U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Kamerstukken
Motie en toezeggingen Belastingplan 2009; verslag schriftelijk overleg
Kamerbrief |
16-06-2009 |
Belastingenplannen voorgaande jaren
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Datum 16 juni 2009
Ons kenmerk: AFP09-347
Betreft Motie en toezeggingen Belastingplan 2009;
verslag schriftelijk overleg
Geachte voorzitter,
Op 29 mei jl. heeft de vaste commissie voor Financiën van uw Kamer
naar aanleiding van mijn brief van 22 april 2009 met een reactie op
een motie en enkele toezeggingen in relatie tot het Belastingplan
2009 enkele vragen gesteld. Hieronder ga ik in op de vragen,
waarbij zoveel mogelijk de thematische indeling van mijn voornoemde
brief is aangehouden. Tevens maak ik van de gelegenheid gebruik om
mijn reactie te geven op de motie Tang inzake box 3.
Ouderschapsverlofkorting
De leden van de fractie van het CDA hebben enkele aanvullende
vragen gesteld over de ouderschapsverlofkorting en vragen om een
aantal berekeningen in verband met de (gedeeltelijke)
niet-verzilvering. Bij de gemaakte berekeningen in de brief over de
toezeggingen van het Belastingplan 2009 is uitgegaan van de
gegevens van het CBS en het SCP over het gebruik van
ouderschapsverlof. Hieruit kan worden afgeleid dat werknemers in de
praktijk gemiddeld negen uur per week verlof opnemen over een
periode van negen maanden. Bij het gespreid opnemen spelen diverse
overwegingen een rol, waaronder de inkomensachteruitgang
veroorzaakt door het niet of slechts gedeeltelijk doorbetalen van
het loon gedurende de periode van ouderschapsverlof. 30% van de
mannen en 40% van de vrouwen die afzien van ouderschapsverlof geven
de te lage vergoeding als belangrijkste reden. Als desondanks wordt
uitgegaan van de veronderstelling dat de maximale verlofperiode van
26 weken in één kalenderjaar wordt opgenomen, dan leidt dit tot het
volgende resultaat. In 2009 heeft een alleenstaande een resterend
bruto inkomen van € 29 960 (bruto WML + € 11 900) nodig om de
maximale ouderschapsverlofkorting van € 4 150 te kunnen
verzilveren. In combinatie met de aanname dat geen
werkgeversbijdrage wordt uitbetaald, impliceert dit dat het bruto
‘basisinkomen’ € 59 920 zou moeten bedragen. Voor een
alleenverdiener geldt een resterend bruto inkomen van € 25 760
(bruto WML + € 7 700) en een bruto basisinkomen van € 51 520.
Tweeverdieners met beide een resterend bruto WML kunnen de maximale
ouderschapsverlofkorting geheel verzilveren. Dit impliceert dat
voor één van beide partners een modaal basisinkomen volstaat. Uit
het inkomensbestand van de totale beroepsbevolking met kinderen tot
8 jaar blijkt dat 93% van de alleenstaanden, 63% van de
alleenverdieners respectievelijk 26% van de tweeverdieners een
bruto-inkomen heeft beneden deze inkomensgrenzen. In totaliteit
gaat het om een percentage van 30% van de relevante
beroepsbevolking dan wel 55% van de relevante werkzame huishoudens.
Overigens is bij deze berekeningen geen rekening gehouden met
aftrekposten als de hypotheekrenteaftrek. In het bestaande
microsimulatiemodel is het niet mogelijk om dergelijke individuele
aftrekposten op een adequate manier te betrekken, zelfs niet als
zou worden uitgegaan van een gemiddelde hypotheekrenteaftrek. Dit
gemiddelde zou dan tevens gecorrigeerd moeten worden voor alle
huishoudens zonder hypotheekrenteaftrek, die immers ook gebruik
kunnen maken van ouderschapsverlof. Onder de aanname dat 26 weken
ouderschapsverlof in één jaar worden opgenomen, is uiteraard sprake
van een hoger percentage (gedeeltelijke) niet-verzilvering. De mate
waarin deze niet-verzilvering zal optreden, is vanzelfsprekend
afhankelijk van individueel te maken keuzes. In dat kader wijs ik
er nog eens op dat het gemiddelde opnamepatroon volgens de
Emancipatiemonitor negen uur per week blijkt te zijn. Het kabinet
ziet de (gedeeltelijke) niet-verzilvering dan ook nadrukkelijk niet
als een probleem, omdat uit het antwoord zoals geformuleerd in de
brief over de toezeggingen van het Belastingplan 2009 naar voren is
gekomen dat het verwachte percentage van (gedeeltelijke)
niet-verzilvering beperkt blijft.
De leden van de fractie van GroenLinks hebben eveneens enkele
aanvullende vragen gesteld over de verzilvering van
ouderschapsverlofkorting. Bij de beantwoording van deze vragen
wordt uitgegaan van de veronderstellingen zoals geformuleerd in de
brief over de toezeggingen van het Belastingplan 2009. Een
alleenstaande ouder heeft een bruto inkomen van € 21 360 (bruto WML
+ € 3 300) nodig om de gemiddelde ouderschapsverlofkorting van € 1
200 geheel te kunnen verzilveren. Bij een gemiddeld opnamepatroon
heeft 54% van de alleenstaande ouders heeft een inkomen beneden
deze grens. De correctie van 5% naar 2% is toegepast om te
corrigeren voor het feit dat lager opgeleiden minder gebruik maken
van ouderschapsverlof. Uit de gegevens van het CBS en het SCP
blijkt dat middelbaar opgeleide mannen en vrouwen bijna twee keer
zo vaak ouderschapsverlof opnemen als lager opgeleiden. Hoger
opgeleiden doen dit zelfs ruim drie keer zo vaak. De verklaring
daarvoor is dat relatief meer hoger opgeleiden werken in sectoren
waar de werkgever het loon doorbetaalt. Dit maakt opname van
ouderschapsverlof aantrekkelijker. Om tot de gemaakte correctie te
komen is inderdaad uitgegaan van een correlatie tussen het
opleidings- en het inkomensniveau. Deze correlatie impliceert dat
het gevonden percentage van 5% werkenden met een inkomen beneden de
gestelde inkomensgrenzen een overschatting is van het percentage in
deze groep dat daadwerkelijk het gemiddelde ouderschapsverlof
opneemt. Daarom is een correctie met een factor 2,5 toegepast,
waardoor het uiteindelijke percentage van (gedeeltelijke)
niet-verzilvering uitkomt op 2%. Omdat de (gedeeltelijke)
niet-verzilvering beperkt blijft tot 2% en de groep met
(gedeeltelijke) niet-verzilvering overwegend een laag
inkomensniveau heeft en/of in deeltijd werkt, is het bestaande
kabinetsbeleid van stimulering van (verdere) arbeidsparticipatie en
stimulering van de eigen ontwikkeling ook hier een passend
antwoord. Dit geldt ook voor alleenstaande ouders. Door de
verlaging van de alleenstaande-ouderkorting onder gelijktijdige
verhoging van het maximum van de inkomensafhankelijke
combinatiekorting worden ook zij gestimuleerd om meer te gaan
werken. Bij een stijgend inkomen zullen zij ook in grotere mate de
ouderschapsverlofkorting kunnen verzilveren.
Ook de leden van de fractie van de ChristenUnie hebben enkele
aanvullende vragen gesteld over de ouderschapsverlofkorting. Zij
vragen zich af, of ik onderken dat in de opname van de
ouderschapsverlofkorting een negatieve ontwikkeling zit. Ik
onderken dat niet. In de Emancipatiemonitor van het CBS en het SCP
wordt de bedoelde ontwikkeling juist als positief ervaren. Mannen
zijn immers meer uren ouderschapsverlof per week gaan opnemen en
vrouwen zijn in de afgelopen jaren tijdens hun verlofperiode
gemiddeld meer uren blijven werken. Daarmee groeit het
arbeidsmarktgedrag van werkende mannen en vrouwen naar elkaar toe.
Overigens is de totale verlofduur van vrouwen niet afgenomen:
vrouwen zijn het verlof over een langere periode gaan spreiden.
Voorts vragen deze leden naar de inkomensachteruitgang en de opname
van ouderschapsverlofkorting. Naast de voorwaarde van
inkomensachteruitgang was het recht op ouderschapsverlofkorting tot
nog toe afhankelijk van de voorwaarde dat betrokkene deelnam aan de
levensloopregeling. Deze koppeling is met ingang van 1 januari 2009
losgelaten. Iedereen die gebruik maakt van ouderschapsverlof heeft
– als aan de overige voorwaarden is voldaan – recht op de
ouderschapsverlofkorting. In combinatie met de verlenging van 13
naar 26 weken van het wettelijke recht op ouderschapsverlof met
ingang van 1 januari 2009 betekent dit dat ouders makkelijker en
gedurende een langere periode in staat worden gesteld om zelf voor
hun kind te zorgen. Met andere woorden, een vereenvoudigd recht op
een betere doorbetaling in de vorm van de verhoogde
ouderschapsverlofkorting leidt volgens deze inzichten tot een hoger
gebruik van ouderschapsverlof. Dit hoger gebruik ziet zowel op het
aantal personen dat van de regeling gebruik maakt – namelijk
degenen die voorheen geen recht hadden, omdat zij niet deelnamen
aan de levensloopregeling – als op het aantal uren.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar een
schatting van het aantal ouders dat geen gebruik zal kunnen maken
van de ouderschapsverlofkorting vanwege de loonsontwikkeling. Tot
mijn spijt zijn de benodigde gegevens om tot een dergelijke
inschatting te kunnen komen niet beschikbaar. Overigens merk ik op
dat de gevraagde inschatting van het aantal personen dat als gevolg
van de loonsontwikkeling geen recht heeft op de
ouderschapsverlofkorting geen aanvullende beleidsconclusies zou
opleveren. De ouderschapsverlofkorting is bedoeld als financiële
tegemoetkoming wanneer gebruik wordt gemaakt van het
ouderschapsverlof. Aan het recht op deze financiële tegemoetkoming
is de voorwaarde gekoppeld dat sprake moet zijn van een
inkomensachteruitgang. Bij een zodanige positieve loonsontwikkeling
tijdens het ouderschapsverlof dat er feitelijk geen sprake is van
een inkomensachteruitgang acht het kabinet een verdere financiële
tegemoetkoming niet nodig.
Tot slot vragen deze leden naar het aantal ouders dat geen gebruik
kan maken van de ouderschapsverlofkorting in verband met het
opnamepatroon. Deze vraag heeft betrekking op de mate waarin door
een bovengemiddelde opname van ouderschapsverlof een groter
gedeelte van de ouderschapsverlofkorting (gedeeltelijk) niet
verzilverd zal kunnen worden. In de berekeningen om te komen tot
het percentage van (gedeeltelijke) niet-verzilvering is uitgegaan
van een gemiddeld opnamepatroon. In de brief over de toezeggingen
van het Belastingplan 2009 wordt gebruik gemaakt van
aangiftegegevens van 2006. Uit deze aangiftegevens, waarbij de
daadwerkelijke opnamepatronen zijn meegenomen, blijkt dat de
(gedeeltelijke) niet-verzilvering ook beperkt blijft tot 2%. Tevens
blijkt uit deze gegevens geen relatie tussen de hoogte van het
verzamelinkomen en de hoogte van de ouderschapsverlofkorting. De
spreiding rond het gemiddelde opnamepatroon was gelijkmatig
verdeeld. De veronderstelling is dat de versoepelde voorwaarden
niet leiden tot een andere spreiding rond het gemiddelde
opnamepatroon dan in 2006, waardoor het gevonden percentage ook in
2009 van toepassing zal zijn.
Werken aan Winst
De leden van de fracties van het CDA en de VVD hebben met
betrekking tot de afschrijvingsbeperking van gebouwen uit de Wet
werken aan winst gevraagd met welke sectoren overleg heeft
plaatsgevonden en welke bezwaren naar voren zijn gekomen. In
antwoord daarop kan ik melden dat er in dit kader overleg is
gevoerd met de Recron (recreatiesector) en LTO Nederland
(landbouwsector). De Recron en LTO Nederland hebben aangegeven dat
als gevolg van de Wet werken aan winst de effectieve belastingdruk
in deze sectoren is toegenomen. Ook hebben zij aangegeven dat de
investeringen onder druk staan omdat de cashflow is afgenomen.
Voorts gaven zij aan dat in de uitvoering de vraag speelt op welke
wijze de WOZ-waarde moet worden toegerekend aan de verschillende
objecten en dat er in sommige gevallen discussie is over de vraag
wat tot een gebouw behoort en wat niet.
BTW van gemeenten en provinciën bij aanleg van wegen
De leden van de fractie van het CDA hebben enkele aanvullende
vragen gesteld over de btw van gemeenten en provincies bij de
aanleg van wegen. Allereerst zijn deze leden benieuwd hoe vaak
gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot vooroverleg met de
Belastingdienst. Met enige regelmaat wordt met de Belastingdienst
overleg gevoerd over mogelijke btw-compensatiegevolgen ten aanzien
van de aanleg van wegen voor gemeenten en provincies. Vooroverleg
vindt met name plaats in gevallen waarin sprake is van een
gezamenlijke aanleg van infrastructuur voor twee of meer gemeenten
en/of provincies of waarin een weg geheel of gedeeltelijk op het
grondgebied van andere gemeenten en/of provincies wordt aangelegd.
De vooroverleggen verlopen zakelijk en constructief. In het
algemeen wordt tussen de Belastingdienst en de gemeenten en
provincies overeenstemming bereikt over de btw-compensatiegevolgen.
Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA zich af, of het
kabinet nader wil ingaan op de mogelijkheid om bij gezamenlijk
aanleggen van infrastructuur de btw onderling te verdelen. Bij de
gezamenlijke aanleg van infrastructuur voor gemeenten en provincies
bestaan geen met btw belaste prestaties tussen deze
overheidslichamen als deze lichamen voor het gezamenlijk maken van
kosten een samenwerking(sverband) aangaan dat voorafgaand aan het
maken van deze kosten schriftelijk wordt vastgelegd en waarin de
volgende afspraken staan:
• de gezamenlijk te maken en te dragen kosten
voor de aanleg van de infrastructuur worden verdeeld op basis van
een bepaalde verdeelsleutel;
• het gaat hierbij om externe kosten, die
gezamenlijk zullen worden gedragen hoewel de factuur van de externe
partij slechts aan één van de betrokken gemeenten en/of provincies
wordt gestuurd;
• de verdeelsleutel is gebaseerd op het deel van
de kosten dat is toe te rekenen aan de iedere deelnemer op te
leveren infrastructuur waarvan die deelnemer eigenaar wordt en de
onderhoudsplicht heeft;
• het risico van die kosten moeten alle
deelnemers aan de samenwerkingsovereenkomst volgens de
overeengekomen verdeelsleutel aangaan.
In die situatie kunnen de door de penvoerder van dit
samenwerkingsverband aan de andere gemeenten en/of provincies
doorberekende kosten zonder btw aan die andere deelnemers worden
doorberekend. Dit bedrag stemt dan volledig overeen met het deel
van de infrastructuur, dat aan de desbetreffende gemeente of
provincie wordt opgeleverd en door hun gebruikt wordt voor de
uitvoering van hun overheidstaak. Iedere gemeente of provincie die
deelneemt aan het gezamenlijke project heeft dan recht op
btw-compensatie voor het volgens de verdeelsleutel betaalde bedrag.
Dit wordt niet verhinderd doordat slechts één van de betrokken
overheidslichamen over de originele factuur beschikt.
Compensatie is mogelijk op basis van een doorberekening van de voor
gemene rekening gemaakte kosten op basis van kopiefacturen. In
dergelijke gevallen verrichten de betrokken gemeenten of provincies
geen met btw belaste prestaties aan elkaar. De hiervoor beschreven
voorwaarden van het leerstuk van kosten voor gemene rekening volgen
uit de rechtspraak van de Hoge Raad.
Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA in te gaan op een
aantal specifieke problemen betreffende Rijkswaterstaat en de
Dienst Landelijke gebied. Gelet op de geheimhoudingsplicht van de
Belastingdienst kan ik hier niet nader op ingaan. Wel kan ik
aangeven dat de samenwerking met Rijkswaterstaat en andere
overheden niet tot problemen leidt. Zulke berichten hebben de
Belastingdienst ook nimmer bereikt. Met betrekking tot de Dienst
Landelijke Gebied kan ik aangeven dat DLG handelt als overheid. Het
eventuele doorberekenen van kosten door DLG aan provincies gaat
zonder btw. Met betrekking tot deze doorberekeningen is geen
compensatie van btw door provincies mogelijk.
Tot slot willen deze leden weten, of anders kan worden omgegaan met
mengpercentages voor de btw. In veel gevallen heeft de
Belastingdienst met provincies en gemeenten op individuele basis
afspraken gemaakt over de compensabele btw op zogenoemde
overheadkosten. Daarbij is gebleken dat de btw-uitgaven van
provincies en gemeenten onderling zodanige verschillen vertonen dat
een vast percentage geen recht doet aan de aanspraak die elke
individuele provincie en gemeente kan doen op het
btw-compensatiefonds. Er zouden dan gemeenten/provincies zijn die
te weinig btw gecompenseerd krijgen en anderen teveel ontvangen. De
Belastingdienst heeft goede ervaringen met het afsluiten van
vaststellingsovereenkomsten waarin voor een bepaalde periode een
percentage wordt vastgelegd. Op deze wijze blijven de
administratieve lasten voor provincies en gemeenten tot een minimum
beperkt.
Onderzoek milieudifferentiatie vliegbelasting
De leden van de fractie van Groen Links stellen enkele vragen over
het onderzoek van To70 in relatie tot de afschaffing van de
vliegbelasting en milieudifferentiatie. Bij de besluitvorming van
het kabinet over de afschaffing van de vliegbelasting was het
onderzoek van To70 net bekend. Het onderzoek van To70 heeft geen
rol gespeeld bij de afschaffing, aangezien het onderzoek alleen
ziet op mogelijkheden voor milieudifferentiatie en de
milieueffecten hiervan.
Dat een milieudifferentiatie minder invloed heeft op Nederlandse
maatschappijen komt doordat die maatschappijen Nederlandse
luchthavens als thuisbasis hebben. Ze hebben, anders dan
buitenlandse maatschappijen, geen mogelijkheden om een eventuele
extra toeslag voor vuilere vliegtuigen te ontlopen door deze in te
zetten in landen zonder vliegbelasting. Buitenlandse maatschappijen
kunnen eventueel schuiven met de vliegtuigen die ze op Nederland
laten vliegen.
Alleen bij vlootvernieuwing zouden Nederlandse maatschappijen
voordeel hebben van een eventuele milieudifferentiatie per vlucht.
Beslissingen over vlootvernieuwing worden echter voor de langere
termijn genomen, de economische levensduur van vliegtuigen is
immers ruim boven de tien jaar. Maatschappijen kunnen hun bestaande
vloot dus niet op korte termijn aanpassen uit oogpunt van
financiering, planning en andere bedrijfseconomische overwegingen.
Overigens spelen milieuprestaties bij vlootvernieuwing reeds een
belangrijke rol.
Accijnzen op historische vliegtuigen
De leden van de fracties van CDA en VVD stellen enkele vragen over
een tegemoetkomende regeling in de sfeer van de accijns voor
grotere historische vliegtuigen. Indien in de sfeer van de accijns
een tegemoetkomende regeling zou worden getroffen, vereist dit een
wijziging van de Wet op de accijns. Met een zodanige regeling wordt
een belastinguitgave in het leven geroepen. Zoals bekend staat het
kabinet terughoudend tegenover het introduceren van nieuwe
belastinguitgaven. Bij de invoering van nieuwe belastinguitgaven en
intensivering van bestaande belastinguitgaven is daarom een
verplicht toetsingskader belastinguitgaven voorgeschreven.
Met behulp van het toetsingskader kan worden afgewogen of een
financiële interventie door de overheid noodzakelijk wordt geacht
en zo ja, welke vorm van interventie dan gekozen moet worden. Het
toetsingskader gaat er in beginsel vanuit dat een directe subsidie
de voorkeur verdient boven een fiscale maatregel. Daar komt nog bij
dat nieuw in te voeren belastinguitgaven en intensiveringen van
bestaande belastinguitgaven moeten worden gebudgetteerd.
Als hier sprake zou zijn van een duidelijke probleemstelling die
noodzaakt tot een financiële interventie door de overheid – waarvan
ik geenszins overtuigd ben - dan gaat het in de kern om de vraag of
de overheid het behoud van 'bewegend mobiel erfgoed' in de vorm van
een beperkt aantal grote historische vliegtuigen zou moeten
steunen. Als de overheid dat al zou moeten doen, verdient een
directe subsidie de voorkeur boven een fiscale tegemoetkoming. Uit
een oogpunt van vereenvoudiging van fiscale regelgeving,
uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid ligt een directe subsidie in
ieder geval meer voor de hand dan een wetstechnisch gecompliceerde
maatregel in de accijnswetgeving voor een beperkt aantal
vliegtuigen. Als een subsidie aan de orde zou zijn, is een subsidie
in de context van financiële regelingen ten behoeve van musea
wellicht een mogelijkheid. Gelet op het vorenstaande wordt een
tegemoetkomende fiscale regeling niet overwogen.
Informatie fijnstofdifferentiatie
De leden van de fractie van de VVD vragen wat de budgettaire
derving van het vervallen van de fijnstofdifferentiatie over het
jaar 2008 was. Zoals in mijn brief van 22 april jl. is opgemerkt,
bedroeg de budgettaire derving van de fijnstofdifferentiatie over
het jaar 2008 circa € 50 miljoen. Dit betreft uitgekeerde (en niet
teruggevorderde) bonussen. De verhogingen over 2008 ter waarde van
€ 1,7 miljoen zijn achteraf terugbetaald aan de autokoper.
De leden van de fractie van de Christenunie vragen of er, nu de
fijnstofdifferentiatie in de BPM naar aanleiding van de uitspraak
van het Gerechtshof is afgeschaft, niet een andere positieve
maatregel voor de fijnstofdifferentiatie in de plaats kan komen ter
stimulering van een schoner wagenpark. Een dergelijke maatregel is
reeds getroffen. In de tweede nota van wijziging op het
Belastingplan 2009 is opgenomen dat ter vervanging van de
fijnstofdifferentiatie voor 2009 een korting in de BPM wordt
ingevoerd van € 600 voor dieselauto’s met een fijnstofuitstoot
lager dan 5 mg/km. Deze uitstoot is in de praktijk alleen te
bereiken met een affabriek roetfilter. Voor 2010 is deze korting
vastgesteld op € 300. Vanaf 2011 verdwijnt de korting op de BPM
aangezien vanaf dat moment het affabriek roetfilter op dieselauto’s
verplicht is op grond van de Europese uitstootnormen.
Wet IB en bloot eigendom
De leden van de fractie van het CDA stellen enkele vragen met
betrekking tot mensen aan wie onder de Wet op de inkomstenbelasting
1964 (hierna: Wet IB 1964) de blote eigendom van de woning van hun
ouders is overgedragen. Onder de Wet IB 1964 was het mogelijk
gebruik te maken van de eigenwoningregeling in de situatie dat
vruchtgebruik en blote eigendom van een woning bij verschillende
belastingplichtigen zaten. De vruchtgebruiker mocht de in gebruik
zijnde woning als eigen woning aanmerken en dus renteaftrek claimen
als hij dan ook de volle waarde van de woning voor het
huurwaardeforfait meenam. In de praktijk is hier mede in het kader
van estate-planning op ingespeeld en hebben ouders onder voorbehoud
van het vruchtgebruik de (blote) eigendom van hun woning
overgedragen aan hun kinderen. Onder de Wet Inkomstenbelasting 2001
(hierna: Wet IB 2001) is dat veranderd. Voor de ouders kwalificeert
de woning niet meer als eigen woning. De woning staat hen wel als
hoofdverblijf ter beschikking, maar niet op grond van eigendom (of
recht van vruchtgebruik dat krachtens erfrecht is verkregen). Onder
de Wet IB 2001 wordt de situatie waarin de woning ter beschikking
staat op grond van een recht van vruchtgebruik gelijkgesteld aan de
situatie van gebruik of huur van de woning. De woning behoort zowel
voor de ouders als voor de kinderen tot de rendementsgrondslag van
box 3. Ook een eventuele (hypotheek)schuld wordt in aanmerking
genomen in box 3. Voor op 1 januari 2001 bestaande gevallen is in
het nieuwe belastingstelsel geen overgangsrecht getroffen. Tijdens
de parlementaire behandeling is dit uitvoerig aan de orde geweest
zodat geen aanleiding is voor toepassing van de
hardheidsclausule. Dit afwijzende hardheidsclausulebeleid is
ook al diverse keren aan de orde gesteld bij de commissie voor de
Verzoekschriften en door de Kamer vervolgens akkoord bevonden.
Voor de beoordeling van een individuele situatie hangt
vanzelfsprekend veel af van de omstandigheden van het geval. In
sommige gevallen zijn de ouders, die de blote eigendom van de
woning hebben overgedragen, er bij de invoering van de Wet IB 2001
financieel op vooruit gegaan. Zij worden voor de waarde van hun
vruchtgebruik belast in box 3, en deze waarde neemt af met de
leeftijd van de ouders. Verder hoeven zij onder de Wet IB 2001 geen
huurwaardeforfait meer aan te geven. Indien zij op deze manier een
fiscaal voordeel genieten, dan zouden zij dat aan hun kinderen
kunnen doorgeven. Dat kan onbelast zolang het binnen de
vrijstelling voor het recht van schenking blijft (in 2009 € 4 556
per jaar). Een tegemoetkoming door de overheid ligt echter niet
voor de hand. Weliswaar is het vermogen van de kinderen (de blote
eigendom van de woning) niet vrij besteedbaar of beschikbaar, maar
het is wel degelijk meer dan “papieren vermogen”. Als het
vruchtgebruik eindigt, is het blote eigendomsrecht van de woning
aangegroeid tot volle eigendom. Die aangroei van blote naar volle
eigendom is dan op een fiscaal zeer vriendelijke wijze bij de
kinderen terecht gekomen. Verder kan het feit dat een
vermogensbestanddeel geen liquide inkomsten oplevert, geen reden
zijn om af te zien van de heffing in box 3. Dit zou onmiddellijk de
deur openzetten naar blooteigendom-constructies waarmee de heffing
in de box 3 zou kunnen worden ontgaan.
De leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie hebben
vragen over landgoederen in de zin van Natuurschoonwet 1928
(hierna: NSW) waarop een zakelijk genotsrecht is gevestigd. Bij
landgoederen waarop een zakelijk genotsrecht is gevestigd komen de
houder van het genotsrecht en de blooteigenaar niet in aanmerking
voor de vrijstelling voor landgoederen in artikel 5.7 van de Wet IB
2001. Dit is een uitvloeisel van het beginsel in box 3 dat
vrijstellingen alleen gelden voor zaken in volle eigendom. De
achtergrond van dat beginsel is dat onder de Wet IB 2001 zeker
gesteld moet worden dat zich geen constructies met de blote
eigendom en genotsrechten meer kunnen voordoen. Deze constructies
waren onder de Wet IB 1964 een groot probleem en hebben tot een
bijzonder gecompliceerde regelgeving geleid. Het zou niet
verstandig zijn om op ad-hoc basis van het heldere beginsel in box
3 af te wijken. Hiermee wordt ook de eenvoud van het
belastingstelsel gediend. Ik zie niet in waarom, zoals de leden van
de fractie van de ChristenUnie aangeven, het onrechtvaardig zou
zijn om een vrijstelling enkel te verlenen aan de volle eigenaar.
Een onrechtvaardigheid kan evenmin worden afgeleid uit een verschil
in behandeling in de Wet IB en in de NSW omdat deze wetten elk een
eigen problematiek kennen met een daarop afgestemde eigen
systematiek.
Ik wil hier, naar aanleiding van de vraag van de leden van de
fractie van de ChristenUnie, aan toevoegen dat binnen box 3 één
uitzondering bestaat op het beginsel dat alleen de volle eigenaar
voor een vrijstelling in aanmerking komt. Het betreft de
vrijstelling in artikel 5.9 voor rechten op roerende zaken voor
eigen gebruik die krachtens erfrecht zijn opgekomen. Het
standaardgeval is hier een vruchtgebruik van de langstlevende
echtgenoot op bijvoorbeeld het aandeel van de overleden echtgenoot
in de inboedel van de woning. De vrijstelling voor rechten op
roerende zaken die krachtens erfrecht zijn verkregen, is gebaseerd
op de gedachte dat dergelijke rechten geen economische voordelen
genereren, aangezien het hierbij gaat om zaken die door de
belastingplichtige voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of
verbruikt. Verder verschilt deze situatie niet of nauwelijks van
een situatie waarin de betrokkene de volle eigendom van dergelijke
goederen heeft. Aangezien in de laatstgenoemde situatie geen
heffing in box 3 plaatsvindt, is het gerechtvaardigd om ook aan de
houder van een genotsrecht dat krachtens erfrecht is opgekomen een
vrijstelling te verlenen.
De leden van de fractie van de VVD vragen waarom geen
monumentenaftrek wordt verleend voor monumentale tuinen van een
buitenplaats die onder de NSW is gerangschikt, indien deze tuin in
box 3 valt. Op grond van artikel 6.31 van de Wet IB 2001 wordt een
persoonsgebonden aftrek verleend voor uitgaven voor
monumentenpanden. Daarbij kan het ofwel gaan om een eigen woning
(eerste lid, onderdeel a) ofwel om een bezitting die volgens
artikel 5.1 van de Wet IB 2001 in de heffing wordt betrokken
(eerste lid, onderdeel b). Dat laatste ziet op monumenten die in
box 3 vallen. Onlangs heb ik geconstateerd dat de letterlijke
toepassing van artikel 6.31, eerste lid, onderdeel b, er toe zou
leiden dat monumentale tuinen, die onder de NSW zijn gerangschikt,
niet voor monumentenaftrek in aanmerking zouden komen als die niet
tot een eigen woning behoren. Deze tuinen behoren immers op grond
van artikel 5.7 van de Wet IB 2001 niet tot de bezittingen in box
3, zodat door de wijze waarop artikel 6.31 is geformuleerd, geen
recht bestaat op monumentenaftrek.
Bij de totstandkoming van artikel 6.31 is niet onderkend dat dit
gevolgen zou hebben voor monumentale tuinen en evenmin is beoogd de
monumentenaftrek niet te laten gelden voor de onderhoudskosten van
die tuinen. Ik zal daarom met toepassing van artikel 63 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen (de hardheidsclausule) in deze
gevallen de aftrek verlenen, uiteraard indien ook aan de overige
vereisten voor de aftrek is voldaan. Dit zal ik ook vastleggen in
een beleidsbesluit. Ik onderzoek nog hoe de wetgeving op dit punt
zou moeten worden aangepast.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen inhoudelijk in
te gaan op de kritiek op de artikelen AK en AKa zoals die is
opgenomen in het Tijdschrift Fiscale berichten voor het Notariaat
(FBN). In mijn brief van 22 april 2009 heb ik aangegeven dat
mij is gebleken dat de gevallen die daarin worden geschetst bij de
totstandkoming van artikel Ak en AKa zijn voorzien en meegewogen en
dat ik dan ook geen aanleiding zie om deze bepalingen te laten
vervallen of aan te passen. In het genoemde artikel worden drie
punten van kritiek geuit. Het eerste punt ziet er op dat de
bijzondere overgangsbepaling voor schulden wegens overbedeling, op
het moment dat het artikel werd geschreven, wel was opgenomen in
artikel AK (dat ziet op lopende termijnen) maar niet in artikel AKa
(dat ziet op uitgestelde termijnen). Het tweede en derde punt van
kritiek was dat de versoepeling van de artikelen AK en AKa een
ruimere werking zou moeten hebben dan wel dat die artikelen in het
geheel niet zouden moeten gelden voor situaties die voortvloeien
uit erfrechtelijke of huwelijksvermogensrechtelijke verkrijgingen.
Deze kritiek is meegenomen in de uiteindelijke totstandkoming van
de genoemde bepalingen. Tijdens de behandeling van de Invoeringswet
Wet inkomstenbelasting 2001 is door de Eerste Kamer namelijk
verzocht om in te gaan op de kritiek die (onder meer) in het
artikel in het FBN was geuit. De toenmalige bewindspersonen hebben
hierop uitvoerig geantwoord. Naar aanleiding van het eerste
punt van kritiek, hebben zij de regeling voor overbedelingsschulden
ook in artikel AKa opgenomen.
In het tweede punt van kritiek wordt gesteld dat de versoepeling in
de artikelen AK en AKa tevens zou moeten gelden voor legaten tegen
inbreng, maar dat, zoals de auteur schrijft, de schade wellicht
wordt beperkt als het ruime standpunt mag worden toegepast dat als
de schuld wegens het legaat tegen inbreng wordt verrekend met het
erfdeel, het restant als een overbedelingsschuld mag worden
aangemerkt. Ook dit punt is tijdens de hiervoor genoemde
behandeling in de Eerste Kamer uitvoerig aan de orde geweest en wat
daar toen over is gezegd, acht ik nog steeds valide. Samengevat is
hierover het volgende opgemerkt. Ten aanzien van een keuze-legaat
tegen inbreng kan niet gesproken worden van een verdeling. Indien
een vermogensbestanddeel aan de boedel wordt onttrokken tegen
inbreng van de waarde blijft de boedel als zodanig in stand. Een
dergelijk keuze-legaat kan dan ook niet leiden tot overbedeling.
Wel is het denkbaar dat in een situatie van scheiding en deling
door gebruikmaking van het keuzelegaat meer aan de nalatenschap
wordt onttrokken dan waarop krachtens testament dan wel het
erfrecht bij versterf recht bestaat. In een dergelijke situatie is
het verdedigbaar om de schuld die dan ontstaat als
overbedelingsschuld aan te merken. Met dit standpunt zijn de
toenmalige bewindspersonen in belangrijke mate aan het kritiekpunt
uit het artikel in het FBN tegemoet gekomen.
Ook het derde kritiekpunt uit het FBN is bij de genoemde
behandeling in de Eerste Kamer aan de orde geweest. Het FBN vraagt
zich af waarom overbedelingen in het kader van de verdeling van een
huwelijksgemeenschap bij echtscheiding niet onder de werking van
onderdeel AK, vierde lid, vallen. Bij boedelverdelingen die
ontstaan in het kader van echtscheiding is geen sprake van een
situatie die zich buiten de invloedssfeer van de belanghebbenden
afspeelt. De regeling van onderdeel AK, vierde lid, is bedoeld om
een ongewenste onevenwichtigheid tussen de fiscale behandeling van
ontvangen versus verschuldigde overbedelingsrente weg te nemen in
situaties die zich buiten de invloedssfeer van de
belastingplichtige afspelen. Om deze reden is de regeling niet van
toepassing op echtscheidingssituaties. Het bovenstaande was voor
mij aanleiding om in de eerdere, korte, beantwoording van de vraag
van de leden van de fractie van de ChristenUnie, te concluderen dat
de kritiek in het FBN, voldoende is meegewogen bij de
totstandkoming van de bepalingen AK en AKa.
Tenslotte, in antwoord op de vraag hoe het handhaven van de
bepalingen AK en AKa zich verhoudt tot deregulering en
administratieve lastenverlichting, kan ik opmerken dat deregulering
en verlichting van administratieve lasten uiteraard belangrijke
uitgangspunten zijn, maar geen aanknopingspunten bieden om dit,
eveneens belangrijke, overgangsrecht te schrappen.
De leden van de fractie van het CDA vragen naar de gevolgen van het
bedingen van een lijfrente bij staking van een onderneming voor de
inkomensafhankelijke regelingen. Vermoedelijk doelen de leden van
de fractie van het CDA op de situatie dat in het kader van de
staking van de onderneming ter zake van de stille reserves van het
pand een lijfrente wordt bedongen. Tot en met 1992 kon dit ook via
een ‘eigen’ stamrecht-bv. Aldus vindt uitstel van belastingheffing
plaats. De lijfrentetermijnen worden te zijner tijd in aanmerking
genomen als periodieke uitkeringen en maken op dat moment onderdeel
uit van het verzamelinkomen. Omdat het verzamelinkomen dient als
grondslag voor diverse inkomensafhankelijke regelingen heeft dit
gevolgen voor bepaalde toeslagen. Als het verzamelinkomen toeneemt,
bestaat de kans dat men minder recht heeft op toeslagen. Dit vloeit
voort uit de destijds gemaakte keuze voor ondernemingsvermogen van
het pand en het bedingen van een lijfrente voor de stakingswinst
daarover. Immers een pand dat bouwkundig niet splitsbaar is en een
woon- en ondernemingsgedeelte heeft, behoort tot het keuzevermogen.
Als destijds gekozen is voor ondernemingsvermogen kan in principe
op die keuze niet worden teruggekomen. Dat is slechts anders als er
zich bijzondere omstandigheden voordoen die keuzeherziening
rechtvaardigen. Op basis van de geschetste situatie doen deze zich
niet voor.
Bijzonder tarief stakingswinsten
Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van de
ChristenUnie naar de motie Cramer bericht ik u, dat de
reactie op de motie wordt meegenomen bij het Belastingplan 2010. In
dit belastingplan zullen, zoals toegezegd bij het Belastingplan
2009, weer voorstellen worden gedaan in het kader van het fiscaal
bevorderen ondernemerschap. Het belastingplan wordt op Prinsjesdag
aan de Kamer gepresenteerd.
Motie Tang inzake box 3
Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2009 heeft Uw Kamer de
motie Tang aangenomen, waarin wordt verzocht om een onderzoek
naar het rendement van spaarrekeningen in vergelijking met andere
beleggingsmogelijkheden. Tevens verzoekt uw Kamer het kabinet om
voorstellen waarbij het sparen via een spaarrekening niet fiscaal
wordt ontmoedigd. Met deze brief voldoet het kabinet aan deze
verzoeken.
Box-3 vermogen, sparen en beleggen
In de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn ruime
vrijstellingen voor de inkomsten uit sparen en beleggen opgenomen.
Voor iedere belastingplichtige geldt een heffingvrij vermogen van
circa € 20.000. Voor ouderen en kinderen gelden bovendien nog
toeslagen op deze vrijstelling. Dit heeft tot gevolg dat ruwweg
viervijfde van de Nederlandse huishoudens geen
vermogensrendementsheffing betaalt. De overige anderhalf miljoen
huishoudens betalen bijna 3 miljard euro aan
vermogensrendementsheffing. Dit komt overeen met een gemiddeld
box-3-vermogen (na aftrek van het heffingvrij vermogen) binnen de
groep die de heffing betaalt van ongeveer € 150.000 per huishouden.
De verdeling is scheef: meer dan de helft wordt betaald door de 10%
huishoudens met het hoogste inkomen.
Tabel 1: kerngegevens box 3, 2005
aantal huishoudens in Nederland (mln) 7,1
opbrengst box 3 (mld €) 3,0
aantal huishoudens met belastbaar inkomen in box 3
(mln) 1,6
gemiddeld box-3-vermogen per betrokken huishouden (€ x
1000) 150
bron: CBS
1,6 Miljoen huishoudens betalen dus belasting in box 3. Ruim de
helft (55%) van deze groep bezit effecten: aandelen en obligaties.
Het effectenbezit loopt op met het inkomen. Uit tabel 2 blijkt dat
zowel het bezit van aandelen als dat van beleggingsfondsen en
obligaties toeneemt met het inkomen.
Tabel 2: Vermogensbestanddelen Nederlandse huishoudens op basis van
het DNB-Household Survey 2007, naar inkomensgroep
inkomensgroep onderste 40%
middelste 30% bovenste 30%
% van totaal aantal huishoudens dat de betreffende titel bezit
Bank- en spaarrekeningen 98
99 97
Obligaties 3
5 8
Aandelen 7 11
18
Beleggingsfondsen 14
22 29
Lijfrenten/koopsompolissen 14
25 32
Kapitaalverzekeringen 11
25 32
Spaarloon 18
34 43
Levensloop 2
4 6
Overige financiële bezittingen
8 12 12
box-3 vermogen (2005; bron CBS)
12 21 38
Bron: De Nederlandsche Bank, CBS.
Overigens blijkt ook dat een vermogen in box 3 of het bezit van
aandelen soms gepaard gaat met een laag inkomen. Ook in de laagste
inkomensgroepen zijn betalers van vermogensrendementsheffing en
aandelenbezitters te vinden. Dit is bij voorbeeld het geval
bij ouderen zonder aanvullend pensioen die interen op hun vermogen.
Rendementen
Op de lange termijn neemt het rendement van vermogensbestanddelen
toe met het risico dat de houder ermee loopt. Aandelen hebben
dus een hoger rendement dan staatsleningen en het rendement op
obligaties is hoger dan het rendement op spaarrekeningen, dat
immers direct opvraagbaar is.
Aandelen herbergen het meeste risico en leveren op lange termijn
het hoogste rendement. In grafiek 1 is het verloop van de AEX-index
in de periode 1989-2008 weergegeven.
Grafiek 1: AEX index (1988=100)
In de onderzochte periode heeft de index twee toppen gekend: in
1999 en 2007. Daartegenover staan in de onderzochte periode een dal
in 2002 en een sterke daling in 2008. De rendementen van jaar op
jaar fluctueren dan ook sterk. In de jaren 1999 en 2005 werden
rendementen gehaald van 30%, terwijl in 2001, 2002 en 2008 het
rendement sterk negatief was. Als het rendement over tien jaar
wordt gemiddeld, ontstaat een minder wisselend beeld. Dan blijkt
het gemiddelde jaarrendement af te nemen en over de periode
1998-2008 zelfs negatief te worden.
In grafiek 2 is de gemiddelde koersontwikkeling over tien jaar
vergeleken met de lange rente.
grafiek 2: 10-jaars gemiddelde groei AEX-index, lange rente.
Zowel de over tien jaar gemiddelde koersontwikkeling als de lange
rente zijn in de beschouwde periode gedaald. Afgezien van de
koersdalingen in 2007 en 2008 is de koersstijging hoger dan de
rente. De lange rente beweegt zich sinds de belastingherziening van
2001 rond het forfaitair rendement van vier procent.
In dit verband wordt erop gewezen dat in de laatste periode het
hoogste (gegarandeerde) rendement is behaald op depositorekeningen
tot max € 100 000. Dit rendement lag rond het forfaitair rendement
en was hoger dan gegarandeerde rentepercentages welke door grote
institutionele beleggers behaald konden worden(!). Het
rentepercentage waartegen de staat op de geldmarkt van grotere
beleggers leent is aanzienlijk lager dan de rente op door het
depositogarantiestelsel gegarandeerde deposito’s.
Belasting van grote en kleine vermogens
De belastingheffing over vermogensinkomsten laat de inkomsten uit
een deel van het vermogen vrij. Dit zogenaamde heffingvrij vermogen
bedraagt in 2009 € 20 661 per persoon. Twee fiscale partners kunnen
dus een vermogen hebben van € 41 322 zonder
vermogensrendementsheffing te hoeven betalen. Voor huishoudens met
kinderen en sommige ouderen is het heffingvrij vermogen nog hoger.
Door dit heffingvrij vermogen worden grote vermogens gemiddeld
hoger belast dan lage vermogens (zogenaamde ‘Benthamse’ progressie)
Tabel 3: druk van de vermogensrendementsheffing naar aantal
huishoudens
Druk van box 31
bij een afgerond vermogen van (alleenstaanden)
bij een afgerond vermogen van (fiscale partners)
Percentage
alle huishoudens
0 < 21 000 < 41
000 80,4%
tussen 0 en 0,2% 21 000 – 25
000 41 000 – 50 000
2,5%
tussen 0,2% en 0,4% 25 000 – 31
000 50 000 – 62 000 2,8%
tussen 0,4% en 0,6% 31 000 – 41
000 62 000 – 83 000 2,9%
tussen 0,6% en 0,8% 41 000 – 62
000 83 000 – 124 000 3,3%
tussen 0,8% en 1,0% 62 000 – 124
000 124 000 – 248 000
4,2%
meer dan 1,0% > 124 000 >
248 000 4%
1 In % van de grondslag inclusief heffingvrij vermogen.
bron: database Mimosi.
In tabel 3 is aangegeven bij welke vermogens welke druk van de
vermogensrendementsheffing op het totale vermogen resulteert.
Bovendien is aangegeven welk deel van de huishoudens deze druk
ervaart. Tachtig procent van de huishoudens heeft een vermogen dat
niet boven het heffingvrij vermogen uitkomt. Zij betalen dus geen
vermogensrendementsheffing. Slechts vier procent van alle
huishoudens betaalt meer dan een procent aan
vermogensrendementsheffing. Deze druk wordt voor
alleenstaanden bereikt bij een vermogen van € 123 972 en voor
paren bij het dubbele vermogen van € 247 944.
Conclusies met betrekking tot de rendementen
Het langetermijnrendement van vermogensbestanddelen wordt hoger als
het geld langere perioden wordt vastgezet en als meer risico wordt
genomen. Het rendement over de laatste tien jaar op aandelen is
negatief. De rente op tienjaars staatsleningen schommelde de
laatste tien jaar rond het forfaitair rendement van 4%.
Niet fiscaal ontmoedigen van sparen
Aanleiding voor de motie Tang is de veronderstelling dat een euro
op een spaarrekening in waarde daalt door inflatie en
vermogensrendementsheffing. Of dat het geval is, is afhankelijk van
de rente op de spaarrekening, de inflatie en het feit of die
spaarrekening onder de vermogensrendementsheffing valt. Hierboven
is al aangegeven dat ruwweg 80% van de Nederlandse huishoudens geen
vermogensrendementsheffing betaalt. Voor die groep is er in ieder
geval geen sprake van fiscale ontmoediging van een extra storting.
Het heffingsvrije vermogen beoogt voor een belangrijk deel, juist
voor de kleinere spaarders, sparen fiscaal niet te ontmoedigen.
Overigens is er geen reden om aan te nemen dat beleggers met een
groter vermogen per definitie meer risico zouden kunnen nemen en
daardoor ook meer rendement zouden kunnen generen. Via
participaties in beleggingsfondsen kan ook met kleinere bedragen
een risicovoller beleggingsprofiel worden aangehouden. Een
voorbeeld hiervan zijn zogenaamde ‘indextrackers’. Van deze
producten kan niet in het algemeen gesteld worden dat zij een lager
rendement opleveren dan ‘groot’ vermogensbeheer. Er kan ook met
kleinere bedragen in belegd worden.
De vraag is echter wel of men grote risico’s wil lopen met een
klein vermogen. Naarmate een vermogen in omvang toeneemt, zal wat
dat betreft ook het aantal mogelijkheden toenemen. Het is dan soms
makkelijker om een bedrag voor langere tijd vast te zetten,
waardoor een hogere rente kan worden bedongen. Ook heeft men met
een groter vermogen vaak meer tijd om verliezen in bijvoorbeeld
aandelen te compenseren. Basisprincipe is ook hier dat meer
rendement een beloning vormt voor het gelopen risico.
Door het heffingvrij vermogen ontstaat een Benthamse progressie in
box 3. Pas bij hoge vermogens wordt meer dan een procent belasting
betaald. De toename van de belastingdruk van nul tot meer dan een
procent is veelal groter dan de eventuele extra mogelijkheid om
meer rendement te halen.
Mogelijkheden tot grondslagverbreding en tariefsverlaging
In de motie Tang wordt de regering verzocht om te komen met
voorstellen om het sparen via een spaarrekening niet fiscaal te
ontmoedigen. Hierboven is al vastgesteld dat tachtig procent van de
huishoudens geen belasting betaalt in box 3 en dus ook geen last
heeft van eventuele ontmoediging. Desalniettemin heb ik in het
debat aangekondigd te willen kijken naar mogelijkheden van
grondslagverbreding en tariefsverlaging. Hieronder wordt een aantal
mogelijkheden tot grondslagverbreding verkend.
Voor grondslagverbreding staan de volgende opties open:
- verlaging heffingvrij vermogen met € 1
000
34 mln
- beperking belastinguitgaven
o kindertoeslag heffingvrij
vermogen 22 mln
o ouderentoeslag heffingvrij
vermogen 133 mln
o vrijstelling bos- en
natuurterrein 4 mln
o vrijstelling voorwerpen van kunst en
wetenschap 5 mln
o groen beleggen 81 mln
o sociaal-ethisch beleggen 3
mln
o cultureel beleggen 1 mln
o durfkapitaal 10 mln
o spaarloon 5 mln
o uitvaartverzekering 6 mln
o kapitaalverzekeringen (o.a. eigen
woning) 727 mln
- beperking overige inkomstenbeperkende
regelingen
o pensioenvermogens 4 300 mln
Verlaging van het algemene heffingvrije vermogen zou een bron voor
tariefsverlaging kunnen zijn. Gezien de strekking van de motie
lijkt dit echter niet voor de hand te liggen: op deze wijze zou
meer spaargeld onder box 3 gaan vallen. De kindertoeslag op het
heffingvrij vermogen is negatief geëvalueerd omdat deze toeslag
geen efficiënte bijdrage levert als tegemoetkoming aan de kosten
voor het grootbrengen van kinderen. Het afschaffen van deze
faciliteit zou echter slechts de budgettaire ruimte scheppen voor
een tariefsverlaging in box 3 van 30% naar 29,8%.
Om het tarief in box-3 van 30% ten minste met ½ procentpunt te
verlagen is meer dan € 60 miljoen nodig. Om een dergelijke
budgettaire derving te kunnen financieren blijven alleen de grote
vrijstellingen over:
- pensioenvermogens;
- kapitaalverzekeringen, waaronder de
kapitaalverzekering eigen woning;
- groen beleggen;
- ouderentoeslag heffingvrij vermogen.
Het is in de ogen van het kabinet niet opportuun om langs deze weg
te komen tot een verlaging van het tarief in box 3. Daarvoor
hanteert het kabinet de volgende argumenten:
1. De hoogte van de pensioenen staat door de
kredietcrisis al onder druk. Dit zou verergerd worden door
pensioenvermogens onder box 3 te brengen.
2. Hetzelfde geldt voor de woningmarkt. De
uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) is op dit
moment binnen bepaalde grenzen onbelast in box 1. Tijdens de opbouw
van het vermogen valt dit buiten box 3. Daarmee wordt vermogen
opgebouwd in de kapitaalverzekering ongelijk behandeld met andere
spaargelden en beleggingen. Men zou de KEW in box 3 onder kunnen
brengen. Daardoor zullen spaar- en beleggingshypotheken
echter een stuk onaantrekkelijker worden.
3. Bovendien geldt voor beide maatregelen dat er
langjarige contracten in het geding zijn. Invoering ineens zou
bestaande verwachtingen doorkruisen. Het ontzien van bestaande
gevallen zal ertoe leiden dat de directe grondslagverbreding sterk
tegenvalt.
4. Het afschaffen van de faciliteiten voor groen
beleggen tenslotte staat haaks op het door dit kabinet gevoerde
milieubeleid en zou de groene investeringen negatief beïnvloeden.
De ouderentoeslag op het heffingvrij vermogen ondersteunt juist
ouderen met een laag inkomen uit werk en pensioen die hun vermogen
gebruiken als pensioenaanvulling. Het ligt niet voor de hand deze
ouderentoeslag in te zetten voor tariefsverlaging.
Tariefsdifferentiatie sparen/beleggen
Een andere mogelijkheid zou zijn om het forfaitair rendement of het
tarief in box 3 te differentiëren naar de soort
vermogenscomponenten. Zo zouden inkomsten uit effecten zwaarder
belast kunnen worden dan inkomsten uit spaartegoeden. Dit zou
echter te zeer afbreuk doen aan de eenvoud van het stelsel.
Bovendien was een doelstelling van het uniforme tarief om geen
bevoordeling van de ene vermogenscomponent boven de andere te
bewerkstelligen. Tenslotte zou tariefsdifferentiatie weer tot
arbitrage en de ontwikkeling van specifieke fiscaal gedreven spaar-
of beleggingsproducten kunnen leiden.
Conclusie
Voor 80% van de huishoudens wordt sparen niet fiscaal ontmoedigd.
In deze brief is een aantal mogelijkheden geschetst om te komen tot
een lager tarief voor de inkomsten uit sparen en beleggen (box 3).
Voor al deze mogelijkheden geldt echter dat de nadelen groter zijn
dan het voordeel van een verlaging van de belasting in box 3.
Hoogachtend,
De staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager
Meer informatie