U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
In dit besluit worden de gevolgen beschreven van het arrest
Nikula voor de berekening van ziektekostenpremies van
dubbelgepensioneerden.
Op 10 juli 2009 heeft Hof Den Bosch1] uitspraak gedaan in een procedure waarbij een zogenoemde dubbelgepensioneerde, die in Nederland woont, een beroep deed op het arrest Nikula2]. Het Hof heeft bepaald dat het bedrag aan Nederlandse ziektekostenpremies niet hoger mag zijn dan het brutobedrag van het Nederlandse wettelijke pensioen dat is uitbetaald. Ik heb besloten me bij deze uitspraak neer te leggen. In dit besluit wordt toegelicht wat de gevolgen van deze rechtspraak zijn voor de berekening van ziektekostenpremies.
------------
1] Hof Den Bosch 10 juli 2009, nr. 08/00398, LJN:
BJ5960
2] Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 18
juli 2006, nr. C-50/05,
In het arrest Nikula heeft het Hof van Justitie EG bepaald dat
artikel 33, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna:
Vo. 1408/71) meebrengt dat een lidstaat bij de grondslag voor
heffing van bijdragen of premies voor de ziektekostenverzekering
rekening mag houden met pensioenen uit een andere lidstaat, maar
dat de bijdrage of premie niet hoger mag zijn dan de in de
lidstaat, waar de betrokkene woont, uitgekeerde pensioenen. Artikel
33, eerste lid, Vo. 1408/71 vindt, voor zover van belang voor de
premie- en bijdrageheffing, toepassing in de situatie dat
betrokkene als inwoner van Nederland ingevolge artikel 27 Vo.
1408/71 als gerechtigde tot zowel een Nederlands wettelijk pensioen
als tot een wettelijk pensioen van een andere lidstaat, recht heeft
op prestaties met betrekking tot ziekte en moederschap volgens de
Nederlandse wettelijke regeling. Als Nederlandse wettelijke
pensioenen worden in dit kader aangemerkt AOW, WAO, WAZ, WIA, Anw
en de pensioenen genoemd in bijlage VI, onder R Nederland, punt 1,
onder f, op Vo. 1408/71. Verder heeft het Hof van Justitie EG
bepaald dat buitenlandse wettelijke pensioenen niet tot de
grondslag van de premieheffing mogen worden gerekend, als in de
lidstaat waaruit deze pensioenen worden ontvangen reeds bijdragen
of premies werden betaald die betrekking hebben op de
zorgaanspraken bij pensionering. Betrokkene moet aantonen dat deze
vroegere bijdragen of premies daadwerkelijk zijn betaald. In dit
besluit wordt er steeds van uitgegaan dat de buitenlandse
wettelijke pensioenen wel tot de grondslag van de premieheffing
mogen worden gerekend.
Met ingang van 1 januari 2006 wordt van iemand die onder het Nederlandse stelsel verplicht verzekerd is voor ziektekosten, naast premie AWBZ, een inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet geheven. Betrokkene, die verplicht is een zorgverzekering af te sluiten, is daarnaast een nominale premie verschuldigd aan de zorgverzekeraar. Ten slotte voorziet de zorgtoeslag in een tegemoetkoming in de nominale premie voor de zorgverzekering voor iemand met een laag inkomen. Bij de beoordeling of het gezamenlijke bedrag van deze premies en bijdrage hoger is dan het brutobedrag van het Nederlands wettelijk pensioen gelden de volgende uitgangspunten. De premie AWBZ wordt berekend door het premie-inkomen te vermenigvuldigen met het premiepercentage voor de AWBZ en te verminderen met de heffingskorting voor de AWBZ. De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is het resultaat van het bijdrage-inkomen vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bijdragepercentages, rekening houdend met het maximum bijdrage-inkomen. Voor de nominale premie wordt uit praktische overwegingen uitgegaan van de standaardpremie als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag. Deze standaardpremie wordt verminderd met de over dat jaar toegekende zorgtoeslag (in het geval van partners kan worden uitgegaan van de helft van de toegekende zorgtoeslag).
In de situatie dat iemand met een beroep op het arrest Nikula in
aanmerking komt voor vermindering van wettelijke premies en
bijdrage, wordt eerst de premie AWBZ verminderd en als deze
vermindering onvoldoende is, vervolgens de inkomensafhankelijke
bijdrage Zorgverzekeringswet. De vermindering bedraagt maximaal het
op nihil vaststellen van zowel de premie AWBZ als de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
Voorbeeld
X is gehuwd en ontvangt in 2008 een AOW van bruto € 2.000.
Daarnaast ontvangt hij een Duits wettelijk pensioen van € 15.000.
Het inkomen in box 1 bedraagt € 17.000. De AWBZ-premie bedraagt
12,15% x € 17.000 = € 2.065. Aan heffingskortingen heeft X recht op
€ 1.456. Het AWBZ-deel van de heffingskortingen bedraagt 12,15/15,7
x € 1.456 = € 1.127. De verschuldigde premie AWBZ is hierdoor €
2.065 -/- € 1.127 = € 938. De inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
bedraagt 7,2% x 2.000 en 5,1% x 15.000 = € 909. De standaardpremie
voor de Zorgverzekeringswet bedraagt € 1.200. Aan zorgtoeslag heeft
X tezamen met zijn echtgenote € 1.044 ontvangen (het inkomen van de
echtgenote bedraagt € 10.000). De nominale premie waarvan wordt
uitgegaan is per saldo € 1.200 -/- (1/2 x 1.044) = € 678. In totaal
is aan ziektekostenpremies en bijdragen € 938 + € 909 + € 678 = €
2.525 geheven. De teruggave van AWBZ-premie bedraagt € 2.525 -/-
2.000 = € 525.
Het arrest Nikula zal ook gevolgen hebben met betrekking tot de berekening van de ziektekostenpremie voor de jaren die voorafgaan aan 2006. De uitspraak van Hof Den Bosch van 10 juli 2009 had betrekking op een casus over het jaar 2003. Voor de jaren die voorafgaan aan 2006 kan voor de berekening van de ziektekostenpremie worden aangesloten bij de beslissing van Hof Den Bosch. Onder omstandigheden dient daarom, naast de verschuldigde premie AWBZ, de premie Ziekenfondswet bij de berekening in aanmerking te worden genomen. De vermindering bedraagt maximaal het op nihil vaststellen van de premie AWBZ.
Voorbeeld
X ontvangt in 2003 een AOW van bruto € 2.678, een Duits wettelijk
pensioen van € 14.914 en een Duitse Betriebsrente van € 15.764. Het
belastbaar inkomen in box 1 bedraagt € 27.487. De AWBZ-premie
bedraagt 12,3% x € 27.487 = € 3.380. Aan heffingskortingen heeft X
recht op € 1.066. Het AWBZ-deel van de heffingskortingen bedraagt
12,3/14 x € 1.066 = 936. De verschuldigde AWBZ-premie is hierdoor €
3.380 -/- € 936 = € 2.444. De verschuldigde Zfw-premie (som
nominale en procentuele premie) bedraagt € 2.257. In totaal is aan
ziektekostenpremies € 2.444 + € 2.257 = € 4.701 geheven. De
teruggave van AWBZ-premie bedraagt € 4.701 -/- € 2.678 = € 2.023.
Na vermindering van de AWBZ-premie is het aan ziektekostenpremies
geheven bedrag gelijk aan het door Nederland bruto uitgekeerd
wettelijk pensioen ad € 2.678, namelijk € 421 aan AWBZ-premie (€
2.444 -/- € 2.023) en € 2.257 aan Zfw-premie.
Artikel 33, eerste lid, Vo. 1408/71 is vervangen door artikel 30
van Verordening (EG) nr. 883/2004 (hierna: Vo. 883/2004). Vo.
883/2004 vindt toepassing met ingang van 1 mei 2010. Artikel 30 Vo.
883/2004 is op een andere wijze geformuleerd dan artikel 33 Vo.
1408/71. De wijze van heffing van artikel 30 Vo. 883/2004 kan zo
worden uitgelegd dat de heffing niet is beperkt tot inhouding op
het pensioen. De woorden “heffen en innen” duiden immers op een
ruimere heffingsgrondslag. Los daarvan bevat artikel 5 Vo. 883/2004
een horizontale bepaling op grond waarvan buitenlandse wettelijke
pensioenen voor de heffing en inning van bijdragen gelijkgeschakeld
worden aan Nederlandse wettelijke pensioenen. Vooralsnog wordt er
daarom van uitgegaan dat de heffingsbeperking van het arrest Nikula
geen gevolgen heeft onder Vo. 883/2004. Met betrokken lidstaten en
met de Europese Commissie zal nog afstemming plaatsvinden over de
wijze van premieheffing onder Vo. 883/2004. Zie hiervoor de brief
van 7 oktober 2009 van de minister van VWS aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 26 834, nr. 31).
Vooruitlopend op de uitspraak van Hof Den Bosch hebben
betrokkenen in veel gevallen een bezwaarschrift ingediend. De
inspecteur zal deze bezwaarschriften afhandelen met inachtneming
van dit besluit. Andere betrokkenen die een beroep willen doen op
het arrest Nikula, maar die nog niet bekend zijn bij de inspecteur,
kunnen hiertoe een verzoek indienen bij de bevoegde inspecteur. Op
d.d. 18 juli 2006 nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen kan
worden teruggekomen in overeenstemming met het besluit van 25 maart
1991, nr. DB89/735, BNB 1991/142, laatstelijk gewijzigd bij besluit
van 6 december 2001, nr. CPP2001/3435M, of het besluit van 10
december 2009, nr. CPP2009/2461M, Stcrt. 2009, nr. 19.523, hetwelk
van toepassing is op verzoeken ingediend op of na 1 januari 2010.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst en werkt
terug tot en met 18 juli 2006.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 26 januari 2010.
De staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager.