U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Kamerstukken
Stand van zaken aanpassing provisieregelgeving
Kamerbrief |
16-06-2009 |
Financieel toezicht
Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA 's-Gravenhage
Datum 16 juni 2009
Ons kenmerk: FM09-1213
Betreft stand van zaken aanpassing
provisieregelgeving
Geachte voorzitter,
In deze brief schets ik de stand van zaken met betrekking tot de
aanpassing van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen
(Bgfo). Dit mede naar aanleiding van de vragen die de commissie
voor Financiën mij hierover stelde.
De commissie vraagt informatie over de uitkomsten van de
consultatie en de reactie daarop. Hieronder zal eerst worden
ingegaan op stand van zaken met betrekking tot de aanpassing van
het Bgfo. Vervolgens worden de belangrijkste punten uit de
consultatie geschetst. Ook zal worden ingegaan op het definitieve
pakket maatregelen zoals dat er nu uitziet. Daarna wordt nog
ingegaan op een openstaande vraag over de fiscale behandeling van
advisering en bemiddeling. Tenslotte worden enkele opmerkingen
worden gemaakt over de regelgeving omtrent unit-linked
beleggingsverzekeringen.
Vertraging kostentransparantie en bonusverbod
Met mijn brief van 12 september 2008 die is besproken in een AO op
6 november 2008 heb ik u geïnformeerd over het pakket maatregelen
dat ik na overleg met de markt voornemens was te gaan treffen. Dit
pakket was gericht op harmonisatie van de verschillende regels op
het vlak van financiële dienstverlening, t.w. de adviesmatch-regels
en de regels voortvloeiend uit MiFID. De beloningstransparantie is
per 1 januari 2009 inwerking getreden en het
dienstverleningsdocument zal per 1 juli 2009 verstrekt moeten
worden door tussenpersonen.
Vervolgens zou kostentransparantie en een bonusverbod per 1 juli
2009 geregeld worden. Daarbij is vertraging opgetreden. Dat houdt
verband met niet eerder voorziene werkzaamheden in het kader van de
kredietcrisis en de complexiteit van de materie. De reacties waren
over het algemeen zeer gedetailleerd en vaak technisch van aard en
noopten tot zorgvuldige verwerking en nader overleg. Gegeven de
vaste verandermomenten is het daarom noodzakelijk alle maatregelen
die voor 1 juli voorzien waren door te schuiven naar 1 januari
2010.
Recente signalen van consumentenorganisaties, AFM en verzekeraars
gaven aanleiding om de reikwijdte van de maatregelen te
heroverwegen. De AFM maakt in bijgevoegde brief melding van
provisies tot boven de 80% bij koopsompolissen die in combinatie
met consumptief krediet worden verstrekt, terwijl die bij
hypotheken tot 71% beliepen. Ik vind dat soort provisies excessief
en onacceptabel. Bij uitvaartverzekeringen zijn ook sterke
aanwijzingen van verzekeraars dat excessieve provisies worden
betaald. Daarom wil ik gebruik maken van de vertraging om de
reikwijdte van beloningstransparantie en de inducement-norm naar
twee producten betalingsbeschermers en uitvaartverzekeringen uit te
breiden.
Consultatiereacties en beoordeling
De consultatie in maart heeft in totaal 16 reacties opgeleverd.
Deze reacties worden voor zover partijen daar toestemming voor
hebben gegeven gepubliceerd op de website van het Ministerie van
Financiën. Ik zal hier kort in gaan op de hoofdlijnen van de
reacties per onderwerp. In het algemeen kan worden gesteld dat veel
commentaar van technisch-juridische aard is. Zowel het regelen van
het bonusverbod als van kostentransparantie is zeer ingewikkelde
materie waarbij grote zorgvuldigheid moet worden betracht. Het
einddoel wordt echter breed gedeeld: het belang van goede
informatie voor de consument zonder het speelveld tussen
verschillende distributiekanalen en aanbieders te verstoren.
Bonusverbod
Gekozen is voor het verbieden van elke provisie anders dan afsluit-
en doorlopende provisie. Deze strikte vormgeving sluit aan bij de
politieke wens van uw Kamer om alle ontwijkroutes af te sluiten. In
de consultatie kwamen negatieve en positieve reacties op deze
vormgeving. De positieve reacties komen uit consumentenhoek en van
het Verbond van Verzekeraars. Deze partijen zien deze maatregel als
belangrijke stap richting een zuiverder markt voor financiële
dienstverlening. Het verbod op elke andere beloning dan afsluit- en
doorlopende provisie draagt ertoe bij dat een adviseur zich
uitsluitend zal richten op het belang van de consument.
De negatieve reacties hadden betrekking op de verstrekkendheid en
rigiditeit van het verbod. Sommige partijen stellen zich op het
standpunt dat de inducement-norm (art. 149a) die per 1 januari 2009
van kracht is, voldoende mogelijkheden biedt voor de toezichthouder
om op te treden tegen ongewenste provisies. Dit zou echter
voorbijgaan aan de uitdrukkelijke wens van uw Kamer.
Tegelijkertijd heeft de consultatie wel concrete informatie
opgeleverd over bepaalde niet-geldelijke vormen van vergoeding die
het adviesproces efficiënter maken (denk aan het beschikbaar
stellen van ict-toepassingen om productvergelijkingen te
faciliteren) en die bijdragen aan de kennis en deskundigheid van
financiële dienstverleners (seminars van aanbieders bijvoorbeeld).
Deze twee vormen van niet-geldelijke ‘vergoedingen’ zijn in
beginsel nog wel toegestaan, omdat hiermee het belang van de klant
ook gediend wordt, terwijl het niet goed mogelijk lijkt deze
‘vergoedingen’ per gesloten overeenkomst door te berekenen of
transparant te maken. Daarbij blijft de norm dat dergelijke
vergoedingen niet in strijd mogen zijn met het belang van de klant
gelden en zal de AFM toezien op goede toepassing van deze norm. We
stellen daarbij een ondergrens van EUR 100 voor de inducement-norm
in, om onevenredige toezichtbelasting te vermijden.
Kostentransparantie
De nieuwe bepaling (art. 58a) waarmee kostentransparantie door
aanbieders wordt geregeld voor complexe producten en hypotheken
heeft twee doelstellingen. De consument inzicht geven in
totaalprijs (vergelijking soortgelijke producten faciliteren) en
door opsplitsing van kosten de werking van het product en het
effect van kosten op vermogensopbouw inzichtelijk maken.
Om te borgen dat de kostentransparantie zinvolle en vergelijkbare
informatie oplevert voor consumenten, moet de totaalprijs en
belangrijke delen van de kosten nominaal in euro’s worden
medegedeeld aan de klant. Een deel van het commentaar was erop
gericht te zorgen dat aanbieders (banken en verzekeraars) dezelfde
aannames hanteren op basis waarvan een totale prijs wordt berekend,
zodat vergelijkbaarheid van de informatie voor de consument geborgd
is.
Het commentaar op deze bepalingen was in hoge mate technisch van
aard. Complicaties vanwege verschillen tussen bancaire en
verzekeringsproducten en zorgen omtrent begrijpelijkheid informatie
voor consument zijn op basis van de consultatiereactie zoveel
mogelijk ondervangen.
Informatie over dienstverlening van aanbieders
Verschillende partijen hebben opgemerkt dat het speelveld tussen
distributiekanalen wordt verstoord doordat tussenpersonen een
dienstverleningsdocument moeten verstrekken en aanbieders die
direct zelf financiële producten verkopen kunnen volstaan met een
kwalitatieve kostenverklaring in de offerte. Dit probleem wordt in
de nu voorliggende wijziging geadresseerd door aanbieders te
verplichten ook informatie over aard en reikwijdte van hun
dienstverlening te geven bij de kostenverklaring en die
kostenverklaring voorafgaand aan de offerte te doen verstrekken aan
de consument. Deze maatregel gaat vanaf 1 januari 2010. Op basis
daarvan moet de consument een geïnformeerde keuze kunnen maken voor
een distributiekanaal (tussenpersonen of directe aanbieders).
Zakelijke pensioenmarkt
In haar brief van 19 mei j.l. vraagt de vaste commissie specifiek
naar de gevolgen voor de zakelijke pensioenmarkt van aangekondigde
veranderingen. Bij advisering en bemiddeling omtrent
pensioenproducten, wat vaak richting werkgevers en dus zakelijke
partijen geschiedt, geldt ook de norm dat beloningen niet in strijd
met het belang van de klant mogen zijn. Ook pensioenproducten zijn
complexe producten. In artikel 168a, waarin de inducement-norm voor
complexe producten wordt geregeld, is sprake van ‘cliënt’ waarmee
niet alleen consumenten, maar ook op zakelijke klanten, worden
bedoeld.
Omzetbelasting
In het kader van de heffing van omzetbelasting zijn in het overleg
van 6 november vorig jaar twee vragen aan de orde gesteld: Hoe zit
het met de advisering, wanneer moet er wel btw in rekening worden
gebracht en wanneer niet?
In het kader van de heffing van btw geldt als uitgangspunt dat bij
een combinatie van prestaties, elke prestatie normaal gesproken
moet worden onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd. Dit
is anders indien een prestatie als bijkomend moet worden
aangemerkt. Een prestatie moet worden beschouwd als bijkomend bij
een hoofddienst, wanneer deze prestatie voor de klant geen doel op
zich is, maar een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter
zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Voor bijkomende prestaties
geldt hetzelfde omzetbelastingtarief als voor de hoofdprestatie
waaraan zij ondergeschikt zijn.
De prestatie van tussenpersonen bestaat uit een combinatie van
prestaties, namelijk enerzijds de advisering van de consument en
anderzijds het bemiddelen bij de totstandkoming van een krediet- of
een verzekeringsovereenkomst. In geval de bemiddeling als
hoofdprestatie moet worden aangemerkt, waaraan de prestatie van
advisering ondergeschikt is, kan gesproken worden van één
prestatie, nl. het bemiddelen bij de totstandkoming van een
kredietovereenkomst.
In praktijk zal de kredietbemiddeling veelal als de doorslaggevende
prestatie kunnen worden aangemerkt en de advisering als bijkomende
prestatie. Of dit daadwerkelijk het geval zal zijn hangt uiteraard
af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
De totstandkoming van de kredietovereenkomst zal voor de klant het
doel zijn van de overeenkomst en niet de advisering. De advisering
is dan ook voor de klant geen doel op zich, maar slechts een middel
om de hoofdprestatie, de bemiddeling, zo aantrekkelijk mogelijk te
maken. De prestaties van de tussenpersoon worden dan in het kader
van de heffing van btw als één prestatie aangemerkt, nl. de
bemiddeling bij de totstandkoming van een kredietovereenkomst. Deze
prestatie is vrijgesteld van heffing van btw.
De voorgestelde maatregelen op het vlak van de harmonisatie van de
provisieregelgeving veranderen niets aan de prestaties die de
tussenpersoon aan de consument verricht. Er is nog steeds sprake
van bemiddeling en advisering door de tussenpersoon, waarbij het
doel van de prestatie voor de klant nog steeds de bemiddeling zal
zijn en niet de advisering. De klant wil immers een
kredietovereenkomst afsluiten en laat zich daarbij door de
tussenpersoon bemiddelen. De bemiddeling zal ook dan als
hoofddienst kunnen worden aangemerkt, waar de advisering als
bijkomende dienst in op gaat. De vrijstelling van btw zal dan nog
steeds kunnen worden toegepast. Het maakt voor de btw-vrijstelling
van de prestatie niet uit door wie de tussenpersoon betaald wordt.
Dit wordt anders in geval de advisering niet meer als ondergeschikt
aan de bemiddelingsdienst kan worden aangemerkt en als een
zelfstandige dienst moet worden aangemerkt. Dit zou zich
bijvoorbeeld kunnen voordoen in geval de tussenpersoon voor de
adviesdienst, los van de bemiddelingsdienst, een aparte vergoeding
in rekening brengt. In dat geval zou de prestatie van de
tussenpersoon gesplitst moeten worden in een vrijgestelde
bemiddelingsdienst en een belaste adviesdienst (19 %).
De advisering zal veelal als bijkomende prestatie bij het
bemiddelen bij de totstandkoming van een krediet- of
verzekeringsovereenkomst zal kunnen worden aangemerkt. De gehele
prestatie van de tussenpersoon kan dan worden aangemerkt als het
bemiddelen bij de totstandkoming van kredietovereenkomsten, welke
prestatie is vrijgesteld van heffing van omzetbelasting. De
voorgestelde maatregelen brengen hier geen verandering in.
Regelgeving met betrekking tot unit-linked beleggingsverzekeringen
In mijn brief van 17 december 2008 heb ik aangegeven u in de eerste
helft van 2009 nader te informeren over de stand van zaken met
betrekking tot vermogensbeheer bij verzekeraars. Ik gaf hierbij aan
dat de vraag in hoeverre het vermogensbeheer bij verzekeraars onder
publiekrechtelijke gedragsregulering valt, past in het onderzoek
naar beleggingsverzekeringen dat ik uitvoer. In dat onderzoek komt
onder meer de vraag aan de orde in welke mate 'huisfondsen' binnen
beleggingsverzekeringen gereguleerd zijn en of de eisen die in dit
kader worden gesteld aan levensverzekeraars voldoen.
Huisfondsen in dit verband zijn fondsen waarin een verzekeringnemer
kan inleggen in het kader van zijn levensverzekering, maar die niet
zelfstandig als beleggingsinstelling aan het publiek worden
aangeboden. Om deze reden vallen deze fondsen niet direct onder het
toezichtregime voor beleggingsinstellingen. Indirect staan deze
fondsen onder toezicht via het toezicht dat DNB houdt op
verzekeraars. Dat toezicht voorziet enerzijds in regels ten aanzien
van de onderneming, met betrekking tot de bedrijfsvoering,
solvabiliteit, het aan te houden eigen vermogen, betrouwbaarheid en
zorgvuldigheid, en anderzijds ten aanzien van de producten zelf,
met betrekking tot informatie om het product te beoordelen,
informatie over de waardeopbouw en informatie over de risico’s.
In het kader van dit onderzoek heb ik geanalyseerd in hoeverre het
toezicht op beleggen via een beleggingsverzekering verschilt van
het toezicht op het zelfstandig of via een beleggingsonderneming
deelnemen in een beleggingsinstelling. Een aantal verschillen
betreft de instelling zelf, bijvoorbeeld ten aanzien van de
bedrijfsvoering van de instellingen. Zo gelden bijvoorbeeld voor
verzekeraars andere normen ten aanzien van de integere en beheerste
bedrijfsvoering dan voor beleggingsondernemingen. Daarnaast
verschillen de regels die van toepassing zijn op de relatie
instelling-cliënt tussen verzekeraars, beleggingsinstellingen en
beleggingsondernemingen. Dit betreft onder andere de wijze en mate
van informatieverstrekking aan cliënten. Bij
beleggingsverzekeringen geldt bijvoorbeeld niet de verplichting om
historische rendementen in de Financiële bijsluiter op te nemen. In
samenwerking met de AFM en DNB zal ik bepalen in hoeverre deze
verschillen in regelgeving gerechtvaardigd zijn en dat de regels op
bepaalde punten gelijkgetrokken moeten worden. Daarbij houd ik ook
nadrukkelijk rekening met verschillende actuele Europese
initiatieven die harmonisering van de regelgeving willen
bevorderen.
Met name de recente mededeling van de Europese Commissie met
betrekking tot de Packaged Retail Investment Products (PRIPs) is in
dit kader relevant. De Commissie heeft met deze mededeling een
aanzet gegeven voor de ontwikkeling van een solide en consistent
regelgevingskader voor pakketproducten voor retailbeleggingen (de
verpakte beleggingsproducten waarop wordt gedoeld zijn bijvoorbeeld
beleggingsinstellingen, beleggingsverzekeringen, gestructureerde
effecten en gestructureerde deposito’s). Naar verwachting komt de
Europese Commissie aan het einde van 2009 met meer concrete
voorstellen voor regelgeving.
Een ander Europees initiatief dat in dit kader van belang is, is
het voorstel van de Europese Commissie voor een regelgevend kader
voor alternatieve beleggingsinstellingen, de Alternative Investment
Fund Managers richtlijn (AIFM). Hieronder vallen alle
beleggingsinstellingen die momenteel niet op Europees niveau
gereguleerd zijn, dat wil zeggen alle fondsen die niet onder de
richtlijn inzake instellingen voor collectieve belegging in
effecten (ICBE-richtlijn) vallen. De voorgestelde regelgeving wordt
momenteel in onderhandelingen uitgewerkt. Over de exacte reikwijdte
van de richtlijn vindt nog discussie plaats, maar de nieuwe
regelgeving zal vrijwel zeker de Nederlandse regels voor
beleggingsinstellingen beïnvloeden. Mogelijk zijn de nieuwe regels
ook van toepassing op huisfondsen van beleggingsverzekeringen.
In mijn beoordeling van de vraag of de verschillen in regelgeving -
tussen beleggen via een beleggingsverzekering en deelnemen in een
beleggingsinstelling - al dan niet weggenomen moeten worden, zal ik
meewegen of wijziging van regelgeving vooruitlopend op deze
Europese initiatieven zinvol is, gegeven de verwachting dat
Europese harmonisatie zal plaatsvinden. U zult hierover nader
worden geïnformeerd.
Hoogachtend,
De Minister van Financiën,
Wouter Bos
Meer informatie