U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Kamerstukken
Wetsvoorstel Douane- en Accijns BES eilanden
Nader rapport |
29-10-2009 |
Douane, Invoerbelastingen, Accijns en verbruiksbelasting
Aan de Koningin
Betreft: Nader rapport betreffende het voorstel van wet ter
vaststelling van de Wet Douane- en Accijnswet BES (Douane- en
Accijnswet BES)
Ons kenmerk: AFP/2009/484 U
Uw brief (kenmerk): W06.09.0160/III/B
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 26 mei
2009, nr. 09.001414, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn
advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan
mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 20 augustus, nr. W06.09.0160/III/B, bied ik
U, mede namens de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, hierbij aan.
Naar aanleiding van het advies merk ik het volgende op.
1. Algemene aspecten van het nieuwe belastingstelsel
In reactie hierop wijst de regering op het nader rapport naar
aanleiding van het advies, gedateerd 20 augustus, nr.
W06.09.0159/III/B, inzake het voorstel van wet ter vaststelling van
de Belastingwet BES.
2. Invoerrechten
Het voorliggende ontwerp voor de Douane- en Accijnswet BES is mede
ingegeven door het feit dat de douane in de dagelijkse praktijk
geconfronteerd wordt met een cumulatie van zowel fiscale als
niet-fiscale taken.
In Hoofdstuk III van het voorliggend ontwerp voor de Douane- en
Accijnswet BES is het materieel deel van het douanerecht
vastgelegd. Hoewel het tarief op nihil wordt gesteld, is niet uit
te sluiten dat daar op termijn anders over wordt gedacht. De
onderdelen die in voornoemd Hoofdstuk III zijn opgenomen, met name
de Algemene bepalingen, de douanewaarde en vrijstellingen van
invoerrechten, vormen een onlosmakelijk geheel. De regering geeft
er de voorkeur aan om die onderdelen, mede ter wille van de
bruikbaarheid in de praktijk, bij elkaar te houden. Opneming van de
omvangrijke titel 2, Douanewaarde, in de Algemene
bestedingsbelasting bevordert wellicht ook niet het overzicht over
de heffingsbepalingen van die belasting.
Het geheel overziende heeft de regering besloten Hoofdstuk III te
handhaven. Wel zijn de opmerkingen inzake de toelichting ter harte
genomen en verwerkt in de memorie van toelichting. Daarbij dient te
worden opgemerkt dat de indeling van goederen in het
geharmoniseerde systeem en de douanewaarde niet slechts van belang
zijn voor de toepassing van normale tariefmaatregelen, maar tevens
voor andere dan tariefmaatregelen voor het goederenverkeer, waarbij
gebruik wordt gemaakt van de naamlijst van goederen. Hierbij wordt
gedacht aan maatregelen in de niet-fiscale sfeer die
gerechtvaardigd zijn uit hoofde van ondermeer de bescherming van de
openbare zedelijkheid, openbare orde, openbare veiligheid, de
gezondheid en het leven van personen en dieren. De douanewaarde
speelt niet alleen een rol bij de berekening van invoerrechten,
maar is tevens van belang voor de beantwoording van de vraag of een
vrijstelling waarbij een waardegrens is vastgesteld voor de in te
voeren goederen, al dan niet kan worden toegepast. Enkele
voorbeelden hiervan zijn de artikelen 3.41 en 3.43 van het
wetsvoorstel die voorzien in vrijstelling van invoerrechten voor
zendingen met een te verwaarlozen waarde, respectievelijk voor door
particulieren aan particulieren gerichte zendingen.
3. Accijnzen
Accijnsheffing over alcohol en tabak zou een doorbreking betekenen
van de in de Slotverklaring van de Miniconferentie van 10 en 11
oktober 2006[1] beschreven ‘free port’ status van Saba en
Sint Eustatius. Deze thans bestaande ‘free port’ status vindt haar
oorzaak voornamelijk in de (economische) verbondenheid met Sint
Maarten (een tax en duty free toeristen bestemming) en poogt
daarnaast een positieve impuls te geven aan de economieën van Saba
en Sint Eustatius. Opheffing ervan is om drie redenen niet
wenselijk. Allereerst is Bonaire primair gericht op en economisch
afhankelijk van Curaçao, waar accijns op deze producten wordt
geheven, terwijl Sint Eustatius en Saba gericht zijn op Sint
Maarten, waar deze accijns niet wordt geheven. Daar komt bij dat de
economieën van Sint Eustatius en Saba, gezien de bescheiden omvang
van de bevolking en bedrijvigheid, een bescheiden output kennen.
Ten slotte moet rekenschap worden gegeven van het feit dat beide
bovenwindse eilanden ongeveer 900 kilometer ten noorden van Bonaire
liggen waardoor alleen al vanwege deze geografische omstandigheid
een hoge mate van onderlinge economische activiteiten niet voor de
hand ligt. Hoewel deze drie eilanden staatkundig in dezelfde
positie verkeren en tot hetzelfde land behoren (nu: Nederlandse
Antillen, en straks: Nederland), staan Bonaire, Sint Eustatius en
Saba economisch gezien vrijwel los van elkaar. De huidige situatie
kan dan ook worden gecontinueerd zonder in strijd te komen met het
gelijkheidsbeginsel. Saba en Sint Eustatius kunnen dan ook
vooralsnog hun ‘free port’ status voor de accijnzen (met
uitzondering van een accijns op benzine) behouden, terwijl op
Bonaire wel accijnzen worden geheven.
4. Verwijzing naar de Belastingwet BES
De Raad adviseert opnieuw te bezien welke bepalingen van de
Belastingwet BES ook van toepassing dienen te zijn voor de Douane-
en Accijnswet BES. Een verwijzing naar de artikelen 1.1, tweede
lid, en 1.4 Belastingwet BES wordt niet opgenomen. In de
Belastingwet BES is na het advies van de Raad bij dit voorstel
artikel 1.1, tweede lid geschrapt en artikel 1.4 verplaatst naar
hoofdstuk VIII, waar de Douane- en Accijnswet BES reeds naar
verwijst. Een verwijzing is dus niet meer nodig. Wel wordt naar
aanleiding van het advies van de Raad titel 5 (oud) van hoofdstuk
VIII niet langer uitgesloten van overeenkomstige toepassing op de
accijnsheffing, zodat de strafbaarheid van onder andere het niet
doen van aangifte in het binnenlands verkeer geregeld is.
5. Artikelsgewijze toelichting
Conform het advies van de Raad is de artikelsgewijze toelichting
aangepast. Om te bereiken dat er een zelfdragende toelichting
ontstaat is de artikelsgewijze toelichting nu volledig
uitgeschreven. Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om
een aantal artikelen nog wat gedetailleerder toe te lichten.
6. Redactionele kanttekening
De redactionele kanttekening van de Raad die ziet op het opschrift
en op artikel 2.32, derde lid van de Douane- en Accijnswet BES, is
gevolgd.
Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal
redactionele en technische verbeteringen in het wetsvoorstel en in
de memorie van toelichting aan te brengen. Zo is in het
wetsvoorstel in artikel 1.1 de definitie van Onze Minister
geschrapt en is “ministeriële regeling” vervangen door: regeling
van Onze Minister van Financiën. Het algemeen deel van de memorie
van toelichting is redactioneel aangepast en gestroomlijnd.
Ik moge U verzoeken het hierbij gewijzigde voorstel van wet en de
gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager
[1] Bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 30 800 IV, nr. 5
Meer informatie