U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Ons kenmerk: DB/2009/591U
Uw brief (kenmerk): 2009D45173
Betreft: Reactie op rondetafelgesprek van 23-09-2009 inzake wetsvoorstel 31 930
Hierbij doe ik u een reactie toekomen op het rondetafelgesprek dat plaats heeft gevonden op 23 september 2009, zoals verzocht in uw brief van 24 september jl.
De deelnemers aan het rondetafelgesprek waren: (Deel I) Mw. Van
Vijfeijken (Universiteit van Tilburg en wetenschappelijk adviseur
Pricewaterhouse Coopers), Sjerps (Koninklijke Notariële
Beroepsorganisatie), Overduin (Grant Thornton), Boer (Deloitte en
Universiteit Leiden), Van Rij (Ernst&Young), Blokland (De Kort
Van der Kolk Van Tuijl en Vereniging van Estate Planners in het
Notariaat), Sonneveldt (Mazars en Nederlandse Orde van
Belastingadviseurs), (Deel II) Stevens (Pricewaterhouse Coopers en
Vrije Universiteit), Tomassen (Vereniging Familiebedrijven
Nederland), (Deel III) Mw. Berman (Vereniging Nederlandse
Organisaties Vrijwillligerswerk), Helmer en Bosma (Samenwerkende
Brancheorganisaties Filantropie), Slot (NOC*NSF) en Boersma
(Scouting Nederland).
De kamerleden die bij deelnamen aan het rondetafelgesprek, waren:
Remkes (VVD), Bashir (SP), Vos (PvdA), Van Dijck (PVV) en Omtzigt
(CDA).
Mw. Van Vijfeijken spreekt haar teleurstelling uit over het feit
dat in de nieuwe wetgeving wordt voortgeborduurd op het bestaande
systeem en dat niet wordt overgegaan op een systeem dat volledig
aansluit op het economische verkrijgersbegrip.
Het volledig aansluiten bij de economische verkrijging zou optimaal
zijn. De (grote en pijnlijke) verdelingseffecten van een dergelijke
keuze zijn echter redengevend geweest om hier niet voor te
kiezen.
Overduin merkt op dat kleine schenkingen in het wetsvoorstel
zwaarder worden belast dan onder de huidige wetgeving.
De schenkbelasting is meer in overeenstemming gebracht met de
verlaagde tarieven van de erfbelasting. Dat erfenissen die worden
verkregen door ouders bij vooroverlijden van het kind (hetgeen
overigens niet vaak voorkomt) tegen een iets hoger tarief (30% in
plaats van 26%) worden belast in het wetsvoorstel, zoals Overduin
constateert, is een keuze geweest bij de vaststelling van de
(vereenvoudigde) tarieven- en vrijstellingen structuur.
De insteek van het nieuwe partnerbegrip, waarbij samenwoners
zonder samenlevingscontract niet meer als partner kwalificeren, is
volgens Sjerps, Overduin en Blokland te eng. Mw. Van Vijfeijken
geeft echter terecht aan dat het stroomlijnen van het partnerbegrip
het nastreven waard is en dat het nieuwe partnerbegrip leidt tot
met gehuwden objectief vergelijkbare situaties. Het overgangsrecht
dat de wetgever in het wetsvoorstel heeft opgenomen, te weten een
overgangstermijn van zes maanden, vinden alle genodigden te kort.
Zij dringen aan op een intensieve publiciteitscampagne.
Het nieuwe partnerbegrip, waarin een definitie wordt gegeven aan de
hand van objectieve en controleerbare criteria, betekent een
aanzienlijke vereenvoudiging ten opzichte van de huidige situatie.
Het hanteren van objectieve criteria is voor de uitvoering en het
toezicht van groot belang. Bovendien sluit het in de Successiewet
1956 gehanteerde partnerbegrip naadloos aan bij het geüniformeerde
basis partnerbegrip dat in het wetsvoorstel Fiscale
vereenvoudigingswet 2010, onderdeel van het Belastingplan 2010,
wordt ingevoerd in de overige fiscale wetgeving. Aanvullende eis
voor de Successiewet 1956 is louter de verzorgingsclausule in het
samenlevingscontract. Deze clausule rechtvaardigt evenwel de hoge
vrijstelling die voor partners van toepassing is. Met betrekking
tot het ontbreken van een dergelijke clausule of een
samenlevingscontract merk ik op dat samenlevers die iets aan elkaar
willen nalaten, doorgaans een testament nodig hebben. Het laat zich
moeilijk denken dat samenlevers wel een testament opstellen, maar
geen samenlevingscontract hebben.
Met betrekking tot de gevraagde langere overgangstermijn merk ik op
dat - nu het geüniformeerde partnerbegrip per 1 januari 2011 in de
Algemene wet inzake rijksbelastingen en in de Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt ingevoerd - de overgangstermijn tot
die datum zal worden verlengd. Overigens zijn de voorbereidingen
voor een intensieve publiciteitscampagne reeds aangevangen.
Blokland en mw. Van Vijfeijken zijn van mening dat stiefkinderen
en quasi-stiefkinderen (kinderen van een partner niet zijnde
echtgenoot of geregistreerd partner) qua tarief en vrijstelling
gelijk behandeld zouden moeten worden. Tevens zou de
defiscalisering in de Wet inkomstenbelasting 2001 voor beide
groepen kinderen moeten gelden.
Ten aanzien van het gelijkstellen van stiefkinderen van gehuwden en
stiefkinderen van samenwonende partners heb ik in de nota naar
aanleiding van het nader verslag opgemerkt dat ik niet onwelwillend
sta tegenover een wetswijziging die daartoe strekt. De budgettaire
ruimte daartoe ontbreekt echter op dit moment. Ten aanzien van de
defiscalisering van vorderingen en schulden in box 3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 verwijs ik naar hetgeen hieromtrent is
opgemerkt in de nota naar aanleiding van het nader verslag. De
Kamer kan de toegezegde brief over defiscalisering van vorderingen
en schulden die voortvloeien uit erfrechtelijke situaties eind 2009
of begin 2010 tegemoet zien. Dit vormt overigens geen enkel
beletsel voor het onderhavige wetsvoorstel. Het al dan niet
defiscaliseren van vorderingen en schulden dient zorgvuldig
afgewogen te worden en is niet op korte termijn te realiseren.
Mw. Van Vijfeijken spreekt haar vrees uit dat
belastingplichtigen met succes een beroep op het
gelijkheidsbeginsel kunnen doen, stellend dat verkrijgers van
ondernemingsvermogen grotendeels vrijgesteld worden waar dat niet
geldt voor verkrijgers van ander vermogen. Dat zou de facto
betekenen dat in het geheel geen schenk- en erfbelasting meer
geheven zou worden.
Deze vrees onderschrijf ik niet. Verkrijgers van
ondernemingsvermogen zijn om verscheidene redenen niet
vergelijkbaar met verkrijgers van ander vermogen. Zoals Stevens in
het tweede blok aangeeft kan hierbij worden gedacht aan de
argumenten dat ondernemingsvermogen ‘vastzit’ in de onderneming of
dat voor ondernemers een ‘level playing field’ in vergelijking tot
multinationals moet worden gecreëerd. De BOR beoogt te voorkomen
dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt doordat
vermogen aan het bedrijf moet worden onttrokken om de schenk- of
erfbelasting bij bedrijfsoverdracht te kunnen voldoen. Bovendien is
onder de huidige regeling, waarbij een vrijstelling van 75% geldt,
nooit met succes beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan.
Van Rij stelt dat de BOR nog enkele weeffouten bevat. Inmiddels is besloten de BOR ruimer toegankelijk te maken voor indirecte belangen (zie ook de opmerkingen hierover onder blok II), waardoor aan zijn opmerkingen op dit vlak voor een belangrijk deel tegemoet gekomen wordt. Van Rij houdt een pleidooi om de BOR ruimer toegankelijk te laten voor liquiditeiten. Het inperken van de BOR op het punt van beleggingsvermogen van (15% naar 5%) is een bewuste keuze geweest. De faciliteit is nu ruimer, maar sluit meer aan bij reëel ondernemingsvermogen. Tevens ontstaat meer rechtsvormneutraliteit. Overigens vallen liquiditeiten welke onderdeel zijn van een gangbare bedrijfsvoering wél onder de faciliteiten van de BOR.
Ten aanzien van APV’s spreken de genodigden vooral hun zorgen
uit over de haalbaarheid van de budgettaire dekking die uit de
maatregel voort moet komen. Enerzijds richten deze twijfels zich op
de geraamde opbrengst van € 210 miljoen per jaar. Is bijvoorbeeld
voldoende rekening gehouden met weglekeffecten en hoe wordt de
opbrengst uit box 2 vermogen geraamd terwijl de a.b.-houder zelf
aan de knoppen zit? Sonneveldt wijst er op dat de insteller van een
trust kan emigreren en dat trustvermogen kan muteren: trustees
kunnen met ingebracht vermogen onroerend goed (gelegen in het
buitenland) kopen waardoor het vermogen alsnog niet tot opbrengst
in de Nederlandse belastingheffing zou leiden.
Zoals reeds herhaaldelijk opgemerkt zie ik – behoudens de
onzekerheidsmarge die inherent is aan iedere raming – geen
budgettaire risico’s. De berekeningen en aannames die aan de
ramingen ten grondslag liggen zijn zeer degelijk. Blijkbaar
verschillen de genodigden annex belastingadviseurs en ik op dit
punt van mening. Ik ben bereid in een vertrouwelijke technische
briefing nader en dieper op dit punt in te gaan. Recente
ontwikkelingen, welke zich hebben voorgedaan ná de raming, hebben
ons overigens gesterkt in de gedachte dat sprake is van een
degelijke dekking.
Anderzijds richten de twijfels zich op de Europeesrechtelijke en
internationaalrechtelijke houdbaarheid van de
toerekeningssystematiek. Een aantal genodigden roept de vraag op in
hoeverre Nederland eenzijdig een wijziging aanbrengt in haar
heffingsbevoegdheid, wat strijdigheid met de goede verdragstrouw
zou betekenen.
Zoals ik al in de nota naar aanleiding van het verslag heb
opgemerkt is naar mijn mening geen sprake van het eenzijdig
wijzigen van heffingbevoegdheden en is er daarmee geen sprake van
strijd met de goede verdragstrouw, zoals overeengekomen met onze
verdragspartners. Daarbij sluit de voorgestelde toerekening aan bij
het beleid van de Belastingdienst (Besluit van 16 december 1993,
nr. DB93/4451): de toerekeningsfictie is in feite een vastlegging
hiervan. Illustratief is dat de Raad van State op dit punt van
mening is dat het enkele feit dat belasting naar de winst wordt
geheven op het niveau van de APV op zichzelf geen reden is om af te
zien van toerekening van vermogen of inkomen van een APV aan de
insteller. Desalniettemin worden bezittingen en schulden alsmede
opbrengsten en uitgaven van APV’s die zelf worden betrokken in de
heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar
Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst niet toegerekend
aan de inbrenger (of zijn erfgenamen).
Naast dit alles bevinden veruit de meeste APV’s zich in (exotische)
belastingparadijzen, waarmee Nederland doorgaans geen verdrag ter
voorkoming van dubbele belasting heeft afgesloten.
Boer en Sonneveldt merken op dat de toerekeningsfictie kan leiden tot situaties dat een belastingplichtige die wel erfgenaam maar geen begunstigde is moet betalen terwijl hij nooit een uitkering uit de trust verkrijgt. Ook op dit punt is al het nodige opgemerkt in de nota naar aanleiding van het nader verslag. Naast het feit dat deze situatie zich niet eenvoudig laat denken, is het zo dat de belastingplichtige de mogelijkheid heeft tegenbewijs te leveren. Overigens is de CCB van de Belastingdienst deze voorgestelde fictieve situatie nog niet tegengekomen in de onderzochte APV’s.
Het antwoord op de vraag in hoeverre bij de ramingen rekening is gehouden met het terugnemen van het aanvankelijke voorstel om de waarderingstabellen van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 die uitgaan van een rentevoet van 6% aan te passen aan de waarderingstabellen van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 die uitgaan van een rentevoet van 4% luidt als volgt. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag is voor de oorspronkelijk voorgestelde maatregel uitgegaan van een beperkte meeropbrengst welke deel uitmaakte van de post “Aanpak diverse constructies in de schenk- en erfbelasting” van in totaal € 25 miljoen. Het effect dat onderbedelingsvorderingen van kinderen in veel gevallen zwaarder zouden worden belast dan thans het geval is was daarbij niet beoogd en daarom was hier ook geen rekening mee gehouden in de raming. Zou dit wel zijn gedaan, dan zou de opbrengst van de maatregel vele tientallen miljoenen euro’s hebben bedragen. Als gevolg hiervan leidt het terugnemen van de maatregel tot een beperkte minderopbrengst, welke budgettair neutraal binnen het wetsvoorstel is opgevangen met de nieuw voorgestelde maatregel om de rente op onderbedelingsvorderingen te maximeren op 6%.
Overduin spreekt zijn verbazing er over uit dat bij de
giftenaftrek bepalend is welke rechtsvorm de SBBI heeft. Van Rij
merkt in dit kader op dat bij een periodieke gift aan een
vereniging van ten minste 25 leden alsnog giftenaftrek kan worden
verkregen, waaruit hij afleidt dat de SBBI-regeling niet voldoende
is uitgewerkt.
De omstandigheid dat periodieke giftenaftrek (ook onder de huidige
wetgeving) wordt verleend aan niet aan de vennootschapsbelasting
onderworpen of daarvan vrijgestelde verenigingen met ten minste 25
leden staat los van de nieuwe SBBI-regeling. Het onderscheid naar
rechtsvorm wordt vanouds gemaakt in de periodieke
giftenaftrekregeling in de Wet inkomstenbelasting 2001, vanuit de
gedachte bij dat een vereniging die niet als ANBI kwalificeert maar
wel een aanzienlijk ledental heeft dat ledental bescherming biedt
tegen mogelijk oneigenlijk gebruik.
Een aantal genodigden begrijpt niet wat het introduceren van de SBBI-regeling toevoegt en vraagt om meer duidelijkheid. Hierop wordt integraal ingegaan in deel III aangaande de ANBI en SBBI.
Enkele genodigden zijn ingegaan op de fiscale gevolgen van het
zogenoemde ik-opa-testament.
Op grond van een dergelijk testament, heeft een erfgenaam (“zoon”)
van der erflater (“opa”) de last aanvaard om aan zijn kinderen
(kleinkinderen van opa) een vaak zeer groot bedrag schuldig te
erkennen. Een dergelijk testament wordt gemaakt om door uitholling
van de nalatenschap van de kinderen van de maker van het testament
erfbelasting te besparen. Vanaf de introductie van deze
testamentvorm bestond er twijfel aan of artikel 10 van de
Successiewet 1956 kon worden toegepast. Met het wetsvoorstel is
deze twijfel weggenomen. De keuze voor een ik-opa-testament was de
keuze voor een testament met onzekere fiscale gevolgen, ingegeven
door de wens om belasting te besparen. Deze keuze pakt nu nadelig
uit maar dat is het risico dat de betrokkenen hebben genomen.
Behalve voor eventuele belastingbesparing heeft een dergelijk
testament geen enkel nut. Er bestaat geen maatschappelijk belang om
deze testamenten fiscaal te ontzien. Er zijn testamentvormen,
sommige genodigden hebben daarop gewezen, die soms economisch
hetzelfde uitpakken als een ik-opa-testament. Die testamenten
zitten echter fundamenteel anders in elkaar en bieden niet de
mogelijkheid tot even agressieve belastingbesparing als het
ik-opa-testament. Ze zijn daarom niet vergelijkbaar.
Mw Van Vijfeijken heeft gepleit voor een fundamenteel andere
opzet van de successiewet waarin geheel wordt uitgegaan van het
economische voordeel van de verkrijger ten gevolge van een
overlijden. Dat zou wellicht ook gevolgen hebben voor artikel 10.
Het huidige wetsvoorstel is gericht op een beperkte herziening van
de Successiewet 1956 waarbij binnen de bestaande kaders de tarieven
worden verlaagd, de BOR wordt vereenvoudigd en lekken zoveel als
mogelijk worden gedicht. Een meer fundamentele herziening van de
Successiewet 1956 is iets voor de toekomst. Bij een dergelijke
herziening verdienen de gedachten van Mw Van Vijfeijken zeker
aandacht.
Blokland stelt dat overgangsrecht gewenst is in verband met het
vervallen van de resolutie van 30 november 1964, nr. D4/8981, BNB
1965/96. Intrekking van de resolutie vormt een onderdeel van de
verwezenlijking van één van de doelen van dit wetsvoorstel, te
weten het beperken van allerlei estateplanningsmogelijkheden ter
besparing van erfbelasting. Het betreft het onderwerp van de
verkoop van een onroerende zaak met levering na overlijden. Door
deze aanpassing zal de waardestijging van de onroerende zaak tussen
het moment van de verkoop en het moment van overlijden in de
heffing van erfbelasting worden betrokken. Voor deze wetswijziging
is gemotiveerd aangegeven waarom niet is voorzien in
overgangsrecht. Door intrekking van de resolutie wordt in het
verlengde van deze wetswijziging bereikt dat ook in andere
situaties die zich bij uitstek lenen voor toepassing van artikel 10
van de Successiewet 1956 de bedoelde waardestijging in de heffing
wordt meegenomen.
Een aantal genodigden merkt op dat het overgangsrecht in het wetsvoorstel vooralsnog erg mager is. Ik wacht geïnteresseerd de door de adviseurs toegezegde opsomming af van onderwerpen waar (meer) overgangsrecht gewenst zou zijn. Vooralsnog ben ik van mening dat in het wetsvoorstel voorzien is in voldoende overgangsrecht, maar ik ga graag het debat hierover aan met uw Kamer.
Stevens betoogt dat de ratio achter een (gedeeltelijke)
vrijstelling van ondernemingsvermogen bij vererven/schenken breder
is dan alleen het faciliteren van een regeling voor
bedrijfsopvolging. Ondernemingsvermogen zit ‘klem’ in de
onderneming en de bedrijfsopvolgingsregeling creëert een ‘level
playing field’ met grote multinationals, waar de heffing van erf-
en schenkbelasting de continuïteit van de onderneming niet
bedreigt.
Ik ben verheugd dat de genodigden het gelijktrekken van schenken en
erven van ondernemingsvermogen in de inkomstenbelasting als
positief ervaren. Stevens verwacht dat in de praktijk de waardering
van ondernemingsvermogen niet als groot discussiepunt wordt ervaren
nu het ondernemingsvermogen toch nagenoeg is vrijgesteld van
schenk- of erfbelasting. Op de vragen die opkomen of zo’n ruime
faciliteit nu echt nodig is en waarom voor deze regeling wordt
gekozen en niet voor bijvoorbeeld een belastinguitstelregeling
verwijs ik naar hetgeen hieromtrent eerder is opgemerkt in de nota
naar aanleiding van het verslag en de nota naar aanleiding van het
nader verfslag. Met genoegen kan ik constateren dat, nu de door
genodigden gesignaleerde technische knelpunten door mij zijn
weggenomen, het wetsvoorstel op het punt van de BOR rijp voor
behandeling is.
Ik ben verheugd met de in de praktijk breed gedragen uitbreiding
van de BOR van 75% naar 90%. Tomassen geeft aan dat in het
wetsvoorstel echter voorbij wordt gegaan aan de familiebedrijven.
In de eerste nota van wijziging is de BOR reeds opengesteld voor
fictief a.b.-houders. Desalniettemin bleek dat in voorkomende
situaties de BOR niet van toepassing was bij via holdings gehouden
verwaterde (vaak vererfde) a.b.-belangen.
Hiertoe zal ik in de tweede nota van wijziging een aanpassing
opnemen die ertoe strekt de BOR ruimer toegankelijk te maken voor
indirecte belangen, mits het indirect gehouden belang in de
werkmaatschappij ten minste 0,5% bedraagt.
Tomassen meent dat er, ook na deze uitbreiding, nog sprake kan zijn
van onredelijke situaties en heeft toegezegd deze kenbaar te maken.
Hoewel ik het niet realistisch acht dat zich nog onredelijke
situaties voordoen, wacht ik zijn suggestie met interesse af.
Overigens wil ik hier, ter voorkoming van misverstanden die zich
tijdens het rondetafelgesprekken al voordeden, duidelijk maken dat
het toegankelijk maken van de BOR voor fictief a.b.-houders niet is
voorbehouden aan familiebedrijven. Elk fictief a.b.-pakket – dat
dus is ontstaan uit een ‘echt’ a.b.-pakket – kwalificeert voor de
BOR, mits aan de overige voorwaarden is voldaan. Hierbij is geen
voorwaarde dat sprake is van een familiebedrijf.
Stevens merkt op dat het erop lijkt dat preferente aandelen in
het wetsvoorstel als iets vies worden aangemerkt en vraagt zich af
waarom niet alle preferente aandelen onder de faciliteit kunnen
worden gebracht.
Preferente aandelen die ontstaan in het kader van een gefaseerde
bedrijfsoverdracht kwalificeren echter wél voor de BOR. Mij is niet
duidelijk hoe dit misverstand heeft kunnen ontstaan. Alleen
preferente aandelen die – zoals Stevens zelf ook aangeeft –
materieel overeenkomen met een lening, komen niet in aanmerking
voor de faciliteit. Dit sluit naadloos aan op de ratio bij de
aangepaste faciliteit; het wél faciliteren van een reële
bedrijfsoverdracht en het niet faciliteren van ieder vermogen dat
aan een onderneming ter beschikking wordt gesteld.
De geplaatste opmerkingen met betrekking tot de divergerende ondernemingsbegrippen in de inkomstenbelasting en in de schenk- en erfbelasting kan ik niet plaatsen. Zowel ten aanzien van onroerend goed als ten aanzien van overtollige middelen wordt in het wetsvoorstel juist aangesloten bij het ondernemingsbegrip in de Wet inkomstenbelasting 2001. Hetgeen in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt rondom het onderscheiden van normaal vermogenbeheer en ondernemerschap dient ertoe nader te duiden in welke gevallen sprake is van een onderneming. Hiervoor wordt juist gerefereerd aan jurisprudentie die betrekking heeft op de inkomstenbelasting. Voor de BOR zal hierbij worden aangesloten en het ondernemingsbegrip wijkt op dit punt dus niet af.
De genodigden voor dit onderdeel vragen, zoals enkele genodigden
bij het algemene deel van de rondetafelgesprek ook deden, om
duidelijkere definities van de begrippen algemeen nut en sociaal
belang. Tevens bestaat onduidelijkheid over wat de SBBI-regeling
toevoegt dat niet in de ANBI-regeling zou kunnen worden geregeld.
Zoals al meermalen is aangegeven is een SBBI een instelling die
primair de particuliere belangen van de leden of een beperkte
doelgroep behartigt. Aan het behartigen van die particuliere
belangen kan evenwel een grote maatschappelijk waarde kan worden
toegekend omdat door middel van de activiteiten wordt bijdragen aan
individuele ontplooiing van de leden of de doelgroep, de cohesie in
de samenleving en daarmee een gezondere maatschappij. De
SBBI-regeling geeft invulling aan de behoefte vanuit de Tweede
Kamer de categorie instellingen die een sociaal belang vervullen
vrij te stellen van schenk- en erfbelasting[1]. Hierbij worden als
voorbeelden genoemd sportverenigingen, jeugdgroepen,
niet-commerciële buurt- en dorpshuizen, muziekverenigingen,
hobbyclubs en andere maatschappelijke organisaties die van waarde
zijn voor de samenleving. In dit kader bevreemdt het mij dat de
introductie van de SBBI-regeling, die een fiscale tegemoetkoming
betekent voor een grote categorie instellingen, op zoveel weerstand
stuit.
Redenen om een open norm op te nemen en niet (limitatief) op te
sommen wat onder sociaal belang of algemeen nut wordt verstaan,
zijn dat:
Deze argumenten hebben mij doen besluiten een open norm op te
nemen voor het sociaal belang, net als het geval is en blijft voor
het algemeen nut. Dit laat de praktijk en de rechterlijke macht de
ruimte om nadere invulling aan het begrip te geven. Juist bij een
nieuwe categorie, waarbij mogelijk veel van de kwalificerende
instellingen nog niet in beeld zijn, is een open norm in het belang
van de praktijk en wordt de faciliteit niet onnodig ingeperkt. De
onzekerheid die zou bestaan vanwege een open norm wordt overigens
niet weggenomen door een opsomming; het gaat er immers om dat de
instelling, qua doel en feitelijke werkzaamheden, kwalificeert.
Bovendien kan in voorkomende situaties op voorhand zekerheid worden
verkregen over het karakter van een instelling.
In het rondetafelgesprek werd ook een databank of register voor
SBBI’s aan de orde gesteld. De redenen dat ik hier een tegenstander
van ben komen deels overeen met hiervoor genoemde redenen. Een
register zou geen zekerheid bieden, zeker niet bij een nalatenschap
– het aanmerken als SBBI op een zeker moment zegt niets over die
status op een later moment – en er is vooraf zekerheid te krijgen
door een instelling of een belastingplichtige. Bovenal zou het
aanleggen en onderhouden van een SBBI-register een zeer
arbeidsintensieve bezigheid zijn (er zijn immers veel meer SBBI’s
dan ANBI’s door de ruimere norm), waarbij de baten niet opwegen
tegen de (administratieve) kosten hiervan. In tegenstelling tot een
ANBI leidt een gift aan een SBBI in beginsel niet tot giftenaftrek
(tenzij het een periodieke gift betreft aan een niet aan de
vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde
vereniging met ten minste 25 leden) waardoor het belang voor een
belastingplichtige bij een dergelijk register gering is. Wel ben ik
bereid om in overleg te treden met praktijkorganisaties en te
bezien of er aanleiding is een beleidsbesluit te publiceren indien
alsnog meer duidelijkheid ten aanzien van concrete definities is
gewenst. Ik ben ten slotte verheugd dat alle genodigden tevreden
zijn met de aanpassingen van de integriteitstoets.
Mr. drs. J.C. de Jager
Staatssecretaris van Financiën
[1] Motie van de leden Omtzigt en Cramer, Kamerstukken II, 2008-2009, 31 704, nr. 57
Brief |
30-09-2009
|
PDF bestand, 53 Kb