U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Kamerstukken
Uitkomsten onderzoek ANWB en autobranche
Kamerbrief |
09-06-2009 |
Belastingen op personenauto's en motorrijwielen (BPM)
Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA 'S-GRAVENHAGE
Ons kenmerk: DV/2009/ 344U
Betreft: uitkomsten onderzoek ANWB en autobranche ombouw
BPM-grondslag
Geachte voorzitter,
Met ingang van 1 januari 2010 wordt de huidige BPM, die wordt
geheven over de netto-catalogusprijs van nieuwe personenauto’s, in
vier jaarlijkse stappen omgebouwd naar een heffing op basis van de
CO2-uitstoot van de personenauto. Hoe zuiniger de personenauto in
verbruik, hoe lager de BPM. Daarentegen: hoe onzuiniger de
personenauto, hoe hoger de BPM. Dit doet recht aan het beginsel ‘de
vervuiler betaalt’ en geeft autokopers bovendien een prikkel om te
kiezen voor een zuinige auto. Deze ombouw is opgenomen in het
Belastingplan 2009 die einde vorig jaar door het Parlement is
aanvaard.
De RAI, BOVAG en VNA (hierna autobranche) en ANWB hebben op 3 juni
2009 de uitkomsten van hun maatschappelijke kosten-batenanalyse
(MKBA) van deze ombouw van de BPM-grondslag naar CO2-uitstoot
openbaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft uw Kamer gevraagd
om een brief van het Kabinet met reactie op de uitkomsten van de
MKBA.
De autobranche en de ANWB zijn van mening dat de maatschappelijke
baten niet opwegen tegen de maatschappelijke kosten. Zij baseren
deze conclusie op een veronderstelde lastenverzwaring en een
eveneens verondersteld welvaartsverlies bij consumenten en
producenten. Hierna zal ik nader op de verschillende aspecten van
de conclusies uit de MKBA in gaan.
De autobranche en de ANWB menen volstrekt ten onrechte dat de
ombouw een lastenverzwaring met zich brengt. Zij gaan uit van een
lastenverzwaring van € 650 miljoen in 2013 en baseren dit op de
veronderstelling dat auto’s minder snel zuiniger zullen worden dan
waar bij de tariefberekening vanuit is gegaan. In de memorie van
toelichting bij het Belastingplan 2009 is aangegeven dat de ombouw
lastenneutraal plaatsvindt. Het misverstand doet zich kennelijk
voor doordat de autobranche en ANWB ofwel deze bepaling in de
memorie van toelichting over het hoofd hebben gezien, ofwel de
bepaling ten onrechte niet in het onderzoek betrokken hebben. De
tot en met 2013 opgenomen tarieven voor de BPM zijn op basis van
lastenneutraliteit vormgegeven. In dezelfde memorie van toelichting
is ook opgenomen dat: ‘In 2010 mede aan de hand van de
gerealiseerde daling van de CO2-uitstoot van nieuw verkochte auto’s
zal worden bekeken of de tarieven bijstelling behoeven.’ Wanneer
zich dus tegen alle verwachtingen in toch een lastenverzwaring zou
voordoen, zullen de tarieven met een gelijke lastenverlichting
neerwaarts worden aangepast. Er vindt dus per saldo géén
lastenverzwaring plaats.
De autobranche en de ANWB stellen daarnaast dat er welvaartsverlies
zou optreden voor de consument vanwege het feit dat hij hetzij
vanuit financiële overwegingen een andere auto koopt dan hij
aanvankelijk van plan was te kopen, dan wel blijft bij zijn
oorspronkelijke keuze en daardoor wellicht een hogere belasting
aanvaardt, bijvoorbeeld omdat het dan gaat om een onzuinige auto.
De autobranche is naar mijn mening niet in staat gebleken een
dergelijk welvaartsverlies te onderbouwen. Ik zie niet in hoe
iemand die bewust kiest voor een zuiniger auto en daardoor een
fiscaal voordeel geniet daadwerkelijk een welvaartsverlies zou
ervaren. De keuze door de consument voor een zuiniger auto is
precies de gedragsverandering die met de omzetting van de BPM in
een CO2-heffing wordt beoogd. De autokoper zal geen enkel
financieel nadeel ondervinden van de keuze voor een zuiniger auto.
Sterker nog: hij gaat er op vooruit. In het onderzoek is overigens
niet of slechts in beperkte mate rekening gehouden met het feit dat
de keuze voor een zuiniger auto ook leidt tot een verlaging van de
variabele kosten zoals de brandstofkosten.
Voor producenten wordt het aantrekkelijker om zuinige auto’s te
ontwikkelen. Innovaties om auto’s zuiniger te maken, kosten geld.
Wanneer een auto daardoor duurder wordt, komt daar nu ook nog de
BPM-heffing op basis van catalogusprijs bovenop. Met een BPM op
basis van CO2-uitstoot wordt innovatie niet meer bestraft, maar
juist beloond in de vorm van een lagere BPM.
In tegenstelling tot hetgeen de autobranche en de ANWB stellen,
staat de invoering van deze andere vormgeving van de BPM niet haaks
op de lancering van Anders betalen voor mobiliteit. In tegendeel:
de maatregel is in lijn met de wens van de Tweede Kamer die heeft
gevraagd om een kilometertarief dat mede gebaseerd is op de
CO2-uitstoot van een auto. Overigens wil ik benadrukken dat er
verder geen relatie is met Anders Betalen voor Mobiliteit.
De ANWB en autobranche stellen verder dat de milieuopbrengst van de
ombouw van de BPM naar CO2-grondslag nihil is. Uit recent onderzoek
van bureau CE Delft, dat één dezer dagen aan de Tweede Kamer wordt
aangeboden, kan echter worden afgeleid dat de BPM-ombouw voor 7
procent zal bijdragen aan de in 2020 voorziene CO2-doelstelling
voor de sector verkeer en vervoer [1]. Naar de mening van de
branche verdient het niet de voorkeur om een belasting die op den
duur verdwijnt aan te passen. Maar zelfs als de maatregel in 2020
niet meer geldt, betekent dit nog altijd een aanzienlijke
CO2-reductie. Veel van de auto’s die de komende jaren worden
verkocht, zullen immers nog vele jaren rondrijden.
In de door uw Kamer aangenomen motie Cramer c.s.[2] bij het
belastingplan 2008 is het kabinet opgeroepen om de BPM verder te
differentiëren naar absolute CO2-uitstoot. De ombouw van de BPM
naar een CO2-heffing, zoals opgenomen in het door beide Kamers
aangenomen belastingplan 2009, geeft feitelijk uitvoering aan deze
motie.
Sinds deze behandeling in beide Kamers is zelfs gebleken dat de
CO2-reductie en daarmee het positieve effect op het milieu, nog
groter is dan destijds tijdens de beraadslagingen van uw Kamer
aangenomen. Het kabinet ziet dan ook geen enkele reden om van de
invoering af te zien.
Hoogachtend,
De Staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager
[1] Rekening houdend met 25% afbouw van de BPM
[2] Kamerstukken II 2007/08, 31205, nr. 59
Meer informatie