U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
De Voorzitter van de Tweede Kamerder
Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Datum 16 juni 2009
Ons kenmerk: DV09-365
Betreft alternatieve medische
beroepen/btw-vrijsteling
Geachte voorzitter,
Naar
aanleiding van het Algemeen Overleg van 13 november j.l. over het
btw-regime medische diensten is de invoering van de
herijkingsmaatregel btw-vrijstelling opgeschort tot 1 juli
2009[1]
. Dit om ruimte te creëren voor een
btw-vrijstelling voor CAM-artsen en andere aanbieders van dezelfde
complementaire c.q. alternatieve behandelingen.
Bij
afzonderlijke brieven d.d. 18 november 2008 en 7 januari 2009 is uw
Kamer bericht dat door VWS, in samenwerking met Financiën, de
mogelijkheden bezien zouden worden en dat overleg met diverse
organisaties van beroepsbeoefenaren van alternatieve zorg gevoerd
zou worden.
Met deze brief stel ik u, mede namens de
Minister van VWS, op de hoogte van de huidige stand van zaken
betreffende de resultaten tot nu toe van het onderzoek.
De afgelopen maanden heeft er uitgebreid overleg plaatsgevonden met het complementaire/alternatieve werkveld.
Met een vertegenwoordiging van de zes verenigingen van CAM-artsen en van de KNMG is een gesprek gevoerd. Vervolgens zijn organisaties van beroepsbeoefenaren aangezocht die dezelfde (vakgroepen van) therapieën verlenen als de CAM-artsen. Gezien de grote hoeveelheid organisaties op het terrein van alternatieve geneeswijzen is gestreefd naar een representatief deel van organisaties per vakgroep van alternatieve geneeswijzen.
Daarnaast is nog met diverse andere
beroepsorganisaties een overleg gevoerd, waaronder die van
orthopedagogen (NVO) en psychologen (NIP). Tot slot heeft met de
Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK) een onderhoud
plaatsgevonden.
De door de verschillende organisaties
aangeleverde gegevens zijn met elkaar vergeleken. Dit had in eerste
instantie tot doel om te beoordelen of er tussen de CAM-artsen ten
opzichte van de andere complementaire/alternatieve
beroepsbeoefenaren een zodanig verschil in beroepskwalificaties
bestaat dat gesproken kan worden van een – voor de patiënt - niet
gelijkwaardig kwaliteitsniveau van de gezondheidkundige dienst.
In dat verband is ook bezien of er mogelijkheden zijn het kwaliteitsniveau van de zorg te garanderen aan de hand van kwaliteitseisen die worden gesteld aan het opleidingsniveau. In dat verband is overleg gevoerd met het Nederlands-Vlaams-Accreditatie-Orgaan (NVAO). In beginsel is dit orgaan in staat een oordeel te geven over het kwaliteitsniveau van de opleiding.
Uitgangspunt voor de vrijstelling is, zoals
ook in voornoemd AO van 13 november j.l. is aangegeven, dat de
activiteit moet kunnen worden aangemerkt als gezondheidskundige
verzorging van de mens. In dit AO is naar voren gekomen dat bij de
aanwijzing voor het aanvullend kader op basis van
gezondheidskundige argumenten een keuze voor beroepen zou moeten
worden gemaakt. Dat spoort ook met in dat overleg genoemde beroepen
van chiropractor, osteopaat en acupuncturist.
De uitkomst van het arrest Solleveld van het Hof van Justitie brengt mee dat als alle activiteiten, dus ook alle complementaire/alternatieve activiteiten, van de CAM-artsen worden vrijgesteld er telkens een vergelijking zal moeten worden gemaakt tussen de activiteiten van de CAM-artsen en dezelfde activiteiten van andere alternatieve beroepsbeoefenaren. Als sprake is van soortgelijke gezondheidskundige verzorging dan is de vrijstelling ook op de andere beroepsbeoefenaren van toepassing. Van soortgelijke gezondheidskundige verzorging is sprake indien de beroepskwalificaties van de betrokken zorgverlener hetzij identiek zijn, hetzij de verleende zorg van een gelijkwaardig kwaliteitsniveau is.
Het arrest Solleveld afgezet tegen de hiervoor
genoemde bevindingen lijkt tot de conclusie te leiden dat als alle
gezondheidskundige diensten van de CAM-artsen worden vrijgesteld,
dit eveneens zou moeten gelden voor de diensten van de overige
alternatieve beroepsbeoefenaren, die beschikken over gelijkwaardige
beroepskwalificaties.
Dit doorgetrokken, wijzen de eerste
berekeningen in de richting van een substantieel bedrag aan
gederfde BTW inkomsten. Gezien deze financiële consequenties beraam
ik mij op de mogelijkheid van een aanscherping van het kader.
Daarbij moeten de mogelijkheden die de Europese btw-regels bieden,
waaronder het keuzerecht van de lidstaten, ook nogmaals worden
bezien. Daarbij blijft onverkort gelden dat enkel algemene
objectieve criteria daaraan ten grondslag kunnen liggen.
Daarbij zal ook naar de resultaten van het
onderzoek naar criteria in andere lidstaten zoals bijvoorbeeld het
Verenigd Koninkrijk en Duitsland worden betrokken. Aangezien dit
onderzoek nog niet is afgerond zal de herrijkingsmaatregel
btw-vrijstelling nogmaals met 6 maanden worden opgeschort tot 1
januari 2010. Tot dat tijdstip zal de bestaande situatie wat
betreft de btw-behandeling van de complementaire/alternatieve
medische diensten worden gehandhaafd.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben
geïnformeerd.
Hoogachtend,
mr. drs. J.C. de Jager
de Staatssecretaris van Financiën
[1] bij nota van wijziging, 31 704, 34
Brief |
16-06-2009
|
PDF bestand, 20 Kb