U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Betreft: beantwoording vragen gesteld in het plenair debat over
wetsvoorstel 31930 op 28 oktober 2009
Geachte voorzitter,
In deze brief beantwoord ik de technische vragen over het voorstel
van Wet tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere
belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en
herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede
introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen
in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (31930)
die gesteld zijn in het plenair debat van 28 oktober 2009.
Vragen gesteld door de
leden van de fractie van het CDA
Is de regering bereid om op laagdrempelige manier
samenwoners de gelegenheid te geven zich te registreren als
partners, zoals één dag in de week gratis op het gemeentehuis? Is
de Staatssecretaris bereid in overleg te treden met BZK en
gemeenten?
Op dit moment kunnen partners in het huwelijk treden of een
geregistreerd partnerschap aangaan. Het Burgerlijk Wetboek verbindt
rechtsgevolgen aan zowel huwelijk als aan het geregistreerd
partnerschap (ook voor derden, zoals aansprakelijkheid voor
schulden). Daarom is er registratie in de registers van de
Burgerlijke stand. Er is ook een wachttijd en er zijn extra
waarborgen in de procedure ingebouwd. Een simpele registratie van
samenwoners dat zij samenwonen bij de Burgerlijke stand zal ook aan
formaliteiten moeten voldoen, en enige inhoud moeten hebben. Ik
kan, als de leden van de fractie erop staan, mijn collega’s van
Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden
polsen of zij bereid zijn. Mij lijkt echter dat de weg van een
notariële akte, die overigens ook geregistreerd wordt maar dan bij
de Belastingdienst, een aantrekkelijker en eenvoudiger weg. Ook
inhoudelijk geniet dit de voorkeur omdat de notaris kan adviseren
over wederzijdse rechten en plichten.
Kan de Staatssecretaris iets regelen voor gehuwden die van
tafel en bed gescheiden zijn, die geen andere partner
hebben?
In de nieuw voorgestelde partnerdefinitie worden zij niet meer als
echtgenoten of partners aangemerkt. Ik ben bereid in het vigerende
Beleidsbesluit voor ex-echtgenoten een goedkeuring te verlenen op
grond waarvan een van tafel en bed gescheiden echtgenoot voor de
toepassing van het tarief van de erfbelasting behandeld wordt als
een echtgenoot (tariefgroep I). Zij verkeren immers in een
vergelijkbare positie, de omstandigheid dat het huwelijk niet is
ontbonden buiten beschouwing gelaten. Wellicht ten overvloede merk
ik hierbij op dat deze van tafel en bed gescheiden echtgenoten wel
naar de notaris moeten om in een testament een dergelijke
bevoordeling op te nemen; zij erven volgens het erfrecht niet
automatisch van elkaar.
Wat is de fiscale situatie van mensen die net voordat zij
trouwen of nog net geen zes maanden samenwonen overlijden en elkaar
iets nalaten?
Naar de wettekst zullen zij niet kwalificeren als echtgenoten of
partners. Er is echter bestaand hardheidsclausulebeleid voor enkele
omschreven gevallen waarin aantoonbaar de huwelijksvoorbereidingen
al in een vergevorderd stadium verkeerden. In die gevallen wordt
het echtgenotentarief (tariefgroep I) toegepast, echter zonder de
echtgenotenvrijstelling. Dit beleid wordt voortgezet. Ik zal de
mogelijkheid bezien om deze regeling uit te breiden naar personen
die al wel samenwonen maar de zes maandstermijn als gevolg van
onvoorziene en onvoorzienbare omstandigheden nog niet hebben kunnen
volmaken.
Welke uitvoeringstechnische bezwaren kleven aan het
amendement om de eenmalige verhoogde vrijstelling voor schenking
eenmalig te verhogen?
Is het mogelijk?
Uitvoeringstechnische bezwaren zijn ingewikkelder naar mate de
voorwaarden die aan de uitbreiding worden gesteld, gecompliceerdere
zijn
Bij koppeling aan de hypotheekschuld is handhaafbaarheid analoog
aan de bijleenregeling via inkomstenbelasting mogelijk, maar zeer
complex. Het vormt een grote administratieve last voor burger en
Belastingdienst. In elk geval is de koppeling van systemen
inkomstenbelasting en van erfbelasting in de eerste jaren niet te
realiseren. Het verhoogt de complexiteit van de
automatiseringssystemen. Een overgangsregeling is in elk geval niet
uitvoerbaar; het archief gaat niet ver genoeg terug. Er is een
extra investering nodig voor uitwisseling gegevens van de IB-eigen
woning en de schenkbelasting.
Is de Staatssecretaris bereid tot aanpassing van de wet op
het punt van de verkrijgers in de opgaande lijn?
Is de Staatssecretaris bereid tot aanpassing van de wet op het punt
van de gelijkstelling van de positie van stiefkinderen en
quasi-stiefkinderen?
Is de Staatssecretaris bereid tot zodanige aanpassing van de wet op
het punt van de gehandicapte kinderen dat zij dezelfde bijzondere
positie houden als in de huidige wet?
Zoals ik in mijn brief van 13 oktober jl. (stuk nr. 38) heb
geschreven sta ik bepaald niet onsympathiek tegen over deze
voorstellen, maar heb ik geen budgettaire dekking. De maatregelen
kosten respectievelijk € 9, 10 en 1 miljoen.
Artikel
1
Hoe moeten de mensen omgaan met de rente als het
keuzelegaat tegen inbreng pas wordt afgegeven na de
aangiftetermijn?
In artikel 1, eerste en vierde lid is bepaald wat de gevolgen zijn
van renteafspraken van de erfgenamen na het overlijden van de
erflater. Indien de renteafspraak is gebaseerd op het wettelijke
erfrecht, of op een delegatiebevoegdheid in het testament, is het
van belang op welk moment de rente is bepaald. De verkrijging ten
gevolge van de rentevaststelling door de erfgenamen en legataris
wordt op grond van het derde lid van artikel 1 aangemerkt als een
fictieve erfrechtelijke verkrijging wanneer de rente-vaststelling
binnen de aangiftetermijn geschiedt. Wanneer zij na de
aangiftetermijn nog een renteafspraak maken, wordt deze niet binnen
de erfbelasting betrokken, maar beoordeeld op zijn
schenkingselementen. Voor deze termijn is gekozen omdat het voor de
uitvoering noodzakelijk is om op het moment van aangifte doen te
weten waaruit de omvang van de verkrijgers bestaat. Daartoe moet de
keuze voor het legaat zijn uitgebracht, en de rente te zijn
overeengekomen. Het is dus niet noodzakelijk dat het legaat ook
binnen de aangiftetermijn is afgegeven.
Leidt wijziging van huwelijkse voorwaarden tot
schenkbelasting in geval echtelieden een algemene
goederengemeenschap instellen met uitzondering van bijvoorbeeld
geërfd vermogen tot een schenking?
Het is in zijn algemeenheid niet te zeggen of een wijziging van
huwelijkse voorwaarden al dan niet leidt tot een schenking. Elke
situatie zal op zijn merites moeten worden beoordeeld. Indien
echtelieden die in zogenoemde koude uitsluiting zijn gehuwd en
bijvoorbeeld hun huwelijkse voorwaarden zo wijzigen dat tussen hen
een algemene gemeenschap van goederen geldt met uitzondering van
door beide partners geërfd vermogen, is de vermogensverschuiving
voor de niet uitgezonderde goederen, juist omdat vanwege de dan
geldende goederengemeenschap, niet voltooid. In het gegeven
voorbeeld is dus geen sprake van een schenking. Op grond van die
overweging oordeelde de Hoge Raad bij zijn arrest van 2 januari
1959, PW 17002, dat het instellen van een algehele gemeenschap van
goederen tussen voordien op huwelijkse voorwaarden (koude
uitsluiting) gehuwde echtelieden, geen schenking inhield. Dit is de
toetssteen die ook op andere gevallen dient te worden toegepast en
waardoor ook in andere gevallen kan worden geoordeeld dat geen
sprake is van een schenking. Het is echter niet mogelijk om voor
deze situaties een uitputtende casuïstiek te beschrijven. Deze zal
altijd te kort schieten en is weinig functioneel, omdat in de
praktijk de situatie altijd weer net anders is of zal zijn dan in
een gestileerd voorbeeld kan worden besproken.
Artikel
7
Zou in artikel 7 niet tevens een verrekening van eerder
geheven erfbelasting moeten worden opgenomen?
Voor het verrekenen van belasting met belasting is aanleiding
indien er sprake is van zogenoemde dubbele belastingheffing.
Daarvan is binnen de kaders van de Successiewet 1956 sprake indien
een verkrijger in relatie tot een belastbaar feit dat tussen hem en
eenzelfde wederpartij speelt, meerdere keren belasting zou moeten
betalen over hetzelfde object. Dat doet zich bijvoorbeeld voor
indien A aan kind B de blote eigendom van een boot schenkt en zelf
het vruchtgebruik behoudt. Als A overlijdt, is artikel 10 van
toepassing. B kan dan de eerder geheven schenkbelasting verrekenen
met de krachtens toepassing van artikel 10 verschuldigde
erfbelasting. Er kan binnen de Successiewet 1956 echter nooit
dubbele belastingheffing voordoen ten aanzien van de erfbelasting,
simpelweg omdat één subject niet twee keer kan overlijden. Er kan
zich dus nimmer voor een tweede keer een belastbaar feit voor de
erfbelasting tussen twee dezelfde subjecten voordoen. Terzijde merk
ik op dat ook de Hoge Raad in een arrest over een zogenoemd
turbotestament het ontbreken van een voorziening voor het
verrekenen van erfbelasting met erfbelasting niet als een
tekortkoming met betrekking tot artikel 10 ziet (HR 19 juni 2009,
BNB 2009/224).
Waarom wordt in het derde lid is uitgegaan van een
enkelvoudige en niet van een samengestelde rente.
Met het hanteren van een enkelvoudige rente is aangesloten bij
bepalingen elders in het fiscale recht. Zo geldt op grond van
artikel 30f, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen dat
heffingsrente enkelvoudig wordt berekend, en ook het tienjarig
rentedragend uitstel dat geldt voor de conserverende aanslag inzake
de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956, wordt op
grond van artikel 28, tweede lid, Invorderingswet 1990 enkelvoudig
berekend.
Artikel
9
De vraag wordt gesteld of samengestelde rente onder de Wet
inkomstenbelasting 2001 geen fiscale gevolgen heeft.
Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bestond de angst dat als
een samengestelde rente werd gehanteerd, deze geacht werd te zijn
genoten door de kinderen op het moment dat de rente op de vordering
rentedragend werd. Het rentedragend worden van inkomsten leidde
namelijk tot belastingheffing. In de Wet op de inkomstenbelasting
2001 vallen geldvorderingen, mits niet gedefiscaliseerd, in box 3,
waardoor het feitelijke genietingsmoment van de rente er niet meer
toe doet. Dus in het testament opnemen van een samengestelde rente
heeft geen gevolgen met betrekking tot de heffing op grond van de
Wet inkomstenbelasting 2001. Dit is nader toegelicht in de brief
van 13 oktober aan de Tweede Kamer.
Er wordt verzocht om voor reeds afgewikkelde nalatenschappen een
overgangsregeling op te nemen voor artikel 9, zodat de kinderen
niet in één keer extra worden belast
Ik begrijp deze vraag aldus dat in een testament van een reeds
overleden partner is opgenomen dat op de geldvorderingen een hoge
enkelvoudige rente van toepassing is, die omgerekend uitgaat boven
een rente van 6% samengesteld. Bij gelegenheid van dit zogenoemde
eerste overlijden zou de vordering met een hoog rentepercentage
aanleiding hebben kunnen geven tot waardering boven het nominale
bedrag van die vordering. Bij navraag binnen de belastingdienst
blijkt dat dit een theoretische gedachte is. In de praktijk is dit
niet gebeurd. Het eerste lid van het voorgestelde artikel 9 sluit
voor de toekomst uit dat ooit nog eens de hier bedoelde
theoretische discussie feitelijk gevoerd zou kunnen worden.
Concreet: in het gegeven voorbeeld is de vordering van het kind op
de nominale waarde gewaardeerd en in de heffing betrokken. Dat
betekent dat door de invoering van het voorgestelde artikel 9 zich
niet de situatie voor kan doen dat bij het eerste overlijden
rekening is gehouden met de hoge rente door een waardering boven de
nominale waarde van de vordering en bij het tweede overlijden na 1
januari 2010 de hogere rente als fictieve verkrijging nogmaals bij
die kinderen in de heffing wordt betrokken. Er is derhalve geen
extra belastingheffing bij deze kinderen, zodat de noodzaak voor
een overgangsregeling ontbreekt. Verder kan nog worden opgemerkt
dat met een enkelvoudige rente is gerekend, die overeenkomt met
samengesteld 6%, om redenen voor de inkomstenbelasting, zoals
hiervoor aangegeven. Het is niet gebruikelijk om te rekenen met een
enkelvoudige rente van, bijvoorbeeld 23,2%, omdat het risico van
vooroverlijden veel te groot is. Artikel 9 rekent de enkelvoudige
bepaalde rente om naar samengestelde rente, en herstelt daarmee de
economische realiteit. De fictie kan er echter niet toe leiden dat
meer rente in aftrek kan worden gebracht dan er civielrechtelijk
bestaat.
Artikel
10
Gevraagd wordt of het voorgestelde artikel 10 meer in de
heffing betrekt dan waarvoor dit artikel bedoeld is.
Hierbij wil ik allereerst het gevoel wegnemen dat ten aanzien van
artikel 10 lijkt te zijn ontstaan alsof de reikwijdte met
betrekking tot verdelingen van nalatenschappen en voor de praktijk
gebruikelijke testamentvormen is uitgebreid. Dit is absoluut niet
het geval. Daar waar door de rechtspraak of andere
rechtsontwikkelingen onduidelijkheden zijn ontstaan (de niet
handelende echtgenoot van een in gemeenschap van goederen getrouwd
echtpaar, de opkomst van het superturbotestament waarbij de
rechtshandeling zich voordoet bij de afwikkeling van de
nalatenschap en het begrip “ten koste van” is gekoppeld aan de
verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap) wil het wetsvoorstel
onhelderheden wegnemen. In het wetsvoorstel regelt dat een quasi
wettelijke verdeling en legaat tegen inbreng van de waarde met
ingang van 1januari 2010 niet meer onder artikel 10 zullen vallen.
Graag verwijs ik in dit verband naar onderstaand schematisch
overzicht waarin de wijzigingen die dit wetsvoorstel voor artikel
10 inhouden inzichtelijk worden gemaakt. Daar komt tot uitdrukking
dat de wijzigingen relatief klein zijn. Het meeste van wat in de
praktijk soms als onduidelijkheid wordt ervaren, hangt overigens
niet zozeer samen met het wetsvoorstel maar met de omstandigheid
dat artikel 10 nu eenmaal ingewikkeld is.
|
Situatie
|
10 nu |
10 straks |
|---|---|---|
|
Wettelijke verdeling, ouderlijke boedelverdeling
|
Nee |
Nee |
|
Klassiek vruchtgebruik testament |
Nee |
Nee |
|
Verdeling nalatenschap samenwonende partners en (stief)kinderen |
Ja |
Nee |
|
Quasi wettelijke verdeling, waarbij verdeeld als wettelijke verdeling |
Ja |
Nee |
|
Legaat volle eigendom schuldig blijven inbreng |
Ja |
Nee |
|
Ik-opa lastbepaling / Turbotestament |
Ja |
Ja |
|
Superturbotestament (combinatie van huwelijkse voorwaarden en een testament) |
?*[1] |
Ja |
|
Gesplitste aankoop, bij aankoop van een derde |
Nee |
Ja |
|
Gvg gehuwden (niet handelende echtgenoot) |
?**[2] |
Ja |
|
Vooroverlijden verrichter rechtshandeling |
Nee |
Ja |
|
|
|
|
Is het mogelijk om tot een evaluatie van artikel 10
nieuwe stijl te komen, twee jaar na de inwerkingtreding van het
wetsvoorstel?
Graag ben ik bereid de wijzigingen in artikel te evalueren aan de
hand van wat in de rechtspraktijk speelt. Met de Koninklijke
Notariële beroepsgroep (verder: KNB) heb ik hieromtrent reeds
verkennend gesproken.
Artikel 10,
vijfde lid
De CDA-fractie wijst op het voorstel van de KNB om artikel 10,
vijfde lid anders te laten luiden. Door de voorgestelde tekst
zouden alle verdelingen niet meer onder de werking van artikel 10
vallen. Is het mogelijk om artikel 10, vijfde lid in deze zin aan
te passen?
Momenteel is de toepassing van artikel 10 uitgezonderd voor
verdelingen die tot hetzelfde resultaat leiden als de wettelijke
verdeling, dus dat alle goederen naar de langstlevende ouder gaan
en deze een overbedelingsschuld aan de kinderen heeft. Bij derde
nota van wijziging is voorgesteld om de groep waarvoor deze
vrijstelling gaat gelden uit te breiden met samenwonende partners.
Wel moeten zij het patroon van de wettelijke verdeling volgen. Dat
betekent dat partiële verdelingen vanuit de erflater
bewerkstelligt, die anders dan onder het erfrecht voor 2003,
sindsdien niet meer mogelijk zijn. Voor verdelingen tussen
bijvoorbeeld broers geldt dit evenzeer. Ik zou voorshands aan dit
patroon willen vasthouden. De uitzondering van artikel 10, vijfde
lid kan naar mijn idee niet gelden voor alle verdelingen. Dit zou
namelijk mede omvatten verdelingen in de verhouding bloot-eigendom
/ vruchtgebruik, terwijl voor dergelijke situaties artikel 10 nu
juist bij uitstek bedoeld is. Iets soortgelijks geldt voor
verdelingen waarbij de onderbedelingsvordering die bijvoorbeeld 500
nominaal beloopt, wordt vastgesteld op een bedrag opeisbaar bij
overlijden van de overbedeelde partij waarvan de contante waarde op
de dag van verdeling 500 bedraagt. Dit lijkt op een benadering
zoals in zogenoemde ik-opa testamenten voorkomt. Ook dit dient
binnen het bereik van artikel 10 te blijven.
De vraag wordt gesteld over de toepassing van artikel 10 in
geval van een legaat van een geldsom die pas opeisbaar is bij het
overlijden van (doorgaans) de partner van erflater?
Legaten van geldbedragen door een opa aan en kleinkind die in de
nalatenschap aanwezig zijn en die pas opeisbaar zijn bij het
overlijden van oma, vallen niet onder artikel 10. In de brief aan
de KNB van 12 oktober jl. heb ik aangegeven van welke gedachte ik
ben uitgegaan bij de beantwoording van vragen ter zake. Ik hecht er
aan op te merken dat de daarbij gehanteerde veronderstelling, opa
legateert € 5.000 van het banktegoed onder nummer xy aan kleinkind
en het vruchtgebruik daarvan aan oma, één manier is waarop het
legaat gestalte kan zijn gegeven. Dit kan dus ook op andere wijzen
worden vormgegeven. Indien de formulering in het testament
bijvoorbeeld luidt dat er een geldbedrag wordt gelegateerd
opeisbaar bij het overlijden van oma, is artikel 10 niet van
toepassing, mits dit maar in de nalatenschap van opa aanwezig is.
Ik bevestig dus nadrukkelijk dat in de hier bedoelde gevallen
artikel 10 niet aan de orde komt.
Als het gelegateerde bedrag niet in contanten maar wel qua
vermogenswaarde in de nalatenschap aanwezig is, is artikel 10 dan
van toepassing?
Indien het bedrag van een geldlegaat weliswaar in waarde in de
nalatenschap aanwezig is maar niet in goederen (contanten of een
banktegoed), raakt dit legaat toch het vermogen van de erfgenaam op
wiens verkrijging het legaat drukt. In het voorgaande voorbeeld is
dat oma. Het legaat kan immers niet uit de goederen van de
nalatenschap worden uitgekeerd. Daarom is artikel 10 in dit
voorbeeld van toepassing.
Leidt een beroep op een legitieme portie tot artikel
10?
Een beroep op de legitieme portie vormt een rechtshandeling in de
zin van artikel 10. Zoals ik echter in mijn brief van 13 oktober in
reactie op het wetgevend overleg heb aangegeven zal artikel 10,
bijvoorbeeld indien de langstlevende ouder het vruchtgebruik van de
legitieme vordering van het kind behoudt, geen toepassing vinden.
Ik zal de Belastingdienst in die zin instrueren.
Dient de overgangstermijn voor het verdelen van
nalatenschappen die al zijn opengevallen niet ook twee jaar te
bedragen?
De termijn voor het verdelen van voor 1 januari 2010 opengevallen
nalatenschappen moet inderdaad net zo als bij verdelingen van
nadien opengevallen nalatenschappen op twee jaar worden gesteld. Om
die reden heb ik bij derde nota van wijziging hierin voorzien en
wordt voorgesteld om de verdeling mogelijk te maken tot en met 31
december 2011. Dit behelst dus een periode van twee jaar.
Bedrijfsopvolgingsregeling
Hoe betrekt de staatssecretaris de Kamer bij de
totstandkoming van de Uitvoeringsregeling Successiewet en
beleidsbesluiten inzake de bedrijfsopvolgingsregeling?
Het is niet gebruikelijk dat de Kamer vooraf wordt betrokken bij de
totstandkoming van de Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 en de
beleidsbesluiten inzake de bedrijfsopvolgingsregeling. Hierbij
hecht ik er overigens aan, aan te geven dat ik de Kamer in een
eerder stadium reeds heb geïnformeerd over wat in de
Uitvoeringsregeling 1956 geregeld gaat worden. Bovendien sluiten de
aanpassingen voor een groot deel aan bij de reeds bestaande
artikelen in de Uitvoeringsregeling Successiewet 1956. Ik denk
hierbij bijvoorbeeld aan de extra uitzonderingen op het
voortzettingsvereiste van artikel 35e, die thans zijn opgenomen in
artikel 7d Uitvoeringsregeling Successiewet 1956.
Waarom kwalificeert een schuldig gebleven vordering van
kooppenningen van een onderneming voor de inkomstenbelasting wel en
voor de bedrijfsopvolgingsregeling niet als ondernemingsvermogen in
de betreffende faciliteiten?
Dit wordt veroorzaakt door het feit dat de faciliteiten voor de
schenk- en erfbelasting als sinds 1 januari 1997 bestaan en de
doorschuifregeling bij overlijden in de winstsfeer eerst met ingang
van 1 januari 2010 wordt beperkt. Het houden van een vordering
vormt geen objectieve onderneming. Voor de faciliteiten voor de
schenk- en erfbelasting is reeds vanaf 1997 bekend dat een
dergelijke vordering niet kwalificeert voor de faciliteiten, zodat
daar geen overgangsrecht voor nodig is in tegenstelling tot bij de
doorschuifregeling in de aanmerkelijkbelangsfeer in geval van
overlijden, waar deze regeling met ingang van 1 januari niet meer
geldt voor zover in de BV beleggingsvermogen aanwezig is.
Hoe gaat de bedrijfsopvolgingsregeling om met een
commanditair vennoot in een besloten CV met een belang van
tenminste 5%?
Een commanditair vennoot in een besloten CV wordt voor de winst
behaald met zijn deelname belast in box 1 als zogenoemde
medegerechtigde. Hierbij doet de omvang van zijn belang niet ter
zake. Indien deze medegerechtigdheid de voorzetting vormt van een
voor zijn rekening gedreven IB-onderneming, kwalificeert de
verkrijging van de commanditaire deelname in de CV door de beoogde
opvolger voor de bedrijfsopvolgingsregeling. In alle andere
gevallen wordt de commandiet in een besloten CV beschouwd als een
belegger, en zijn deelname als een belegging, zodat de verkrijging
van deze deelname niet kwalificeert voor de
bedrijfsopvolgingsregeling.
In hoeverre gaan de heffingen bij bedrijfsopvolging uit
boven 100% van het bedrijfsvermogen zoals is gesuggereerd in de
brief van het Vosmanshuys?
Bij een bedrijfsopvolging kan een beroep worden gedaan op de
doorschuifregeling in de inkomstenbelasting voor de
aanmerkelijkbelangheffing en voor de erfbelasting kan een beroep
worden gedaan op de faciliteiten in de Successiewet 1956. Daarmee
bedraagt de directe totale belastingdruk op het
ondernemingsvermogen de erfbelasting verschuldigd over 10% van de
waarde van de aandelen. Voor deze erfbelasting kan bovendien nog
tien jaar uitstel worden verleend. In geval van een
beleggingsvennootschap, of in geval in de BV ook beleggingsvermogen
aanwezig is, ligt de druk hoger. De vergelijking inzake de
gezamenlijke heffing van inkomstenbelasting (winst uit aanmerkelijk
belang) en vennootschapsbelasting (over stille reserves aanwezig in
een BV) aan de ene kant bij de erflater, en erfbelasting aan de
andere kant bij de verkrijger, zoals door het Vosmanshuys gemaakt,
vormt naar mijn opvatting echter geen zuivere vergelijking. Immers
de genoemde belastingen worden van verschillende personen (erflater
versus verkrijger) geheven en bovendien betreft het geheel andere
heffingsobjecten (inkomen versus verkrijging van vermogen). Zowel
de aanmerkelijkbelangheffing over de meerwaarde van de aandelen als
de heffing van vennootschapsbelasting over stille reserves bij
realisatie zijn vormen van een heffing over inkomen (bij de
natuurlijke persoon danwel (als ‘voorheffing’) bij de
rechtspersoon) van de erflater. De erfbelasting is daarentegen een
heffing over geërfd vermogen bij de verkrijger. In die zin meen ik
dat de heffing van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting
niet kunnen worden opgeteld bij de heffing van erfbelasting om tot
de slotsom te komen dat er meer dan 100% van de waarde van de
aandelen wordt belast. De belastingdruk van een
aanmerkelijkbelanghouder en zijn erfgenamen is dus ook niet hoger
dan die van andere natuurlijke personen en hun erfgenamen. Er doet
zich wel optisch gezien een verschil voor. De heffing van
bijvoorbeeld een werknemer heeft jaarlijks plaatsgevonden, terwijl
de heffing over het inkomen van de aanmerkelijkbelanghouder bij
zijn overlijden in één keer plaatsvindt. Deze heffing is tijdens
het leven van de aanmerkelijkbelanghouder steeds uitgesteld. Het
overlijdensmoment is het uiterste moment waarop de
aanmerkelijkbelanghouder naar zijn draagkracht kan worden belast.
Voor zover in de BV beleggingsvermogen aanwezig is, bestaat er geen
reden meer deze heffing nog langer uit te stellen. Verder is
hierbij nog relevant om aan te geven dat niet in iedere situatie de
stille reserves in de BV ook te gelden moeten worden gemaakt om de
aanmerkelijkbelangheffing te kunnen betalen. Dat zal afhankelijk
zijn van de omstandigheden van het geval. Overigens vormt de
heffing van vennootschapsbelasting over gerealiseerde stille
reserves economisch gezien een voorheffing op de
inkomstenbelasting. In die zin past deze heffing ook bij de
draagkrachtheffing die de inkomstenbelasting is. Ten slotte merk ik
nog op dat de verschuldigde aanmerkelijkbelangheffing en de latente
vennootschapsbelasting de omvang van de nalatenschap drukken, zodat
minder erfbelasting is verschuldigd.
Kan het tijdelijk, bijvoorbeeld voor een half jaar,
mogelijk worden voor een aandeelhouder die aandelen bezit die ooit
een aanmerkelijk belang hebben gevormd, maar dat door verwatering
als gevolg van huwelijk of overlijden minder is geworden dan 5% en
men niet (meer) heeft gekozen voor het zijn van fictief
aanmerkelijkbelanghouder, om vrijwillig terug te keren naar box 2,
nu voor deze verwateringssituaties onder de voorgestelde regeling
een extra voorziening is opgenomen?
Ik ben niet voornemens om een dergelijke vrijwillige terugkeer
mogelijk te maken. Daartoe dient het volgende. Ten eerste verhoudt
een dergelijke terugkeeroptie zich niet met de
aanmerkelijkbelangregeling in box 2 en met de
bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956. De faciliteit
is bedoeld voor ondernemers die hun onderneming overdragen aan
ondernemers die hun onderneming voortzetten. In geval van aandelen
in een BV is in beginsel alleen sprake van een ‘ondernemer’ als de
aandeelhouder minimaal 5% van de aandelen in de BV bezit. Het is
niet mogelijk om met een kleiner belang dan 5% vrijwillig te
opteren voor het box 2 regime, net zo min als dat het mogelijk is
om vrijwillig te kiezen voor het zijn van IB-ondernemer. Dit is
alleen anders indien het kleinere belang zakt beneden de grens van
5%. Op dat moment houdt de aanmerkelijkbelanghouder op
aanmerkelijkbelanghouder te zijn en moet hij in beginsel afrekenen
over de meerwaarde. Aangezien er op dat moment geen liquide
middelen worden ontvangen door de aanmerkelijkbelanghouder, is het
mogelijk om deze afrekening uit te stellen. Men kan er dan voor
kiezen om bij fictie aanmerkelijkbelanghouder te blijven en af te
rekenen op het moment dat de middelen om de inkomstenbelasting te
betalen wel aanwezig zijn. Het is dan ook mogelijk om op ieder
gewenst moment af te rekenen over de claim, waarna het belang van
minder dan 5% gaat behoren tot box 3. Indien men echter deze keuze
heeft gemaakt, heeft men definitief box 2 verlaten. Men is geen,
voortgezet ondernemer meer, maar belegger. Vrijwillige terugkeer
naar box 2 is niet mogelijk. Ten tweede kwalificeert de fictief
aanmerkelijkbelanghouder reeds onder de huidige regeling als een
ondernemer voor de bedrijfsopvolgingsregeling. Nu de voorgestelde
wetgeving niets nieuws brengt voor de fictief
aanmerkelijkbelanghouder, zie ik geen reden om daarvoor een
voorziening te treffen. Het nieuwe aspect waar de vraag op doelt,
ziet op de verwatering van een indirect gehouden aanmerkelijk
belang. Dit betreft dan situaties waarin een
aanmerkelijkbelanghouder via een holding een belang in een
werkmaatschappij houdt dat indirect gezien kleiner is dan 5%. De
schenker of erflater is aanmerkelijkbelanghouder in de zin van box
2. De verkrijging van de aandelen in de holding kwalificeert echter
niet voor de bedrijfsopvolgingsregeling, omdat hij indirect niet
minimaal 5% houdt in de werkmaatschappij. Vandaar dat ik voor die
situatie een voorziening heb getroffen voor die situatie waarin het
indirect gehouden belang ooit een keer minimaal 5% is geweest en
alleen door verwatering van het direct gehouden aanmerkelijk belang
in de holding kleiner wordt dan 5%, heb ik een voorziening
getroffen. Hiermee ontstaat een gelijkstelling met een rechtstreeks
gehouden fictief aanmerkelijk belang in een werkmaatschappij dat
per definitie kleiner is dan 5%. In tegenstelling tot wat wellicht
wordt gedacht, is de voorgestelde regeling ten aanzien van indirect
gehouden belangen van minder dan 5% en groter dan 0,5% een
tegemoetkoming voor iedere (fictief) aanmerkelijkbelanghouder van
een holding en dus geen voorziening voor een fictief
aanmerkelijkbelanghouder die een rechtsreeks belang heeft in de
werkmaatschappij. Daarvoor is een voorziening ook niet nodig,
omdat, zoals gezegd, ten aanzien van zijn positie niets gaat
veranderen met ingang van 1 januari 2010.
Schuldigerkenningen uit vrijgevigheid; rente in notariële
akte
Moet het aanpassen van een rente van een opgemaakte
schuldigerkenning uit vrijgevigheid per notariële akte
geschieden?
Deze vraag is, net zoals de vraag of een schuldigerkenning uit
vrijgevigheid bij notariële akte plaats moet vinden, een
civielrechtelijke vraag. De beantwoording ligt daarom niet primair
bij mij. Wel merk ik op dat in de tweede nota van wijziging is
opgenomen dat voor schuldigerkenningen die reeds voor 2010 zijn
opgemaakt overgangsrecht is voorgesteld. Dit overgangsrecht houdt
in dat deze schuldigerkenningen worden geëerbiedigd als er een
zakelijke rente is overeengekomen. Er is dan geen sprake van
heffing op grond van artikel 10 als de rente daadwerkelijk
jaarlijks is betaald. Voor deze gevallen is het overeenkomen van
een andere rente dan ook niet vereist, zodat de vorm waarin dat zou
moet gebeuren niet aan de orde komt.
Is de Staatssecretaris bereid een register op te zetten om
zekerheid te geven dat wordt nagelaten of gegeven aan
SBBI’s?
Het opzetten van een register voor SBBI’s brengt administratieve
lasten mee voor de SBBI’s en hoge uitvoeringskosten voor de
Belastingdienst. Naar verwachting zullen er meer dan 100 000
instellingen aangemerkt kunnen worden als een SBBI. Dit betekent
een enorme werklast voor de Belastingdienst.
Het is de vraag of die (administratieve) lasten en
uitvoeringskosten opwegen tegen de geclaimde voordelen. Voor
schenkingen en nalatenschappen geldt straks ten minste de algemene
vrijstelling van € 2000. De SBBI-vrijstelling gaat pas een rol
spelen bij grotere schenkingen en nalatenschappen en het is niet
aannemelijk dat – anders dan thans - in de toekomst heel vaak
grotere bedragen zullen worden geschonken of gelegateerd. Tot op
heden zijn bij de Belastingdienst in ieder geval slechts enkele
gevallen bekend.
De dynamiek in de sector SBBI is groot, zodat een organisatie dit
jaar SBBI kan zijn en volgend jaar niet meer. Hierdoor biedt een
register –met name voor erfstellingen – maar een zeer beperkte
zekerheid omtrent de status van de SBBI. Immers deze kan per jaar
veranderen met alle gevolgen van dien. Overigens is er altijd
vooroverleg met de Belastingdienst mogelijk over de SBBI-status van
een organisatie.
Het opzetten van een lijst van SBBI's vereist een
uitvoeringsorganisatie à la die van de ANBI met de bijbehorende
stroom van brieven en beschikkingen, bezwaren en beroepen,
toezicht, registratiesysteem en beheersorganisatie. Gezien het feit
dat de omvang van de groep SBBI's veel groter is dan de groep
ANBI's, hebben we het over een heel grote investering.
Bovendien zullen er forse administratieve lasten voor de betrokken
organisaties ontstaan. De initiële kosten en investeringen worden
ruw geschat op rond de € 1 miljoen voor het bouwen van een
SBBI-beschikkingen - en registratiesysteem en zeker 35 tot 70
formatieplaatsen met € 2,5 tot 6 miljoen aan structurele
personeelskosten.
Dit acht ik in deze tijd van grote druk op de
Belastingdienst-organisatie en gezien de budgettaire problemen van
de Belastingdienst niet realistisch.
In het kader van de ANBI-regeling graag een (overgangs)regeling
voor mensen die de verplichting zijn aangegaan een periodieke gift
te doen en dit hebben gedaan in de verwachting dat de ontvanger een
ANBI was en de schenking dus vrijgesteld in de Successiewet 1956 en
aftrekbaar in de inkomstenbelasting was.
Als de bevoordeelde ANBI door de wetswijziging niet meer
kwalificeert als ANBI, dan vervallen de fiscale voordelen in het
kader van de ANBI-regeling. De fractie van het CDA verzoekt mij te
regelen dat mensen die een verplichting aangegaan zijn een
periodieke gift te doen aan deze verplichting niet meer hoeven te
voldoen. Ik kan aan dat verzoek niet tegemoetkomen, omdat de
aangegane verplichting een periodieke gift te doen een
civielrechtelijke aangelegenheid is waar ik volledig buiten sta en
waar ik geen invloed op uit kan oefenen.
Welke zijn de eventuele voor- en nadelen van het toestaan
van het schriftelijk vastleggen van een periodieke gift in een
onderhandse akte in plaats van in de huidige wet Inkomstenbelasting
2001 voor de aftrekbaarheid van de periodieke gift vereiste
notariële akte.
Het voordeel van een onderhandse akte is dat het de drempel
verlaagt een periodieke gift te doen. Het kan ook tot
kostenbesparing leiden. Dat zijn zeker twee positieve punten.
Echter, de notariële akte geeft zekerheid over de inhoud en
dagtekening van de aangegane verplichting een periodieke gift te
doen. Dit is voor de controleerbaarheid van de giftenaftrek van
essentieel belang. Het vervallen van de voorwaarde van een
notariële akte zou ertoe kunnen leiden dat de fiscaal heel
aantrekkelijke regeling van de giftenaftrek gemakkelijk misbruikt
zou kunnen worden.
Is de Staatsecretaris bereid tot het voeren van overleg met
de sector?
Aan het verzoek van de fractie van het CDA met de ANBI- en
SBBI-sector vóór 1 juli 2010 evaluerend overleg te voeren over de
uitvoering en uitwerking van de ANBI- en SBBI-regeling kom ik graag
tegemoet.
Kan de Staatssecretaris zijn toezegging bevestigen dat in
de aangekondigde notitie over het Nederlandse fiscaal
verdragsbeleid zijn opvatting over eventuele economische dubbele
belasting wordt uiteengezet?
Dienaangaande bevestig ik mijn eerder gedane toezegging dat ik in
die notitie nader zal ingaan op economische dubbele belasting en
verdragstoepassing.
De fractie van het CDA stipt nog een aantal punten over
APV’s aan. Allereerst wordt aandacht gevraagd voor de
tegenbewijsregeling van artikel 2.14a, lid 7 Wet IB 2001. Dit lid –
aangeduid als een toerekeningsstop - brengt met zich dat geen
toerekening van het vermogen van een APV aan de inbrenger
plaatsvindt als het APV zelf in een redelijke heffing naar de winst
wordt betrokken. De vraag is of er bezwaren tegen zijn slechts te
bepalen dat vermogensbestanddelen ‘in een reële heffing moeten
worden betrokken’ in het andere land, ongeacht of die heffing
plaatsvindt bij een subject of een object?
Laat ik in mijn antwoord voorop stellen dat toerekening aan en
heffing bij de inbrenger alleen aan de orde komt met betrekking tot
het discretionaire (‘zwevend’) deel van het APV. Voor zover een
ander een concreet, juridisch afdwingbaar recht heeft richting het
APV wordt dit recht aan deze gerechtigde toegerekend. Woont de
gerechtigde in het buitenland dan is zijn woonland heffingsbevoegd
en kan dat land zelf bepalen hoe deze gerechtigde in de heffing
aldaar wordt betrokken. Wordt daarentegen vastgesteld dat sprake is
van een discretionair deel dan wordt toegerekend aan de inbrenger
tenzij zich een bijzondere situatie voordoet: het APV wordt zelf
belast. Er vindt dan geen toerekening aan de inbrenger plaats als
het APV zelf in een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing
van ten minste 10% naar de winst wordt betrokken: de zogenoemde
toerekeningsstop. De toerekeningsstop komt niet in beeld als een
ander, ik neem aan dat hier gedoeld wordt op een begunstigde, in
het buitenland in de heffing wordt betrokken. De reden hiervan is
dat mij geen rechtsstelsels of gevallen bekend zijn waarin
begunstigden ter zake van een discretionair deel van een APV in het
buitenland in de heffing worden betrokken. Voor APV’s ligt dit
anders: ik ken enkele gevallen waarin het APV zelf in de heffing
wordt betrokken, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika.
Graag een nadere uitleg over het vierde lid van artikel
2.14a Wet IB 2001.
Ingevolge die bepaling wordt onder een erfgenaam bij wetsfictie ook
verstaan een persoon die weliswaar is onterfd maar die uiteindelijk
begunstigde is van het APV. Deze bepaling beoogt zogenoemde
‘ontervingsconstructies’ tegen te gaan. Na indiening van het
wetsvoorstel werd in de literatuur en daarna in het nader verslag
gewezen op deze constructie en de onwenselijkheid ervan. De
voorgestelde bepaling ziet op bijzondere situaties, waarvan ik
verwacht dat ze juist door deze maatregel niet veel zullen
voorkomen. Zonder deze maatregel zou misbruik op de loer liggen.
Het zal in de praktijk inderdaad niet op voorhand zonder meer
duidelijk zijn of iemand onder deze bepaling valt; het zal van de
feiten en omstandigheden afhangen of een onterfde persoon of zijn
partner of bloed- of aanverwant in de rechte lijn in wezen toch als
begunstigde gerechtigd is richting het APV. De term ‘mede’ is
gebruikt om het onderscheid aan te brengen ten opzichte van
erfgenamen ingevolge boek 4 van het Burgerlijk wetboek.
Welke toerekening gaat gelden voor de toepassing van de
nieuwe volzin van lid 6 van artikel 2.14a Wet IB 2001?
Het zesde lid ziet op de situatie dat een gebruikelijke toerekening
kan worden ontgaan door de bewuste bloed- of aanverwanten te
onterven maar hen wel als begunstigde van een afgezonderd
particulier vermogen te benoemen. Dit acht ik onwenselijk en daarom
is voorgesteld te bepalen dat onder een erfgenaam ook wordt
begrepen degene die als erfgenaam is uitgesloten maar wel
begunstigde is van een afgezonderd particulier vermogen.
Vorenstaande geldt eveneens voor volgende generaties en ingeval een
of meerdere generaties worden overgeslagen: de ouder onterft zijn
kind en wijst zijn kleinkind of zijn partner aan als begunstigde.
Bij een onterfde persoon wordt in de praktijk vooral gedoeld op
(klein)kinderen, (groot)ouders, broers, zusters van de erflater die
door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap zouden kunnen
worden geroepen maar krachtens uiterste wilsbeschikking zijn
uitgesloten. De gekozen terminologie beoogt een ruim
toepassingsbereik om allerhande constructies binnen de familie
onder het toepassingsbereik van artikel 2.14a van de Wet
inkomstenbelasting 2001 te laten vallen. Bedacht dient wel te
worden dat het ook hier om uitzonderingssituaties gaat en de
inspecteur een tegenbewijsmogelijk krijgt. De inspecteur dient wel
te beschikken over zeer zwaarwegende bewijzen om af te wijken van
het testament en toe te rekenen op een wijze die in wezen aansluit
bij de echte bedoelingen van partijen. Gedacht kan worden aan
bijvoorbeeld de situatie dat de 99%-erfgenaam in het buitenland
woont en dat de 1%-erfgenaam, die in Nederland woont en voor
50%-begunstigde is van APV. In een dergelijke situatie heeft de
inspecteur de mogelijkheid toe te rekenen op basis van een 50-50%
verdeling. Met een dergelijke toedeling wordt een eindresultaat
bereikt dat uitkomt op een ongeconstrueerde erfrechtelijke
verdeling die ingevolge het eerste lid op normale wijze in de
heffing wordt betrokken. Is de belastingplichtige het met deze
toerekening niet eens, dan kan hij vanzelfsprekend de rechter om
een oordeel vragen. De bewijslast rust dan op de inspecteur. Al met
al acht ik deze systematiek evenwichtig.
Wanneer komt de brief over de defiscalisering?
De brief over de defiscalisering in de Wet Inkomstenbelasting 2001
van vorderingen en schulden die zijn ontstaan krachtens erfrecht
eind 2009 gereed kan zijn. Ik heb die brief toegezegd voor eind
2009 begin 2010. Ik zal echter mijn uiterste best doen om de brief
al dit jaar naar de Kamer te zenden.
Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden voor een functie van
een gratis attest van erfopvolging, te verkrijgen bij de
Belastingdienst als vervanging van de verklaring van erfrecht in
standaardgevallen?
Ik zal dit onderzoeken samen met de minister van Justitie en u
hierover over enkele maanden bij brief informeren.
Kan de Staatssecretaris aangeven wat precies de
aankondiging van de Europese Commissie (hierna: EC) over een
‘Succession certificate’ inhoudt wat zijn visie daarop is?
De EC bereidt een voorstel voor, dat tot doel heeft uniforme regels
vast te stellen voor het toepasselijk recht inzake de afwikkeling
van nalatenschappen binnen de Europese Unie, waar meerdere
lidstaten bij zijn betrokken. Het voorstel strekt niet tot
harmonisering van het eigen (materiële) erfrecht van de lidstaten.
De praktijk is nu dat de bestaande verschillen tussen lidstaten
ertoe leiden dat op een nalatenschap verschillende nationale regels
moeten worden toegepast. Deze verschillende regels vormen soms een
belemmering voor een adequate afwikkeling van de nalatenschap. Het
voorstel neemt de laatste gewoonlijke verblijfplaats als
uitgangspunt voor de afwikkeling van de totale nalatenschap, met de
mogelijkheid dat de erflater zelf vooraf kiest voor het recht van
de staat waarvan hij de nationaliteit bezit. Het voorstel bevat ook
een uniform model voor een Europese verklaring van erfrecht.
Hiermee kunnen de erfgenamen aantonen dat zij recht hebben
bijvoorbeeld op het banktegoed van de overledene. De minister van
Justitie is de eerstverantwoordelijke voor de beoordeling van het
voorstel van de EC. Het voorstel ziet alleen op het erfrecht dat
moet worden toegepast op een (totale) nalatenschap, en niet op de
successiebelasting. De successiewetgeving van de EU-staten wordt
dan ook niet geraakt door het voorstel van de EC: de
successiewetgeving blijft de uitsluitende bevoegdheid van de
lidstaten. Daarmee heeft het voorstel van de EC ook geen gevolgen
voor het wetsvoorstel modernisering Successiewet 1956.
Vragen gesteld door de
leden van de fractie van GroenLinks
Graag aandacht voor de budgettaire dekking van het
wetsvoorstel. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat er maatregelen
worden genomen als de APV’s minder opbrengen dan geraamd.
Zoals ik al eerder heb aangegeven zie ik geen aanleiding om te
veronderstellen dat de dekking niet wordt gehaald. De ramingen zijn
behoedzaam maar het blijft natuurlijk wel een raming. Het lastige
bij APV’s is dat zij zich nagenoeg altijd ophouden in
belastingparadijzen en daarvan is het bekend dat men niet scheutig
is met het verstrekken van (financiële) informatie. Op basis van
een door Belastingdienst bijgehouden computerapplicatie vanaf 2002
heb ik wel een goed beeld gekregen van het vermogen van APV’s dat
sindsdien in kaart is gebracht waarbij Nederlandse
belastingplichtigen betrokken zijn. Het gaat hier in mijn ogen om
een topje van de ijsberg. Vanuit deze computerapplicatie heeft het
ministerie van Financiën geraamd. Er wordt geschat dat er circa
2500 trusts, 2500 SPF’s en 400 overige doelvermogens (Stiftungen,
Foundations, Anstalts, stichtingen) zijn waarbij Nederlandse
heffingsbelangen spelen. De Belastingdienst heeft vastgesteld dat
een APV gemiddeld een vermogen heeft van € 2,7 miljoen. In de markt
is bekend dat een substantieel bedrag in een APV moet zijn gestort
wil dat rendabel zijn gelet op de instandhoudingskosten van een
dergelijke hybride rechtsfiguur. Deze aanname wordt bevestigd door
externe deskundigen. Er zijn tevens ook enkele zeer grote APV’s in
beeld waarbij het vermogen uitkomt boven € 1 miljard. Te verwachten
is dat als gevolg van de nieuwe wetgeving nog verschillende zeer
grote APV’s in beeld komen. Op basis van deze cijfers komen wij uit
op een raming van € 30 miljard vermogen . Over deze vermogens wordt
in het nieuwe stelsel jaarlijks inkomstenbelasting geheven en bij
overlijden van de inbrenger wordt erfbelasting geheven. Schenkt het
APV dan komt schenkbelasting in beeld. De cijfers van de
Belastingdienst en mijn ramingen heb ik aangehouden tegen rapporten
van organisaties als de OESO, het IMF, Boston Consulting Group,
Oxfam-Novib, Tax Justice Network, Merill Lynch/Cap Gemini en
anderen. De schattingen in deze rapporten over vermogens van
particulieren in belastingparadijzen en gemiste
belastingopbrengsten overtreffen mijn raming verre. Als ik deze
cijfers vertaal naar Nederlandse belangen dan becijferen zij de
gemiste belastingopbrengsten op een veelvoud van de door mij
geraamde opbrengsten. Gegeven de onzekerheden die aan de ramingen
zijn verbonden, ben ik evenwel behoedzaam te werk gegaan.
Uiteindelijke realisatie van de maatregelen voor APV’s is endogeen,
zoals dat geldt voor alle belastingmaatregelen: zowel meevallers
als tegenvallers zijn verdisconteerd. Mocht niettemin uit de
evaluatie blijken dat de opbrengsten in betekende mate mee- of
tegenvallen, dan kan dit reden zijn voor een nieuwe politieke
afweging. Op deze manier is gewaarborgd dat een eventuele
tegenvallende opbrengst niet automatisch wordt afgewenteld op de
gewone burger.
Betalen mantelzorgers de prijs voor uniformering
partnerbegrip?
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of hun visie juist is
dat mantelzorgers de prijs betalen van de uniformering van het
partnerbegrip. Allereerst merk ik hierbij op dat het al dan niet
zijn van mantelzorger geen relevant criterium is voor de invulling
van het partnerbegrip. Wel is er bij de herziening van de tarief-
en vrijstellingenstructuur voor gekozen om zogenoemde tweerelaties
in de rechte lijn en meerrelaties uit te sluiten van het
partnerbegrip, omdat in die gevallen niet kan worden gesproken van
een wederzijdse zorgplicht. Deze verkrijgers komen daardoor niet
langer in aanmerking voor het hogere vrijstellingsbedrag voor
partners. Hiermee is een budgettaire opbrengst gemoeid van € 18
miljoen, zijne het totaal van € 7 miljoen bij tweerelaties in de
rechte lijn en € 11 miljoen bij meerrelaties.
Vragen gesteld door de leden van de fractie van de
ChristenUnie
Artikel 10
Kan bevestigd worden dat een niet opeisbaar legaat niet
onder het toepassingsbereik van artikel 10 valt.
Zoals ik hiervoor bij een gelijkluidende vraag van de leden van de
CDA-fractie heb aangegeven, leidt een niet opeisbaar legaat niet
tot artikel 10 mits het uit te keren bedrag aanwezig is in de
nalatenschap.
Zou er geen eerbiediging moeten zijn voor situaties waarin
onder de resolutie van 30 november 1964 een rechtshandeling is
gepleegd die na 1 januari 2010 tot toepassing van artikel 10
leidt?
In zijn algemeenheid geldt dat regelgeving van toepassing is op
belastbare feiten die zich voordoen onder de geldigheid van die
betreffende bepalingen. Het feit waarbij de erfbelasting, en hier
meer in het bijzonder artikel 10, aangrijpt, is het overlijden van
iemand. Indien dat overlijden plaatsvindt onder het regime zoals
dat geldt na inwerkingtreding van een wetswijziging, geldt voor de
betrokken belastingplichtigen alle voordelen en nadelen van de
doorgevoerde wijzigingen. Om die reden, en ook omdat de resolutie
van 30 november 1964 alleen geldt voor onroerende zaken, meen ik
dat een eerbiedigende werking voor rechtshandelingen van voor de
invoeringsdatum van de wetswijziging meer nadelen met zich
meebrengen dan voordelen.
Zou er geen uitzondering moeten gelden voor verdelingen van
oude nalatenschappen die niet binnen 2 jaar na het openvallen van
de nalatenschap plaatsvinden?
Nu voor de verdeling van ‘oude’ nalatenschappen bij derde nota van
wijziging de termijn op twee jaar is gesteld, meen ik dat de
betrokken erfgenamen een voldoende termijn is gegund om de
verdeling alsnog tot stand te brengen.
Kunnen de voorwaarden waaraan de SBBI’s moeten voldoen in
een ministeriële regeling worden opgenomen?
Het antwoord op deze vraag is dat de voorwaarden (voor de
toepassing van de vrijstelling) voor SBBI’s reeds opgenomen zijn in
artikel 32, eerste lid, onder 8˚, Successiewet 1956 wat betreft de
erfbelasting en in artikel 33, eerste lid, onder 13˚, Successiewet
1956 wat betreft de schenkbelasting. Aanvullende regelgeving in een
ministeriële regeling is niet nodig.
Vragen gesteld door de
leden van de fractie van de PVV
Ook de fractie van de PVV vraagt aandacht de budgettaire dekking
van het wetsvoorstel. De fractie van de PVV verzoekt om meer
opbrengsten dan geraamd in te boeken.
Ik ben verheugd over het enthousiasme van de PVV voor de
maatregelen inzake APV’s maar zie onvoldoende aanleiding om de
opbrengsten naar boven bij te stellen. Een behoedzame raming acht
ik meer verantwoord, zeker gelet op de complexiteit van ramingen
van vermogens in APV’s. Ik houd vast aan de budgettaire
uitgangspunten die ik vanaf het moment van indiening van het
wetsvoorstel heb gehanteerd. Ik verwijs tevens naar het antwoord
dat gegeven is op de vraag van de fractie van Groen Links over de
budgettaire dekking.
Kan commentaar worden gegeven op de brief van Boer van 26
oktober 2009? Daarin reageert deze op de brief van de parlementair
advocaat (hierna: PA) d.d. 7 oktober 2009.
Voordat ik op de brief van Boer inga, wil ik de aandacht erop
vestigen dat het wetsvoorstel als zodanig niet in strijd kan zijn
met de goede trouw onder een verdrag, zoals de PA ook terecht
stelde.
Allereerst zal ik in meer algemene zin commentaar geven, om
vervolgens in te gaan op verschillende aspecten die in de brief aan
de orde worden gesteld. Ik wil benadrukken dat de analyse van de PA
naar mijn oordeel helder en juridisch duidelijk is en dat volgens
de PA Nederland met betrekking tot de toerekeningsfictie niet in
strijd met verdragstrouw handelt. Wat betreft de brief van de heer
Boer merk ik op dat de heer Boer met mij van oordeel is dat
belastingverdragen in beginsel niet van toepassing zijn op gevallen
van economische dubbele belasting. Bovendien dient bij de kwestie
van de economische dubbele belasting en verdragtoepassing steeds
voor ogen gehouden te worden dat deze kwestie slechts in
uitzonderingsgevallen aan de orde is, aangezien immers de meeste
APV’s gevestigd zijn in niet-verdragslanden. De redactie van
Vakstudie Nieuws spreekt in dit verband dan ook van “een storm in
een glas water”[3].
Ik ben van mening dat de kwestie van verdragstrouw in dit verband
in perspectief dient te worden gezien: er mag niet verondersteld
worden dat voor alle andere verdragslanden de behandeling van APV’s
onder verdragen glashelder is. De meeste landen worstelen met de
problematiek en er zijn verschillende opvattingen over die
behandeling. Dat is ook de reden waarom de meeste verdragen geen
oplossing bevatten. In OESO-verband is de problematiek reeds vele
jaren onderwerp van discussie, maar het is nog steeds niet gelukt
om tot een eenduidige oplossing te komen. Zo is in het OESO-rapport
1999 over partnerships uiteindelijk geen regeling voor trusts (en
andere APV’s) opgenomen. Men kan dan ook moeilijk concluderen dat
de mogelijk dubbele economische dubbele heffing “onbehoorlijk” zou
zijn ten opzichte van de andere verdragsluitende staat. Het is
immers ook voor de verdragspartner geen uitgemaakte zaak hoe onder
verdragen om te gaan met APV’s.
In zijn brief spreekt de heer Boer een gevoel van de twijfel uit
met betrekking tot de gerechtvaardigdheid van de wellicht ontstane
economische dubbele heffing, Daarover wil ik opmerken dat ik mij
niet wil baseren op gevoelens, maar op een juridische analyse. De
PA heeft, evenals ik zich gebaseerd op een juridische benadering,
die leidt tot een zeer pleitbaar standpunt. Zoals bij de
interpretatie van elke wet is het uiteindelijke oordeel aan de
rechter. En zoals gezegd ben ik, net als de PA, niet pessimistisch
over de uitkomst.
Ook wil ik u erop wijzen, dat de brief onterecht verwijst naar het
Haagse Trustverdrag[4] om aan te geven dat APV’s niet tot het
vermogen van inwoners van Nederland behoren en naar reguliere
(internationale) fiscale opvattingen niet aan hen zouden worden
toegerekend. Ik wil benadrukken dat dat verdrag expliciet toelaat
een trust te negeren als de toepassing van de belastingwetgeving
dat vereist. Uitdrukkelijk is aan de nationale wetgevers
overgelaten hoe in fiscalibus om te gaan met trusts.
Wat betreft het in de brief genoemde arrest inzake fraus legis van
de Hoge Raad[5] en de CFC-regelgeving in de brief stel ik mij op
het standpunt dat het om casuïstische c.q. specifieke kwesties
gaat, die niet zonder meer zijn door te trekken naar de
voorgestelde behandeling van APV’s.
Wat betreft de onvoorziene effecten die als gevolg van de
toerekeningsfictie kunnen optreden ten aanzien van buitenlandse
bronheffingen (wat mag welk land inhouden en wat verrekent
Nederland?), merk ik op dat het, gelet op het gegeven voorbeeld,
gaat om de ingewikkelde triangular case-problematiek, die ook op
andere terreinen speelt en mede samenhangt met de dispariteit van
belastingstelsels. Deze problematiek zal ik beoordelen in het licht
van de passage over verrekening van buitenlandse bronbelasting in
de memorie van toelichting (punt 5.8) op het wetsvoorstel.
Ten slotte constateerde ik dat in de brief onterecht gesteld wordt,
dat de voorgestane behandeling van APV’s in strijd zou zijn met
Europees recht, omdat het Hof van Justitie EG bij
misbruikbestrijding ‘maatwerk’ zou vereisen. Ik wil benadrukken dat
het wetsvoorstel binnenlandse APV’s en buitenlandse APV’s gelijk
behandelt, zodat strijdigheid met het primaire gemeenschapsrecht
niet aan de orde is. Er is kortom geen sprake van belemmering van
de vrijheid van vestiging of de vrijheid van kapitaalverkeer en de
jurisprudentie van het Hof van Justitie EG op het gebied van
misbruikbestrijding vindt mitsdien geen toepassing.
De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel ANBI’s
als gevolg van de voorgestelde maatregelen hun status zullen
verliezen en of de voor deze maatregelen geraamde opbrengst van €
54 miljoen niet te laag is ingeschat.
Op dit ogenblik kan nog niet worden aangegeven hoeveel ANBI’s hun
status zullen verliezen. Dit zal eerst duidelijk worden nadat de
aangekondigde controleprocedure zal zijn afgerond. Om die reden zal
voor de budgettaire effecten van de maatregel moeten worden
volstaan met een redelijke inschatting. Met inachtneming van de aan
een dergelijk inschatting inherente onzekerheidsmarges is geraamd
dat de opbrengst kan worden gesteld op ongeveer 10% van de
belastingderving die thans met ANBI’s is gemoeid in de
inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting. Dit betreft een
bedrag van € 54 miljoen.
De fractie van de PVV heeft aangegeven dat de voorgestelde
SBBI-regeling onvoldoende rechtszekerheid biedt over de toepassing
van de SBBI-vrijstelling wegens het ontbreken van een
SBBI-register. Daarop is mijn reactie dat zekerheid over de
toepassing van de SBBI-vrijstelling verkregen kan worden door
overleg met de Belastingdienst. De fractie van de PVV stelt ook dat
het ontbreken van een SBBI-register tot willekeur in de toepassing
van de SBBI-vrijstelling kan leiden. Mijn reactie daarop is dat de
kans op willekeur zeer gering is, omdat de beoordeling van de
vrijstelling in handen van de Inspecteur Successie is die met een
kleine technische organisatie opereert op slechts drie locaties,
zodat beleidsafstemming en gelijke behandeling in voldoende mate
zijn gewaarborgd.
De fractie van de PVV vroeg naar onderscheid in de aftrekbaarheid
in de inkomstenbelasting van de periodieke giften bij SBBI’s.
Daarop is het antwoord dat de SBBI-regeling geen onderscheid in de
aftrekbaarheid van de periodieke giften maakt. Periodieke giften
aan SBBI’s zijn immers niet aftrekbaar in de inkomstenbelasting.
Slechts periodieke giften aan ANBI’s en aan niet aan
vennootschapsbelasting onderworpen verenigingen met ten minste 25
leden komen in aanmerking voor de aftrek. Deze laatste groep
(verenigingen) zouden SBBI’s kunnen zijn.
Waarom moet bij direct opeisbare leningen ten minste 6% rente
worden vergoed om te voorkomen dat deze lening een schenking van
een vruchtgebruik inhoudt. Waarom, zo vragen die leden, is
niet aangesloten bij het forfaitair rendement van 4% in box 3 van
de Wet inkomstenbelasting 2001? De rente die vereist is in het
voorgestelde artikel 15 is gelijk aan het forfaitaire rendement dat
in de Successiewet 1956 geldt voor een vruchtgebruik. Deze rente
bedraagt momenteel 6%. Dit percentage wordt in vele artikelen in de
Successiewet 1956 toegepast en het zou inconsistent zijn in artikel
15 een ander percentage te nemen. Aanvankelijk was voorgesteld dit
percentage in de Successiewet, net als in box 3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, op 4% te stellen. Omdat dit er onder meer
toe zou leiden dat in veel gevallen de verkrijging door kinderen
zwaarder belast zou worden, is hier van afgezien en is het
percentage gehandhaafd op 6%.
Vragen gesteld door de
leden van de fractie van de SGP
Kan de Staatssecretaris iets regelen voor gehuwden die van
tafel en bed gescheiden zijn, die geen andere partner
hebben?
In de nieuw voorgestelde partnerdefinitie worden zij niet meer als
echtgenoten of partners aangemerkt. Ik ben bereid in het vigerende
Beleidsbesluit voor ex-echtgenoten een goedkeuring te verlenen op
grond waarvan ee’n van tafel en bed gescheiden echtgenoot voor het
erftarief behandeld wordt als een echtgenoot (tariefgroep I).
Wellicht ten overvloede merk ik hierbij op dat deze van tafel en
bed gescheiden echtgenoten wel naar de notaris moeten om in een
testament een dergelijke bevoordeling op te nemen; zij erven
volgens het erfrecht niet automatisch van elkaar.
De leden van de SGP-fractie vragen of een zangkoor en een
muziekvereniging kunnen kwalificeren als ANBI.
Ik heb reeds in de nota naar aanleiding van het verslag aangegeven
dat het antwoord op de vraag of een instelling als ANBI
kwalificeert sterk afhankelijk is van de feiten en omstandigheden.
Om als ANBI aangemerkt te worden, zal een instelling uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend het algemeen nut moeten dienen. Ik heb toen
met betrekking tot zangkoren geantwoord dat dit in het algemeen
niet het geval zal zijn, omdat doorgaans de particuliere belangen
van de aangesloten leden voorop zullen staan. Dit betekent echter
niet dat een zangkoor dan wel een muziekvereniging nooit als ANBI
kan kwalificeren. Er zijn echter misschien gevallen denkbaar
waarbij activiteiten worden ontplooid uitsluitend gericht op de
gemeenschap. In dat soort situaties zullen deze activiteiten moeten
worden afgewogen tegen het particuliere belang van de leden van het
zangkoor of de muziekvereniging. Wat dat betreft is het bij een
zangkoor of muziekvereniging niet anders dan bij een sport- of
scoutingclub. Bij zulke activiteiten hangt het dan ook zeer van de
doelstelling en de concrete feiten en omstandigheden af hoe de
instelling wordt gekwalificeerd. De beoordeling daarvan is aan de
Belastingdienst en dit moet van geval tot geval.
Verder vragen de leden van de SGP-fractie onder verwijzing
naar de antwoorden op de kamervragen hierover (Kamerstukken II
2008/09, Aanhangsel, blz. 4793) naar de stand van zaken in het
onderzoek naar de vraag of het zoekmechanisme van de ANBI-lijst
zodanig kan worden verbeterd dat naast de statutaire benaming van
de ANBI ook een functionele werknaam kan worden vermeld op de
ANBI-lijst.
Hierover kan ik opmerken dat het onderzoek is afgerond. Ik ben
verheugd te melden dat instellingen de mogelijkheid krijgen om op
het aanvraagformulier voor de ANBI-status ook hun functionele naam
in te vullen. De bestaande ANBI’s kunnen een eventuele functionele
naam invullen op het formulier waarop ze aangeven of ze wel of niet
voldoen aan de nieuwe voorwaarden voor ANBI’s (‘Verklaring nieuwe
voorwaarden ANBI’s’). Hierdoor wordt het in de loop van 2010
mogelijk om ANBI’s onder meerdere namen op te zoeken
Vragen gesteld door de
leden van de fractie van de SP
De fractie van de SP vraagt eveneens aandacht voor de budgettaire
dekking van het wetsvoorstel. De fractie van de SP vraagt zich in
het bijzonder af of de nieuwe wetgeving wel de verwachte
opbrengsten oplevert terwijl dat niet lukte met behulp van de
besluiten uit 1993, 1995, 2000 en 2005.
Van belang is om te onderscheiden tussen wetgeving en beleid. Een
beleidsbesluit schept geen heffingsmogelijkheden, het bevat
aanwijzingen voor de praktijk en draagt de inspecteurs op hoe te
handelen. In de trustarresten van 18 november 1998 is de Hoge Raad
voorbij gegaan aan het beleid zoals was opgenomen in de vermelde
besluiten. Een wettelijk kader ontbreekt. Met de nieuwe wetgeving
is het vereiste wettelijke kader er wel. Belastingplichtigen,
inspecteurs en rechters krijgen zodoende de benodigde handvatten
hoe moet worden omgegaan met APV’s. Ik verwijs voor het overige
naar het antwoord dat gegeven is op de vraag van de fracties van
Groen Links en PVV over de budgettaire dekking.
Ook de fractie van de SP vraagt in te gaan op de reactie
van mr. Boer naar aanleiding van het advies van de parlementair
advocaat.
Ik verwijs hier naar mijn antwoord op de gelijkluidende vraag van
de PVV.
Graag een reactie op de tariefstructuur, die naar het
oordeel van de SP alleen profijt oplevert voor miljonairs.
Het door de leden van de fractie van de SP opgeroepen beeld dat
alleen grote vermogens profiteren van de nieuwe tarieven en
vrijstellingen is niet juist. Aan de ene kant worden de toptarieven
inderdaad verlaagd, maar daar staat een aanzienlijke verhoging van
de vrijstellingen tegenover. Zo wordt de huidige
drempelvrijstelling voor (klein)kinderen van € 10.323 omgezet naar
een voetvrijstelling van € 19.000. Dit heeft tot gevolg dat een
kwart van de ruim 90.000 (klein)kinderen die thans jaarlijks
successierecht moeten betalen, in het nieuwe stelsel in het geheel
buiten de erfbelasting zullen blijven. Dit betreft ruim 23.000
(klein)kinderen met kleine verkrijgingen.
In het tariefvoorstel van de leden van de fractie van de SP wordt
de vrijstelling voor(klein) kinderen verder opgetrokken naar € 60
000. Dit wordt gefinancierd door een verhoging van de toptarieven,
waarbij het toptarief voor kinderen zelfs 3%-punt hoger komt te
liggen dan het huidige toptarief van 27%. Dit komt in strijd met de
doelstelling van het kabinet om in de schenk- en erfbelasting te
komen tot een substantiële tariefverlaging
Waarom moet bij leningen in de familiesfeer minstens 6%
worden gevraagd omdat anders een schenking wordt
aangenomen?
Hier is denk ik sprake van een misverstand. Artikel 15 legt niets
in de weg aan reële leningen tussen bijvoorbeeld familieleden maar
maakt slechts een einde aan fiscale opzetjes. Leningen in de
familiesfeer met een normale afgesproken looptijd mogen een gewone
zakelijke rente dragen. Dan is er geen sprake van een schenking.
Mensen worden dus niet gedwongen buiten de familiesfeer te lenen.
Alleen voor leningen die direct opeisbaar zijn geldt een ander
regime. Als je iemand in de familiesfeer wilt bijstaan doe je dat
niet met een lening die je à la minute kunt terugvragen. Daar heeft
die persoon immers weinig aan. Een lening wordt direct opeisbaar
gemaakt uit fiscale motieven. Onder de huidige jurisprudentie kan
een dergelijke lening immers renteloos of laagrentend worden
verstrekt, zonder dat dat leidt tot een schenking. Op deze gevallen
ziet artikel 15. Bij direct opeisbare renteloze of laagrentende
leningen tussen natuurlijke personen wordt de schenking van een
vruchtgebruik van de geleende geldsom aangenomen. Dat is slechts
anders indien over de lening een rente van ten minste 6%
verschuldigd. Die 6% is namelijk het forfaitaire
rendementspercentage van een vruchtgebruik dat op dit moment overal
in de successiewet wordt gehanteerd. Een ander percentage zou
leiden tot inconsistenties binnen de wet.
Bedrijfsopvolgingsregeling
Voor een dynamisch en economisch gezond bedrijfsleven is het van
groot belang dat de overgang van een onderneming zo min mogelijk
wordt belemmerd door de fiscaliteit. Ondernemingsvermogen moet bij
een overdracht van een onderneming niet worden uitgehold. Evenmin
moet de fiscaliteit als een obstakel worden ervaren waardoor een
overdracht van een onderneming die zakelijke gezien wenselijk is,
onnodig wordt uitgesteld of zelfs niet tot stand komt. Bij een
overdracht van een onderneming waarbij geen liquiditeiten
vrijkomen, zoals bij schenking en vererving doorgaans het geval is,
moet de verschuldigde belasting in praktijksituaties doorgaans door
de verkrijger aan het ondernemingsvermogen worden ontrokken. Bij de
erfbelasting ook nog plotseling en op een onvoorspelbaar moment.
Met de verhoging van de vrijstelling worden de resterende problemen
zoals die door ondernemers worden ervaren, met name bij bedrijven
met een grote zakelijke goodwill, opgelost en kunnen de schenk- en
erfbelasting geen probleem meer vormen bij een reële
bedrijfsopvolging. Hiermee is de verhoging van de vrijstelling
gerechtvaardigd.
Ik wil benadrukken dat de achterliggende gedachte van de faciliteit
voor bedrijfsopvolging altijd is geweest om de economische
bedrijvigheid, met name in het MKB niet te belemmeren. Daarmee
wordt een algemeen sociaaleconomisch belang gediend en dat is ook
de reden waarom de faciliteit niet in strijd is met het
gelijkheidsbeginsel.
De fractie van de SP heeft voorgesteld de aanpassingen van de
ANBI-regeling en de invoering van de SBBI-regeling uit te stellen
en later, in samenhang met de recentelijk bekend gemaakte evaluatie
van de giftenaftrek, uitgebreid te behandelen.
Op dat voorstel kan ik niet ingaan. De verschillende delen van het
wetsvoorstel vormen een geheel en zijn onlosmakelijk verbonden. Zo
hangt de aanpassing van de ANBI-regeling samen met de invoering van
de APV-wetgeving en dient daarnaast als dekking van andere in het
wetsvoorstel opgenomen maatregelen. De SBBI-vrijstelling kan in de
gevallen waarin een ANBI niet aan de nieuwe voorwaarden voldoet,
maar wel als een SBBI kwalificeert de gevolgen het verlies van de
ANBI-status beperken.
Gezien het feit dat voor de schenkingen aan SBBI’s geen
giftenaftrek geldt zou een latere behandeling in verband met de
evaluatie van de giftenaftrek geen toegevoegde waarde hebben.
Vragen gesteld door de
leden van de fractie van de VVD
De fractie van de VVD vraagt eveneens aandacht voor de budgettaire
dekking van het wetsvoorstel. De VVD wijst er in het bijzonder op
dat de inbrenger, of na zijn overlijden, diens erfgenamen wel in
Nederland moeten wonen om te kunnen heffen.
Met opmerkingen van de VVD over het inwonerschap ben ik het eens:
vooral inwoners van Nederland kunnen aanlopen tegen art. 2.14a.
Maar ook niet-inwoners kunnen te maken krijgen met de onderhavige
bepaling, namelijk als het APV specifieke Nederlandse
inkomensbestanddelen bezit en Nederlands inkomen geniet ingevolge
hoofdstuk 7 van de Wet IB 2001. De niet-inwoner kan dan buitenlands
belastingplichtige zijn. Emigreert een inbrenger of na zijn
overlijden een erfgenaam dan wordt deze belastingplichtige op deze
wijze behandeld als iedere andere persoon die Nederland verlaat. De
emigrant heeft bijvoorbeeld te maken met de 10-jaars
woonplaatsfictie van art. 3 Successiewet 1956 en krijgt een
conserverende aanslag op de voet van art. 4.16 Wet IB 2001 opgelegd
als een aanmerkelijk belang van het APV aan hem wordt toegerekend.
Voor het overige verwijs ik verwijs naar het antwoord dat gegeven
is op de vraag van de fracties van Groen Links, PVV en SP over de
budgettaire dekking.
Brief defiscalisering
De VVD-fractie heeft gevraagd naar de brief over de defiscalisering
in de Wet Inkomstenbelasting 2001 van vorderingen en schulden die
zijn ontstaan krachtens erfrecht. Ik heb die brief toegezegd voor
eind 2009 begin 2010. Ik zal echter mijn uiterste best doen om de
brief al dit jaar naar de Kamer te zenden.
Overgangsrecht samenwoners
Aantal samenwoners zonder contract
In het wetsvoorstel is voorzien in een overgangsperiode van twee
jaar voor samenwoners zonder contract. Met betrekking tot de
schatting van het aantal samenwoners zonder contract kan ik slechts
constateren dat onze inschattingen hierover uiteenlopen.
Is het mogelijk de aanpassing van de ANBI-regeling wat het
90%-criterium en de invoering van de SBBI-vrijstelling uit te
stellen, eerst uitgebreid discussie te voeren met de
belangenorganisaties en dan pas apart te behandelen?
Het is niet mogelijk de aanpassing van de ANBI-regeling en de
invoering van de SBBI-vrijstelling in dit stadium uit het
wetsvoorstel te halen. De verschillenden elementen van het
wetsvoorstel vormen een geheel en zijn onlosmakelijk met elkaar
verbonden. Zo hangt de aanpassing van de ANBI-regeling samen met de
invoering van de APV-wetgeving en dient daarnaast als dekking van
andere in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen. De
SBBI-vrijstelling kan weer in de gevallen waarin een ANBI niet aan
de nieuwe voorwaarden voldoet, maar wel als een SBBI kwalificeert
de gevolgen van het verlies van de ANBI-status beperken.
Kan een reactie gegeven worden op de stelling dat de nieuwe
ANBI-regeling tot veel rechtsonzekerheid bij ANBI’s leidt?
Al eerder heb ik aangegeven dat alle bestaande ANBI’s verzocht zal
worden te verklaren of ze aan de nieuwe voorwaarden voldoet met een
ja of nee. Als een instelling twijfelt, dan kan altijd overleg
worden gepleegd met de Belastingdienst. Als de instelling verklaart
dat aan de voorwaarden voldaan wordt, dan wordt de ANBI-status
gecontinueerd en blijft de instelling in het ANBI-register vermeld
staan. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan of als er geen
verklaring wordt afgegeven, dan wordt de ANBI-status bij
beschikking ingetrokken en zal de instelling uit het ANBI-register
geschrapt worden. Schenkers die een gift aan een ANBI willen doen,
kunnen ervan uitgaan dat de in het register vermelde instellingen
als ANBI kwalificeren. Mocht er achteraf ANBI-status met
terugwerkende kracht worden ingetrokken, dan wordt de eventuele
giftenaftrek bij de schenker slechts teruggevorderd, als de
schenker te kwade trouw was. Voor de schenkers biedt de
ANBI-register dus een grote mate van zekerheid over de toepassing
van de fiscale faciliteiten die voor ANBI’s gelden. ANBI’s kunnen
die zekerheid verkrijgen door overleg met de Belastingdienst.
Dienen nu al opengevallen testamenten niet te worden
behandeld naar het recht van het tijdstip van openvallen van de
betreffende nalatenschap en dient niet iets soortgelijks te gelden
voor rechtshandelingen die aangegaan zijn onder het regime van de
resolutie van 30 november 1964?
Deze vragen inzake de verdeling van nalatenschappen die reeds zijn
opengevallen voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel en de
rechtshandelingen die zijn aangegaan op een moment dat de resolutie
van 30 november 1964 gold, haken aan bij de vragen die de
PVV-fractie heeft gesteld. Kortheidshalve verwijs ik voor de
antwoorden naar hetgeen ik daar heb opgemerkt.
Vragen gesteld door de
leden van de fractie van de PvdA
De PvdA kan zich vinden in de aanpak van zwevende
vermogens. Er worden met betrekking tot APV’s nog twee vragen
gesteld.
Kan worden ingegaan op de reactie van mr. Boer naar aanleiding van
het advies van de parlementair advocaat?
Ik verwijs hier naar mijn antwoord op de gelijkluidende vraag van
de SP en de PVV.
De fractie van de PvdA vraagt om een rapportage van de
resultaten van de nieuwe wetgeving voor APV’s.
Zoals reeds eerder door mij is toegezegd zal ik de Kamer op de
hoogte brengen van de resultaten van de APV-wetgeving. Ik vind het
zelf ook van groot belang om de resultaten van deze wetgeving
helder in beeld te hebben. De aangiftebiljetten inkomstenbelasting
en schenk- en erfbelasting zal ik zo inrichten dat goede
(bestuurlijke) informatie wordt verkregen. Ik verwacht dat een
periodieke rapportage op z’n vroegst kan plaatsvinden eind 2011
begin 2012. Dan zijn de meeste aangifte inkomstenbelasting 2010
binnen. De Belastingdienst houdt al jaren de opgespoorde APV’s bij
en zal APV’s blijven bijhouden. Daartoe is al een speciale
computerapplicatie ontwikkeld. Er geldt vanzelfsprekend wel een
geheimhoudingsplicht hetgeen betekent dat niet op individueel
niveau gerapporteerd kan worden. Overigens merk ik uitdrukkelijk op
dat het succes van een nieuwe wettelijke regeling niet alleen kan
worden afgeleid van het aantal gedetecteerde APV’s. De wetgeving
beoogt immers ook een halt toe te roepen aan het oprichten van
nieuwe APV’s. We zullen dus naar verwachting steeds minder nieuwe
APV’s zien in de toekomst omdat ze fiscaal niet meer aantrekkelijk
zijn. Dit zal betekenen dat vermogen dat anders in APV’s wordt
ingebracht voortaan rechtstreeks in box 1, 2 of 3 wordt belast.
Kan de staatssecretaris ingaan op de vele onduidelijkheden
die er met betrekking tot artikel 10 zijn blijven bestaan, mede met
het oog op het voorkomen van mogelijke rechtszaken?
Inzake artikel 10 heb ik reeds het nodige opgemerkt, ik verwijs
kortheidshalve naar het antwoord dat ik op een soortgelijke vraag
van de CDA-fractie heb gegeven.
Kan een verdeling van de lasten van de voorstellen tussen
gezinnen en bedrijven gegeven worden?
Met name vragen zij zich af of bedrijven beter af zijn dan
gezinnen. Op deze vragen kan ik antwoorden dat de voorstellen voor
bedrijven en gezinnen ongeveer neutraal uitpakken. Aan de
bestedingskant van de voorstellen is € 35 miljoen specifiek gericht
op ondernemers in de vorm van verruiming van de
bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Daar staat tegenover dat aan de
financieringskant van de voorstellen ongeveer datzelfde bedrag
specifiek neerslaat bij ondernemers (box-2-heffing over APV’s).
Bedrijfsopvolgingsregeling
Voor een dynamisch en economisch gezond bedrijfsleven is het van
groot belang dat de overgang van een onderneming zo min mogelijk
wordt belemmerd door de fiscaliteit. Ondernemingsvermogen moet bij
een overdracht van een onderneming niet worden uitgehold. Evenmin
moet de fiscaliteit als een obstakel worden ervaren waardoor een
overdracht van een onderneming die zakelijke gezien wenselijk is,
onnodig wordt uitgesteld of zelfs niet tot stand komt. Bij een
overdracht van een onderneming waarbij geen liquiditeiten
vrijkomen, zoals bij schenking en vererving doorgaans het geval is,
moet de verschuldigde belasting in praktijksituaties doorgaans door
de verkrijger aan het ondernemingsvermogen worden ontrokken. Bij de
erfbelasting ook nog plotseling en op een onvoorspelbaar moment.
Met de verhoging van de vrijstelling worden de resterende problemen
zoals die door ondernemers worden ervaren, met name bij bedrijven
met een grote zakelijke goodwill, opgelost en kunnen de schenk- en
erfbelasting geen probleem meer vormen bij een reële
bedrijfsopvolging. Hiermee is de verhoging van de vrijstelling
gerechtvaardigd.
Ik wil benadrukken dat de achterliggende gedachte van de
bedrijfsopvolgingsregeling altijd is geweest om de economische
bedrijvigheid, met name in het MKB niet te belemmeren. Daarmee
wordt een algemeen sociaal-economisch belang gediend en dat is ook
de reden waarom de faciliteit niet in strijd is met het
gelijkheidsbeginsel.
ANBI en
SBBI
Op verzoek van de fractie van de PvdA kan ik toezeggen dat ik met
de ANBI- en SBBI-sector evaluerend overleg zal voeren over de
invoering en uitvoering van de nieuwe ANBI- en SBBI-regeling.
Kan inzicht worden gegeven in de afbakening van de
begrippen algemeen nut en sociaal belang?
De activiteiten van ANBI's zijn ten algemene nutte, dat wil
zeggen dat er op geen enkele wijze een privé belang van de
bestuurders of uitvoerders gediend. Hoewel de wettekst alle
rechtsvormen toelaat om te voorkomen dat bij een verkeerde keuze de
faciliteit niet van toepassing zou zijn, is de stichting evenwel de
meest geëigende rechtsvorm.
De activiteiten die binnen de SBBI worden uitgeoefend, zijn primair
ten behoeve van de leden. Het gaat daarbij overwegend om een
particulier of een privé belang. Omdat door het uitvoeren van die
activiteiten de deelnemers worden geactiveerd tot deelname aan
vanuit maatschappelijk oogpunt gezien waardevolle activiteiten, is
er sprake van een sociaal belang. De vereniging is de meest voor de
hand liggende rechtsvorm. Ook hier laat de wettekst echter elke
rechtsvorm toe om te voorkomen dat door de keuze van de “verkeerde”
rechtsvorm de faciliteit niet van toepassing zou zijn.
Vragen gesteld door de
leden van de fractie van D66
De fractie van D66 verzoekt om een rapportage van de resultaten van
de nieuwe wetgeving voor APV’s.
Ik verwijs hier naar mijn antwoord op de gelijkluidende vraag van
de PvdA.
Kan er een evaluatie komen op korte termijn over de herziene
regeling van de vrijstelling voor de ANBI?
Ik heb in antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de
CDA-fractie bereid te zijn met de ANBI- en SBBI-sector evaluerend
overleg te voeren over de invoering van de nieuwe ANBI-regeling en
over de SBBI-regeling.
Is de Staatssecretaris bereid een overgangsregeling te
treffen voor de periodieke giften aan ANBI’s die niet aan de nieuwe
voorwaarden voldoen?
Voor de periodieke giften wordt geen overgangsregeling getroffen.
Het uitgangspunt is dat de meeste ANBI’s hun ANBI-status zullen
behouden, waardoor het vervallen van de giftenaftrek niet vaak zal
voorkomen. Volledigheidshalve merk ik op dat de aftrek van de
giften gedaan in de periode waarin een instelling nog wel
aangemerkt werd als ANBI uiteraard van toepassing blijft en niet
wordt teruggevorderd. Voor de periodieke giften gedaan in de
periode waarin een instelling op dat moment nog wel aangemerkt werd
als ANBI, maar waarin achteraf met terugwerkende kracht de
ANBI-status is ingetrokken, geldt dat de in aftrek gebrachte
periodieke gift bij de schenker alleen wordt nagevorderd, als bij
de schenker sprake is geweest van kwade trouw.
Daarnaast geldt dat periodieke giften aan ANBI’s die hun
ANBI-status verliezen, maar die de vorm van een niet aan de
vennootschapsbelasting onderworpen vereniging met ten minste 25
leden hebben nog steeds in aanmerking komen voor de giftenaftrek.
Hoogachtend,
De Staatssecretaris van Financiën
mr. drs. J.C. de Jager
[1] Mogelijk dat deze gevallen ook onder de werking van het
huidige artikel 10 vallen, aangezien de turbotestamenten dit ook
doen. Dit kan anders blijken te zijn, omdat sprake is van een
samenstel van rechtshandelingen.
[2] De rechtbank Haarlem heeft op 11 juni 2009 geoordeeld dat in
deze situatie geen sprake is van artikel 10 (LJB B17558) aangezien
de langstlevende ouder niet bij de rechtshandeling was betrokken.
Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep
aangetekend.
[3] Vakstudie Nieuws 21 oktober 2009, 2009/50.5.
[4] Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en
inzake de erkenning van trusts, ’s-Gravenhage 1 juli 1985, Trb.
1985, 141.
[5] HR 6 december 2002, nr. 36 773, BNB 2003/285.
Brief |
29-10-2009
|
PDF bestand, 126 Kb