U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Ons kenmerk: DV/2009/568 M
Betreft: Schriftelijke vragen wetsvoorstel implementatie richtlijnen BTW-pakket (31907)
Geachte voorzitter,
Vanuit de vaste commissie voor Financiën zijn nog enkele vragen voorgelegd met betrekking tot het wetsvoorstel implementatie richtlijnen BTW-pakket (31907). Hieronder wordt daarop nader ingegaan.
1. Gevraagd wordt aan te geven welke van de 27 lidstaten de richtlijnen uit wetsvoorstel 31907 hebben geïmplementeerd in nationale wetgeving en of kan worden aangegeven voor die landen die die richtlijnen nog niet hebben geïmplementeerd, in welk stadium het wetgevingsproces zich bevindt en wanneer die zal zijn afgerond.
In kort tijdsbestek was het niet mogelijk van alle lidstaten
afzonderlijk informatie te verkrijgen omtrent de actuele stand van
zaken. Eind vorige week is bij een aantal lidstaten gepolst hoe het
daar staat met de implementatie van bedoelde richtlijnen in de
nationale wetgeving. Deze lidstaten gaven alle aan dat ze de
implementatie tijdig kunnen afronden.
Tevens is bij de verantwoordelijke diensten van de Commissie
gevraagd naar hun indruk van de actuele stand van zaken op dit
vlak. Van die zijde is aangegeven dat de Commissie de zaken
nauwlettend volgt en dat ze geen signalen heeft ontvangen dat er
lidstaten zijn die de implementatie niet tijdig zouden kunnen
afronden.
2. Een cruciaal onderdeel is dat een ondernemer in zijn thuisland btw-teruggave voor alle 27 landen kan aanvragen. Daarvoor wordt een portal ingericht in elke lidstaat, die die informatie ontvangt. Welke van de 27 landen hebben een operationele portal?
Voorop staat dat de 27 lidstaten allemaal eerst per 1-1-2010 een
werkende portal moeten hebben waarlangs de elektronische verzoeken
van ondernemers om teruggaaf van BTW kunnen worden ontvangen. In
die zin kan thans nog niet van operationele portals worden
gesproken, en heeft dus geen enkele lidstaat nu een operationele
portal.
De vraag wordt daarom zo verstaan dat gevraagd wordt welke landen
al gereed zijn met het ontwerpen en testen van de portal c.q. op
tijd gereed zullen zijn. Hiervan is thans geen actueel overzicht
beschikbaar. Zowel eind april jl. als begin juli jl. zijn op
EU-niveau in het SCIT (Steering Committee on IT) inventariserende
rondes gehouden. Geen enkele lidstaat heeft toen aangegeven dat
1-1-2010 niet wordt gehaald.
Op donderdag 24 september a.s. is er weer een bijeenkomst van het
SCIT. De Europese Commissie heeft ten behoeve van deze bijeenkomst
een vragenlijst aan alle lidstaten gestuurd waarin specifiek naar
de stand van zaken en eventuele vertraging wordt gevraagd. De
resultaten zullen in de genoemde bijeenkomst worden gepresenteerd;
pas dan ontstaat er een actueel beeld voor alle 27 lidstaten.
3. De Nederlandse informatie wordt dus doorgestuurd aan 26 andere landen. Welke van die landen zijn op dit moment in staat de in Nederland ingevoerde informatie te ontvangen en correct af te werken? En is de Nederlandse Belastingdienst in staat om de informatie van de 26 overige lidstaten correct te ontvangen en af te handelen?
Met betrekking tot de vraag naar het ontvangen en verwerken van
informatie uit andere lidstaten wordt verwezen naar het antwoord op
de voorgaande vraag.
Met betrekking tot de Nederlandse Belastingdienst kan worden
opgemerkt dat de Belastingdienst naar het zich nu laat aanzien
vanaf januari 2010 inderdaad in staat is om informatie van de 26
overige lidstaten correct te ontvangen en af te handelen.
Hiervoor is echter wel een speciale voorziening nodig gebleken. Het
maken van de portalsite voor teruggaaf van BTW is namelijk niet
gemakkelijk gebleken. Reeds van meet af aan bleek het inrichten van
dit nieuwe proces en de bijbehorende ondersteunende voorzieningen
inhoudelijk complex. Zo complex, dat afgelopen zomer bleek dat de
poortsystemen bij de Belastingdienst hierop per 2010 ook niet goed
konden worden aangepast.
Gelet op het uitgangspunt van de continuïteit in de processen bij
de Belastingdienst achtte het bestuur van de Belastingdienst het
niet wenselijk hier een onnodig risico te lopen. Daarom is medio
2009 door de Belastingdienst bezien of de geautomatiseerde
ondersteuning voor het elektronische teruggaafproces op een andere
wijze per 2010 kan worden ingericht. Dit is gevonden in de vorm van
een softwarepakket dat in opdracht van Luxemburg is ontwikkeld. De
Belastingdienst heeft besloten dit pakket aan te schaffen en per 1
januari 2010 wordt met behulp van dit pakket de portalsite voor
teruggaafverzoeken ingericht. Dit pakket vraagt weliswaar een
separate autorisatie naar het persoonlijk domein, maar biedt ook
mogelijkheden voor het tussentijds kunnen opslaan van ingetoetste
gegevens.
Daarnaast wordt voor de grotere ondernemingen of hun
dienstverleners die bij het teruggaafverzoek meer massaal gegevens
aanleveren, een apart elektronisch kanaal opgesteld waarin de
gevraagde gegevens vanuit de eigen administratieve software kunnen
worden ingelezen. Dit kanaal zal nog in januari 2010 beschikbaar
zijn.
4. Welke ICT-testen zijn met elk van de 26 landen gedaan en zullen nog worden gedaan om die 26 koppelingen te testen?
In tegenstelling tot de achterliggende veronderstelling bij deze vraag is er geen sprake van 26 koppelvlakken en bijbehorende raakvlakken tussen de lidstaten. De informatieuitwisseling over teruggaafverzoeken zal plaatsvinden via het Europese elektronische netwerk dat ook wordt gebruikt voor andere elektronische gegevensuitwisseling. Derhalve hoeft alleen het koppelvlak met het Europese netwerk te worden getest. Hiervoor zijn met de Europese Commissie afspraken gemaakt binnen welke tijdvak in het komende najaar het koppelvlak met het Europese netwerk kan worden getest. Uiteraard maakt dit deel uit van bredere ketentesten voor het teruggaafproces per 2010
5. Hoe zal teruggave van de btw over het vierde kwartaal plaatsvinden? Zal dat met de nieuwe portal moeten, gelijk op 1 januari, of mogen ondernemers nog de oude methode gebruiken, uit de achtste richtlijn, waaraan ze gewend zijn?
In de EU-richtlijn is bepaald dat verzoeken om teruggaaf die vanaf 1 januari 2010 worden gedaan onder de nieuwe werkwijze vallen en dat verzoeken gedaan voor eind 2009 onder de huidige werkwijze vallen. Dit geldt ook voor verzoeken over het vierde kwartaal van 2009, indien deze voor eind 2009 worden gedaan.
6. Kunnen de recent door NOB en VNO-NCW opgeworpen vragen ook in de beantwoording worden meegenomen?
Hierna wordt nader ingegaan op de door NOB en VNO-NCW opgeworpen vragen met betrekking tot het onderhavige wetsvoorstel.
Voorafgaand daaraan wil ik enkele meer algemene opmerkingen maken over dit wetsvoorstel dat de implementatie regelt van drie nieuwe BTW-richtlijnen.
Het gaat daarbij om de Richtlijn met betrekking tot de nieuwe regels voor de plaats van dienst, de Richtlijn voor de teruggaaf van in een andere lidstaat betaalde BTW en de Richtlijn van december 2008 met betrekking tot de bestrijding van BTW-fraude. Met instemming van de Kamer en het bedrijfsleven hebben we daar in Brussel hard voor gestreden. Uit de onderhandelingen in Brussel is een pakket gekomen dat voor het Nederlandse bedrijfsleven meer voor- dan nadelen bevat.
Gewezen zij in dit verband op de nieuwe regeling voor de plaats van dienst. Die houdt in dat voor grensoverschrijdende diensten die ondernemers verrichten voor andere ondernemers de BTW in de praktijk bijna steeds wordt geheven in de lidstaat van de afnemer. Ondernemers krijgen daardoor veel minder vaak buitenlandse BTW in rekening gebracht, die ze dan weer moeten terugvragen via een afzonderlijke procedure.
Een ander positief aspect van de nieuwe regeling voor de plaats van dienst is dat ondernemers in veel van de gevallen waar ze nu zelf in een andere lidstaat BTW-aangifte moeten doen, deze plicht zien worden verlegd naar hun afnemers.
Genoemde wijzigingen betekenen voor het bedrijfsleven, na de nodige administratieve aanpassingen in het begin, uiteindelijk een substantiële reductie van de administratieve lasten.
Ook aan de nieuwe procedure voor de teruggaaf van in een andere lidstaat betaalde BTW is een vermindering van de administratieve lasten verbonden. Bij de huidige teruggaafprocedures moeten ondernemers zich bij de belastingdienst van elke lidstaat waar hen BTW in rekening is gebracht, melden voor de teruggaaf van soms betrekkelijk kleine bedragen. Dit betekent voor die ondernemers vaak veel administratieve rompslomp, mede door het ontbreken van uniformiteit in de procedure en taal. Bij de nieuwe regeling kan de ondernemer de teruggaaf voor alle in andere lidstaten betaalde BTW verzoeken via de nieuwe elektronische portalsite van de eigen lidstaat. Voorts wordt in de nieuwe procedure de rechtspositie van de ondernemer die om teruggaaf verzoekt versterkt.
Naast de administratieve lastenverlichting is er in het onderhavige voorstel ook een onderdeel dat, zeker in het begin, kan leiden tot een zekere verzwaring van de administratieve lasten. Ik doel daarbij op de wijziging van het moment van de verschuldigdheid bij grensoverschrijdende diensten. Dit zal bij de introductie leiden tot extra lasten voor het bedrijfsleven.
Bij de steeds verder gaande harmonisatie van de BTW-heffing in de EU is het vrijwel onontkoombaar dat nieuwe regels op onderdelen ook elementen kunnen bevatten die ten opzichte van de huidige nationale praktijk voor het Nederlandse bedrijfsleven minder makkelijk uitpakken. Dit hangt er ook mee samen dat er bij het begin van de harmonisatie, bij de totstandkoming van de Zesde BTW-richtlijn, meer vrijheden waren om de BTW-heffing van een nationale component te voorzien. De interne markt stond nog in de kinderschoenen en de fiscale grenzen tussen de lidstaten waren nog volop aanwezig. Daarom kon er, vaker dan nu het geval is, gewerkt worden met eigen nationale praktijken en was het vaak mogelijk om bestaande – ook in het bedrijfsleven verankerde – administratief/organisatorische systemen te handhaven. Dat is in Nederland ook in ruime zin gebeurd.
Bij die huidige stand van de harmonisatie met één grote interne markt met alle voordelen van dien, en met 27 lidstaten met uiteenlopende achtergronden en stadia van economische ontwikkeling, moeten de nationale praktijken van alle lidstaten steeds meer onder een noemer worden gebracht. Hierbij moet voorts worden bedacht dat wil de wetgeving de ruimte kunnen bieden aan een steeds flexibeler, vrijer en massaler dienstenverkeer dat steeds losser komt te staan van plaats en tijd, de lidstaten hun administratieve- en controle-systemen steeds strakker op elkaar zullen moeten afstemmen ten behoeve van een adequate informatieverzameling en –uitwisseling.
Uiteraard zal ook in de toekomst nauw worden samen gewerkt met het bedrijfsleven waar het gaat om nieuwe harmonisatievoorstellen, teneinde de met de harmonisatie gepaard gaande voordelen zo groot mogelijk te doen zijn voor het nationale bedrijfsleven.
Wat betreft de vragen van VNO-NCW in de brief 25 augustus 2009 wordt het volgende opgemerkt.
VNO-NCW licht in de brief de bezorgdheid over de lastenverzwaring toe en dringt in de brief aan op maatregelen, waarbij het gaat om een viertal onderwerpen waar specifiek op zal worden ingegaan.
VNO-NCW is van mening dat de inspanning van Nederland er op
gericht moet zijn om de richtlijn op het punt van tijdstip van
verschuldigdheid op EU-niveau zo spoedig mogelijk te herzien met
het oog op de administratieve lasten verzwaring die deze wijziging
van het tijdstip met zich brengt.
Verder vraagt het VNO een coulante houding van de Belastingdienst
ten aanzien van de uitvoering hiervan en specifiek ten aanzien van
de afnemer aan wie de BTW wordt verlegd. Bovendien wijst VNO op het
gevaar van mismatch als het tijdstip van presteren niet duidelijk
is.
Allereerst zal worden ingegaan op de totstandkoming van de
wijziging. In maart 2008 is het voorstel tot wijziging van de
richtlijn op dit punt verschenen en heeft ook het (Europese)
bedrijfsleven daarvan kennis kunnen nemen. In het regelmatige
overleg met het bedrijfsleven over de Europese dossiers is het punt
van tijdstip van verschuldigdheid niet naar voren gekomen.
De uitzonderingen die de BTW-richtlijn biedt om voor bepaalde
categorieën ondernemers een later moment van verschuldigdheid toe
te staan dan het tijdstip van de dienst, zijn voor de B2B-diensten
die onder de hoofdregel vallen vanaf 1 januari 2010 niet
toegestaan.
Nederland maakt tot nu toe ruimhartig gebruik van de uitzondering
door voor bijna alle ondernemers het factuurstelsel toe te staan.
In andere lidstaten wordt al gewerkt met de verschuldigdheid op het
tijdstip dat de dienst wordt verricht. Deze lidstaten maken minder
gebruik van de uitzondering.
De verschuldigdheid van de verlegde BTW bij B2B-diensten moet
zowel in het land van de dienstverrichter, als in het land van de
afnemer, op één zelfde tijdstip worden gefixeerd. Eén zelfde
tijdstip is noodzakelijk om de afdracht van verlegde BTW te kunnen
controleren aan de hand van de informatie verzameld via de Opgaven
Intracommunautaire Prestaties.
Dat ene tijdstip had ook het moment kunnen zijn waarop de factuur
wordt uitgereikt, ware het niet dat, anders dan in Nederland, het
tijdstip van presteren doorgaans in andere lidstaten het
uitgangspunt is.
Een wijziging van dit punt in de richtlijn is dan ook niet te
verwachten omdat Nederland in dit geval een uitzonderingspositie
inneemt. Het bepleiten van een wijziging van de richtlijn waarvoor
een voorstel van de Europese Commissie nodig is, acht ik op dit
moment daarom niet haalbaar. Wat wel haalbaar is, is dat de
Belastingdienst de regelgeving zo soepel mogelijk uitvoert waar
zich problemen voordoen.
Ten tweede wil ik ingaan op de stelling dat het tijdstip van
prestatie vaak niet eenduidig is vast te stellen en daarom moet
worden vastgehouden aan de datum van de factuur als tijdstip van
verschuldigdheid.
De stelling lijkt uit te gaan van de aanname dat wanneer wordt uit
gegaan van het moment dat de factuur wordt uitgereikt, het tijdstip
van presteren niet hoeft te worden vastgesteld. Zo’n aanname is
onjuist, want ook in geval waarop het tijdstip van verschuldigdheid
wordt vastgesteld op het moment waarop de factuur moet worden
uitgereikt zal de dienstverrichter moeten bepalen wanneer hij een
dienst heeft verricht. Immers hij is verplicht voor de 15e van de
maand volgend op die waarin hij de dienst heeft verricht een
factuur dient uit te reiken. Het tijdstip van de prestatie moet dus
ook hier worden vastgesteld. Als daarover geen duidelijkheid
bestaat dan geldt dit voor beide verschuldigdheidsbepalingen.
In het merendeel van de gevallen zullen zich geen problemen
behoeven voor te doen omtrent het tijdstip van de dienstverrichting
(dat is het tijdstip waarop de dienst is afgerond).
In de Nota naar aanleiding van het verslag heb ik daartoe al
handvatten gegeven voor de echt onduidelijke situaties als de
afnemer niet tijdig over een factuur beschikt.
Daar waar het vervolgens voor de Nederlandse afnemer van een dienst
dan nog steeds problemen oplevert om vast te stellen wanneer de
dienst is verricht, kunnen praktische afspraken worden gemaakt met
de competente belastinginspecteur. De inspecteur zal daarbij op een
soepele wijze in overleg met de afnemer aan de hand van alle feiten
en omstandigheden tot een werkzame oplossing komen.
Over dit onderwerp worden een aantal vragen gesteld die ik in volgorde van de brief beantwoord.
Op de vraag of op 1 januari 2010 in alle lidstaten een portaalsite operationeel is en vanaf die datum teruggaafverzoeken uit andere lidstaten ontvangen kunnen worden is in de beantwoording van de vragen 2 en 3 van de vaste commissie voor Financiën reeds ingegaan. Kortheidshalve wordt daar naar terug verwezen.
De vraag of teruggaafverzoeken over het vierde kwartaal 2009 nog onder de Achtste richtlijnprocedure worden afgewikkeld als deze vóór 2010 worden ingediend kan - zoals hiervoor onder vraag 5 van de vaste commissie voor Financiën is toegelicht- bevestigend worden beantwoord.
VNO vraagt of de belastingdienst voldoende tijd heeft gehad om
de portalsite zodanig vorm te geven dat daarmee ook de
administratieve lasten daadwerkelijk halveren.
Ook dit onderwerp is bij de beantwoording van vraag 3 aan de orde
gekomen; kortheidshalve wordt daarnaar verwezen. Hieraan wordt ter
volledigheid het volgende opgemerkt.
Nederland vraagt zelf aan ondernemers in andere lidstaten géén
(digitale kopie) facturen bij het verzoek, alleen selectief in het
kader van toezicht. Andere lidstaten zoals Frankrijk en Duitsland
doen dat wel. Daarom moeten de Nederlandse ondernemers bij hun
teruggaafverzoek in die gevallen de gescande facturen met de in
rekening gebracht BTW bijvoegen.
Door de lidstaten is afgesproken dat bijlagen niet groter mogen
zijn dan 5 MB. Er is op dit punt veel verschil tussen de lidstaten,
er zijn lidstaten die 100 MB aankunnen, maar ook die maar 5 MB
aankunnen. Vandaar dat het maximum is bepaald op 5 MB.
Indien de bijlage groter wordt dan 5 MB, is binnen de EU
afgesproken dat de facturen met de hoogste bedragen tot 5 MB het
eerste toegevoegd worden aan het verzoek. Daarmee wordt het fiscale
risico het beste afgedekt, zo is de gedachte.
Indien een lidstaat alle facturen wil ontvangen, kunnen deze via
artikel 20 van de Richtlijn worden opgevraagd. Feitelijk wordt
hiermee ook richting de Nederlandse opvatting bewogen.
Er worden geen specifieke maatregelen getroffen voor de zogenaamde
BTW-huizen. Deze BTW-huizen kunnen vanuit hun software massale
verzoeken blijven indienen namens de ondernemers.
VNO-NCW vraagt aandacht voor de administratieve last die ondernemers zullen ondervinden door de wijziging van de plaats van dienst in relatie tot de factureringsregels van alle 27 lidstaten waarvan de afnemer op de hoogte moet zijn. VNO-NCW ziet mogelijkheden om dit te wijziging tijdens de onderhandelingen in Europa over het voorstel tot herziening van de richtlijn betreffende het elektronisch factureren, door uit te gaan van de regels van het land van de presterende ondernemer.
Nederland staat in die onderhandelingen positief tegenover het uitgangspunt om de factureringsregels te laten gelden waarmee de ondernemer in eigen land bekend is. Dit zou dan gepaard moeten gaan met een geharmoniseerd tijdstip waarop de factuur uiterlijk moet zijn uitgereikt.
Bij dit onderwerp spreekt VNO-NCW de vrees uit dat aan de
ondernemers meer vragen zullen worden gesteld door de samenvoeging
van intracommunautaire leveringen en diensten op het aangiftebiljet
en verzoekt daarom om een aparte rubriek op de aangifte.
Met oog op de administratieve lasten en een zo soepel mogelijke
invoering per 2010 is besloten om het aantal vragen op het
aangiftebiljet niet uit te breiden. Langs de gekozen weg wordt wel
de beoogde informatie verkregen. De EU-informatieuitwisseling vindt
plaats op basis van de opgaaf intracommunautaire prestaties en niet
op basis van de aangifte. Een aanleiding om meer vragen te stellen
is er niet omdat de andere lidstaten de Nederlandse BTW-aangifte
niet zien.
De vormgeving van de aangifte omzetbelasting wordt overigens op
zijn vroegst per 2011 bezien.
Naast voorgaande onderwerpen heeft VNO-NCW in de bijlage bij de brief de navolgende vragen gesteld die eveneens in volgorde worden beantwoord.
De tijd tot 1 januari 2010 is kort. VNO-NCW dringt daarom aan dat het BTW-Comité snel duidelijkheid geeft over een groot aantal interpretatievragen.
Het BTW-comité vergadert weer op 30 september. Verwacht wordt
dat dan een aantal richtsnoeren zullen worden vastgesteld. Het gaat
daarbij bijvoorbeeld om richtsnoeren over de criteria voor de
“betrokkenheid” van een binnenlandse vaste inrichting bij de
dienstverrichting door een buitenlandse ondernemer, het vaststellen
van de status van de afnemer (al dan niet ondernemer) en het begrip
vaste inrichting van een buitenlandse ondernemer.
Wanneer de teksten van die richtsnoeren vaststaan zal op korte
termijn de gevraagde duidelijkheid aan het Nederlandse
bedrijfsleven kunnen worden gegeven. De verwachting is dat dit voor
veel van de hiervoor genoemde gevallen in de eerste helft van
oktober mogelijk zal zijn.
VNO-NCW vraagt hoe een Nederlandse transportondernemer die in een andere lidstaat geen vaste inrichting heeft, maar wel een BTW-nummer, de daar betaalde BTW voor brandstof kan terugvorderen na 1 januari 2010. Als de mogelijkheid voor directe aangifte in zo’n lidstaat komt te vervallen zou dit een aanzienlijke administratieve lastenverzwaring betekenen.
De Nederlandse vervoersondernemer kan na 1 januari 2010 de BTW die hij heeft betaald voor brandstofaankopen in een andere lidstaat terugvragen via de elektronische portalsite van de Nederlandse belastingdienst.
Wanneer een Nederlandse ondernemer beschikt over een BTW-nummer
van een andere lidstaat, alleen maar omdat hij binnen die andere
lidstaat goederenvervoer verricht in opdracht van een andere
ondernemer, zal hij dat nummer waarschijnlijk kwijt raken na 1
januari 2010. Dit komt omdat hij bij de nieuwe regels niet langer
zelf de aangifte voor dat vervoer in die lidstaat moet doen.
In dit geval is de afnemer van de vervoersdienst in een andere
lidstaat gevestigd en moet deze in zijn eigen thuisstaat de BTW
over de vervoersdienst voldoen.
Nu de vervoerder na 1 januari 2010 niet langer zelf aangifte
moet doen in de lidstaat waar het vervoer fysiek heeft
plaatsgevonden, kan hij ook niet langer op die aangifte de in die
lidstaat betaalde BTW op brandstof in aftrek brengen.
Hij kan die aftrek echter vragen via de elektronische portaalsite
van de Nederlandse belastingdienst.
Het resultaat van de wijzigingen per 1 januari is dat een
Nederlandse vervoerder niet langer periodiek in elke lidstaat
waarin hij binnenlandse vervoer verricht afzonderlijk aangifte
behoeft te doen. De input-BTW voor brandstoffen kan hij in al die
landen dan niet meer in aftrek brengen, maar kan hij terugvragen
via de Nederlandse portaalsite.
Dit is eerder een verlichting van de administratieve lasten dan een
verzwaring.
VNO-NCW vraagt wanneer een ondernemer voldoende heeft gedaan om de status van zijn afnemer vast te stellen.
In aanvulling wat daarover in de Nota naar aanleiding van verslag reeds is neergelegd is dit eveneens een onderwerp waarover het BTW-comité een nadere richtsnoer zal vaststellen. Wanneer de teksten van die richtsnoeren zullen worden vastgesteld zal, zoals eerder aangegeven, dit worden gecommuniceerd.
De vraag of een snelle verificatie van grote hoeveelheden
BTW-identificatienummers gewaarborgd is kan bevestigend worden
beantwoord.
De ondernemer kan een btw-nummer verifiëren bij:
Dit gebeurt voor grote hoeveelheden binnen 10 werkdagen.
Wanneer een Duitse ondernemer een dienst verricht aan een in Nederland gevestigde ondernemer waarbij de Duitse ondernemer zijn Nederlandse vaste inrichting inschakelt, leidt dit ertoe dat de heffing van de BTW in Nederland niet wordt verlegd. VNO-NCW wenst te vernemen of dit betekent dat de Duitse ondernemer dan onder een Nederlands BTW-identificatienummer de Nederlandse BTW moet factureren.
In de geschetste situatie is hoe dan ook Nederlandse BTW
verschuldigd.
Het gaat hier om een Duitse ondernemer die een dienst verricht aan
een in Nederland gevestigde ondernemer. Bij het verrichten van deze
dienst schakelt de Duitse ondernemer een aantal mensen van zijn
Nederlandse vaste inrichting in. Hierdoor raakt deze vaste
inrichting voor de BTW betrokken bij de dienst van de Duitse
ondernemer.
De betrokkenheid van de Nederlandse vaste inrichting leidt ertoe
dat de belastingschuld voor de in Nederland verrichte dienst niet
wordt verlegd naar de Nederlandse afnemer.
De Duitse ondernemer verricht uiteraard wel zelf de dienst in
Nederland, ook al verleent zijn Nederlandse vaste inrichting
daarbij hand- en spandiensten. Hij moet dan factureren onder zijn
Duitse nummer.
VNO-NCW wenst te vernemen wat het gevolg is van het gebruik van de term “evenementen” in plaats van de term “activiteiten” bij de toegangverlening tot culturele, artistieke, educatieve, en andere activiteiten/evenementen met ingang van 1 januari 2011. VNO-NCW geeft aan dat niet duidelijk is wat het gevolg is van het onderscheid tussen toegangverlening en andere diensten voor onderwijsactiviteiten. Dit verschil zal bij onderwijsactiviteiten naar verwachting maar beperkt aan de orde zijn. Voor de meeste onderwijsactiviteiten is geen sprake van toegang verlening in enge zin. Dan geldt de hoofdregel voor deze B2B-diensten. De uitzondering is er alleen voor beurzen, tentoonstellingen waarbij het educatieve karakter voorop staat.
Wat betreft de B2B-toegangverlening geldt dat de plaats van dienst daar is waar het onderwijs plaats vindt. De overige B2B-diensten met betrekking tot onderwijs aan de ondernemer vinden conform de hoofdregel plaats daar waar de afnemer is gevestigd.
De regeling met ingang van 1 januari 2011 voor de plaats van
dienst met betrekking tot culturele, artistieke, educatieve en
dergelijke activiteiten is in grote trekken dezelfde als die van
nu, en die van 2010, voor zover het erom gaat dat die diensten
worden verricht ten behoeve van anderen dan ondernemers.
Deze B2C-diensten zijn en blijven belast op de plaats waar de
activiteiten daadwerkelijk worden verricht. De regels met
betrekking tot deze diensten veranderen wél als ze worden verricht
aan ondernemers. Met ingang van 1 januari 2011 geldt dat deze
diensten dan, conform de hoofdregel voor B2B-diensten, worden
verricht op de plaats waar de afnemende ondernemer gevestigd is.
Maar, daar waar het gaat om alleen de toegangverlening van een
ondernemer tot die activiteiten geldt als plaats van dienst, de
plaats waar de activiteit plaatsvindt.
Omdat gemeend werd dat de term toegangverlening sec taalkundig
beter paste bij een evenement dan bij een activiteit is in de
richtlijn, en in navolging daarvan in de wet, gekozen voor de
toegangverlening tot een “evenement” in plaats van een
“activiteit”.
Het is niet te verwachten dat het in de praktijk verschil zal maken
of gesproken zal worden van de toegang tot een evenement of tot een
activiteit.
Wat betreft de vragen van NOB (brief van 14 september 2009) kan het volgende worden opgemerkt.
De opvatting van NOB dat de wijzigingen in de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet) als gevolg van de implementatie van de frauderichtlijn in bepaalde gevallen ook betrekking kunnen hebben op transacties vanuit derde-landen wordt gedeeld.
NOB merkt op dat het niet past in het streven om de administratieve lasten voor ondernemers zo beperkt mogelijk te houden, dat ondernemers, in gevallen waarin hun afnemers geen (buitenlands) btw-nummer hebben zelf op onderzoek uit moeten en desnoods met de buitenlandse belastingdienst contact op moeten nemen.
Zoals al in de Nota naar aanleiding van het verslag is
opgemerkt, veranderen de nieuwe regels in beginsel niet de
voorwaarden over hoe een ondernemer kan en moet vaststellen of zijn
afnemer inderdaad handelt als een ondernemer.
Ook nu al moeten ondernemers die diensten verrichten aan andere
ondernemers zich in bepaalde gevallen ervan vergewissen dat hun
afnemer handelt als ondernemer. Daarbij is uitgangspunt dat iedere
ondernemer normaal gesproken beschikt over een
BTW-identificatienummer. Iedere lidstaat is immers op grond van de
BTW-richtlijn verplicht om de nodige maatregelen te treffen voor de
identificatie onder een individueel nummer van alle
belastingplichtigen.
In het geval de afnemende ondernemer op dat moment dan toch nog niet beschikt over een BTW-identificatie nummer (dit zou zich in een enkel geval bij een startende ondernemer kunnen voordoen) dient de ondernemer die de dienst verricht zich anderszins van het ondernemerschap van zijn afnemer te vergewissen. Dit is op dit moment bijv. in geval van intracommunautaire levering van goederen niet anders. De administratieve lasten van ondernemers worden door deze verplichting niet (nodeloos) verzwaard.
Daarnaast wil het NOB gepreciseerd zien hoe het listingformulier moet worden ingevuld zolang het btw-nummer van de buitenlandse afnemer nog niet bekend is. De situatie dat een ondernemer niet over een BTW-identificatie nummer beschikt kan zich, gelet op de door de BTW-richtlijn aan de lidstaten opgelegde verplichting, eigenlijk niet voordoen. Het correct invullen van het listingformulier mag dan ook geen problemen opleveren. Mochten zich onverhoopt toch haperingen voordoen dan zal de Belastingdienst deze van geval tot geval bekijken en, zo mogelijk, soepel oplossen.
Wat betreft de vraag van NOB hoe de plaatsbepalingsregels uitwerken als de ondernemer een dienst afneemt van een andere afnemer ten behoeve van zijn personeel geldt dat ook hier doorslaggevend is in welke hoedanigheid de afnemer zich presenteert.
In de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt dat “naar het voorkomt een grensoverschrijdende dienst in geval van privégebruik door een ondernemer in het algemeen in eerste instantie zal worden aangekocht in de ondernemerssfeer, waarna later bij geheel of gedeeltelijk gebruik in de privésfeer ter zake van dat gebruik BTW wordt geheven in de lidstaat van de afnemer”. Daarmee wordt aangegeven dat in dit geval het privégebruik niet belast is in de lidstaat van de dienstverrichter maar in de lidstaat van de afnemer. Niet is aangegeven hoe die heffing in het land van de afnemer plaatsvindt. Die heffing kan ook geschieden via een beperking van het recht op aftrek van de voorbelasting zoals in Nederland het geval kan zijn. Er is dan ook geen strijdigheid met eerder gedane uitlatingen op dit vlak, noch is er hier sprake van een verschil in behandeling in Nederland tussen lokale en grensoverschrijdende diensten.
Bij het vorenstaande maakt het niet uit of de afnemende ondernemer een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is. De conclusie die NOB daaraan verbindt voor de toepassing van artikel 7, zevende lid, letter b, van de Wet, wordt niet onderschreven. Die bepaling is juist opgenomen om de BTW-heffing voor het bedrijfsleven te vergemakkelijken. Verwacht wordt dat de in genoemde bepaling genoemde rechtspersonen, andere dan ondernemers, van deze voorziening daarom volop gebruik zullen maken.
Naar aanleiding van de opmerking van NOB over een definitie van
het begrip “zetel van bedrijfsuitoefening” zij opgemerkt dat dit
reeds lang bestaande begrip tot nu toe inderdaad niet specifiek in
de Europese en nationale wetgeving is gedefinieerd.
Er is niet gebleken dat dit in de praktijk tot moeilijkheden heeft
geleid. Er zijn dan ook geen plannen voor aanpassing op korte
termijn.
Hoe er met een Europese rechtspersoon moet worden omgegaan is afhankelijk van feiten en omstandigheden. Dit zal met name afhankelijk van de activiteiten die door de hoofdvestiging en de andere locaties worden verricht. Of de andere locaties als vaste inrichting kunnen worden aangemerkt zal mede afhangen van de invulling die het BTW-Comité later dit jaar geeft aan het begrip “vaste inrichting”. Hier wordt niet op vooruitgelopen.
NOB vraagt waarop de mening wordt gebaseerd dat de kans klein wordt geacht dat zich dubbele heffing voordoet bij vervoer in een derde-land dat wordt verricht door een in Nederland gevestigde vervoerder in opdracht van een in Nederland gevestigde ondernemer. Uit het reguliere overleg tussen lidstaten en met het bedrijfsleven is niet naar voren gekomen dat de vrees bestaat dat zo’n situatie zich gemakkelijk zal voordoen. Er zij in dit verband op gewezen dat in de Nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt dat wanneer zo’n situatie zich zou voordoen, regelgeving zal worden bevorderd om aan de dubbele heffing een einde te maken. Naar aanleiding van de opmerking van de orde daarover wordt opgemerkt dat bedoelde richtlijnbepaling niet bedoeld is voor gevallen waarbij dubbele heffing is ontstaan doordat lidstaten een prestatie verschillend kwalificeren.
NOB wil bevestigd zien dat in geval er sprake is van verdeling van software kosten over buitenlandse vestigingen, zijnde vaste inrichtingen, er voor de btw sprake is van een interne doorbelasting binnen dezelfde onderneming. Er vanuit gaande dat er sprake is van één rechtpersoon, is er inderdaad sprake van een interne doorbelasting binnen dezelfde onderneming indien deze rechtspersoon de contractpartij is waaraan de dienst wordt verricht. De regelgeving kent geen fictieve dienst voor deze gevallen.
Met de zinsnede “in dat laatste geval” op bladzijde 12 van de Nota naar aanleiding van het verslag wordt niet een vaste inrichting bedoeld. Hier wordt een geval beschreven waarin de buitenlandse (ic Franse) vestiging geen dochtervennootschap is, maar ook geen vaste inrichting. De zinsnede “in dat laatste geval” ziet op de doorbelasting van het Nederlandse hoofdkantoor aan de Franse vestiging, niet zijnde een vaste inrichting.
NOB concludeert gelet op het voorbeeld op bladzijde 12 van de Nota naar aanleiding van het verslag dat de doorbelasting vanuit het Nederlandse hoofdkantoor aan haar Franse vestiging, niet zijnde een vaste inrichting, niet onder de Nederlandse btw-heffing valt maar dat de plaats van dienst Frankrijk is en dat de btw op basis van de verleggingsregeling verschuldigd is door de Franse vestiging als dit een afzonderlijke juridische entiteit is.
In het voorbeeld worden de gevolgen beschreven van de BTW-heffing ter zake van een overeenkomst met een Franse softwareleverancier die een contract sluit met het hoofdkantoor van een Nederlandse multinational voor te leveren diensten. Uit dit voorbeeld kunnen geen conclusies getrokken worden voor de situatie dat een Nederlands hoofdkantoor aan een Franse vestiging kosten doorbelast. Dit hangt volledig af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Dit geldt ook voor het geval dat een Nederlandse leverancier een contract heeft met een Frans hoofdkantoor en in het kader van dit contract ook activiteiten verricht voor de Nederlandse vaste inrichting of afzonderlijke Nederlandse dochteronderneming voor het Franse hoofdkantoor. Ook hier zal weer eerst vastgesteld moeten worden welke prestaties er precies aan wie verricht worden. Van het toepassen op de verleggingsregeling op de gehele levering, waar NOB over spreekt, zal zeker geen sprake zijn.
NOB refereert aan voorbeelden in de Nota naar aanleiding van het verslag waarin een in het buitenland gevestigde ondernemer diensten onder de nieuwe hoofdregel levert aan een in Nederland gevestigde ondernemer, waarbij een in Nederland gevestigde vaste inrichting van de buitenlandse ondernemer betrokken is. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden kan de vaste inrichting dan de in Nederland verschuldigde BTW voldoen. Wanneer dat niet mogelijk is dient de buitenlandse ondernemer zelf de aangifte in Nederland te doen.
Naar aanleiding van de kanttekening van NOB bij de nieuwe regeling voor het verlenen van toegang tot evenementen aan ondernemers zij herhaald wat hierover is opgemerkt in de nota naar aanleiding van het verslag, namelijk dat met “toegangverlening” wordt gedoeld op het verlenen van toegang in meer enge zin tot evenementen waarvoor doorgaans een ticket vereist is, zoals de toegang tot een show, toneelvoorstelling of een sportwedstrijd. Dit betekent niet, zoals de orde kennelijk veronderstelt, dat een toegangscontrole op basis van een identiteitsbewijs bij een show of dergelijk evenement er toe zou leiden dat daarmee automatisch een andere situatie ontstaat. Het gaat om de toegangverlening tot een bepaald evenement of een bepaalde activiteit, niet om de wijze van controle daarop.
Naar aanleiding van de opmerking van NOB over de toepassing van artikel 12 van de Wet wordt opgemerkt dat een buitenlandse ondernemer die in Nederland een dienst verricht, waarbij de belastingplicht niet kan worden verlegd naar de afnemer omdat zijn Nederlandse vaste inrichting bij die dienstverrichting betrokken is, de vaste inrichting, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, in zo’n geval de aangifte kan laten verzorgen.
In dit verband wordt opgemerkt dat in het kader van dit wetsvoorstel niet vooruit wordt gelopen op de uitkomsten van de discussie in EU-verband over het begrip vaste inrichting. Eventuele wijzigingen op dit vlak in de beleidssfeer worden op dit moment daarom niet overwogen.
De vraag van NOB met betrekking tot de relatie tussen het derde
en vierde lid van artikel 12, hangt samen met de nadere invulling
van de term “betrokken zijn” van de vaste inrichting bij de
prestatie van de buitenlandse ondernemer. Over die nadere invulling
wordt binnen het BTW-Comité gewerkt aan de totstandkoming van een
eenduidig richtsnoer voor de lidstaten.
Dit richtsnoer zal naar verwachting ook de door de orde
uitgesproken zorg over een mogelijk verschillende betekenis en
uitleg van de richtlijnbepaling in de Nederlandse en de Engelse
taalversie kunnen wegnemen.
NOB zegt dat het tijdstip van verschuldigdheid op het moment dat
de dienst is verricht problemen gaat geven in de praktijk. Niet
ontkend kan worden dat een wijziging van het tijdstip van
verschuldigdheid een aanpassing van de ondernemers vergt ten
opzichte van de bestaande praktijk. Dat geldt voor de presterende
ondernemer, wat betreft de listing en voor de afnemende ondernemer
wat betreft de aangifte van de naar hem verlegde BTW vanuit de
andere lidstaat.
Het algemene voorbeeld dat NOB voor de afnemer geeft wekt echter
een indruk die niet juist is. Daar wordt hierna specifiek op ingaan
omdat dit al veel van de zorgen kan wegnemen.
Het is zeker juist dat op het moment dat de dienst is verricht de afnemer vaak nog niet over een factuur beschikt en op dat moment wellicht ook niet weet hoeveel BTW hij door de verlegging moet gaan aangeven. Dat is ook geen probleem op dat moment, omdat de afnemer nog geen aangifte van BTW moet doen. Dit hoeft namelijk niet op het tijdstip van de dienst.
De aangifte moet - afhankelijk van het tijdvak waarover de ondernemer aangifte doet - namelijk pas worden gedaan aan het eind van de maand volgend op die waarin de dienst is verricht respectievelijk het eind van de maand volgend op het kwartaal waarin die dienst is verricht. Dat is in het slechtste geval 28 dagen later tot in het beste geval 4 maanden later. Daarbij worden de jaaraangevers buiten beschouwing gelaten.
Als de dienstverrichter aan zijn Nederlandse
factureringsverplichting voldoet, dan heeft de afnemer uiterlijk de
15e dag volgend op de maand waarin de dienst is verricht de
beschikking over de factuur. Maar ook als deze onverhoopt later is
zal de afnemer – uitzonderingen daargelaten - in de meeste gevallen
wel over een factuur beschikken op het moment dat hij de
verschuldigde BTW moet aangeven.
Er ligt dus een geruime tijd tussen het tijdstip van
verschuldigdheid en het moment dat de afnemer daarvan melding moet
maken in zijn aangifte.
Het andere voorbeeld uit de adviespraktijk geeft weer dat het kantoor nu al niet voldoet aan de huidge regels wat betreft het tijdstip van verschuldigdheid. Dit kantoor had dan namelijk vóór de 15e januari 2011 een factuur moeten uitreiken. De wijziging van het tijdstip van verschuldigdheid is niet de reden van het gepresenteerde voorbeeldprobleem noch wordt dit opgelost als zou kunnen worden gekozen voor het huidige tijdstip van verschuldigdheid. Ook dan is men te laat door de handelwijze die deze advieskantoren zelf hanteren.
Daar waar het voor de afnemer echt onmogelijk is vast te stellen op welk moment de dienst aan hem is verricht of de verschuldigde BTW niet kan vaststellen op basis van de hem bekende gegevens ten tijde dat hij aangifte moet doen, kan in overleg met de daartoe competente inspecteur worden bezien hoe het beste kan worden gehandeld.
NOB vraagt mijn reactie op de suggestie dat het BTW-Comité wellicht een richtsnoer kan geven in de zin dat de dienst pas is afgerond als de factuur is uitgereikt. Nog los van het feit dat dat tijdstip zelf al anders is dan het huidige tijdstip en ook veel later kan liggen dan het huidige tijdstip lijkt dit niet de juiste insteek voor alle B2B diensten. Immers het is voor deze diensten juist expliciet in de richtlijn uitgesloten. De reden waarom voor dit tijdstip is gekozen is hiervoor reeds uiteengezet bij de desbetreffende vraag van VNO-NCW waarnaar ik kortheidshalve verwijs.
Ook het Verenigd Koninkrijk heeft dit – anders dan NOB lijkt te stellen - niet als algemeen uitgangspunt. Dit neemt overigens niet weg dat daar waar in de praktijk daadwerkelijk problemen zullen opduiken voor diensten waarvan niet is vast te stellen wanneer deze voltooid zijn, nadere richtsnoeren van het BTW-Comité wenselijk kunnen zijn, ook met het oog op het voorkomen van mismatches.
NOB vreest een heffingslacune bij de inwerkingtreding van de
nieuwe bepalingen en vraagt om een wettelijke maatregel om dit te
voorkomen. Als voorbeeld hiervoor geldt een dienst die plaatsvindt
in 2009, stel december.
Opgemerkt zij dat de regels voor het tijdstip van het belastbare
feit niet veranderen. Dat geldt alleen voor het tijdstip waarop de
belasting verschuldigd wordt. Voor de dienst die wordt verricht in
december 2009 wordt de BTW derhalve uiterlijk de 15e van januari
2010 verschuldigd. Van een heffingslacune is geen sprake.
De NOB vraagt hier in te gaan op de visie van de Commissie in de inbreukprocedure tegen Italië voor het Hof van Justitie. Zoals eerder aangegeven wordt in het kader van dit wetsvoorstel niet vooruit gelopen op de uitkomsten van de discussie in EU-verband over het begrip vaste inrichting. Eventuele wijzigingen op dit vlak in de beleidssfeer worden op dit moment daarom niet overwogen. Zoals is opgemerkt bij de nota naar aanleiding van het verslag is de in dit artikel opgenomen regeling gelijk aan die welke van toepassing is onder de regels van de huidige richtlijn.
Wat betreft de vraag van NOB om bij het BTW-Comité een richtsnoer te bepleiten dat het mogelijk maakt teruggaafverzoeken via een gemachtigde in te dienen, wordt opgemerkt dat dit onderwerp eerder dit jaar in het BTW-Comité van Nederlandse zijde aan de orde is gesteld. Daarbij bleek dat een uniforme afspraak daarover op dit moment niet haalbaar is.
NOB bepleit dat ondernemers uit andere lidstaten ook rechtstreeks, zonder gebruik te maken van de nationale portalsite een teruggaafverzoek kunnen indienen bij de Nederlandse belastingdienst. Aan een dergelijk verzoek kan niet worden tegemoet gekomen. De richtlijn staat dit na 1 januari 2010 niet meer toe.
Voorts wordt door NOB bepleit dat het niet doorsturen van een verzoek om teruggaaf van een Nederlandse ondernemer kan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Blijkens artikel 33f, tweede lid, stelt de inspecteur de aanvragende ondernemer langs elektronische weg in kennis van zijn beslissing tot al dan niet doorzending bij voor bezwaar vatbare beschikking.
NOB geeft aan het wenselijk te vinden om met het oog op een eenvoudige controle een aparte rubriek op de aangifte op te nemen voor de te listen B2B-diensten. Een vraag van gelijke strekking van het VNO-NCW is hiervoor beantwoord. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
NOB vraagt de aandacht voor de toepassing van het boetestelsel bij de nieuwe opgaaf IC-diensten. Gelet op het nieuw zijn van de regels voor de opgaaf IC-diensten in 2010 is het uitgangspunt dat de Nederlandse belastingdienst terughoudend zal zijn met het opleggen van sancties. Het is immers helder dat de nieuwe regels nog moeten ‘inslijten’. Voor 2010 staat daarom als belangrijkste doel voorop dat de ondernemers die vanaf 2010 een opgaaf IC-diensten moeten doen, dat ook daadwerkelijk gaan doen. Om dat te bereiken zullen vooral degenen die persisteren in het niet of niet-volledig doen van een opgaaf IC-diensten, worden beboet.
In antwoord op de opmerking van NOB over de noodzaak tot het hernummeren van een aantal artikelen wordt opgemerkt dat hiervoor is gekozen om een logische
opbouw van de wet te behouden na verwerking van de vele nieuwe regels. Dit dient de toegankelijkheid van de wet, met name voor hen die niet dagelijks daarmee werken.
Hoogachtend,
mr. drs. J.C. de Jager
Staatssecretaris van Financiën
Brief |
22-09-2009
|
PDF bestand, 82 Kb