U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalPostbus
20018
2500 EA DEN HAAG
Ons kenmerk: DB 2009/225M
Betreft: Toezegging brief zeescheepvaart
Geachte voorzitter,
Tijdens het Verzamel-AO van 26 november 2008 met de vaste commissie
voor Financiën heb ik (staatssecretaris van Financiën) de Kamer een
gezamenlijke brief met de staatssecretaris van Verkeer en
Waterstaat met betrekking tot het zeevaartbeleid toegezegd. In deze
brief zal nader worden ingegaan op voorstellen omtrent het herstel
van het level playing field, voor zover dat de loonkosten betreft,
voor de Nederlandse reders ten opzichte van hun Europese
concurrenten.
In de brief van 13 oktober 20081, die tijdens het hiervoor bedoelde
Verzamel-AO is besproken, ben ik, mede namens de minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Verkeer
en Waterstaat, reeds tegemoetgekomen aan de motie
Roefs/Kortenhorst. Deze motie verzoekt de Kamer te informeren over
de mogelijkheden om de concurrentiekracht van Nederlandse reders en
de arbeidsmarktpositie van Nederlandse zeevarenden te herstellen en
daarbij onder meer in te gaan op het voorstel van de sociale
partners om de afdrachtvermindering zeevaart te verhogen van 40
naar 45% van het brutoloon, de effectiviteit van de regeling te
optimaliseren en in het buitenland getroffen maatregelen van
commentaar te voorzien op hun bruikbaarheid in de Nederlandse
situatie.
Naast een analyse van de Europese richtsnoeren en een uiteenzetting
van verschillende oplossingsrichtingen, is in die brief aangegeven
dat uit een vergelijking met België en Duitsland blijkt dat op
basis van gelijke brutolonen, de loonkosten in Nederland voor de
belangrijkste categorie van werknemers (officieren met een
brutoloon van € 45 000) circa € 2 500 hoger liggen.
In deze brief zal het door uw Kamer gevraagde perspectief van de
staatssecretaris van Financiën en de staatssecretaris van Verkeer
en Waterstaat op de voorliggende situatie nader uiteen worden
gezet. Los van de vraag of verdere actie wenselijk is, wordt
aangegeven waartoe de mogelijkheden volgens het kabinet strekken
voor wat betreft de voorliggende verzilveringsproblematiek en het
loonkostenverschil.
In aanvulling daarop willen wij de Kamer nader informeren op het
punt van de budgettaire gevolgen en de met de regelingen gepaard
gaande uitvoeringskosten. Het level playing field wordt vervolgens
bekeken in een breder perspectief. De brief wordt afgesloten met
een samenvatting.
De instrumenten: Afdrachtvermindering versus
subsidie
Het is niet mogelijk om met het fiscale instrument van de
afdrachtvermindering zeevaart het loonkostenverschil met
concurrenten effectief te verminderen. Voor 40% van de reders
bestaat er al een verzilveringsprobleem, waardoor zij niet kunnen
worden bereikt omdat binnen de systematiek van ons fiscale stelsel
geen mogelijkheid bestaat het gedeelte van de afdrachtvermindering
dat meer bedraagt dan de ingehouden loonbelasting en premies voor
de volksverzekeringen, uit te betalen. Dit geldt ook voor de
afdrachtvermindering zeevaart. Dit treft juist de groep reders waar
het personeelsbestand vooral bestaat uit zeevarenden, waardoor
minder verrekening met de ingehouden loonbelasting en premies voor
de volksverzekeringen van het walpersoneel mogelijk is. Door een
verhoging van het percentage van de afdrachtvermindering zeevaart
naar 45% zou zelfs 55% van de reders een verzilveringsprobleem
krijgen.
Voor het oplossen van de verzilveringsproblematiek kan een
aanvullende subsidie effectief zijn. De verzilveringsproblematiek
bestaat dan nog steeds maar wordt door een subsidie gecompenseerd.
Een subsidie ter grootte van het niet verzilverbare deel van de
afdracht-vermindering zeevaart heeft een budgettair beslag van
circa € 6 miljoen per jaar. Bij een dergelijke subsidie moet
bedacht worden dat voor de uitvoering van de subsidieregeling een
aparte uitvoeringsorganisatie (naast de Belastingdienst voor de
afdrachtvermindering zeevaart) nodig is. Daaraan zijn extra kosten
verbonden. Deze worden geschat op circa 10% per jaar.
Opgemerkt dient echter te worden dat voor een dergelijke
subsidie geen geld beschikbaar is op de Rijksbegroting.
Level playing field in breder perspectief
Het kabinet is van mening dat het level playing
field in een breder perspectief moet worden bezien. Dit bredere
perspectief relativeert de mate waarin er sprake zou zijn van een
onevenwichtigheid in het level playing field in het nadeel van de
reders in Nederland.
Het verschil in level playing field, waar de huidige discussie over
gaat, betreft de loonkosten voor de Nederlandse zeevarenden op de
Nederlandse vloot ten opzichte van Duitsland en België. Hier wordt
een verschil van € 2 500 met Duitsland en België geconstateerd. Als
naar de kostenopbouw van een representatieve Nederlandse reder
wordt gekeken maken de loonkosten van de zeevarenden slechts circa
15% uit van de totale kosten van het exploiteren van een schip.
Bovendien heeft het geconstateerde loonkostenverschil met de
buurlanden betrekking op een relatief kleine groep zeevarenden. Van
de in totaal 20 000 zeevarenden op de Nederlandse vloot hebben zo’n
6 300 zeevarenden de Nederlandse nationaliteit. Het overgrote deel
van de bemanning van de Nederlandse vloot bestaat uit buitenlandse
zeevarenden, afkomstig uit bijvoorbeeld de Filippijnen, waarbij
geen sprake is van een verstoring van het level playing field. De
sociale partners sluiten in overleg met de Filippijnse overheid
aparte, goedkopere CAO’s af met Filippijnse zeevarenden. Deze
praktijk bestaat ook in bepaalde andere landen. Deze zijn ten
minste gebaseerd op de arbeidsvoorwaarden in het thuisland
aangevuld met een pakket aan sociale zekerheidsbescherming, dat
voortvloeit uit verdragsverplichtingen waarbij Nederland partij is.
Buiten de loonkosten bestaan kosten onder meer uit havenkosten,
brandstofkosten, commissies, verzekeringen, onderhoud en reparatie.
Deze beslaan dan circa 85% van de totale kosten. Of er ook een
verschil (ten voordele of ten nadele van de Nederlandse reders) ter
zake van deze kosten bestaat, is onbekend. Wel is het aannemelijk
dat er geen noemenswaardig verschil zal bestaan ter zake van
brandstofkosten en havenkosten, omdat reders in een zelfde
marktsegment in gelijke mate hiermee worden geconfronteerd.
Het level playing field van de sector wordt niet alleen beïnvloed
door fiscale aspecten, maar zeker ook door allerlei niet-fiscale
overheidsinspanningen. In de Beleidsbrief Zeevaart van 4 april
20082 is een groot aantal niet-fiscale maatregelen genoemd, zoals
facilitering van de Nederlandse maritieme cluster (een
subsidieregeling), ondersteuning op het terrein van innovatie (een
innovatieprogramma voor reders), een aantrekkelijk Nederlands
scheepsregister met minimale administratieve lasten en moderne
klantgerichte registratieprocedures, kwalitatief hoogwaardig
onderwijs en ondersteuning van de arbeidsmarkt (een subsidie voor
een deel van de kosten van snuffelstages). Verder draagt de
Nederlandse regering door middel van een subsidie aan de
zeevaartschool Palompon in belangrijke mate bij aan het opleiden
van gekwalificeerde zeevarenden uit de Filippijnen.
Met het Belastingplan 2009 zijn per 1 januari 2009 de fiscale
faciliteiten voor de zeescheepvaart uitgebreid, zoals een extra
schaal in de tonnageregeling waardoor het voor reders
aantrekkelijker wordt om het beheer van grote schepen vanuit
Nederland te verrichten. Een toename van de Nederlandse
handelsvloot als gevolg hiervan zal een positieve uitstraling
hebben op Nederland als maritiem vestigingsland. Daarnaast wordt de
tonnagebelasting voor scheepsmanagers verlaagd, waardoor naar
verwachting meer schepen vanuit Nederland zullen worden beheerd.
Ook deze maatregel verbetert de concurrentiepositie van de
Nederlandse zeescheepvaartsector. Deze maatregelen zijn recent door
Brussel goedgekeurd.
Verder zal de Nederlandse overheid zich in internationaal verband
blijven inzetten op het tegengaan van oneerlijke concurrentie voor
de Nederlandse reders (zoals bijvoorbeeld door het tegengaan van
‘substandard shipping’, waarbij scheepsregisters het minder nauw
nemen met de invoering en handhaving van internationale
veiligheids- en milieunormen).
Uit de studie “Het fiscale level playing field zeescheepvaart in de
EU” van Policy Research Corporation van 19 maart 2008 blijkt dat
verhoging van de staatssteun aan reders voor hun Nederlandse
zeevarenden niet leidt tot een substantiële toename van het aanbod
van deze zeevarenden. Het is belangrijk te beseffen dat de
afdrachtvermindering zeevaart een instrument is dat een effect
heeft op de vraagzijde, maar niet op de aanbodzijde. Juist het
aanbod vormt momenteel een knelpunt. Het vergroten van het aanbod
van Nederlandse zeevarenden door stimulering van de vraag is niet
effectief. Daarom zijn in de Beleidsbrief zeevaart van 4 april
20083 maatregelen opgenomen om de instroom in het nautisch
onderwijs te vergroten en het imago van het beroep van zeevarende
te verbeteren.
In de studie wordt bij het geconstateerde loonkostenverschil met
Duitsland en België, ook genoemd dat de kans op uitvlaggen van
Nederlandse reders naar andere EU-registers als gevolg daarvan
klein is.
Als wij bovenstaande punten afwegen, zien wij, ook in het
bredere perspectief op het level playing field, geen aanleiding om
maatregelen voor te stellen.
Indien uw Kamer van mening is dat extra staatssteun op de
loonkosten wenselijk is, dan kan bovengenoemde subsidie als
instrument dienen. Echter, zoals opgemerkt, is hiervoor geen geld
beschikbaar op de Rijksbegroting.
Samenvatting
Het is niet mogelijk om met het fiscale instrument van de
afdrachtvermindering zeevaart het loonkostenverschil met
concurrenten effectief te verminderen. Het oplossen van de
verzilveringsproblematiek is op zich mogelijk door het creëren van
een nieuwe subsidieregeling welke de niet-verzilverde
afdrachtvermindering zeevaart compenseert. In de afweging van
genoemde punten, zoals de loonkosten in verhouding tot de totale
kosten, de reeds bestaande (en onlangs uitgebreide) fiscale en
niet-fiscale steunmaatregelen voor de zeevaartsector en de
effectiviteit van extra steunmaatregelen op het aanbod van
Nederlandse zeevarenden, zien wij in het bredere perspectief op het
level playing field echter geen aanleiding om extra maatregelen
voor te stellen.
Bovenal is hiervoor geen geld beschikbaar op de Rijksbegroting.
Wij vertrouwen erop u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend,
De staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa
08-06-2009
|
PDF bestand, 35 Kb