U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Kamerstukken
Nota naar aanleiding van verslag bij wijziging van enkele belastingwetten (reparatie in verband met arresten van de Hoge Raad inzake pensioen- en lijfrenteaanspraken)
Advies Raad van State |
30-06-2009 |
Belastingverdragen, Inkomstenbelasting
31 990
Nota naar aanleiding van het verslag op het wetsvoorstel tot
wijziging van enkele belastingwetten (reparatie in verband met
arresten van de Hoge Raad inzake pensioen- en lijfrenteaanspraken)
Algemeen
Het kabinet dankt de fracties van CDA, PvdA, VVD en SP voor de
getoonde bereidheid om mee te werken aan de beoogde spoedige
behandeling van dit wetsvoorstel. Het kabinet is verheugd met de
instemming van de leden van de PvdA-fractie met het ingediende
wetsvoorstel en met het begrip van de leden van de VVD-fractie voor
dit wetsvoorstel. Ook is het kabinet verheugd dat de fractie van de
SP aangeeft de noodzaak voor de ingreep te zien.
Het kabinet deelt de opvatting van de CDA-fractie dat de
omkeerregeling een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van ons
pensioenstelsel en dat, wanneer de vergrijzing op haar hoogtepunt
is, een substantieel deel van het inkomen bestaat uit
pensioenbetalingen. Anders dan deze leden aangeven is het echter
niet mogelijk om zeker te stellen dat Nederland later in staat is
over die pensioenen ook inkomstenbelasting en premies
volksverzekeringen te heffen. Wel kan en dient te worden geborgd
dat de fiscaal gefacilieerd opgebouwde pensioen- of
lijfrenteaanspraak ook feitelijk wordt aangewend voor het beoogde
doel ten behoeve waarvan de faciliteit is verleend, namelijk
(aanwending) als (periodieke) inkomensvoorziening. Om de
omkeerregel te kunnen handhaven moet, zoals de leden van de
PvdA-fractie terecht opmerken, in dat kader ook worden voorkomen
dat op een al te gemakkelijke wijze ten laste van de Nederlandse
Staat opgebouwde pensioen- en lijfrenteaanspraken in het buitenland
op een irreguliere wijze kunnen worden afgewikkeld.
De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering inmiddels
met hen van mening is dat een wettelijk recht op overdraagbaarheid
van pensioenen binnen de Europese Unie zou kunnen leiden tot een
fundamentele aantasting van het Nederlandse pensioenstelsel. Deze
leden zijn van mening dat alleen al daarom het hiervoor bedoelde
recht onwenselijk is.
In reactie op de vragen van deze leden wordt in het bijzonder
gewezen op het naar aanleiding van de voorgestelde
overdraagbaarheidsrichtlijn opgestelde BNC fiche
(Kamerstukken II 2005/06, 22 112, nr. 406, blz. 8 tot en met 11) en
de brief van 23 maart 2006 van de (toenmalige) minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II 2005/06, 22 112, Q, blz.
3 tot en met 6). In het BNC fiche is aangegeven dat Nederland in
het licht van de Lissabonstrategie een voorstander is van het
wegnemen van belemmeringen van de arbeidsmobiliteit. Het gaat
hierbij om zowel uitgaande maar zeker ook inkomende
arbeidsmobiliteit. Nederland schaart zich evenwel niet onverkort
achter het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie. Uit
genoemde brief van 23 maart 2006 blijkt daarnaast dat de regering
steeds het standpunt heeft ingenomen dat in een
gemeenschapsmaatregel niet enkel de belangen van de werknemers
en/of het bedrijfsleven aan de orde moeten komen. Zoals in die
brief is aangegeven ziet de Nederlandse regering idealiter een
richtlijn die – met inachtneming van het primaire gemeenschapsrecht
– ook de gerechtvaardigde belangen van de lidstaten in ogenschouw
neemt. In dat kader vindt de regering het teleurstellend dat in de
concept overdraagbaarheidsrichtlijn niets is opgenomen over de
fiscaliteit. Tot op heden is de richtlijn nog niet tot stand
gekomen.
Afgezien van de concept overdraagbaarheidsrichtlijn kan wel worden
gewezen op de artikelen 87 tot en met 90 van de Pensioenwet waarin
de voorwaarden zijn opgenomen waaronder sprake kan zijn van
waardeoverdracht naar een buitenlandse pensioenuitvoerder. Omdat
een binnenlandse overdracht in beginsel fiscaal geruisloos kan
geschieden, dient Nederland – op grond van het primaire Europese
recht – dit eveneens toe te staan in het geval sprake is van
overdracht van pensioenkapitaal naar een buitenlandse
pensioenuitvoerder. Nederland mag hiervoor wel voorwaarden stellen.
Op deze manier worden binnenlandse en buitenlandse
pensioenuitvoerders voor wat betreft informatieverplichtingen en
aansprakelijkheid in een gelijke positie gebracht.
Budgettair
De leden van de fracties van CDA, PvdA, SP en VVD hebben nadere
vragen over de budgettaire derving. De fracties van CDA en VVD
vragen meer algemeen om een nadere duiding van de genoemde
budgettaire derving, de PvdA-fractie vraagt naar de omvang van de
budgettaire derving indien reparatie van de arresten van de Hoge
Raad niet terstond zou plaatsvinden en de leden van de SP-fractie
vragen naar het geschatte verlies aan belastinginkomsten naar
aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad.
De door de Hoge Raad op 19 juni 2009 gewezen arresten over
pensioen- en lijfrenteaanspraken zouden tot een zeer forse
budgettaire derving kunnen leiden indien naar aanleiding van deze
arresten geen reparatie zou plaatsvinden. Door deze arresten is
onder het bestaande wettelijk systeem onder omstandigheden mogelijk
om te emigreren, buiten Nederland opgebouwde pensioen- of
lijfrenteaanspraken af te kopen (of anderszins op onregelmatige
wijze af te wikkelen), en vervolgens te remigreren, zonder dat
Nederland het verleende belastingvoordeel kan terugnemen. Het zou
derhalve erg aantrekkelijk worden om tijdelijk te emigreren naar
een land dat een eventuele afkoopsom niet of zeer laag belast. De
regering wijst in dit verband ook op het voorbeeld dat is geschetst
op bladzijde 2 van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel.
Zoals de leden van de SP-fractie terecht opmerken vindt de in het
wetsvoorstel bedoelde heffing – zij het alleen in situaties waarin
de jurisprudentie daartoe dwingt – niet meer naar de waarde in het
economische verkeer van de pensioen- of lijfrenteaanspraak plaats,
maar naar de bedragen waarvoor bij de verwerving van de pensioen-
of lijfrenteaanspraak een belastingvoordeel is genoten. Dat
betekent inderdaad – zoals de leden van de SP-fractie
veronderstellen – dat de overheid alleen het belastingbedrag kan
terugvragen dat iemand bij de inleg van de premie aan voordeel
heeft genoten en dat er dus niet wordt geheven over de inkomsten
uit vermogensaangroei. Dit betekent – anders dan de leden van de
SP-fractie concluderen – echter niet dat het door de arresten van
de Hoge Raad geslagen gat maar gedeeltelijk gedicht kan worden. De
potentiële budgettaire derving zag op de groep belastingplichtigen
die normaliter niet zo snel aan emigratie zou denken, maar voor
wie, ingeval reparatie volledig achterwege zou zijn gebleven,
(tijdelijke) emigratie, gericht op het niet op reguliere wijze
hoeven aanwenden van de pensioen- of lijfrenteaanspraak als
inkomensvoorziening, dermate aantrekkelijk zou zijn geworden, dat
budgettaire gevolgen voor de schatkist onvermijdelijk zouden zijn
geworden. Bij de thans voorgestelde reparatie – waarbij in ieder
geval het eerder genoten belastingvoordeel wordt teruggenomen –
zullen deze belastingplichtigen naar verwachting alsnog afzien van
een dergelijke (tijdelijke) emigratie.
De conclusie van de SP-fractie dat de reparatiewet geen directe
gevolgen heeft voor belastingplichtigen die uit fiscale
overwegingen zijn geëmigreerd in de periode tussen de datum van
inwerkingtreding van de Wet IB 2001 en de datum van
inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel, is – althans
voor zover de emigratie plaatsvond naar een land waarmee een
regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die
het (naar nu blijkt) niet mogelijk maakte om een conserverende
aanslag op te leggen – juist. Het gaat hierbij echter om een groep
die ook onder het destijds geldende regime bereid was alles in het
werk om te stellen om te voorkomen dat de uitkeringen in Nederland
zouden worden belast. Ook het volmaken van de tienjaarsperiode – na
afloop waarvan de conserverende aanslag definitief zou zijn
kwijtgescholden – zou voor deze groep derhalve een reële optie zijn
geweest. De kans dat Nederland bij deze groep zou kunnen heffen was
in zoverre derhalve reeds verwaarloosbaar. Het arrest leidt wat dat
betreft derhalve niet tot additionele budgettaire consequenties.
Het belang van het arrest voor deze groep is met name dat men als
gevolg van de arresten desgewenst op een eerder moment naar
Nederland kan terugkeren.
Vragen bij het voorliggende wetsvoorstel
De leden van het CDA vragen in hoeverre civiele wetgeving afkoop
van de pensioen- en lijfrenteaanspraak voorkomt en of hier in de
uitvoeringspraktijk de hand aan wordt gehouden. Eén van de fiscale
voorwaarden die gesteld worden aan een pensioen en lijfrente is dat
de aanspraak hierop niet kan worden afgekocht, vervreemd,
prijsgegeven of formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid kan
worden. Desalniettemin is ook in artikel 19b van de Wet op de
loonbelasting 1964 geregeld, wat de gevolgen zijn ingeval zich toch
een van deze omstandigheden voordoet. Het civiele recht noch de
Pensioenwet werpt daartegen voldoende belemmeringen op. Daarbij is
mede van belang dat de pensioenovereenkomst van de
directeur-grootaandeelhouder in beginsel niet onder de Pensioenwet
valt. Het afkoopverbod uit de Pensioenwet is daarom niet van
toepassing op de pensioenaanspraken van
directeuren-grootaandeelhouders. Afkoop, vervreemding en verpanding
van dergelijke pensioenaanspraken wordt ook niet beperkt door
civiele wetgeving.
De leden van de fractie vragen om een rekenvoorbeeld in het geval
het pensioen al is ingegaan en de conserverende aanslag op de
waarde in het economische verkeer gesteld kan worden indien deze
waarde lager is dan de totaal betaalde premies.
In het onderstaande voorbeeld is sprake van een pensioenregeling
met een doorsneepremie van 15% van de pensioengrondslag. In zo'n
regeling met een jaarlijkse opbouw van 1,75% kost opgebouwd
pensioen van € 10.000 gemiddeld € 85.700. De waarde in het
economische verkeer van een ouderdomspensioen van € 10.000 op 77
jarige leeftijd is ongeveer € 83.000. Bij emigratie op of na die
leeftijd is de waarde in het economische verkeer dan het
uitgangspunt. In het geval ook nog sprake is van een
partnerpensioen van € 7.000 ligt het omslagpunt bij ongeveer 84
jaar. Op dat moment is de waarde in het economische verkeer
namelijk € 85.600 en dus ongeveer gelijk aan de betaalde premies.
Voor de berekening van de waarde in het economische verkeer is
uitgegaan van een rente van 4%, de overlevingstafels GBM/GBV
2000-2005 met leeftijdscorrectie van -5 en -6 en leeftijdsverschil
3 jaar. Bij een rekenrente van 3 % zijn de omslagpunten de leeftijd
van 78 respectievelijk 86 jaar.
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de meeste
pensioenregelingen een risicobasisdekking hebben voor het
nabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen. De
premie daarvoor leidt tot een dekking in dat jaar maar niet tot de
opbouw van kapitaal. Zij vragen hoe zal worden omgegaan met
risicopremie.
De belangrijkste risico's die in de praktijk worden verzekerd zijn
het vooroverlijdensrisico en de premievrijstelling bij
arbeidsongeschiktheid. Hiervoor worden premies betaald. In hoeverre
deze premies bij het opleggen van een conserverende aanslag als
negatieve uitgaven uit inkomensvoorzieningen in aanmerking worden
genomen, hangt in de eerste plaats af van de vraag in hoeverre hier
sprake is van afzonderlijke, afgesplitste aanspraken. Als er geen
sprake is van afzonderlijke, afgesplitste aanspraken, is er geen
aanleiding om deze premies niet mee te nemen. Ook deze premies zijn
in dat geval onderdeel van de betaalde premies ingevolge de
aanspraak die tot het opleggen van de conserverende aanslag leidt.
Als er wel sprake is van afzonderlijke, afgesplitste aanspraken,
hoeven de daarvoor betaalde premies uitsluitend in aanmerking te
worden genomen indien de daardoor ontstane aanspraken op het moment
van emigratie nog bestaan. Dat laatste geldt eveneens voor premies
die zijn betaald voor aanspraken op een
arbeidsongeschiktheidspensioen.
De leden van de CDA-fractie wijzen er op dat soms niet meer te
achterhalen valt hoeveel pensioenpremie is betaald door werkgever
en werknemer en vragen zich af wat de procedure zal zijn in
dergelijke gevallen.
De verwachting is dat het bij individuele regelingen (zoals
lijfrente) zonder meer mogelijk is om de premiehistorie te
achterhalen. Ook voor pensioenpremies zal dit in beginsel het geval
zijn. Voor het geval de premiehistorie echter niet goed te
achterhalen is (hetgeen het geval zou kunnen zijn bij grote
collectieve fondsen en contracten die uitgaan van
loonsomgerelateerde afdrachten door de werkgever, in situaties waar
sprake is van waardeoverdracht waarbij het premieverleden niet mee
is overgegaan of in situaties dat pensioen in (intern) eigen beheer
wordt opgebouwd), bevat het wetsvoorstel een delegatiebepaling
(artikel 3.136, zevende lid, Wet IB 2001) op grond waarvan nadere
regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de bepaling van de
omvang van de in artikel 3.136, tweede lid, Wet IB 2001 bedoelde
premies en de in artikel 3.136, derde lid, Wet IB 2001 bedoelde
aanspraken en bijdragen. Het is de bedoeling dat in deze situaties
de premiehistorie forfaitair wordt bepaald, maar
belastingplichtigen uiteraard wel de mogelijkheid krijgen van
tegenbewijs. Bij de forfaitaire benadering zullen elementen als de
waarde van de pensioenaanspraak ten tijde van de emigratie, het
aantal relevante opbouwjaren (zie voor pensioen artikel 10a van het
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965) en een verondersteld
rendement worden gehanteerd. Als gezegd zullen belastingplichtigen
de mogelijkheid krijgen voor tegenbewijs indien zij van mening zijn
dat de forfaitair bepaalde premiehistorie te hoog is.
De leden van de CDA-fractie wijzen er op dat bij koopsommen van
recente datum veelvuldig sprake is van beleggingsverliezen. Deze
leden vragen in dit verband waarom bij nog niet ingegane pensioenen
is gekozen voor het terugnemen van het genoten belastingvoordeel en
niet voor de waarde in het economisch verkeer. Dezelfde vraag kan
volgens deze leden worden gesteld voor pensioenen, die bij een
pensioenfonds zijn opgebouwd, en waarbij vooral bij
middelloonregelingen en eindloonregelingen aan het begin van de
carrière veelal sprake zal zijn van een fors lagere opbouw van
aanspraken dan van premiebetalingen. Zeker nu die
pensioenaanspraken een aantal jaren niet zijn geïndexeerd ligt het
naar het oordeel van deze leden voor de hand dat ook hier gekozen
kan worden voor de waarde in het economisch verkeer, zijnde precies
de overdrachtswaarde en niet voor de betaalde premies.
Hoewel het kabinet begrip heeft voor het bovenstaande voorstel van
de leden van de CDA-fractie, zou het in feite in ieder geval deels
een terugkeer naar het tot 19 juni 2009 geldende systeem betekenen.
Gelet op de arresten van de Hoge Raad is dat naar het oordeel van
het kabinet geen optie meer. Een heffing over de waarde in het
economische verkeer wijkt naar het oordeel van de Hoge Raad niet
wezenlijk af van heffing over (een gedeelte) van de afkoopsom zelf,
zodat deze heffing in strijd zou zijn met de goede trouw die bij de
uitleg en toepassing van belastingverdragen in acht moet worden
genomen.
Zoals hiervoor is aangegeven, is in het wetsvoorstel met betrekking
tot aanspraken waarvan de uitkering reeds is ingegaan wel voorzien
in de mogelijkheid de waarde in het economische verkeer in
aanmerking te nemen ingeval deze lager is dan de bedragen waarvoor
bij de verwerving van de pensioen- of lijfrente aanspraak een
belastingvoordeel is genoten. Afgezien van het feit dat dit ook zo
was geregeld in het tot 1 januari 2001 voor lijfrenten geldende
systeem, waar de Hoge Raad naar verwijst, past het ook bij de
achtergrond van de maatregel. Met de conserverende aanslag voor
pensioen en de lijfrente wordt immers beoogd om zoveel mogelijk te
borgen dat de fiscaal gefacilieerd opgebouwde pensioen- of
lijfrenteaanspraak ook feitelijk wordt aangewend voor het beoogde
doel ten behoeve waarvan de faciliteit is verleend, namelijk
(aanwending) als inkomensvoorziening. Voor zover reeds uitkeringen
hebben plaatsgevonden, kan niet worden gesteld dat de ten laste van
de Nederlandse schatkist verleende fiscale faciliteit ten onrechte
is verleend. Het terugnemen van de volledige premieaftrek zou in
dat geval derhalve niet passend zijn. Zeker bij reeds gedurende
langere tijd lopende uitkeringen, zal het bedrag van de premies
hoger kunnen zijn dan de waarde van de aanspraak op dat moment.
Gelet op het bovenstaande wordt in die situatie ten hoogste de
waarde in het economische verkeer in aanmerking genomen.
De leden van de CDA-fractie vragen naar de ruimte die de arresten
van de Hoge Raad laten. Zij vragen hierbij in te gaan op de
opmerking van de Raad van State dat 'Uit de arresten van 19 juni
2009 kan niet worden afgeleid dat een en ander ook zonder meer voor
de pensioenen geldt. Daarbij moet in aanmerking genomen worden dat
voor de pensioenpremies nimmer een met artikel 45c, derde lid, Wet
IB 1964 overeenkomende regeling heeft gegolden en dat het
terugnemen van de aftrek voor pensioenpremies, gelet op de
rangorderegeling, in het wettelijk systeem loon vormt, en derhalve
niet als een negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen
kwalificeert. Zou aan overeenkomstige voorwaarden als ten aanzien
van de terugname van lijfrentepremies moeten worden voldaan, vergt
dit een aanmerkelijke ingreep in het wettelijke stelsel'. De leden
van de fractie van het CDA vragen in dat kader waarom de regering
denkt dat het introduceren van een regeling tot terugneming van de
aftrek voor pensioenpremies bij emigratie niet strijdig is met de
goede trouw die tussen verdragspartners geldt. Deze leden verwijzen
hierbij naar de artikelen 26, 27, 31 tot en met 33 van het Verdrag
van Wenen inzake het verdragenrecht.
De arresten van de Hoge Raad laten naar het oordeel van het kabinet
ruimte voor een heffing bij belastingplichtigen die in Nederland
een belastingfaciliteit hebben gehad bij de opbouw van een
pensioen- of lijfrenteaanspraak. In situaties waarin een regeling
ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is die dateert
uit de periode voor de invoering van het genoemde regime en welke
voorziet in een exclusieve woonstaatheffing ter zake van
(niet-periodieke) pensioen- en/of lijfrente-inkomsten, kan de
heffing volgens de arresten van de Hoge Raad echter niet
plaatsvinden naar de waarde in het economische verkeer van de
pensioen- of lijfrenteaanspraak ten tijde van de emigratie, maar
dient de heffing te worden beperkt tot de bedragen waarvoor bij de
verwerving van de pensioen- of lijfrenteaanspraak door de
belastingplichtige een belastingvoordeel is genoten.
Voor lijfrenten wordt deze mogelijkheid door de Hoge Raad expliciet
genoemd in het arrest van 19 juni met zaaknummer 44.050. Gewezen
wordt op rechtsoverweging 3.3.4 waar de Hoge Raad een verbinding
legt met het arrest HR 7 december 2001, nr. 35.231, BNB 2002/42.
Voor het terugnemen van in het verleden (indertijd) vrijgestelde
pensioenaanspraken en bijdragen volgt deze ruimte naar het oordeel
van het kabinet uit rechtsoverweging 3.4.2 van het arrest van 19
juni 2009 voor de zaak 43.978. In deze centrale rechtsoverweging
legt de Hoge Raad een verbinding met het arrest HR 13 mei 2005, nr.
39 610, BNB 2005/233. Uit de overwegingen van de Hoge Raad kan naar
het oordeel van het kabinet worden afgeleid dat het volgens de Hoge
Raad niet in strijd is met de goede verdragstrouw om de destijds in
aftrek gebrachte (lijfrente)premies onderscheidenlijk de indertijd
vrijgestelde pensioenaanspraken en -bijdragen in de conserverende
aanslag bij emigratie te betrekken, mits dit berust op een
wettelijke bepaling.
In dit kader wordt ook verwezen naar hetgeen hierover in de
memorie van toelichting is opgemerkt, mede in verband met de
hiervoor van belang zijnde overwegingen van de Hoge Raad in de
arresten van 19 juni 2009. Van mogelijke strijdigheid met het
Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, meer in het bijzonder
met de bepalingen die de toepassing en uitleg van
belastingverdragen in overeenstemming met de goede trouw,
betreffen, is met de in het onderhavige wetsontwerp voorgestelde
regeling naar het oordeel van het kabinet als dan eveneens geen
sprake.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan verzekeren
dat geen nadere aanpassingen nodig zijn in niet genoemde
wetsartikelen. Hoewel er op dit moment geen aanwijzingen zijn dat
nadere aanpassingen nodig zijn, kan de door de leden van de
CDA-fractie gevraagde garantie helaas nooit worden gegeven. Dat
geldt dus ook voor dit dossier.
De leden van de CDA-fractie merken terecht op dat het voorgestelde
derde lid van artikel 3.136 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gaat
over aanspraken en bijdragen. Het gaat derhalve enerzijds om het
bedrag dat op het moment van toekenning als gevolg van de in
artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting
1964 opgenomen vrijstelling niet tot het loon is gerekend (de
werkgeversbijdrage) en anderzijds om het bedrag dat op dat moment
als gevolg van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 1°,
van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen vrijstelling is
afgetrokken, dat wil zeggen – aansluitend bij de woorden van de wet
– eveneens niet tot het loon is gerekend (de werknemersbijdrage).
Het rendement – dit in antwoord op de leden van de CDA-fractie –
wordt daarmee automatisch geëlimineerd.
In antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie waarom het
voorgestelde vierde lid van artikel 3.136 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 verwijst naar een staat als bedoeld in het
tweede lid van dat artikel, hoewel in dat tweede lid deze term niet
voorkomt, wordt het volgende opgemerkt. Artikel 3.136, tweede lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van toepassing ingeval de
belastingplichtige inwoner wordt van een staat waarmee Nederland
een zodanige regeling ter voorkoming van dubbele belasting is
overeengekomen dat artikel 3.136, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 niet kan worden toegepast. Ook de
verwijzing in het vierde lid ziet derhalve op een staat waarmee
Nederland een zodanige regeling ter voorkoming van dubbele
belasting is overeengekomen dat artikel 3.136, eerste lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001 niet kan worden toegepast. Uiteraard
had ook kunnen worden gekozen voor het (opnieuw) opnemen van een
beschrijving – zoals de genoemde leden opperen – in plaats van het
opnemen van een verwijzing, maar dat zou gelet op de hiervoor
opgenomen toelichting geen toegevoegde waarde hebben gehad.
Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie om aan
te geven waarop de in het voorgestelde zevende lid van artikel
3.136 van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangekondigde ministeriële
regeling inzake de omvang van de premies ziet, wordt verwezen naar
hetgeen hiervoor is opgemerkt met betrekking tot de wijze waarop
achteraf de betaalde pensioenpremie kan worden vastgesteld.
De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering kan
aangeven welke belastingverdragen sinds 1 januari 2001 zijn
aangepast.
Recent zijn in een aantal Nederlandse belastingverdragen aan de
bronstaat uitdrukkelijk heffingsrechten toegekend ter zake van
pensioen- en lijfrente-inkomsten. Vaak bevatten deze verdragen voor
lijfrenten en pensioenen een geclausuleerde bronstaatheffing,
hetgeen wil zeggen dat de bronstaat belasting mag heffen bij
niet-reguliere afwikkeling (zoals afkoop) en in situaties waarin de
woonstaat de uitkeringen niet "adequaat" belast. Genoemd worden: de
verdragen met Portugal 1999, België 2001, Koeweit 2001, Georgië
2002, Polen 2002, Albanië 2004, Uganda 2004, Slovenië 2004, Ghana
2008 en het Verenigd Koninkrijk 2008.
Enkele andere, recente verdragen bevatten een algemene
(niet-geclausuleerde) bronstaatheffing ter zake van pensioen- en
lijfrente-inkomsten. Genoemd worden de verdragen met Armenië 2001,
Indonesië 2002, Mongolië 2002, Zuid-Afrika 2005, Jordanië 2006,
Barbados 2006, Verenigde Arabische Emiraten 2007, Bahrein 2008 en
Qatar 2008.
In het verdrag met Oezbekistan 2001 zijn pensioenen ontvangen door
een inwoner van Oezbekistan voor een in Nederland uitgeoefende
dienstbetrekking alsmede lijfrenten in Nederland belastbaar, zolang
Oezbekistan deze pensioenen of lijfrenten niet kan belasten. Voor
het overige geldt een woonstaatheffing voor pensioenen en
lijfrenten. Afkoopsommen zijn belastbaar in de bronstaat. De
verdragen Azerbeidzjan 2008 en Saudi-Arabië 2008 bevatten qua
resultaat vergelijkbare regelingen.
In reactie op de vraag van de leden van de fractie van de SP volgt
hierna een cijfervoorbeeld met betrekking tot de conserverende
aanslag voor pensioen / lijfrente van een persoon die emigreert
naar: A. een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft
gesloten dat voorziet in een bronstaatheffing ter zake van
pensioenen en lijfrenten;
B. iemand die emigreert naar een land waarmee Nederland een
belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een exclusieve
woonstaatheffing ter zake van pensioenen en lijfrenten; en
C. iemand die emigreert naar een land waarmee Nederland geen
belastingverdrag heeft afgesloten. Er wordt vanuit gegaan dat de
desbetreffende persoon, emigrant, ten tijde van zijn emigratie –
die naar wordt aangenomen plaatsvindt onder het in onderhavig
wetsontwerp voorgestelde regime voor conserverende aanslagen ter
zake van pensioen en lijfrente – gerechtigd is tot een
pensioenaanspraak met een waarde in het economische verkeer van €
600 000. Het totaal van de werkgevers- en werknemersbijdragen
bedraagt € 300 000. Als dan wordt in verband met de emigratie in de
situaties A en C een conserverende aanslag ter zake van het
pensioen opgelegd voor een bedrag van € 600 000. In situatie B,
daarentegen, wordt de conserverende aanslag ter zake van het
pensioen opgelegd naar een bedrag van € 300 000, nu op grond van de
arresten van de Hoge Raad van 19 juni 2009 de conserverende aanslag
slechts mag worden opgelegd over het bedrag waarvoor bij de opbouw
belastingvoordeel is genoten (de destijds niet tot het loon
gerekende werkgevers- en werknemersbijdragen)
Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA of de regering
kan aangeven op welke termijn zij denkt dat alle belastingverdragen
zijn aangepast, meer in het bijzonder of dat binnen 18 maanden zou
kunnen lukken. Nederland heeft met de meeste landen een
belastingverdrag dat voorziet in een exclusieve woonstaatheffing
voor pensioenen en lijfrenten. Met heronderhandelingen van
bestaande verdragen ter voorkoming van dubbele belasting is in het
algemeen een aanzienlijke tijd gemoeid. Van het resultaat van
dergelijke heronderhandelingen moet men niet al te hooggespannen
verwachtingen hebben, omdat veel landen sterk hechten aan de
genoemde woonstaatheffing en over het algemeen weinig bereidheid
tonen dat uitgangspunt geheel of gedeeltelijk op te geven, laat
staan dat heronderhandelingen van alle verdragen binnen 18 maanden
met succes zouden kunnen worden afgerond; dat is onmogelijk.
In reactie op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of er in
andere landen regelingen zijn die overeenkomen met de nu
voorgestelde regeling en of die gesanctioneerd zijn door het Hof
van Justitie van de EG merk ik het volgende op.
Er is mij geen jurisprudentie van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen bekend waarin het Hof een met het
voorgestelde samenstel van regelingen vergelijkbare regeling van
een ander land expliciet heeft af- dan wel goedgekeurd. In het
nader rapport heeft het kabinet aangegeven waarom het van
mening is dat de nu voorgestelde regeling verenigbaar is met het
Europese recht. Opgemerkt is dat artikel 3.136, tweede en derde
lid, van de Wet IB 2001 niet geïsoleerd moeten worden bekeken, maar
dat het samenstel van regelingen in ogenschouw moetworden genomen.
Als naar dit samenstel van regelingen wordt gekeken, is een
emigrant bij een niet-reguliere afwikkeling van zijn pensioen of
lijfrente nooit slechter af dan een belastingplichtige die in
Nederland blijft wonen en zijn pensioen of lijfrente niet-regulier
afwikkelt. Doordat een emigrant niet nadeliger wordt behandeld, is
van een belemmering dan ook geen sprake.
De leden van de SP-fractie vragen waarom het wetsvoorstel in de
week voor het zomerreces door de Kamer moet worden behandeld. Zij
wijzen op de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad en
zijn van mening dat een dergelijk advies meestal door de Hoge Raad
wordt overgenomen zodat het arrest geen verrassing kon zijn. Voorts
wijzen zij op antwoorden op vragen van de leden van de fractie van
de SP in het kader van het belastingverdrag met Bahrein, waarin is
opgemerkt dat de zorgen van de SP-fractie worden gedeeld maar dat
vervolgens niets over een noodwet is opgemerkt. Deze leden vragen
of de noodwet al op de plank lag en of deze niet met de Tweede
Kamer is besproken in verband met de invloed die hier van uit kan
gaan op de uitspraak van de rechter. Als het wetsvoorstel er niet
lag vervolgen deze leden, waarom is er dan pas zo laat begonnen met
het zoeken naar alternatieven?
De arresten van de Hoge Raad waren beschikbaar op 19 juni 2009,
rond elf uur. Toen werd duidelijk welke uitleg de Hoge Raad aan de
betrokken belastingverdragen heeft gegeven. Voor die tijd kon er
slechts worden gespeculeerd over deze uitkomst. In principe leken
er drie mogelijkheden te zijn. De Hoge Raad sanctioneert het toen
geldende systeem voor de conserverende aanslagen, dan wel verbiedt
dit systeem in zijn geheel, dan wel laat ruimte voor aanpassingen.
In de eerste twee situaties hoefde er niets te gebeuren op
wetgevend gebied. Ook in het geval de Hoge Raad het systeem in zijn
geheel had verboden, had wetgeving geen uitkomst kunnen bieden.
Alleen in de situatie dat de Hoge Raad ruimte laat voor
aanpassingen was wetgeving nodig. Zoals deze leden zelf al
aangeven, wordt een advies van de advocaat-generaal meestal
overgenomen, maar niet altijd. Om een wijzigingswetsvoorstel te
maken, moet duidelijk zijn wat exact de ruimte is die de Hoge Raad
openlaat. Voorbereiding van een wetsvoorstel voordat de Hoge Raad
arrest heeft gewezen, zou naar het oordeel van het kabinet een
uiterst speculatieve aangelegenheid zijn geworden. Voor deze weg is
dan ook niet gekozen. Nadat de arresten van de Hoge Raad openbaar
waren geworden, is de Ministerraad daarvan op de hoogte gebracht en
is van de gelegenheid gebruik gemaakt machtiging te vragen voor een
spoedprocedure. Nadat op 19 juni jl. het persbericht en de brieven
aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal waren verzonden,
is begonnen het met opstellen van het wetsvoorstel. Het was dus
beslist niet zo dat er een noodwetsvoorstel op de plank lag, zo kan
deze leden worden geantwoord, en dat verklaart ook waarom niet bij
eerdere gelegenheden hierover is gesproken. Dat het wetsvoorstel nu
in de week voor zomerreces door de Kamer heen moet, wordt
veroorzaakt door het feit dat de arresten zo kort voor het
zomerreces zijn gewezen. De haast die nu wordt gemaakt komt voort
uit de wens zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen.
De leden van de fractie van de SP vragen of het ministerie de
mogelijkheid van opzegging van een belastingverdrag wel eens heeft
overwogen. Dit naar aanleiding van Denemarken versus Frankrijk.
Tevens vragen deze leden of er nog meer landen zijn (naast
Nederland en Denemarken) die dezelfde problemen hebben ondervonden
met betrekking tot pensioenaanspraken. Gevraagd wordt of er contact
is geweest met Denemarken om samen te zoeken naar oplossingen.
De problematiek van de omkeerregel voor pensioenen in combinatie
met een woonstaatheffing voor pensioeninkomsten, kan bij latere
emigratie van de gerechtigde tot de pensioenuitkeringen leiden tot
een onevenwichtige situatie. Op bilateraal niveau wordt met
regelingen in belastingverdragen die voorzien in een (al dan niet
geclausuleerde) bronstaatheffing ter zake van pensioenen en
lijfrenten, getracht tot een meer evenwichtige situatie te komen.
Verwezen wordt naar het hiervoor gegeven overzicht. Dat vereist als
dan echter wel de medewerking van de andere verdragspartner. Als
die medewerking bij het heronderhandelen van een bestaand
belastingverdrag ontbreekt, kan het allerlaatste middel zijn: het
opzeggen van dat belastingverdrag, zoals Denemarken dat inderdaad
heeft gedaan in de relatie tot Frankrijk. Het opzeggen van een
belastingverdrag is echter uitsluitend een laatste redmiddel. Een
belastingverdrag gaat immers niet alleen over de toewijzing van
heffingsrechten over pensioenen en lijfrenten. Dat is slechts één
onderdeel daarvan. Het opzeggen van een belastingverdrag kan dan
ook de economieën van beide verdragspartners schaden, bijvoorbeeld
omdat dit in een verdragsloze situatie – door het gevaar van
dubbele belastingheffing – de grensoverschrijdende investeringen
over en weer niet ten goede zal komen.
In antwoord op de vraag van de SP-fractie wordt opgemerkt dat ook
bij de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 uiteraard is
nagedacht over de consequenties van het destijds voorgestelde
regime voor conserverende aanslagen voor pensioen en lijfrente met
betrekking tot belastingverdragen. Uit de parlementaire
geschiedenis kan worden afgeleid dat is aangenomen dat het
voorgestelde regeling verenigbaar was met de door Nederland reeds
gesloten belastingverdragen.
De leden van de fractie van de SP vragen of de uitspraken van de
Hoge Raad alleen implicaties hebben voor pensioen- en
lijfrenteaanspraken bij emigratie naar Frankrijk, Korea of de
Filippijnen. Voorts vragen deze leden met welke andere landen
Nederland soortgelijke afspraken heeft in het belastingverdrag.
De uitspraken van de Hoge Raad hebben in ieder geval implicaties
voor emigraties naar landen waarmee Nederland een belastingverdrag
heeft gesloten met een pensioenartikel waarvan de formulering
overeenkomt met die van de pensioenartikelen in de verdragen met
Frankrijk, Korea of de Filippijnen. Nederland heeft vele
belastingverdragen die voorzien in een exclusieve woonstaatheffing
ter zake van pensioenen (pensioenartikel) en lijfrenten (pensioen-
dan wel restartikel). Voor recente belastingverdragen die ter zake
van pensioenen en lijfrenten voorzien in een al dan niet
geclausuleerde bronstaatheffing wordt verwezen naar het eerder
opgenomen overzicht.
De leden van de SP-fractie wijzen er op dat in het wetsvoorstel ook
een regeling voor de zogenaamde dooremigratie is opgenomen. Zij
vragen hoe de Belastingdienst deze regeling gaat uitvoeren en
handhaven nu er nog geen sprake is van automatische
gegevensuitwisseling met veel landen. Stel dat iemand wil verhuizen
naar een bepaald land waar Nederland een belastingverdrag mee heeft
afgesloten dat voorziet in een bronstaatsheffing. Maakt deze
regeling het niet aantrekkelijk om eerst al dan niet fictief te
emigreren naar een land waar Nederland een belastingverdrag mee
heeft gesloten dat voorziet in een woonstaatheffing om vervolgens
pas door te emigreren naar het land van daadwerkelijke bestemming?
Uitgaande van de situatie dat bij emigratie een conserverende
aanslag is opgelegd, zal de Belastingdienst na enige tijd
controleren of het uitstel (nog) terecht wordt verleend (uiterlijk
voordat de 10-jaarstermijn van de conserverende aanslag verloopt).
Ingeval een belastingplichtige niet meer vindbaar is, wordt de
conserverende aanslag in beginsel ingevorderd bij de aansprakelijke
verzekeraar. Op het moment dat de Belastingdienst gaat invorderen,
zal veelal bekend worden waar de belastingplichtige zich bevindt.
De verzekeraar beschikt in het algemeen immers over de
woonplaatsgegevens van de gerechtigde tot de uitkeringen.
Belastingplichtigen kunnen ook anderszins belastbaar inkomen uit
Nederland genieten en uit dien hoofde bij de Belastingdienst bekend
zijn. Zo nodig kan door de Belastingdienst ook een
woonplaatsonderzoek worden gestart. In voorkomende gevallen kan
overleg met buitenlandse belastingdiensten plaatsvinden.
Dooremigratie is weliswaar geen reden voor geautomatiseerde massale
gegevensuitwisseling, maar gegevensuitwisseling op individuele
basis behoort veelal tot de mogelijkheden omdat het bilaterale
belastingverdrag daartoe de mogelijkheid biedt.
Uitvoeringskosten Belastingdienst
In antwoord op de vragen van de SP-fractie wordt opgemerkt dat de
toename van de uitvoeringskosten bij de Belastingdienst wordt
geschat op een bedrag dat in ieder geval beneden de € 1 mln blijft,
maar uiteraard mede afhankelijk is van het aantal emigraties dat in
de toekomst plaatsvindt.
Overige opmerkingen
De leden van de VVD-fractie vragen een toelichting op de
persbericht-procedure en de reden waarom naar aanleiding van het
advies van de Raad van State voor een andere invulling is gekozen.
Het moge duidelijk zijn dat het gat dat de arresten van de Hoge
Raad hebben geslagen, zo snel mogelijk gedicht moet worden. In
eerste aanleg is daarom gekozen voor terugwerkende kracht tot en
met de datum van het persbericht dat op 19 juni 2009 is uitgekomen
en waarin de voorgestelde maatregelen zijn omschreven. Zoals uit
het advies van de Raad van State blijkt, heeft de Raad de
voorgestelde maatregelen in het kader van het kenbaarheidsvereiste
getoetst aan hetgeen hierover is opgenomen in het persbericht. Naar
het oordeel van de Raad voldoet het persbericht niet, in die zin
dat de daarin opgenomen omschrijving nog onvoldoende duidelijk
maakt wat de voorgestelde maatregelen exact inhouden. De Raad
stelde daarom voor de terugwerkende kracht te beperken tot het
moment waarop de tekst volledig bekend is geworden.
Ten einde zo veel mogelijk onzekerheid en onduidelijkheid omtrent
de terugwerkende kracht te voorkomen, is de suggestie van de Raad
overgenomen om het wetsvoorstel te laten terugwerken tot het moment
van indiening bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op dat
moment is in ieder geval aan het kenbaarheidsvereiste voldaan,
omdat de voorgestelde maatregelen dan openbaar zijn. Deze
beslissing is genomen nadat is gebleken dat er geen aanwijzingen
zijn dat tussen 19 juni 2009 en het tijdstip van indiening van het
wetsvoorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal een
substantieel aantal belastingplichtigen om fiscale redenen is
geëmigreerd ten einde van de arresten van de Hoge Raad te
profiteren. Ook het feit dat de indiening van het wetsvoorstel zeer
snel is gegaan, heeft bij de afwegingen een rol gespeeld. Met het
beperken van de terugwerkende kracht tot het moment van indiening
van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer wordt zo veel als mogelijk
zeker gesteld dat de wet op dit punt niet kan worden aangetast.
De leden van de VVD-fractie wijzen vervolgens op het advies van de
Raad van State waarin de Raad heeft gewezen op de mogelijkheid van
een meer generieke regeling. Zij vragen of het kabinet de
bereidheid uit wil spreken om de wenselijkheid van een meer
generieke maatregel te verkennen en daar de Tweede Kamer nader over
te berichten.
Zoals in het Nader Rapport aan de Koningin reeds is aangegeven, is
het kabinet met de Raad van State van mening dat een dergelijke
generieke maatregel een zorgvuldige en tijdrovende voorbereiding
vergt. Ook speelt hierbij het probleem van de nadelige gevolgen
voor het heffingsbelang in binnenlandse situaties. Het kabinet is
om die reden van mening dat een dergelijk generieke benadering
alleen zou kunnen worden meegenomen bij een meer algemene
herziening van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Er wordt dan
ook de voorkeur aan gegeven met een meer generieke maatregel te
wachten tot een dergelijke gelegenheid zich voordoet.
De Staatssecretaris van Financiën,
Meer informatie