitgaven wegens ziekte en invaliditeit.
Hieronder vallen de door een AWBZ-instelling in rekening gebrachte
extra kosten die zien op de tijdens een vakantie bestaande
aanspraak op verpleging bij ziekte en lichamelijke verzorging.
Een belastingplichtige (MS-patiënt) claimt 25% van de
jaarlijkse uitgaven van verwarming van zijn woning als specifieke
zorgkosten. Is dit mogelijk?
Gezien de limitatieve opsomming in artikel 6.17 van de Wet IB 2001
en op grond van de geldende jurisprudentie zijn uitgaven voor
verwarming niet te rekenen tot de uitgaven specifieke zorgkosten.
De Hoge Raad is van oordeel dat (extra) verwarmingsuitgaven naar
hun aard niet als hulpmiddel kunnen worden aangemerkt. Alleen een
stoffelijke zaak kan hulpmiddel zijn in de zin van de Wet IB 2001
(Hoge Raad 3 juni 1998, nr. 33 683; LJN: AA2292).
Belastingplichtige heeft een spierziekte. Voor zijn vervoer
is hij aangewezen op een elektroscooter. De gemeente heeft hem een
niet opvouwbare elektroscooter verstrekt. Hij koopt voor € 3.250
een opvouwbare elektroscooter, die mee kan in een auto of
vliegtuig. Hij heeft geen recht op vergoeding. Is sprake van een
hulpmiddel in de zin van artikel 6.17 van de Wet IB 2001?
Ja, er wordt aan alle wettelijke vereisten voldaan. Het bedrag van
€ 3.250 is evenwel niet geheel in één jaar aftrekbaar. Er bestaat
een 2e-handsmarkt voor dergelijke scooters. Alleen de afschrijving,
rekening houdend met de restwaarde, is aftrekbaar.
Belastingplichtige heeft een zwaar gehandicapte zoon (10
jaar). In zijn woonhuis zijn diverse hulpmiddelen aangebracht zoals
een takelinstallatie bij het bed. Ook voor de vakantiewoning in het
buitenland zijn takelinstallaties aangeschaft bij bed en zwembad.
Zijn deze aan te merken als hulpmiddelen?
Voor het begrip hulpmiddel van artikel 6.17 van de Wet IB 2001
maakt het niet uit of het om uitgaven in het buitenland of om
uitgaven voor een vakantiewoning gaat.
Belastingplichtige heeft in verband met een spierziekte op
medisch voorschrift een slaapkamer en een doucheruimte laten bouwen
op de begane grond. De kosten daarvan bedragen in 2009 € 30.000. Op
basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft hij recht op
een vergoeding van € 16.000. Door de aanbouw steeg de woning in
waarde met € 10.000.
Welk deel van de kosten is als specifieke zorgkosten
aftrekbaar?
De op belastingplichtige drukkende aanpassingskosten bedragen €
14.000 (€ 30.000 verminderd met de vergoeding van € 16.000). Omdat
de waardestijging meer is dan 10% van de drukkende
aanpassingskosten moet met de waardestijging rekening worden
gehouden. Het niet-aftrekbare deel is € 10.000 verminderd met €
1.400 (10% van de drukkende aanpassingskosten), ofwel € 8.600. Dat
leidt in 2009 tot een bedrag aan specifieke zorgkosten van € 14.000
verminderd met € 8.600, ofwel € 5.400.
Een belastingplichtige kan zich moeilijk voortbewegen. Dit
is een permanente situatie. Het Centrum Indicatiestelling Zorg
(verder: CIZ) indiceert een traplift en aanpassing van de badkamer
boven. De belastingplichtige realiseert evenwel een slaapkamer met
badkamer op de begane grond van de woning die zijn eigendom is.
Kosten € 40.000. De gemeente vergoedt de aanpassingen die het CIZ
heeft geïndiceerd, namelijk € 6.000. Door de verbouwing steeg de
waarde van de woning met € 25.000. Beperkt de indicatie van het CIZ
de aftrek van uitgaven voor hulpmiddelen?
Nee. De indicatie van het CIZ is een advies aan de gemeente inzake
de medische noodzaak tot het doen van aanpassing(en). Het is de
constatering en de beschrijving van een functiebeperking en een
advies inzake de aan te bevelen maatregelen. Als de
belastingplichtige andere dan de aanbevolen maatregelen neemt,
blijft er op zich sprake van een medisch voorschrift. Als overigens
aan de voorwaarden van artikel 6.17, tweede lid, van de Wet IB 2001
wordt voldaan, zijn dus niet de geïndiceerde aanpassingen maar de
gedane aanpassingen relevant voor de berekening van het in
aanmerking te nemen bedrag. Dat neemt niet weg dat ook van belang
blijft of de belastingplichtige zich nog redelijkerwijs gedrongen
heeft kunnen voelen om de uitgave te doen (artikel 6.1 van de Wet
IB 2001). De uitgaven van een verbouwing die duurder is dan strikt
noodzakelijk, zullen overigens veelal ook terug te vinden zijn in
een (hogere) waardevermeerdering van de woning en in die zin de
uiteindelijke aftrek beperken.
De totale aanpassingskosten zijn hier € 40.000. De gemeente
vergoedt naar aanleiding van CIZ-indicatie € 6.000. De drukkende
aanpassingskosten bedragen dan € 34.000. Door de aanpassing stijgt
de woning met € 25.000 in waarde. Deze waardevermeerdering is meer
dan 10% van de drukkende aanpassingskosten. Buiten aanmerking
blijft dan € 25.000 min € 3.400 is € 21.600. Dat leidt tot een
bedrag aan specifieke zorgkosten van € 34.000 min € 21.600 is €
12.400.
Een belastingplichtige woont in een huurwoning. Zijn
echtgenote heeft een functiebeperking. Op de begane grond wordt, op
medisch voorschrift, een slaapkamer met badkamer bijgebouwd. De
kosten hiervan worden in 2009 en 2010 betaald.
1. Geldt artikel 6.17, tweede lid, van de Wet IB 2001 ook voor
huurwoningen?
2. Zo ja, hoe wordt de waardevermeerdering berekend?
3. Hoe wordt de aftrek berekend nu de kosten in twee jaren worden
betaald?
1. Ja, artikel 6.17, tweede lid, van de Wet IB 2001 geldt voor alle
woningen dus ook voor huurwoningen.
2. De belastingplichtige geeft zelf een indicatie van de
waardevermeerdering. De Belastingdienst kan hem vragen deze
aannemelijk te maken. Het dient te gaan om een objectieve bepaling
van de waardevermeerdering. Hoewel sprake is van een huurwoning kan
ook de huurder belang hebben bij een waardevermeerdering omdat de
verhuurder (met ingang van 1 augustus 2003 wettelijk) verplicht is
de huurder na beëindiging van het huurcontract schadeloos te
stellen voor door de huurder aangebrachte verbeteringen.
3. Artikel 6.17, tweede lid, van de Wet IB 2001 wordt per
verbouwing toegepast. Het aftrekbare bedrag wordt naar
evenredigheid van de daadwerkelijke betalingen in de jaren 2009 en
2010 aan die jaren toegerekend.
Voorbeeld
Totale aanpassingskosten € 30.000. In 2009 wordt €
25.000 en in 2010 wordt € 5.000 betaald. Door de aanpassing stijgt
de woning met € 10.000 in waarde. Deze waardevermeerdering is meer
dan 10% van de drukkende aanpassingskosten. Buiten aanmerking
blijft dan € 10.000 min € 3.000 is € 7.000. Als hulpmiddel wordt
aangemerkt € 30.000 min € 7.000 is € 23.000. In 2009 is € 19.167
(5/6) en in 2010 is € 3.833 (1/6) als specifieke zorgkosten in
aanmerking te nemen.
Een belastingplichtige is gehuwd. Zijn echtgenote heeft
hersenletsel en kan zich niet zonder hulp(middel) voortbewegen. Een
arts heeft verklaard dat hij het wenselijk acht dat de echtgenote
thuis kan zwemmen. Belastingplichtige laat in de tuin een overdekt
zwembad aanleggen. Is het zwembad een hulpmiddel waardoor de kosten
aftrekbaar zijn?
Nee. Allereerst is er de vraag of belastingplichtige zich
redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen om de uitgaven te doen
(artikel 6.1 van de Wet IB 2001). Dit ligt niet voor de hand. Een
zwembad is geen hulpmiddel in de zin van een middel dat het lichaam
van de zieke of invalide in staat stelt tot het vervullen van de
normale lichaamsfunctie, die het zonder dat middel niet zou kunnen.
Er blijkt voorts niet dat het zwemmen onderdeel is van een medische
behandeling dan wel een behandeling onder toezicht of begeleiding
van medici of paramedici, waardoor het als genees- of heelkundige
hulp zou kunnen kwalificeren. Er wordt ook niet voldaan aan de
voorwaarden van artikel 6.17 van de Wet IB 2001. Er is immers geen
sprake van een aanpassing van een woning terwijl ook het medisch
voorschrift ontbreekt. Indien het zwembad als een zaak zou kunnen
worden gezien, is er geen sprake van een zaak van een zodanige aard
dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt
gebruikt.
Een arts heeft verklaard dat belastingplichtige een nieuwe
heup heeft gekregen en niet veel mag bukken. Het Centrum
Indicatiestelling Zorg verklaart dat in de keuken aanpassingen
nodig zijn in verband met de lichamelijke gebreken; geadviseerd
wordt om laden te plaatsen. De gemeente bepaalt het te vergoeden
bedrag op € 500. Belastingplichtige laat een nieuwe keuken plaatsen
voor € 14.000 en voert een bedrag van € 13.500 op als specifieke
zorgkosten wegens ziekte. Kan het volledige bedrag van € 13.500 als
specifieke zorgkosten uitgaven in aanmerking worden genomen?
Nee. Niet de geïndiceerde aanpassingen zijn bepalend voor het als
specifieke zorgkosten in aanmerking te nemen bedrag maar de gedane
aanpassingen voor zover deze rechtstreeks voortvloeien uit de
functiebeperking van de belastingplichtige. Voor zover dat verband
ontbreekt en de uitgaven niet noodzakelijk zijn, zijn de uitgaven
geen specifieke zorgkosten. Het fiscaal in aanmerking nemen van de
aftrek van specifieke zorgkosten wordt slechts gedaan voor zover de
belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen
voelen tot het doen van die uitgaven (artikel 6.1, tweede lid,
onderdeel d, juncto artikel 6.1 derde lid, van de Wet IB 2001).
Voor zover uitgaven niet om noodzakelijke redenen zijn gedaan en
overwegend voortvloeien uit persoonlijke voorkeur, kunnen de
uitgaven niet tot de specifieke zorgkosten worden gerekend. Indien
in de nieuwe keuken vervangingen zijn gedaan of verbeteringen zijn
aangebracht die geen verband houden met de functiebeperking van de
belastingplichtige, zijn de uitgaven niet aftrekbaar.
De echtgenote van belastingplichtige leidt al jaren aan MS.
Gedurende bepaalde perioden maakt zij gebruik van een rolstoel.
Belastingplichtige laat een nieuw huis bouwen. Hij heeft bij de
bouw diverse voorzieningen laten aanbrengen zoals een slaap- en
badkamer op de begane grond en een liftschacht ten behoeve van een
mogelijk toekomstige lift. Zijn de stichtingskosten van een woning,
voor zover ze betrekking hebben op aanpassingen waarbij rekening
wordt gehouden met fysieke beperkingen vanwege ziekte en/of
invaliditeit, aan te merken als kosten van aanpassing van een
woning in de zin van artikel 6.17, tweede lid, van de Wet IB
2001?
Ja. Van belang is of de aanpassingen hebben plaatsgevonden in
verband met fysieke beperkingen (hetgeen bij bijvoorbeeld een
liftschacht aannemelijk is) of dat er sprake is van
gebruikerswensen (waarvan eerder sprake zal zijn bij voorzieningen
die gelet op het type woning niet ongebruikelijk zijn zoals de
slaap- en badkamer op de begane grond). Over het algemeen kan
gezegd worden dat indien sprake is van een woning die deel uitmaakt
van een nieuwbouwproject eerder aannemelijk is dat sprake is van
een aanpassing van de woning in verband met de functiebeperking.
Bij een dergelijke woning zullen aanpassingen in verband met een
functiebeperking immers duidelijk kenbaar zijn als meerwerk ten
opzichte van de andere woningen. Bij een vrij ontworpen woning is
dit lastiger aan te tonen. Er zal bij een vrij ontwerp eerder
sprake zijn van het realiseren van een woning die voldoet aan de
gebruikerswensen, dan van het aanpassen van het ontwerp in verband
met een functiebeperking.
Voor de stichtingskosten van de liftschacht geldt dat de schacht op
zichzelf geen hulpmiddel is, maar dient als onderdeel van
(voorbereiding op) de lift als hulpmiddel. De liftschacht kan
verder niet voor een ander doel worden gebruikt. Daarom is het
redelijk de uitgaven voor de liftschacht al in het jaar van
betaling in aanmerking te nemen, temeer omdat deze uitgaven in het
jaar van plaatsen van de lift op basis van het kasstelsel niet
aftrekbaar zijn.
Een appartementengebouw bestaat uit achttien appartementen,
bewoond door ouderen. Deze kopen samen een AED-apparaat
(hartdefibrillator) en een alarmsysteem. Ook volgen zij een cursus
voor de bediening van de AED. Kan iedere bewoner 1/18 deel van de
uitgaven voor die zaken in aanmerking nemen als specifieke
zorgkosten?
Nee. Het appartementengebouw wordt bewoond door ouderen. Er kan pas
sprake zijn van specifieke zorgkosten als een uitgave is gedaan
wegens ziekte of invaliditeit. Ouderen behoren niet per definitie
tot de groep zieken of invaliden. Defibrillator, bijbehorende
cursus en alarmsysteem kunnen dan ook niet in aanmerking worden
genomen als specifieke zorgkosten. Indien één van de bewoners ziek
is (hartkwaal/hartaandoening), kan een hartdefibrillator voor hem
een hulpmiddel zijn. Een alarmsysteem wordt niet aangemerkt als
hulpmiddel. Zo’n systeem stelt een zieke of invalide niet in staat
tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij
zonder dat middel niet in staat zou zijn. Verder is een dergelijk
systeem niet van een zodanige aard dat het hoofdzakelijk door zieke
of invalide personen wordt gebruikt.
Een belastingplichtige heeft een kind dat dyslexie heeft.
Via internet wordt een softwarepakket gekocht voor € 1.500. Dit
pakket zet geschreven tekst om in gesproken woord en heeft een
unieke tweekleurige cursor voor het gemakkelijk meelezen. Het
standaardpakket bevat woordenboeken in vier verschillende talen en
de bijbehorende natuurlijke menselijke stemmen. Woordpredictie,
synoniemlijsten en gesproken spellingcontrole helpen de gebruiker
bij het schrijven. Docenten kunnen het softwarepakket gebruiken om
leerlingen op interactieve wijze te ondersteunen bij hun studie en
het maken van toetsen. Komen de uitgaven voor de aanschaf van dit
softwarepakket in aanmerking voor aftrek als specifieke
zorgkosten?
Ja, de uitgaven voor de aanschaf van dit softwarepakket komen in
aanmerking voor aftrek als specifieke zorgkosten.
In het algemeen wordt dyslexie aangemerkt als een vorm van
invaliditeit. Zie Hoge Raad van 3 februari 1988, nr. 25 291
(BNB1988/110). Van belang is hier of het softwarepakket is aan te
merken als een hulpmiddel. Een hulpmiddel is een middel dat iemand
in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie
waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn (artikel 6.17,
tweede lid, van de Wet IB 2001). Op grond van onderdeel b van dit
tweede lid worden zaken en aanpassingen van zaken tot de
hulpmiddelen gerekend, voor zover deze zaken en de aanpassingen van
een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide
personen worden gebruikt. Indien dit zo is, hoeft de toets, of het
softwarepakket een persoon tot het verrichten van normale
lichaamsfuncties in staat stelt, niet meer plaats te vinden. Het
softwarepakket lijkt specifiek te zijn samengesteld voor de
doelgroep dyslexiepatiënten. Daarmee onderscheidt het zich van
overige softwarepakketten en lijkt sprake te zijn van een zaak die
hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt. Het
aanschaffen van een dergelijk softwarepakket zonder medisch advies
of zonder medische begeleiding zal uitsluitend worden gedaan door
of ten behoeve van mensen met een dyslexieprobleem. Het
softwarepakket kan daarom worden aangemerkt als hulpmiddel. Gezien
de problemen die dyslexie veroorzaakt, lijkt het aannemelijk dat
belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen kan voelen de
uitgave te doen. Nu voldaan is aan alle voorwaarden is sprake van
specifieke zorgkosten. Omdat er geen sprake is van een voorwerp van
geringe waarde wordt de afschrijving in aanmerking genomen.
Belastingplichtige claimt aftrek van uitgaven voor extra
gezinshulp. Zij heeft gebruik gemaakt van de diensten van een
particuliere hulp. Is de kwitantie voldoende om voor aftrek in
aanmerking te komen?
Belastingplichtige moet de uitgaven met schriftelijke bewijzen
kunnen aantonen. Uit de bewijsstukken moeten tevens de gegevens met
betrekking tot naam en adres van de hulp blijken. Als die gegevens
op de kwitantie staan én belastingplichtige overigens aan de
voorwaarden voldoet is de kwitantie voldoende bewijs.
Zijn de kosten van aan de gezinshulp verstrekte voeding en
drank ook als uitgaven voor extra gezinshulp aftrekbaar?
De kosten van aan de gezinshulp verstrekte voeding en drank maken
onderdeel uit van de totale voor gezinshulp uitgegeven bedragen.
Bij de beoordeling of sprake is van extra kosten moeten zij
derhalve worden meegenomen. Met ingang van 1 januari 1997 geldt
daarbij de voorwaarde dat de uitgaven (al dan niet apart) zijn
opgenomen in de door de wet geëiste factuur (of kwitantie met
vergelijkbare inhoud). Zie artikel 6.17, vijfde lid, van de Wet IB
2001. De kosten van voeding en drank van een inwonende gezinshulp
kunnen blijken uit het bedrag van de beloning in natura dat is
begrepen in het bedrag waarover loonheffing plaatsvindt.
Belastingplichtige heeft in verband met nazorg na een
ziekenhuisopname één maand gezinshulp (niet via de AWBZ) gehad. De
kosten hiervan bedragen € 1.200 en worden in 2009 betaald.
Belastingplichtige heeft een “gewone hulp” aan wie hij in 2009 €
1.150 betaalt. Zijn verzamelinkomen bedraagt in 2009 € 45.000. Wat
kan hij aftrekken?
Uitgaven ter zake van gezinshulp zijn, voor zover er sprake is van
extra uitgaven, aftrekbaar indien deze verband houden met ziekte of
invaliditeit. Deze uitgaven zijn € 1.200. Alleen de “extra”
uitgaven zijn aftrekbaar. Bij een verzamelinkomen van € 45.000
wordt 2% (is € 900) niet als “extra” aangemerkt. Dit percentage
wordt niet naar tijdsgelang toegepast. Er is dus € 300 (€ 1.200 min
€ 900) aftrekbaar. De uitgaven voor de gewone hulp zijn niet
aftrekbaar omdat deze uitgaven geen verband hebben met ziekte of
invaliditeit.
De echtgenote van belastingplichtige is ernstig ziek. Een
gezinshulp verzorgt al maanden het huishouden waartoe ook twee
kleine kinderen behoren. Medio februari overlijdt de echtgenote. De
gezinshulp blijft dat kalenderjaar het huishouden verzorgen. Zijn
de kosten van de gezinshulp aftrekbaar?
Indien in een gezin als gevolg van ziekte of
invaliditeit van één van de partners in de zin van artikel 1.2 van
de Wet IB 2001 gezinshulp nodig is, zijn de daaraan verbonden
kosten specifieke zorgkosten voor zover die kosten hoger zijn dan
het bedrag dat volgt uit de tabel in artikel 6.17, derde lid, van
de Wet IB 2001. Kosten van gezinshulp welke voortvloeien uit de
omstandigheid dat in een gezin één van de partners door overlijden,
echtscheiding of anderszins is komen te ontbreken, zijn daarentegen
geen specifieke zorgkosten. Hieruit volgt dat er zich gevallen
zullen voordoen waarin voor gezinshulp tijdens de ziekte of
invaliditeit van één van de partners een aftrek van specifieke
zorgkosten kan worden verleend, terwijl na het overlijden van die
partner deze aftrek niet langer mogelijk is. In zulke gevallen kan
naar mijn oordeel worden aangenomen dat de aan de gezinshulp
verbonden kosten niet direct na het overlijden van de partner het
karakter van specifieke zorgkosten verliezen. In deze gevallen mag
worden aangenomen dat de kosten van gezinshulp die betrekking
hebben op de maand waarin het overlijden valt en de daarop volgende
drie maanden hun oorzaak nog in de ziekte of invaliditeit vinden.
In deze concrete situatie zijn dus de kosten van de gezinshulp over
de maanden januari tot en met mei aan te merken als tot de
specifieke zorgkosten behorende uitgaven voor gezinshulp.
Belastingplichtige, 80+, heeft allerlei kwalen en kan enige
huishoudelijke taken niet meer zelfstandig uitvoeren. Deze worden
daarom verricht door een zogenoemde alfahulp. Belastingplichtige
betaalt deze hulp in enig jaar € 1.500. Hij kan dit bedrag
declareren bij de gemeente, doet dit ook en krijgt het gehele
bedrag terug. Hij betaalt voor deze hulpverlening evenwel ook een
inkomensafhankelijke eigen bijdrage op grond van de Wet
maatschappelijke ondersteuning. Hoe moet belastingplichtige
bovenstaande in zijn aangifte verwerken?
Het bedrag dat belastingplichtige ontvangt van de gemeente is op
grond van artikel 3.104, onderdeel l, van de Wet IB 2001 een
vrijgestelde periodieke uitkering en verstrekking. Dit bedrag
behoort dus niet tot het inkomen uit werk en woning van
belastingplichtige. De door hem betaalde eigen bijdrage is met
ingang van 2009 niet meer aftrekbaar.
Is aftrek van dieetkosten ook mogelijk als een andere
bevestiging wordt overgelegd dan de dieetbevestiging die tot stand
is gekomen in overleg tussen KNMG en de Belastingdienst?
Ja, een voorschrift van de arts waaruit het dieettype blijkt, is
ook voldoende.
Bij belastingplichtige is sprake van twee afzonderlijke, op
zichzelf staande, ziektebeelden (metabole ziekten en hypertensie)
en aandoeningen (hypertensie dn galactosemie). Voor elk ziektebeeld
heeft de arts een (verschillend) dieettype (natriumbeperkt dieet en
galactosevrij dieet) voorgeschreven. Kan belastingplichtige de
forfaitaire aftrek voor beide dieettypen in aanmerking nemen?
Ja. Als sprake is van meerdere ziektebeelden en van verschillende
dieettypen kan per dieettype een bedrag in aanmerking worden
genomen. De tekst van artikel 37 van de URIB 2001 verzet zich hier
niet tegen.
Voor gevallen waarin sprake is van één ziektebeeld (bijvoorbeeld
metabole ziekten) en meerdere dieettypen (bijvoorbeeld
galactosevrij en natuurlijk eiwitbeperkt) geldt de beperking van
artikel 37, derde lid, van de URIB 2001 wel. In dat geval wordt
alleen het hoogste bedrag in aanmerking genomen.
Moeten in alle gevallen waarin door een belastingplichtige
het lage forfaitaire aftrekbedrag voor kleding en beddengoed in
aanmerking is genomen, de extra kosten ook daadwerkelijk tot in
detail worden gespecificeerd?
Om te voorkomen dat alle geringe uitgaven afzonderlijk moeten
worden aangetoond, is juist in artikel 38 van de URIB 2001 een
forfaitaire aftrekregeling opgenomen. De regeling is zodanig
geredigeerd dat om in aanmerking te komen voor het lage bedrag
slechts een geringe bewijslast is vereist. In gevallen waarin de
aard van de ziekte of invaliditeit bekend is en uit algemene
wetenschap (of uit de aangiften van voorgaande jaren) bekend is dat
de betreffende ziekte of invaliditeit extra uitgaven voor kleding
en beddengoed met zich meebrengt, kan bij het ontbreken van een
nadere specificatie van de uitgaven dan wel van de
betalingsbewijzen, toch de lage aftrek worden verleend. Hierbij
wordt nog opgemerkt dat onder het forfait voor de uitgaven voor
kleding en beddengoed ook de extra bewassingskosten moeten worden
gebracht.
Belastingplichtige maakte in het verleden deel uit van een
gezin waartoe ook haar broer behoorde. Haar broer is vanaf zijn
geboorte invalide. In de periode dat belastingplichtige nog tot het
gezin behoorde (zij was toen 10 jaar), is haar broer naar een
verpleeghuis gegaan. Inmiddels is zij 30 jaar ouder en bezoekt zij
regelmatig haar broer in het verpleeghuis. Zijn de kosten
aftrekbaar als reiskosten ziekenbezoek?
In dit geval is aftrek mogelijk. Van belang is of
belastingplichtige bij het begin van de ziekte een gezamenlijke
huishouding voerde met degene die ziek of invalide is. Volgens de
Hoge Raad kan aan het begrip “voeren van een gezamenlijke
huishouding” in zekere mate een ruime uitleg worden gegeven. Voor
de toepassing van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel h, van de Wet
IB 2001 moet het begrip in die zin worden opgevat dat daaronder
mede moet worden begrepen de situatie van kinderen die met hun
ouders in gezinsverband wonen (Hoge Raad 23 juni 1999, nr. 34 668,
LJN: AA2776).
Een belastingplichtige heeft in 2009 een kroon op zijn kies
laten plaatsen. Dit kostte hem € 500. Hij is niet voor deze kosten
verzekerd. Is de kroon een hulpmiddel als bedoeld in artikel 6.17,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 waardoor de uitgaven
voor de kroon worden verhoogd met 113% op grond van artikel 6.19
van de Wet IB 2001?
Nee, een kroon is geen hulpmiddel. Voor de kwalificatie als
hulpmiddel is vereist dat sprake blijft van een zelfstandige zaak.
Zie Hoge Raad 21 november 1990, nr. 26 895 (BNB 1991/36). De kroon
vormt na het plaatsen geen zelfstandige zaak meer en kan hierdoor
niet als hulpmiddel worden aangemerkt. De kosten van (het plaatsen
van) de kroon kunnen wel als specifieke zorgkosten als bedoeld in
artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden
aangemerkt. Belastingplichtige komt echter niet in aanmerking voor
verhoging van deze uitgaven als bedoeld in artikel 6.19 van de Wet
IB 2001.
De zoon van belastingplichtige woont in een AWBZ-instelling
op 20 kilometer afstand van de woning van belastingplichtige. De
zoon verblijft één keer per twee weken een weekend bij zijn ouders.
Belastingplichtige verblijft de maanden juni, juli en augustus in
zijn caravan die op 60 kilometer van de instelling staat. Ook in
die periode haalt hij zijn zoon met de auto op en brengt hem na het
weekend weer terug naar de instelling. Mag belastingplichtige voor
de berekening van de weekenduitgaven tijdens die zomermaanden
uitgaan van een reisafstand van 60 kilometer?
Nee, in artikel 40 van de URIB 2001 staat dat als reisafstand geldt
de afstand tussen de plaats waar het kind doorgaans verblijft en de
plaats waar de belastingplichtige doorgaans verblijft. Deze
zinsnede moet worden uitgelegd als de plaats waar gedurende het
jaar meestal wordt verbleven, en dat is voor de belastingplichtige
de woonplaats. Daarom kan bij het bepalen van de reisafstand niet
uit worden gegaan van de reisafstand van de AWBZ-instelling naar
het “vakantieadres”, maar van de reisafstand van de AWBZ-instelling
naar de woonplaats van de belastingplichtige.
De ouders van vier ernstig gehandicapte kinderen (ouder dan
27) gebruiken het persoonsgebonden budget van hun kind om een
woon/zorgvorm te financieren. Deze woon/zorgvorm voorziet in
huisvesting, voeding, verzorging en begeleiding van deze vier
kinderen. De kinderen bezoeken de ouders regelmatig. Komen de
ouders in aanmerking voor aftrek van weekenduitgaven voor
gehandicapten?
Nee, om voor weekenduitgaven in aanmerking te komen, moet ook
voldaan zijn aan het vereiste dat de gehandicapte doorgaans in een
bij of krachtens de AWBZ geregelde intramurale instelling
verblijft. Dat is in deze situatie niet het geval.
Welke aftrekmogelijkheden van studiekosten zijn er voor
studenten met een studie die valt onder de WSF 2000?
Studenten (degenen die een WO of HBO opleiding volgen) en
deelnemers (degenen die een MBO opleiding volgen) die vallen onder
de regeling van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000)
kunnen hun studiekosten op grond van Afdeling 6.7 van de Wet IB
2001 in aanmerking nemen. Aftrek is overigens alleen mogelijk als
de student studiekosten heeft die op hem drukken.
Beroepsonderwijs (MBO)
Voor elke maand dat in het kalenderjaar recht op studiefinanciering
bestaat, komt als scholingsuitgaven een normbedrag van € 49 voor
boeken en leermiddelen plus een normbedrag voor lesgeld, bedoeld in
artikel 3.2, eerste lid, onderdeel b, van de WSF 2000, in
aanmerking. Bedragen de herrekende studiekosten meer dan het
tweevoud van deze normbedragen dan komen de werkelijke studiekosten
minus deze normbedragen als scholingsuitgaven in aanmerking. Zie
hierna bij “Dure studie”.
Hoger onderwijs (HBO/WO)
Voor elke maand dat in het kalenderjaar recht op studiefinanciering
bestaat, komt als scholingsuitgaven een normbedrag van € 56 voor
boeken en leermiddelen plus een normbedrag voor collegegeld,
eentwaalfde van het bedrag bedoeld in artikel 7.43 van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, in aanmerking.
Bedragen de herrekende studiekosten meer dan het tweevoud van deze
normbedragen dan komen de werkelijke studiekosten minus deze
normbedragen als scholingsuitgaven in aanmerking. Zie hierna bij
“Dure studie”.
Prestatiebeurs
Op de scholingsuitgaven moet de prestatiebeurs (= basisbeurs plus
aanvullende beurs) in mindering worden gebracht. De prestatiebeurs
moet in aanmerking worden genomen voor het toegekende bedrag en
niet uitsluitend voor het bedrag van de basisbeurs voor
thuiswonenden (Hoge Raad 6 december 2000, nr. 34 933, LJN: AA8849).
Op het moment dat de uitgaven worden gedaan, is dus een aftrek
mogelijk voor het verschil. Tot 1 januari 2006 gold dit alleen voor
WO/HBO studenten. Met ingang van die datum geldt dit ook voor
deelnemers aan het MBO die een opleiding niveau 3 of 4 volgen.
In het jaar waarin de Informatie Beheer Groep (IBG) de definitieve
beschikking dat de lening niet wordt omgezet in een gift vaststelt,
kan aanvullend aftrek van scholingsuitgaven mogelijk zijn. De
hoogte van die aftrek is afhankelijk van de toegekende
prestatiebeurs, de normbedragen en van de drempel.
Voorbeeld
Een thuiswonende WO/HBO-student heeft tot 1 augustus 2009 recht op
WSF 2000. Zijn prestatiebeurs bedraagt € 93,29 per maand. De
werkelijke studiekosten over de periode van 1 januari tot 1
augustus 2009 bedragen € 1.300. Deze zijn in 2009 betaald. Hij
krijgt in 2012 de definitieve beschikking dat de prestatiebeurs
niet wordt omgezet in een gift. Kan hij wat aftrekken en zo ja,
hoeveel en wanneer?
De werkelijke studiekosten (€ 1.300) bedragen minder dan het
tweevoud van de bedragen van de WSF 2000 [2 x (7 x € 186,42 = €
1.304,94) = € 2.609,88]. De scholingsuitgaven zijn dan € 1.304,94
(artikel 6.29, tweede lid, van de Wet IB 2001). Op grond van het
vijfde lid van dit artikel komen de scholingsuitgaven tot het
bedrag van de toegekende prestatiebeurs (7 x € 93,29 = € 653,03)
niet voor aftrek in aanmerking. In 2009 kan de student de
normbedragen minus de toegekende prestatiebeurs minus de drempel is
€ 151,91 (€ 1.304,94 minus € 653,03 minus € 500) aftrekken. In 2012
kan de student alsnog de toegekende prestatiebeurs ad € 653,03
minus de drempel aftrekken. In totaal heeft deze student dan een
aftrek genoten van de normbedragen (minus de drempel).
Indien de student/deelnemer in het eerste studiejaar onvoldoende
studiepunten heeft behaald, ontvangt hij in het volgende
kalenderjaar van de IBG een beschikking dat de lening een lening
blijft. Het bedrag dat hem als prestatiebeurs is toegekend, zal hij
dus te zijner tijd terug moeten betalen. De aanvullende beurs over
de eerste 12 maanden wordt altijd verstrekt in de vorm van een
gift; deze hoeft hij dus niet terug te betalen. Aangezien de lening
met betrekking tot het eerste studiejaar alsnog in een gift wordt
omgezet als de student/deelnemer binnen 10 jaar zijn diploma haalt,
is die beschikking geen definitieve beschikking en is dus in dat
volgende kalenderjaar geen aftrek mogelijk.
Indien een student/deelnemer een zogenaamde nullening heeft (dit
wil zeggen hij leent na het verstrijken van de voor zijn studie
reguliere studieperiode € 0 maar krijgt wel een OV-jaarkaart)
kunnen niet de werkelijke studiekosten in aanmerking worden
genomen. In deze situatie zijn ook de normbedragen van toepassing.
Ook het recht op een lening maakt immers deel uit van het “recht op
studiefinanciering”. Het jaar van aftrek is het jaar waarin de
uitgaven zijn gedaan. Zie Hoge Raad 9 juli 2004, 38 795 (LJN:
AP9646). Indien er sprake is van een zogenoemde dure studie zijn de
werkelijke studiekosten uiteraard wel de basis voor de berekening
van de aftrek. Zie hierna bij “Dure studie”.
Dure studie
Om te beoordelen of de regeling voor dure studies van toepassing
is, moet bepaald worden voor hoeveel maanden in het kalenderjaar
recht op studiefinanciering bestaat. Vervolgens moet dan worden
berekend of de herrekende studiekosten hoger zijn dan het tweevoud
van het standaardbedrag (= som van normbedragen voor dat aantal
maanden). Het maakt dan niet uit of de uitgaven voor boeken,
leermiddelen en lesgeld/collegegeld gespreid over het studiejaar
danwel ineens bij wijze van vooruitbetaling zijn voldaan.
Voorbeeld 1
Een student start op 1 september 2008 met zijn HBO studie en vanaf
die datum is hem een prestatiebeurs toegekend van € 91,81 per
maand. Hij betaalt in september 2008 het volledige collegegeld van
€ 1.565 en € 700 voor studieboeken.
De normbedragen per maand zijn € 55 voor boeken en leermiddelen en
€ 130,42 voor collegegeld. Samen € 185,42. Over vier maanden is dat
€ 741,68 (= standaardbedrag).
Het in 2008 betaalde collegegeld wordt voor de berekening of er
sprake is van een dure studie, slechts in aanmerking genomen voor
zover het betrekking heeft op 2008. Het wordt dus in dit geval
gesteld op 4/12 van € 1.565 = € 521,67. Samen met de uitgaven voor
boeken ad € 700 zijn de herrekende studiekosten dan € 1.221,67. Dat
is minder dan tweemaal het standaardbedrag. Er is geen sprake van
een dure studie. Alleen de normbedragen ad € 741,68 komen dan voor
aftrek in aanmerking, hetgeen, na aftrek van de toegekende
prestatiebeurs ad € 367,24 (4 x € 91,81) en de drempel (€ 500) niet
leidt tot een aftrek.
Voorbeeld 2
Een student start op 1 september 2008 met zijn HBO studie en vanaf
die datum is hem een prestatiebeurs toegekend van € 91,81 per
maand. Hij betaalt in september 2008 het volledige collegegeld van
€ 3.000 (particuliere opleiding) en € 1.200 voor studieboeken.
De normbedragen per maand zijn € 55 voor boeken en leermiddelen en
€ 130,42 voor collegegeld. Samen € 185,42. Over vier maanden is dat
€ 741,68 (= standaardbedrag).
Het in 2008 betaalde collegegeld wordt voor de berekening of er
sprake is van een dure studie, slechts in aanmerking genomen voor
zover het betrekking heeft op 2008. Het wordt dus in dit geval
gesteld op 4/12 van € 3.000 = € 1.000. Samen met de uitgaven voor
boeken ad € 1.200 zijn de herrekende studiekosten dan € 2.200. Dat
is meer dan tweemaal het standaardbedrag. Er is sprake van een dure
studie. De aftrek bedraagt € 2.591,08 (€ 3.000 plus € 1.200 min €
741,68 min € 367,24 min € 500).
(drempel en maxima zijn niet in schema verwerkt):
Normbedragen boeken en leermiddelen per maand (artikel. 3.2 van
de WSF 2000 en artikel 6.29 van de Wet IB 2001):
in 2001:
|
WO/HBO |
€ 45,78 (f 100,88) |
|
MBO |
€ 40,05 (f 88,25) |
in 2002:
|
WO/HBO |
€ 46,92 |
|
MBO |
€ 41,05 |
in 2003:
|
WO/HBO |
€ 49,07 |
|
MBO |
€ 42,93 |
in 2004:
|
WO/HBO |
€ 50,72 |
|
MBO |
€ 44,37 |
in 2005:
|
WO/HBO |
€ 51,81 |
|
MBO |
€ 45,32 |
in 2006:
|
WO/HBO |
€ 52,42 |
|
MBO |
€ 45,85 |
in 2007 tot 1 sept.:
|
WO/HBO
|
€ 53,32
|
|
MBO
|
€ 46,63
|
in 2007 met ingang van 1 sept.:
|
WO/HBO
|
€ 54
|
|
MBO
|
€ 47
|
2008:
|
WO/HBO
|
€ 55
|
|
MBO
|
€ 48
|
in 2009:
|
WO/HBO
|
€ 56
|
|
MBO
|
€ 49
|
Normbedragen onderwijsbijdrage per maand (artikel 3.2 van de WSF
2000 en artikel 7.43 van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek):
WO/HBO
1-1-2001 tot 1-9-2001 € 108,68 (f 239,50)
1-9-2001 tot 1-9-2002 € 110,80 (f 244,14)
1-9-2002 tot 1-9-2003 € 116,32
1-9-2003 tot 1-9-2004 € 120,42
1-9-2004 tot 1-9-2005 € 123
1-9-2005 tot 1-9-2006 € 124,67
1-9-2006 tot 1-9-2007 € 126,58
1-9-2007 tot 1-9-2008 € 128,17
1-9-2008 tot 1-9-2009 € 130,42
1-9-2009 tot 1-9-2010 € 133,08
MBO
1-1-2001 tot 1-8-2001 € 68,90 (f 151,83)
1-8-2001 tot 1-8-2002 € 71,02 (f 156,51)
1-8-2002 tot 1-8-2003 € 73,75
1-8-2003 tot 1-8-2004 € 76,33
1-8-2004 tot 1-8-2005 € 78
1-8-2005 tot 1-8-2006 € 79,08
1-8-2006 tot 1-8-2007 € 80,25
1-8-2007 tot 1-8-2008 € 81,25
1-8-2008 tot 1-8-2009 € 82,75
1-8-2009 tot 1-8-2010 € 84,41
Normbedragen per maand samen:
WO/HBO
1-1-2001 tot 1-9-2001 € 154,46 (f 340,38)
1-9-2001 t/m 31-12-2001 € 156,57 (f 345,02)
1-1-2002 tot 1-9-2002 € 157,72
1-9-2002 t/m 31-12-2002 € 163,24
1-1-2003 tot 1-9-2003 € 165,39
1-9-2003 t/m 31-12-2003 € 169,49
1-1-2004 tot 1-9-2004 € 171,14
1-9-2004 t/m 31-12-2004 € 173,72
1-1-2005 tot 1-9-2005 € 174,81
1-9-2005 t/m 31-12-2005 € 176,48
1-1-2006 tot 1-9-2006 € 177,09
1-9-2006 t/m 31-12-2006 € 179,00
1-1-2007 tot 1-9-2007 € 179,90
1-9-2007 t/m 31-12-2007 € 182,17
1-1-2008 tot 1-9-2008 € 183,17
1-9-2008 t/m 31-12-2008 € 185,42
1-1-2009 tot 1-9-2009 € 186,42
1-9-2009 t/m 31-12-2009 € 189,08
MBO
1-1-2001 tot 1-8-2001 € 108,95 (f 240,08)
1-8-2001 t/m 31-12-2001 € 111,07 (f 244,77)
1-1-2002 tot 1-8-2002 € 112,07
1-8-2002 t/m 31-12-2002 € 114,80
1-1-2003 tot 1-8-2003 € 116,68
1-8-2003 t/m 31-12-2003 € 119,26
1-1-2004 tot 1-8-2004 € 120,70
1-8-2004 t/m 31-12-2004 € 122,37
1-1-2005 tot 1-8-2005 € 123,32
1-8-2005 t/m 31-12-2005 € 124,40
1-1-2006 tot 1-8-2006 € 124,93
1-8-2006 t/m 31-12-2006 € 126,10
1-1-2007 tot 1-8-2007 € 126,88
1-8-2007 tot 1-9-2007 € 127,88
1-9-2007 t/m 31-12-2007 € 128,25
1-1-2008 tot 1-8-2008 € 129,25
1-8-2008 t/m 31-12-2008 € 130,75
1-1-2009 tot 1-8-2009 € 131,75
1-8-2009 t/m 31-12-2009 € 133,41
De basisbeurs bedraagt in 2001:
|
|
Uitwonend
|
Thuiswonend
|
|---|---|---|
|
WO/HBO
|
€ 205,97 (f 453,89)
|
€ 66,88 (f 147,38)
|
|
MBO
|
€ 189,49 (f 417,58)
|
€ 50,40 (f 111,07)
|
De basisbeurs bedraagt in 2002:
|
|
Uitwonend
|
Thuiswonend
|
|---|---|---|
|
WO/HBO
|
€ 211,09
|
€ 68,55
|
|
MBO
|
€ 194,20
|
€ 51,66
|
De basisbeurs bedraagt in 2003:
|
|
Uitwonend
|
Thuiswonend
|
|---|---|---|
|
WO/HBO
|
€ 220,78
|
€ 71,70
|
|
MBO
|
€ 203,11
|
€ 54,03
|
De basisbeurs bedraagt in 2004:
|
|
Uitwonend
|
Thuiswonend
|
|---|---|---|
|
WO/HBO
|
€ 228,20 |
€ 74,11
|
|
MBO
|
€ 209,93
|
€ 55,85
|
De basisbeurs bedraagt in 2005:
|
|
Uitwonend
|
Thuiswonend
|
|---|---|---|
|
WO/HBO
|
€ 233,08
|
€ 75,70
|
|
MBO
|
€ 214,42
|
€ 57,05
|
De basisbeurs bedraagt in 2006:
|
|
Uitwonend
|
Thuiswonend
|
|---|---|---|
|
WO/HBO
|
€ 248,48
|
€ 89,24
|
|
MBO
|
€ 229,60
|
€ 70,37
|
De basisbeurs bedraagt in 2007:
|
|
Uitwonend
|
Thuiswonend
|
|---|---|---|
|
WO/HBO
|
€ 252,73
|
€ 90,77
|
|
MBO
|
€ 233,53
|
€ 71,57
|
De basisbeurs bedraagt in 2008:
|
|
Uitwonend
|
Thuiswonend
|
|---|---|---|
|
WO/HBO
|
€ 255,64
|
€ 91,81
|
|
MBO
|
€ 236,22
|
€ 72,39
|
De basisbeurs bedraagt in 2009:
|
|
Uitwonend
|
Thuiswonend
|
|---|---|---|
|
WO/HBO
|
€ 259,43
|
€ 93,29
|
|
MBO
|
€ 240,02
|
€ 73,56
|
Belastingplichtige ontvangt voor het studiejaar 2008/2009
studiefinanciering op grond van de WSF 2000. Omdat hij met ingang
van september 2009 zijn studie in de avonduren voortzet, heeft hij
voor het studiejaar 2009/2010 geen recht meer op WSF 2000. De
studiekosten over het jaar 2009 claimt hij als scholingsuitgaven.
Moet rekening worden gehouden met de prestatiebeurs die hij in het
(eerste deel van) het belastingjaar 2009 heeft ontvangen?
De studiekosten over de periode januari tot en met augustus 2009
kunnen conform het bepaalde in artikel 6.29 van de Wet IB 2001 in
aftrek worden gebracht. Hierop wordt de ontvangen prestatiebeurs in
mindering gebracht. De studiekosten over de periode september tot
en met december 2009 zijn volledig aftrekbaar, voor zover zij
voldoen aan de voorwaarden. Over die periode heeft
belastingplichtige immers geen recht meer op studiefinanciering op
grond van de WSF.
Belastingplichtige volgt met ingang van september 2009,
direct na het afronden van de middelbare schoolopleiding een
kortlopende beroepsopleiding. Hij is op 1 juli 2009 17 jaar
geworden. De kosten van deze opleiding drukken volledig op
belastingplichtige. Kan in deze situatie voor toepassing van de
regeling voor dure studies de standaardstudieperiode van artikel
6.30 Wet IB 2001 ingaan op 1 oktober 2009?
De regeling voor dure studies is in de Wet IB 2001 opgenomen als
tegemoetkoming voor kortlopende studies met hoge studiekosten. De
regeling dient om te voorkomen dat er grote verschillen ontstaan
tussen de werkelijke uitgaven en de aftrekmogelijkheden. De
regeling kan op grond van artikel 6.30 Wet IB 2001 alleen worden
toegepast gedurende de zogenaamde standaardstudieperiode. Dit is de
door de belastingplichtige aan te geven periode van maximaal 16
kalenderkwartalen na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar maar
voor het bereiken van de leeftijd van 30 jaar. Op grond van deze
bepaling kan de standaardstudieperiode voor belastingplichtige niet
ingaan op 1 oktober 2009 maar pas op 1 juli 2010, de dag dat
belastingplichtige 18 jaar wordt.
Goedkeuring
Met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen keur ik het volgende goed.
Indien een belastingplichtige bij de aanvang van de studie de
leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan hij in afwijking
van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 gebruik maken van de
standaardstudieperiode vanaf het moment dat hij de studie aanvangt.
Voorwaarde voor toepassing van deze goedkeuring is dat de
studiekosten op belastingplichtige drukken en dat ook aan de
overige voorwaarden voor aftrek van scholingsuitgaven is voldaan.
Ambtshalve vermindering
Omdat onduidelijkheid heeft bestaan over de mogelijkheid van
toepassing van de standaardstudieperiode voorafgaand aan de 18e
verjaardag wordt de mogelijkheid voor ambtshalve vermindering bij
toepassing van bovenstaande goedkeuring verruimd. Vermindering van
onherroepelijk vaststaande aanslagen kan in deze gevallen in
zoverre plaatsvinden in afwijking van paragraaf 5 van het besluit
van 17 december 2009, nr. CPP/2461M.
Belastingplichtige volgt een opleiding en wil de kosten
daarvan zelf betalen. De kosten van de opleiding worden door de
ouders betaald terwijl hij het bedrag schuldig blijft. Bij wie zijn
de uitgaven aftrekbaar en in welk jaar?
De scholingsuitgaven zijn aftrekbaar bij belastingplichtige in het
jaar waarin de ouders de uitgaven doen. Op het moment van betaling
door zijn ouders ontstaat immers een vordering op hem. Zie in dit
verband het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006, nr. 40 297,
LJN: AX6372.
Kunnen de kosten van deelname aan nationale en
internationale congressen waarvan deelname uit wetenschappelijk
oogpunt gewenst is, als scholingsuitgaven bedoeld in artikel 6.27
van de Wet IB 2001 in aftrek gebracht worden?
Scholingsuitgaven zijn uitgaven van de belastingplichtige voor een
door hem zelf gevolgde opleiding of studie met het oog op het
verwerven van inkomen uit werk en woning. De uitgaven moeten direct
verband houden met het leertraject. Waar er geen sprake is van een
opleiding of studie, geen “leertraject”, zijn uitgaven niet
aftrekbaar. In de geschetste situatie zal er doorgaans geen sprake
zijn van congresbezoek in het kader van het volgen van een
opleiding of studie. Aftrek is dan ook niet mogelijk. Hetzelfde
geldt bij het bezoeken van congressen en dergelijke in het kader
van het behouden van een registratie als beroepsbeoefenaar.
Vindt, bij uitzondering, het congresbezoek wel plaats in verband
met het volgen van een opleiding of studie, dan zijn de kosten van
deelname aan het congres zelf - uiteraard exclusief kosten van
partnerprogramma, nevenactiviteiten en dergelijke - wel aftrekbaar.
Ook in dat geval zijn de kosten van de met het congres
samenhangende reis- en verblijfkosten niet aftrekbaar op grond van
artikel 6.28, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001.
Kunnen de lidmaatschapskosten van beroeps- of
wetenschappelijke verenigingen die noodzakelijk dan wel gewenst
zijn voor de beroepsuitoefening als scholingsuitgaven in aftrek
worden gebracht indien en voor zover de werkgever deze kosten niet
vergoedt?
Lidmaatschapskosten van beroeps- en wetenschappelijke verenigingen
kunnen niet worden aangemerkt als scholingsuitgaven. Zij zijn
derhalve niet aftrekbaar, zelfs als de desbetreffende uitgaven
noodzakelijk of gewenst zouden zijn voor de beroepsbeoefening. Het
kan uiteraard anders komen te liggen indien de lidmaatschapskosten
nodig zijn voor het volgen van de studie of het schrijven van een
proefschrift.
Een belastingplichtige is gepromoveerd. Hij heeft voor de
promotieplechtigheid gelegenheidskleding voor hemzelf en voor de
paranimfen gehuurd. De kosten hiervan heeft hij betaald.
Aansluitend op deze plechtigheid heeft hij een receptie gehouden.
Ook deze kosten hebben op hem gedrukt. Zijn de kosten van de huur
van de gelegenheidskleding en van de receptie aftrekbaar als
scholingsuitgaven?
Ja. De kosten van de huur van gelegenheidskleding voor hemzelf en
voor de paranimfen en van de aan de promotieplechtigheid
aansluitende receptie zijn kosten die zijn verbonden aan de
promotie als academische plechtigheid. Zij vloeien direct voort uit
het afsluiten van het leertraject. Het gaat hier niet om uitgaven
die verband houden met het levensonderhoud van belastingplichtige,
zoals genoemd in artikel 6.28, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
IB 2001. Die uitgaven zijn uitgezonderd omdat zij veelal een
gemengd karakter hebben.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Het besluit werkt terug tot en met 1 januari 2009 en is van toepassing op de belastingjaren vanaf 2009. In afwijking hiervan werkt de goedkeuring van onderdeel 5.3. terug tot 1 januari 2001 (zie verder onderdeel 5.3).
Het besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M is met ingang van inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 21 januari 2010.
De staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager.