U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal
Ons kenmerk: DB/2009/181 M
Betreft: Partnerbegrip in de fiscaliteit
Geachte Voorzitter,
Bij het Algemeen overleg op 26 november 2008 met de vaste
Commissie voor Financiën over onder andere de modernisering van de
Successiewet 1956 heb ik toegezegd een brief aan de Kamer te zenden
over het partnerbegrip in de Successiewet 1956. Ik gebruik deze
gelegenheid om een doorkijkje te geven naar mijn plannen met
betrekking tot een meer uniform partnerbegrip.
Tevens ga ik in deze brief in op het begrip leefvormneutraal dat in
hetzelfde AO en tijdens de mondelinge behandeling van het
Belastingplan 2009 aan de orde is geweest.
Zoals u weet speelt het partnerbegrip in diverse wetten een rol.
De belangrijkste zijn de Wet inkomstenbelasting 2001, de
Successiewet 1956 en de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen (hierna: Awir). Elk van deze wetten kent zijn eigen
criteria die leiden tot partnerschap. Een geharmoniseerd
partnerbegrip komt de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de
wetgeving ten goede.
Ik ben voornemens om in de Algemene wet inzake rijksbelastingen een
basis-partnerbegrip te introduceren, waarin de gemeenschappelijke
partnercategorieën zijn opgenomen. Het betreft echtgenoten,
geregistreerde partners en ongehuwden met een notarieel
samenlevingscontract.
Aanvullingen op dit basis-partnerbegrip zullen in de afzonderlijke
heffingswetten dan wel de Awir worden opgenomen. Het gaat daarbij
onder meer om regelingen waarvoor een ruimer partnerbegrip gewenst
is dan het basis-partnerbegrip. Zo is voor inkomensafhankelijke
regelingen die onder de reikwijdte van de Awir vallen de
draagkracht van beide partners bepalend voor de hoogte van de
tegemoetkoming, ongeacht de samenlevingsvorm. Ook in de Wet
inkomstenbelasting 2001 is voor sommige regelingen nu al de
gezinsdraagkracht bepalend, los van de gekozen samenlevingsvorm
(bijvoorbeeld de inkomensafhankelijke combinatiekorting). Vanuit
het oogpunt van eenvoud voor de burger en complexiteitsreductie
voor de Belastingdienst, gaat mijn voorkeur uit naar het hanteren
van objectief controleerbare criteria, bijvoorbeeld als er uit de
relatie tussen partners een kind is geboren. In dergelijke
situaties is sprake van een verbondenheid tussen ongehuwde
samenwoners die verder gaat dan louter schaalvoordelen. Ik ben van
plan om gelijktijdig met de introductie van objectieve criteria die
tot - verplicht - partnerschap leiden, de in de Wet
inkomstenbelasting 2001 opgenomen mogelijkheid voor ongehuwd
samenwonenden om te kiezen voor partnerschap te laten vervallen.
Dit zal worden geregeld in een binnenkort in te dienen wetsvoorstel
tot vereenvoudiging van de Wet inkomstenbelasting 2001. Aangezien
de Awir ook al een verplicht partnerbegrip kent, zal dit leiden tot
een harmonisatie van de partnerbegrippen in de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de Awir. Dit leidt tot een
vereenvoudiging voor de burger en een meer leefvormneutrale
benadering (zie hieronder) in de inkomstenbelasting.
Voor mij staat vast dat, anders dan in de Wet inkomstenbelasting
2001 en de Awir, voor de belastingen op grond van de Successiewet
1956 de verzorgingsgedachte een onmisbaar element is in het
partnerbegrip. Het is deze gedachte die ook ten grondslag ligt aan
de rechtvaardiging van het lage tarief in de schenk- en
erfbelasting en, ingeval van een verkrijging krachtens erfrecht,
een hoge vrijstelling voor de partner. Wederzijdse zorgplicht
bestaat wettelijk tussen echtgenoten en geregistreerde partners,
dus deze vallen zonder meer onder het partnerbegrip. Dit is in lijn
met het hiervoor omschreven basis-partnerbegrip. Daarnaast zullen
ook twee personen die niet aan elkaar verwant zijn in de rechte
lijn en die na hun 18e jaar een gemeenschappelijke huishouding
hebben gevoerd, voor het partnerschap in aanmerking kunnen komen
als zij bij de notaris een wederzijdse zorgplicht hebben vastgelegd
in een samenlevingscontract. Hiermee wordt eveneens aangesloten bij
het hiervoor genoemde basis-partnerbegrip, zij het met aanvullende
voorwaarden omtrent verwantschap, leeftijd en de inhoud van het
samenlevingscontract. Bovendien moet, om misbruik te voorkomen, de
gemeenschappelijke huishouding tot aan het overlijden ten minste
zes maanden hebben geduurd en ingeval van schenking ten minste 24
maanden. Inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op
hetzelfde adres is een voorwaarde voor de gemeenschappelijke
huishouding.
Het partnerbegrip ondergaat daarmee een versobering ten opzichte
van het huidige. Het zal niet langer mogelijk zijn om uitsluitend
op grond van langdurig samen in een huis wonen in aanmerking te
komen voor een verhoogde vrijstelling en een laag tarief. Ook is
een partnerschap tussen ouders en kinderen niet langer mogelijk.
Ongelijkheid tussen thuisgebleven en uitgevlogen kinderen wordt
daarmee opgeheven.
Ik stel mij voor een uitzondering te maken op de voorwaarde dat de
gemeenschappelijke huishouding tot aan het overlijden of de
schenking heeft geduurd indien deze is verbroken uitsluitend als
gevolg van dwingende medische redenen.
Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2009 en tijdens het
hiervoor genoemde AO, stelden enkele leden van de fractie van D66 -
mevrouw Koçer Kaya onderscheidenlijk de heer Pechtold - het begrip
leefvormneutraal aan de orde en hoe dit begrip uitpakt in de
belastingwetgeving. De beide kamerleden twijfelden aan de
leefvormneutraliteit. De heer Remkes (VVD) heeft mij – omdat op dat
moment de tijd ontbrak voor een uitgebreide discussie - gevraagd er
per brief op in te gaan, hetgeen ik toen heb toegezegd en hierbij
gaarne doe.
Ik heb begrepen dat de achtergrond van deze vraag is gelegen in de
positie van alleenstaanden. De vraag is of alleenstaanden ten
opzichte van meerpersoonshuishoudens fiscaal in een nadeliger
positie verkeren. Echter leefvormneutraal is niet hetzelfde als
volledig individuele behandeling. Ik zou in dit verband het begrip
leefvormneutraal willen trekken in de sfeer van gelijke
behandeling. Het gelijkheidsbeginsel speelt een belangrijke rol in
de sfeer van de belastingen. Het gaat er in de belastingwetgeving
om of qua situatie vergelijkbare gevallen hetzelfde worden
behandeld, ongeacht de leefvorm.
In de Awir is de behandeling van gehuwden en ongehuwden die
duurzaam samenwonen gelijk omdat daar het bepalen van de
gezinsdraagkracht leidend is. Hoe de samenlevingsvorm zelf is
vormgegeven maakt dan niet uit. Dit hangt samen met het
inkomensondersteunende karakter van een toeslag. In de Wet
inkomstenbelasting 2001 is dit anders. Daar worden gehuwden
verplicht als partner aangemerkt en hebben ongehuwd samenwonenden
die aan de voorwaarden voor partnerschap voldoen de keuze om zich
als fiscale partners te laten aanmerken. In die zin is het
partnerregime daar niet leefvormneutraal. Ik teken daarbij aan dat
voor zover het bepalingen betreft waarbij de gezinsdraagkracht van
belang is (bijvoorbeeld de inkomensafhankelijke combinatiekorting)
en regelingen waarbij voor verbonden personen een afwijkend regime
geldt (bijvoorbeeld de terbeschikkingstellingsregeling), ook voor
ongehuwd samenwonenden de keuzevrijheid niet geldt.
Of partnerschap voor- of nadelig is, verschilt binnen de
inkomstenbelasting per regeling. Zo zal het nadelig zijn om voor
partnerschap te opteren als daarmee een niet gewenste
aanmerkelijkbelangpositie zou ontstaan of als inkomens van
ongehuwden worden samengeteld bij de berekening van uitgaven voor
bijvoorbeeld specifieke zorgkosten. Daarentegen levert partnerschap
in de inkomstenbelasting voordelen op als het gaat om de
uitbetaling van de heffingskorting aan de minstverdienende partner
en vrije toerekening van inkomsten tussen partners. Zoals eerder in
deze brief aangegeven, ben ik voornemens om ten behoeve van de
harmonisatie van de partnerbegrippen in de Wet inkomstenbelasting
2001 en de Awir de keuzevrijheid voor ongehuwd samenwonenden in de
Wet inkomstenbelasting 2001 te laten vervallen. Daarmee wordt
tevens de behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden in de
inkomstenbelasting op één lijn gebracht c.q. meer leefvormneutraal
gemaakt.
De staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager
Brief |
15-04-2009
|
PDF bestand, 28 Kb