U bevindt zich op: Home › Actueel › Besluiten / beleidsregels
Dit besluit bevat het beleid over diverse onderwerpen
betreffende de vrijstelling van overdrachtsbelasting. Per 1 januari
2010 is artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit belastingen van
rechtsverkeer ingevoerd. Daarnaast is de monumentenvrijstelling van
artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op belastingen van
rechtsverkeer afgeschaft. Het beleid wordt hierop aangepast. Voor
het overige wordt met dit besluit geen beleidswijziging beoogd. De
besluiten van 10 juni 2009, nr. CPP2009/1076M en 24 juni 2009, nr.
CPP2009/773M worden ingetrokken.
Artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van
rechtsverkeer bevat de vrijstellingen van overdrachtsbelasting. In
dit besluit is het beleid opgenomen over diverse onderwerpen die in
het genoemde artikel zijn geregeld (zie de onderdelen 2 en 3).
Daarbij behoren enkele goedkeuringen op grond van artikel 63 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen. De inspecteur van de
Belastingdienst kan de goedkeuringen toepassen.
Per 1 januari 2010 is artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit
belastingen van rechtsverkeer ingevoerd. Daarnaast is de
vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op
belastingen van rechtsverkeer afgeschaft. Het goedkeurend beleid
over deze onderwerpen heeft daarmee zijn belang verloren; de
daarmee samenhangende besluiten worden ingetrokken. De onderdelen 4
en 5 van dit besluit gaan in op de gevolgen hiervan.
|
AWR
|
Algemene wet inzake rijksbelastingen |
|
Monumentenrechtspersoon
|
Rechtspersoon die naar het oordeel van de Minister van Financiën
hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel heeft
|
|
Registers
|
De ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van
beschermde monumenten
|
|
Samenwoners
|
Personen die een duurzame samenwoning beogen en een
gemeenschappelijke huishouding voeren
|
|
WBR
|
Wet op belastingen van rechtsverkeer
|
|
UBBR
|
Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer
|
De verkrijging bij een verdeling van een gemeenschap tussen
samenwoners is onder voorwaarden vrijgesteld van
overdrachtsbelasting (zie artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van
de WBR). Als voorwaarde geldt onder meer dat de gerechtigdheid tot
de gemeenschap moet zijn ontstaan door een gezamenlijke
verkrijging, waarbij de ene samenwoner is gerechtigd tot ten minste
40% en de andere tot ten hoogste 60%. Aan deze bandbreedte-eis moet
direct bij de eerste gezamenlijke verkrijging zijn voldaan.
De vrijstelling geldt niet alleen voor de verkrijging bij een
verdeling van het gezamenlijk verkregen woonhuis, maar ook voor
andere gezamenlijk verkregen onroerende zaken of beperkte rechten
daarop.
Het feit dat meer dan twee samenwoners in de onroerende zaak zijn
gerechtigd, is geen belemmering voor de toepassing van de
vrijstelling.
Voorbeeld
A, B en C zijn vanaf de aanvang samenwoners. A en B zijn elk voor
40% gerechtigd tot de woning en C voor 20%. Bij het verbreken van
de samenwoning delen B en C hun aandeel toe aan A. De verkrijging
door A van het aandeel van B valt onder de vrijstelling. Immers
zowel A als B voldeed bij aanvang van de samenwoning aan de
bandbreedte-eis van 40%-60%. Over het aandeel dat A van C verkrijgt
is wel overdrachtsbelasting verschuldigd.
De vrijstelling geldt uitsluitend voor de verkrijging bij
verdeling van onroerende zaken die tijdens de samenwoning
gezamenlijk zijn verkregen. Het is mogelijk dat een onroerende zaak
of beperkt recht daarop wordt verkregen in het zicht van de
samenwoning. Ik acht het niet altijd gewenst dat in die situatie
overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het volgende
goed.
Goedkeuring
Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de
vrijstelling ook geldt voor de verkrijging bij verdeling van
onroerende zaken of beperkte rechten daarop, die verkregen zijn in
het zicht van de samenwoning.
Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
- De onroerende zaak of het beperkte recht daarop is door de latere
samenwoners uiterlijk één jaar voor aanvang van de samenwoning
gezamenlijk verkregen.
- De samenwoning is daadwerkelijk tot stand gekomen.
- Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan.
Aan het bovenstaande voeg ik het volgende toe. Als een woning in
aanbouw wordt verkregen geldt de in de eerste voorwaarde genoemde
termijn van uiterlijk één jaar niet, mits de woning na oplevering
hoofdverblijf van de samenwoners is geworden.
Het is mogelijk dat een relatie tussen twee personen wordt
verbroken en een verdeling plaatsvindt. Dit terwijl de betrokken
personen door omstandigheden niet daadwerkelijk tot een samenwoning
zijn gekomen. Hiervan kan sprake zijn bij de aankoop van een woning
in aanbouw of van een woning die eerst ingrijpend moet worden
verbouwd. Ik acht het niet altijd gewenst dat in die situaties
overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het volgende
goed.
Goedkeuring
Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de
vrijstelling ook geldt voor de verkrijging bij verdeling van
onroerende zaken of beperkte rechten daarop, zonder dat de
deelgerechtigden hebben samengewoond.
Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden:
- Bewoning en samenwoning waren redelijkerwijs niet mogelijk. In
geval van een verbouwing moet aannemelijk worden gemaakt dat deze
dusdanig ingrijpend was, dat bewoning redelijkerwijs gesproken niet
mogelijk was.
- De relatie wordt verbroken voordat de woning wordt opgeleverd of
de verbouwing gereed is.
- De woning wordt aan één van de betrokken personen toegedeeld.
- Er wordt aannemelijk gemaakt dat men de intentie had te gaan
samenwonen. In geval van een verbouwing moet aannemelijk worden
gemaakt dat men de intentie had binnen een jaar na aankoop van de
woning te gaan samenwonen.
- Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan.
Over de eerstgenoemde voorwaarde merk ik nog het volgende op. In
geval van een minder ingrijpende verbouwing heeft men het zelf in
de hand om te gaan samenwonen. Als men in dat geval ervoor kiest om
niet te gaan samenwonen, is er geen sprake van een onbillijkheid
van overwegende aard.
De vrijstelling geldt voor de verkrijging bij verdeling tijdens
de samenwoning. Veelal echter zal de verdeling plaatsvinden nadat
de samenwoning is beëindigd. Ik acht het niet altijd gewenst dat in
die situatie overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het
volgende goed
Goedkeuring
Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR goed dat de
vrijstelling ook geldt voor de verkrijging bij verdeling van
onroerende zaken of beperkte rechten daarop, nadat de samenwoning
is beëindigd.
Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
- De verkrijging vloeit voort uit de verdeling bij de financiële
afwikkeling van de samenwoning of echtscheiding. Dit overeenkomstig
de gemaakte afspraken over de verdeling van de gemeenschappelijke
goederen.
- Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan.
De verkrijging van een zaak die is aangebracht door of in
opdracht en voor rekening van de verkrijger of zijn rechtsopvolger
onder algemene titel is vrijgesteld van overdrachtsbelasting (zie
artikel 15, eerste lid, onderdeel i, van de WBR).
Bij de toepassing van deze vrijstelling wordt het begrip
‘aanbrengen’ ruim opgevat. Het begrip omvat naast bouw ook
verbouwing, verbetering, beplanting, het bouwrijp maken van grond
en ander uitgevoerd werk.
Het ontmoet bij mij geen bezwaar de vrijstelling toe te passen
als een naamloze of besloten vennootschap in oprichting de zaken
heeft aangebracht en deze vervolgens verkrijgt. Als voorwaarde
geldt dat de hiermee verband houdende rechtshandelingen na de
oprichting worden bekrachtigd overeenkomstig artikel 2:93 of 2:203
van het Burgerlijk Wetboek.
In artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit belastingen van
rechtsverkeer is per 1 januari 2010 een regeling getroffen voor
fusies en taakoverdrachten tussen instellingen of verenigingen als
bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet
op de inkomstenbelasting 2001. Deze regeling was voorheen opgenomen
in het besluit van 24 juni 2009, nr. CPP2009/773M. Zoals aangegeven
in de Nota van Toelichting bij de wijziging van het UBBR heeft dit
besluit zijn belang verloren en wordt het hierbij ingetrokken.
De vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van
monumenten (artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de WBR) is per
1 januari 2010 afgeschaft. Hiermee is ook artikel 6 van het UBBR
komen te vervallen. Voor alle duidelijkheid merk ik op dat het
gevolg hiervan is dat de overdrachtsbelasting niet alsnog
verschuldigd wordt indien een verkregen monument met ingang van 1
januari 2010 of een later tijdstip niet meer voorkomt in de
registers.
De bepaling van artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van het UBBR
was reeds per 1 mei 2009 buiten werking gesteld (zie het besluit
van 10 juni 2009, nr. CPP2009/1076M). Dit leidt ertoe dat de
overdrachtsbelasting niet alsnog verschuldigd wordt indien de
verkrijger met ingang van 1 mei 2009 of een later tijdstip niet
meer als monumentenrechtspersoon kan worden aangemerkt.
De in dit besluit opgenomen goedkeuringen worden verleend als
volgens de wettelijke bepalingen overdrachtsbelasting verschuldigd
is. Door deze wettelijke verschuldigdheid kan de verkrijger bij een
volgende overdracht van de verkregen onroerende zaken, onder
omstandigheden, formeel gezien aanspraak maken op een vermindering
van overdrachtsbelasting op grond van artikel 9, vierde lid, of
artikel 13 van de WBR. Voor zover een toekomstige verkrijger een
beroep doet op één van de genoemde bepalingen, vervalt de verleende
goedkeuring.
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de
inwerkingtreding van dit besluit:
- besluit van 10 juni 2009, nr. CPP2009/1076M;
- besluit van 24 juni 2009, nr. CPP2009/773M.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 2010.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 19-02-2010.
De staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager.