U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
de Koningin
Datum: 26 juni 2009
Betreft: Nader rapport betreffende het voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten (reparatie in verband met arresten van de Hoge Raad inzake pensioen- en lijfrenteaanspraken)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 24 juni 2009, no. 09.001702 machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermeld voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 25 juni 2009, NO W06.09.0210/III, bied ik U hierbij aan.
1. Claimbehoud
De Raad mist in de toelichting een uiteenzetting van de plaats van
het voorstel in de context van het claimbehoud dat de conserverende
aanslag zo veel mogelijk zou moeten waarborgen. Naar aanleiding van
deze opmerking van de Raad is de toelichting aangepast. Voorts
heeft het kabinet de toelichting aangepast naar aanleiding van het
advies van de Raad om verdergaand de stelling te motiveren dat de
arresten van 19 juni 2009 van de Hoge Raad ruimte laten voor een
heffing bij belastingplichtigen die in Nederland een
belastingfaciliteit hebben gehad voor de premies voor pensioen en
lijfrente. Ook bevat de memorie van toelichting een nadere
motivering waarom het kabinet van oordeel is dat uit de arresten
van de Hoge Raad volgt dat bij pensioenen de eerder toegekende
vrijstelling van de aanspraken en bijdragen kunnen worden
teruggenomen.
Het wetsvoorstel heeft geen ander doel dan de reparatie van de
arresten van 19 juni 2009. In plaats van de door het kabinet
voorgestelde specifieke reparatie, had ook het treffen van een
generale regeling, zoals de Raad suggereert, tot de mogelijkheden
behoord. Een dergelijke generieke aanpassing vraagt echter, zoals
ook de Raad opmerkt, een zorgvuldige en tijdvergende voorbereiding,
met name gelet op de nadelige gevolgen van een dergelijke regeling
voor het heffingsbelang in binnenlandse situaties. Mede gelet op de
omstandigheid dat ook een specifieke regeling naar het oordeel van
het kabinet voldoende adequaat is om het beoogde doel te bereiken,
is daarom voor de thans voorgestelde reparatiemaatregel gekozen.
2. Specifieke
regeling
De Raad merkt op, dat de omstandigheid dat artikel 3.136, eerste
lid, Wet IB 2001 niet kan worden toegepast, eerst kan worden
bepaald nadat de gerechtigde naar een verdragsstaat is geëmigreerd,
en mitsdien geen binnenlands belastingplichtige meer is. Dat is
naar het oordeel van het kabinet echter niet anders dan bij de
toepassing van artikel 3.136, eerste lid, Wet IB 2001 en bij andere
regelingen die aansluiten bij de emigratie.
Naar het oordeel van het kabinet is er ook geen grond om de
voorgestelde regeling met betrekking tot het terugnemen van de
genoten faciliteit, toch als een heffing over de afkoopsom aan te
merken. Het is de juridische werkelijkheid dat ingevolge de
voorgestelde regeling alleen het bedrag waarover destijds een
fiscaal voordeel is genoten alsnog in het (te conserveren) inkomen
wordt betrokken. In zoverre is er dan ook voor wat betreft de
conserverende aanslag bij emigratie in de voorgestelde regeling
geen onderscheid ten opzichte van de situatie dat de door de Raad
genoemde integrale herziening zou zijn voorgesteld. Over de vraag
of er sprake moet zijn van een generiek werkende regeling, dan wel
of deze toegespitst mag zijn op de (conserverende aanslag bij)
emigratie, laat de Hoge Raad zich in de relevante arresten
overigens ook niet uit.
3. Dooremigratie
De Raad wijst op de in het voorstel van wet opgenomen regeling voor
dooremigratie. Deze regeling houdt in dat, indien op grond van een
regeling ter voorkoming van dubbele belasting bij emigratie uit
Nederland alleen een conserverende aanslag kan worden opgelegd voor
het terugnemen van de genoten fiscale faciliteiten ten tijde van
premieaftrek dan wel toekenning van de aanspraak, en nadien de
gerechtigde vanuit deze verdragsstaat (door)emigreert naar een
staat die geen heffingsrechten over de afkoop zijn toebedeeld, een
aanvullende conserverende aanslag wordt opgelegd tot het bedrag dat
verschuldigd zou zijn geweest over de waarde in het economische
verkeer van de aanspraak op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand
aan de eerste emigratie.
De Raad adviseert in het voorstel ook een regeling te treffen voor
het geval een gerechtigde emigreert naar een staat met wie door
Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is
overeengekomen welke regeling niet verhindert de waarde in het
economische verkeer van de aanspraken aan te merken als (te
conserveren) inkomen, en de genoemde gerechtigde vervolgens uit die
staat emigreert naar een staat met wie een regeling ter voorkoming
van dubbele belasting is overeengekomen die zulks wél verhindert,
zodat de conserverende aanslag in dat geval (ter gelegenheid van de
dooremigratie) wordt verminderd tot een heffing die overeenstemt
met het terugnemen van de genoten faciliteiten.
Voorts adviseert de Raad de regeling inzake dooremigratie te
beperken tot emigraties die binnen tien jaar na de emigratie uit
Nederland plaatsvinden.
Beide adviezen van de Raad zijn overgenomen. Het wetsvoorstel en de
toelichting daarop zijn derhalve op dit punt aangepast.
4. Europese
aspecten
De Raad stelt dat het stelsel van conserverende aanslag bij
emigratie onder omstandigheden op zich verenigbaar is met het
Gemeenschapsrecht. De Raad plaatst echter kanttekeningen bij de
vormgeving van de voorgestelde regeling. Naar aanleiding van de
opmerkingen van de Raad wordt het volgende opgemerkt. De thans
voorgestelde maatregel is het sluitstuk van het in de wet opgenomen
stelsel om te borgen dat de fiscaal gefacilieerd opgebouwde
pensioen- of lijfrenteaanspraak ook feitelijk wordt aangewend voor
het beoogde doel ten behoeve waarvan de faciliteit is verleend,
namelijk (aanwending) als inkomensvoorziening. Handelingen met het
pensioen of de lijfrente die strijdig zijn met het karakter van een
inkomensvoorziening, zoals afkoop van het recht, hebben voor alle
belastingplichtigen gevolgen. De onder de thans voorgestelde
maatregel vallende belastingplichtigen worden daarbij in geen
enkele situatie nadeliger behandeld dan andere belastingplichtigen.
Naar de mening van het kabinet dient hierbij niet alleen de
voorgestelde regelingen in het tweede en derde lid van artikel
3.136 van de Wet IB 2001 te worden bezien maar het samenstel van de
betrokken regelingen. In dit verband wijst het kabinet erop dat,
naar aanleiding van het advies van de Raad in het wetsontwerp,
(alsnog) een aanpassing van artikel 26, derde lid, van de
Invorderingswet 1990 is opgenomen. Daarmee voorziet de
Invorderingswet 1990 tevens in een kwijtscheldingsmogelijkheid voor
de situatie dat de waarde in het economische verkeer van de
pensioenaanspraak ten tijde van de niet-reguliere afwikkeling in
het buitenland lager is dan het bedrag van de teruggenomen
premie-aftrek ten tijde van de emigratie (waarvoor een
conserverende aanslag is opgelegd).
Door de uitbreiding van de reeds bestaande
kwijtscheldingsmogelijkheid ontstaat een situatie waarin,
niettegenstaande de voorgestelde invoering van artikel 3.136,
tweede en derde lid, Wet IB 2001, een emigrant in geval van een
niet-reguliere afwikkeling van een lijfrente- of pensioenaanspraak
nooit slechter af is dan een blijver die zijn lijfrente- of
pensioenaanspraak eveneens niet regulier afwikkelt. Voor zover op
het moment van niet reguliere afwikkeling de waarde in het
economische verkeer van de pensioen- of lijfrenteaanspraak hoger is
dan de premies of aanspraak onderscheidenlijk bijdragen, is de
emigrant fiscaal beter af dan de blijver. Indien op het moment van
niet reguliere afwikkeling de waarde in het economische verkeer van
de pensioenaanspraak lager is dan de ingelegde premies, dan wordt
de conserverende aanslag – vanwege de voorgestelde wijziging van
artikel 26, derde lid, Invorderingswet 1990 – kwijtgescholden tot
op het niveau van die waarde. Daarmee bevindt de emigrant zich ook
op dat punt in een rechtsgelijke situatie ten opzichte van de
blijver, zodat van een belemmering geen sprake is. Naar de mening
van het kabinet is het samenstel van regelingen dan ook verenigbaar
met het Europese recht.
Reeds uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen van 7 september 2006 in de zaak N. (C-470/04), volgt
dat de Nederlandse conserverende aanslag niet in strijd is met het
gemeenschapsrecht als geen zekerheidsstelling wordt geëist en
rekening wordt gehouden met waardedalingen na emigratie. Ook
advocaat-generaal Wattel schrijft in zijn conclusie voor de zaak
met nr. 43 978 – voor welke zaak de Hoge Raad ook op 19 juni jl.
arrest heeft gewezen – (onderdeel 7.4 van zijn conclusie) dat het
EG-recht naar zijn oordeel niet in de weg staat aan de in die zaak
aan de orde zijnde conserverende aanslag, omdat de fiscus geen
zekerheid heeft geëist of gesteld en ook geen sprake is van een
nadeliger heffing voor de emigrant dan voor een inwoner van
Nederland in overigens dezelfde omstandigheden.
5. Verdragsbeleid
De Raad adviseert in de toelichting aandacht te gegeven aan het
verdragsbeleid en inzicht te geven in welke mate thans sprake is
van heronderhandeling ter zake van de niet-regelmatige afwikkeling
van lijfrente- en pensioenovereenkomsten.
De toelichting is naar aanleiding hiervan aangevuld.
6. Terugwerkende kracht
Ten aanzien van de in het voorstel opgenomen
terugwerkende kracht tot en met 19 juni 2009 merkt de Raad terecht
op dat aan belastingmaatregelen die een verzwaring van de
belastingheffing voor de belastingplichtige betekenen in beginsel
geen formele terugwerkende kracht gegeven mag worden, tenzij
bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel
rechtvaardigen, en dat met betrekking tot het verlenen van
terugwerkende kracht daarnaast de voorwaarde geldt dat de
maatregelen voor de belastingplichtigen voor het tijdstip waarop
het regime zal gaan gelden voldoende kenbaar zijn.
De Raad heeft de eis van kenbaarheid ten aanzien van het
onderhavige voorstel van wet getoetst aan de brief van de
Staatssecretaris van Financiën met kenmerk DB/2009/329M, welke op
19 juni 2009 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is gezonden.
De Raad komt op grond van deze toetsing tot het oordeel dat de in
het wetsvoorstel vervatte regelingen niet voldoen aan de voorwaarde
dat deze voldoende kenbaar zijn geweest en stelt daarom voor de
terugwerkende kracht te beperken tot het moment waarop de tekst
volledig bekend is geworden, hetgeen op het tijdstip van indiening
bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal het geval is.
Het Kabinet is van oordeel dat de voorgestelde regeling blijft
binnen de omschrijving zoals die is gegeven in de brieven van 19
juni 2009 aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal. Gezien
echter het feit dat tussen datum van de hiervoor bedoelde brieven
en de datum van indiening bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal
slechts een zeer korte periode is gelegen en het kabinet geen
aanwijzingen heeft dat in de periode tussen 19 juni 2009 en het
tijdstip van indiening van het onderhavige voorstel van wet bij de
Tweede Kamer een substantieel aantal belastingplichtigen (fiscaal
geïndiceerd) is geëmigreerd, heeft het Kabinet gemeend de
aanbeveling van de Raad over te moeten nemen. Het wetsvoorstel en
de memorie van toelichting zijn dienovereenkomstig aangepast.
Hierbij is conform het advies van de Raad ook een tijdsaanduiding
gegeven.
Overige
opmerkingen
Met betrekking tot de redactionele kanttekeningen die de Raad in
overweging geeft in de bijlage bij zijn advies, merk ik het
volgende op.
Aan de eerste kanttekening is geen gevolg gegeven, omdat het begrip
aanspraken in deze situatie de enige term is die voor wat betreft
de werkgeversbijdrage exact aangeeft wat hier wordt bedoeld. Het
gaat in het voorgestelde artikel 3.136, derde lid, Wet IB 2001 om
het bedrag dat bij toekenning van de aanspraak tot het loon zou
zijn gerekend ingeval geen vrijstelling van toepassing zou zijn
geweest. Ingevolge artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964
gaat het hierbij – naast de werknemersbijdragen – om de waarde die
op het moment van toekenning aan de door de werkgever toegekende
aanspraak (dat wil zeggen exclusief het door de werknemer zelf
betaalde deel) kon worden toegekend.
Ook aan de tweede kanttekening is geen gevolg gegeven. Juist omdat
artikel 3.81 Wet IB 2001 de in dit kader relevante definitie bevat,
is het dit artikel dat bepaalt of de aanspraak en de
werknemersbijdrage bij de toekenning van de aanspraak tot het loon
zijn gerekend. Artikel 3.80 Wet IB 2001, waarnaar de Raad verwijst,
bevat eveneens een definitie, maar die definitie is te ruim, nu
deze definitie bijvoorbeeld ook de ingevolge artikel 3.83 Wet IB
2001 tot het loon gerekende bedragen omvat.
Aan de overige kanttekeningen is gevolg gegeven.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van
wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager
Voorstel van wet |
26-06-2009
|
PDF bestand, 27 Kb
Nota n.a.v. het nader verslag | 01-07-2009 | Inkomstenbelasting, Belastingverdragen
Nader rapport |
26-06-2009
|
PDF bestand, 33 Kb
Memorie van Toelichting |
26-06-2009
|
PDF bestand, 45 Kb
Advies Raad van State |
25-06-2009
|
PDF bestand, 59 Kb