U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500EA DEN HAAG
Ons kenmerk: DB/2009/653 M
Betreft: beantwoording vragen gesteld in het plenair debat over wetsvoorstel 31930 op 28 oktober 2009
Geachte voorzitter,
Tijdens het plenair debat van afgelopen donderdag inzake het
voorstel van wet tot herziening van de Successiewet 1956 enz.
(31930) heb ik de Kamer een brief toegezegd waarin ik nader zal
ingaan op een aantal punten die in dat debat aan de orde zijn
gesteld.
Van de gelegenheid maak ik gebruik om, naast de toegezegde reacties
inzake de amendementen ingediend op stukken nr. 75 (voorheen 50),
nr. 55 en nr. 68, ook mijn reactie te geven op een amendement
waarvoor op mijn departement een verzoek is gekomen voor technische
bijstand bij het opstellen ervan. Dit voorgenomen amendement is zo
fraudegevoelig en daardoor onuitvoerbaar, dat ik daarover mijn
mening wil uitspreken ook zonder dat dit amendement is
ingediend.
Er is een motie ingediend over de SBBI’s, met het verzoek in
overleg met het veld de mogelijkheden te onderzoeken voor een
register waarmee zekerheid vooraf kan worden geboden aan de
schenker c.q. erflater en een verzoek om met nadere voorstellen te
komen ter ondersteuning en facilitering van de SBBI’s.
Met betrekking tot het eerste deel heb ik al gezegd bereid te zijn
om een veldonderzoek te doen naar de mogelijkheden en de
modaliteiten. Het opstellen van een register zoals ook van ANBI’s
is geïmplementeerd door de Belastingdienst moet echter uitgesloten
worden geacht. Ook het tweede deel van de motie spreekt mij wel
aan, zij het dat veel van de in het debat genoemde onderwerpen niet
tot mijn beleidsterrein behoren. Die kan ik echter doorgeleiden
naar mijn collega’s.
In het debat is van de zijde van de CDA-fractie de vraag
opgeworpen of de rentebepaling in artikel 7 in plaats van
enkelvoudig niet samengesteld zou moeten zijn. Het gaat hier om de
rente die de belastingplichtige die belast wordt voor een fictieve
verkrijging, in mindering kan brengen over wat in dat kader van hem
eerder werd bedongen en over de overdrachts- en schenkbelasting die
is voldaan ter zake van wat door de fictiebepaling wordt belast.
Hetgeen eerder werd bedongen noem ik hierna verder, naar gangbare
praktijk, het opgeofferde bedrag.
Het lijkt mij allereerst juist om te vermelden dat het aantal
situaties waarbij een fictieve verkrijger in aanmerking komt voor
een rentevergoeding in het wetsvoorstel, ten opzichte van de
huidige Successiewet 1956 aanzienlijk is uitgebreid. Onder de
huidige wet geldt alleen een rentevergoeding indien sprake is van
een fictieve verkrijging ex artikel 10. De rentevergoeding die nu
nog alleen ziet op het opgeofferde bedrag binnen artikel 10, wordt
in het voorstel uitgebreid tot:
- alle opgeofferde bedragen bij ficties, en
- de eerder ter zake van die verkrijging geheven overdrachts- en
schenkbelasting.
Over de gehele linie is aangesloten bij een enkelvoudig
rentepercentage van 6.
Met vergoeden van rente over het opgeofferde bedrag bij alle
fictieve erfrechtelijke verkrijgingen, en niet alleen bij artikel
10, neemt het voorstel een bestaande onevenwichtigheid weg. Dit is
zo ongeacht of de rente enkelvoudig dan wel samengesteld wordt
berekend. Het wetsvoorstel zorgt op deze manier voor een gelijke
behandeling tussen de verkrijgers van de diverse fictieve
verkrijgingen. Dit is een belangrijke uitbreiding ten gunste van de
belastingplichtigen ten opzichte van de huidige wet.
Verrekening belasting
In mijn brief aan uw Kamer voorafgaand aan het plenair debat van 28
oktober jl. heb ik aangegeven dat voor de enkelvoudige rente over
de eerder betaalde belasting is aangesloten bij de regelingen zoals
die nu bestaan voor de heffingrente en voor het tienjarig uitstel
voor de conserverende aanslag schenk- of erfbelasting in het kader
van de bedrijfsopvolgingsregeling. Invorderingsrente wordt eveneens
enkelvoudig berekend, ook als sprake is van één lange rentetermijn
van bijvoorbeeld tien jaar. Ik verwijs naar artikel 30f van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 28, tweede en
vijfde lid van de Invorderingswet 1990. Het verrekenen van
overdrachts- en schenkbelasting bij toepassing van de
fictiebepalingen in de Successiewet 1956, waarbij ook een
enkelvoudige rente wordt berekend, sluit dus aan bij hetgeen
gebruikelijk is ter zake van het betalen van belasting tussen
burgers en overheid. De rentevergoeding van het voorgestelde
artikel 7 Successiewet 1956 heeft ook het karakter van het
vergoeden van heffingsrente. Ik zie daarom geen aanleiding om voor
dit specifieke geval te rekenen met een samengestelde interest.
Opgeofferd bedrag
Indien sprake is van een fictieve verkrijging waarvoor de
verkrijger tijdens zijn leven een bedrag heeft opgeofferd, mag dit
opgeofferde bedrag in mindering worden gebracht op deze fictieve
verkrijging. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de verkoop
van een woning onder voorbehoud van vruchtgebruik aan een kind. Bij
het overlijden van de ouder wordt dit pand fictief verkregen door
het kind, onder aftrek van hetgeen het kind daarvoor reeds heeft
betaald. Over het opgeofferde bedrag mag dan een rente van 6% in
aanmerking worden genomen. Om geen onderscheid te creëren tussen
situaties waarbij het kind wel of niet iets voor de fictieve
verkrijging heeft opgeofferd, moet deze rentevergoeding enkelvoudig
worden berekend. Indien het kind namelijk niets heeft hoeven te
betalen voor de verkrijging van de blote eigendom, was het kind
over de bevoordeling schenkbelasting verschuldigd. In een dergelijk
geval kan de schenkbelasting worden verrekend met de ter zake van
de fictieve verkrijging verschuldigde erfbelasting. Hiervoor heb ik
reeds aangegeven waarom de rentevergoeding over deze verschuldigde
schenkbelasting terecht enkelvoudig wordt berekend. Wanneer nu over
het opgeofferde bedrag een samengestelde rente en over de
schenkbelasting (bij ontbreken van een opoffering( een enkelvoudige
rente wordt vergoed, ontstaat een scheve situatie. Anders gezegd:
het kan niet zo zijn, dat in geval van een eerdere overdracht om
baat, de rentevergoeding samengesteld moet zijn als de
rentevergoeding over eerdere schenkbelasting enkelvoudig is. Dit
nog los van het feit dat het hanteren van twee systemen voor
renteberekening binnen artikel 7 geheel haaks staat op doelstelling
de Successiewet 1956 eenvoudiger en toegankelijker te maken.
Wettelijk erfrecht
Indien van een echtpaar met kinderen een van de echtgenoten
overlijdt zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben
beschikt, is de wettelijke verdeling van toepassing. In dat geval
verblijven alle goederen van rechtswege aan de langstlevende
echtgenoot, die aan de kinderen hun erfdelen in geld schuldig is.
Deze overbedelingsschulden behoeft de langstlevende echtgenoot bij
leven niet te voldoen. Artikel 4: 13 Burgerlijk Wetboek voorziet
daarbij in een rentevergoeding op deze schuld aan de kinderen, maar
alleen voor zover de wettelijke rente meer bedraagt dan 6%. Als op
grond van deze bepaling uit het Burgerlijk Wetboek rente moet
worden vergoed, dan wordt deze rente enkelvoudig berekend. Binnen
het regime van het wettelijke erfrecht, en dat is bij de
erfbelasting het natuurlijke referentiekader, geldt derhalve dat
een eventuele rente enkelvoudig wordt vergoed.
Samenvattend: de opzet van het voorgestelde artikel 7 en de keuze daarbij voor een enkelvoudige rentevergoeding is logisch en sluit beter bij aanpalende wetgeving aan dan een berekening uitgaande van samengestelde rente.
De leden van de CDA-fractie stellen tijdens het plenaire overleg nogmaals de vraag waarom er niet wordt voorzien in overgangsrecht voor artikel 9 met betrekking tot testamenten waarin een enkelvoudige rente is bepaald. In 90% van de gevallen is volgens de leden van de CDA-fractie gerekend met deze rente. De leden vragen waarom niet wordt voorzien in een tegemoetkoming voor kinderen die in geval van vooroverlijden van de langstlevende ineens veel meer erfbelasting moeten betalen.
Situatieschets
Bij de beantwoording van de vraag van de CDA-fractie ga ik uit van
de volgende situatie, die in de praktijk veelvuldig voorkomt. In
het testament van de eerststervende echtgenoot staat dat alle
goederen van de nalatenschap naar de langstlevende echtgenoot gaan
en deze wegens overbedeling de erfdelen van de kinderen aan hen
schuldig blijft in geld. Deze overbedelingsschuld is eerst
opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende. Dat geldt ook
voor de rente op die schuld. Een enkelvoudige rente werd vooral
opgenomen in testamenten die zijn opgemaakt vóór 2001. Doorgaans
werd dan overigens een gewone enkelvoudige rente overeengekomen. Er
zijn echter gevallen waarin de rente werd beschreven als een
enkelvoudige rente die gelijk is aan 6% samengestelde rente
uitgaande van de statistische levensverwachting van de
langstlevende echtgenoot ten tijde van het overlijden van de
eerststervende. Van die situatie ga ik hier uit. Ten aanzien van
deze clausule wijs ik allereerst op het risico voor een debiteur om
te rekenen met een enkelvoudige rente die zo groot is dat de rente
bij een standaardlevensverwachting overeenkomt met samengesteld 6%.
Stel dat op het moment van overlijden van een vader moeder een
statische levensverwachting van nog 40 jaar heeft. Dit betekent dat
gerekend moet worden met een rekenrente van 23,2% enkelvoudig om te
komen tot een rente die dezelfde omvang heeft als een samengestelde
interest van 6%, indien moeder minimaal zo oud wordt als wordt
verwacht op de overlijdensdatum van vader. De kans dat de moeder
eerder overlijdt dan statistisch voorzien en dus dat een heel hoge
rente vergoed moet worden, is aanwezig. In ‘normale’ zakelijke
verhoudingen plegen dit soort renteafspraken dan ook niet te worden
gemaakt. Indien moeder bijvoorbeeld twee jaar na vader zou
overlijden, en de overbedelingsschuld € 1 000 000 zou bedragen, dan
zou de rente die moeder aan de kinderen verschuldigd is € 460 000
bedragen. Bij een samengestelde rente van 6% zou de rente € 126 000
bedragen. Een dergelijk risico wordt in normale marktverhoudingen
niet snel genomen, als het al genomen wordt. Weliswaar bestaat bij
de debiteur met het hanteren van een enkelvoudige rente de
mogelijkheid om een voordeel te halen ten opzichte van het hanteren
van een 6% samengestelde rente, namelijk als hij langer leeft dan
zijn statistische levensverwachting, maar het risico van nadeel in
geval van vooroverlijden is erg groot. In een familiesituatie kan
het risico van vooroverlijden echter wel gedragen worden. Immers de
renteschuld bestaat gedurende het leven van moeder alleen op papier
en als moeder overlijdt, verenigen schuldeiser (kind) en
schuldenaar (kind) zich. Met andere woorden: het risico van
vermogensafname door vooroverlijden is de facto niet aanwezig en
leidt tot een fiscaal voordeel omdat de kinderen minder
erfbelasting verschuldigd zijn. Het risico van langer leven leidt
bij de kinderen ook niet tot een nadeel in de omvang van het
vermogen dat zij uiteindelijk verkrijgen, omdat de minder
verschuldigde rente door moeder ertoe leidt dat haar vermogen
groter is. Wel leidt dit tot een nadeel voor de erfbelasting, omdat
van het vermogen van moeder minder in de vorm van, voor de
erfbelasting onbelaste, rente wordt ontvangen en meer als belaste
verkrijging.
Testamentenpraktijk
De hiervoor beschreven renteclausule komt nog steeds, en eigenlijk
steeds vaker, voor in testamenten. Ook in testamenten die zijn
opgemaakt na de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 komen
deze clausules voor. Ik vind het opvallend dat ook nu nog met deze
renteclausule wordt gewerkt. Onder de Wet op de inkomstenbelasting
1964 kon de renteclausule nog gemotiveerd worden met de gedachte
dat de kinderen bij een samengestelde rente jaarlijks
inkomstenbelasting over die rente zouden moeten betalen. Dit
berustte op de misvatting dat door het rentedragend worden van de
rente, de rente jaarlijks zou zijn genoten in de zin van artikel 33
Wet op de inkomstenbelasting 1964, ondanks dat er sprake is van één
lange rentetermijn. Iedere beschikkingsmacht van de kinderen over
de rente ontbreekt, zodat niet kon worden gesproken van
rentedragendheid in de zin van artikel 33 Wet op de
inkomstenbelasting 1964. De samengesteldheid van de rente dient bij
één lange rentetermijn slechts als, een overigens gebruikelijke,
rekeneenheid. Dat de rentedragendheid in een dergelijk geval niet
tot het genieten van rente leidt onder de Wet op op de
inkomstenbelasting 1964, is ook reeds in 1992 als standpunt naar
buiten gebracht (Mededeling Directie Particulieren, V-N 1992/1161,
pt. 13 en Infobulletin 92/205). Nu ook na de invoering van de Wet
inkomstenbelasting 2001 nog gebruik wordt gemaakt van dit soort
clausules, terwijl het vermeende argument daartoe niet langer
aanwezig is, is de conclusie gerechtvaardigd dat met de clausule
een voordeel voor de erfbelasting wordt beoogd. Ik word gesterkt in
deze conclusie, omdat er ook meer ‘verfijnde’ clausules voorkomen.
Deze verfijnde clausules bepalen dat tot de statistische
overlijdensdatum wordt gerekend met een enkelvoudige rente en
daarna met een 6% samengestelde rente. Het doel van deze clausule
is om het nadeel voor de kinderen voor de erfbelasting te
voorkomen, indien de langstlevende langer leeft dan zijn
statistische levensverwachting, terwijl het fiscale voordeel dat
wordt behaald met het vooroverlijden van de langstlevende, wel
wordt bereikt. Het zal duidelijk zijn dat voor deze situaties
artikel 9 toegepast dient te worden. Hier is de fictiebepaling
juist voor geschreven. Ook komt het steeds regelmatiger voor dat de
kinderen en de langstlevende de gelegenheid wordt gegeven om op de
sterfdatum van de eerstoverledene de gewenste rekenrente te kiezen.
Dit leidt ertoe dat de erfgenamen ten tijde van het overlijden van
de eerstoverledene kunnen kiezen of zij met enkelvoudige dan wel
met samengestelde rente gaan rekenen, een en ander afhankelijk van
de werkelijke ingeschatte levensduur van de langstlevende ten
opzichte van de statistische levensduur. De Belastingdienst is
zelfs renteafspraken tegengekomen op het moment dat de
langstlevende inmiddels al overleden was. De erfgenamen van de
langstlevende kunnen dan, namens de langstlevende en namens
zichzelf, de rente op een hoog enkelvoudig percentage stellen,
wetende dat de langstlevende inmiddels al is overleden.
Geen dubbele belasting
Verder wijs ik erop dat de vordering van de kinderen die zij ten
tijde van het eerste overlijden op de langstlevende hebben
verkregen, in de hier beschreven situatie is gewaardeerd rekening
houdend met een samengestelde interest van 6%. De vordering is dus
nominaal gewaardeerd. In geval echter van overlijden binnen de
statistisch verwachte periode, is deze waardering, achteraf bezien,
te laag geweest. De vordering blijkt immers een veel hogere
(enkelvoudige) rente te dragen, dan overeenkomt met een
samengestelde rente met de feitelijke levensduur van de
langstlevende. Door invoering en toepassing van artikel 9 wordt er
dus geen belasting geheven bij het overlijden van de langstlevende,
over een bedrag waarover al erfbelasting is geheven bij het
overlijden van de eerststervende. Als dat het geval zou zijn, zou
ik uiteraard hebben voorzien in overgangsrecht, omdat dan de
wetswijziging voor die gevallen niet redelijk uitpakt. Ik deel dan
ook niet de conclusie van de leden van de CDA-fractie dat door
artikel 9 de kinderen ineens meer belasting moeten gaan betalen;
veeleer wordt aangesloten bij de economische werkelijkheid en wordt
uitholling van de nalatenschap van de langstlevende voorkomen.
Tegemoetkoming oude gevallen
Wel zou gesteld kunnen worden dat artikel 9 alleen de ‘goede’
kansen (het vooroverlijden van de langstlevende) van de
belastingplichtigen corrigeert en niet de ‘slechte’ kansen (het
langer leven van de langstlevende). Hier wil ik wel aan
tegemoetkomen door een voorziening geven in die situaties waar kan
worden verondersteld dat met de clausule slechts is beoogd het
vermeende gevolg voor de inkomstenbelastingheffing te voorkomen.
Het vorenstaande leidt mij dan ook tot de volgende conclusie.
Indien de renteclausule in het testament is opgenomen vanwege de
vermeende gevolgen voor de inkomstenbelasting onder de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, dan heeft men feitelijk 6% samengesteld
afgesproken. Of in die testamenten gehandeld is vanwege de gevolgen
voor de inkomstenbelasting kan niet meer worden vastgesteld. Wel is
duidelijk dat door de mededeling van de Directie Particulieren in
1992 de angst voor de gevolgen voor de inkomstenbelasting (het
genieten van jaarlijkse rente) in ieder geval was weggenomen. Ik
wil dan ook de toezegging doen dat in gevallen van vóór 1 januari
1993, dus tot en met het jaar waarin de Belastingdienst duidelijk
kenbaar heeft gemaakt dat de rentedragendheid niet leidde tot
jaarlijkse inkomstenbelastingheffing bij de kinderen, voor op die
datum reeds opengevallen nalatenschappen, de Belastingdienst zich
op het standpunt zal stellen dat de erflater 6% samengesteld heeft
willen bepalen. Daarmee mag voor die situaties in geval van
overlijden na de statistische levensverwachting ook voor die jaren
daarna met de 6% samengestelde interest rekening worden gehouden in
plaats van met de enkelvoudige rente. Dit geldt spiegelbeeldig
uiteraard ook bij vooroverlijden. Artikel 9 blijft dus volledig
zijn werking houden. De duiding van de feiten leidt er echter toe
dat ik van mening ben dat erflater civielrechtelijk ook 6%
samengesteld heeft willen bepalen en niet meer in de gelegenheid is
geweest om zijn testament te wijzigen overeenkomstig het ingenomen
beleidsstandpunt in 1992. Ik zal dit bij beleidsbesluit vastleggen.
Voor alle andere gevallen ga ik er niet vanuit dat erflater, of de
langstlevende en de kinderen, een samengestelde interest van 6%
heeft willen afspreken, maar heeft gekozen voor de weg waarvan men
hoopte dat die fiscaal het meeste voordeel zou kunnen opleveren.
Voor die gevallen is artikel 9 geschreven en zie ik geen reden om
een tegemoetkoming te geven.
Tijdens de parlementaire behandeling is diverse malen ingegaan op de vraag of de bedrijfsopvolgingsregeling gewijzigd zou moeten worden van een verkrijgersfaciliteit in een boedelfaciliteit. Ik heb daarop aangegeven dat daartoe geen aanleiding bestaat. De eerste reden is dat een boedelfaciliteit zich niet verhoudt met een verkrijgersbelasting zoals de schenk- en erfbelasting nu eenmaal is. Ten tweede drukt op de opvolger ter zake van de verkrijging van het ondernemingsvermogen alleen de erfbelasting die hij zelf verschuldigd is. Hierdoor is geen nadere voorziening voor het voortbestaan van de onderneming nodig, dan voor de door hem verschuldigde erfbelasting. Bovendien is het in eerste instantie aan de erflater om ervoor te zorgen dat de onderbedelingsvorderingen van de niet-opvolgers uitgesteld opeisbaar zijn, zoals ook het wettelijke erfrecht de onderbedelingsvorderingen uitgesteld opeisbaar stelt. Hierdoor loopt de voortzetter geen continuïteitsgevaar ten aanzien van de verkregen onderneming. Er is in beginsel dus geen plaats voor de wetgever om voor de verkrijging van onderbedelingsvorderingen een voorziening te geven. Toch sluit de wet niet geheel de ogen voor de positie van de erfgenamen niet-opvolgers. Voor de erfbelasting op de onderbedelingsvorderingen wordt op verzoek tien jaar uitstel van betaling verleend, zodat die opvolgers ruim de tijd hebben om aan hun verplichting te voldoen. Dit lijkt mij een afdoende voorziening. Terzijde wordt nog opgemerkt, dat het feit dat door de overbedeling de vrijstelling mogelijk niet volledig benut kan worden, omdat de verkrijging van de voortzetter door de overbedelingsschulden daarvoor niet groot genoeg is, geen reden is om een boedelfaciliteit in te voeren. De faciliteit is immers niet bedoeld voor het behoud van het totale nagelaten vermogen, maar alleen voor de tot de nalatenschap behorende onderneming die wordt voortgezet door een ondernemer. Ten derde wordt bij een boedelfaciliteit een vrijstelling gegeven aan verkrijgers die geen opvolgers zijn. Hierdoor komt de mogelijke strijd met het gelijkheidsbeginsel tussen andere verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen meer naar voren.
Gezien de door de leden van de ChristenUnie-fractie tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer ingediende motie om een onderzoek te doen naar de mogelijkheid om bedrijfsopvolgingsregeling te wijzigen in een boedelfaciliteit, heb ik die leden vooralsnog niet kunnen overtuigen om daartoe niet over te gaan. Uiteraard ben ik bereid om het onderzoek waarom wordt verzocht te verrichten; mogelijk dat daaruit nieuwe inzichten voortvloeien. Een onderzoek naar de gevolgen van een boedelfaciliteit vraagt echter de nodige tijd. Wat uit een eerste vluchtige verkenning wel naar voren komt, is dat bij invoering van een boedelfaciliteit het vrijstellingspercentage naar beneden toe zal moeten worden bijgesteld. Dat een boedelfaciliteit ertoe leidt dat voor grotere bedragen een beroep op de faciliteit zal worden gedaan, is evident. Om hoeveel geld het precies zal gaan, moet nog nader worden onderzocht. Wel kan nu al worden aangegeven dat in 75 percent van de gevallen het aantal opvolgers afwijkt van het aantal erfgenamen. Hoewel in een aantal gevallen de nalatenschap ook ander vermogen zal bevatten, betekent dit dat in maximaal 75 percent van de gevallen mogelijk sprake is van een overbedeling van de opvolger. Voor zover de faciliteit door de invoering van een boedelfaciliteit benut gaan worden door niet- opvolgers, zal het vrijstellingspercentage naar evenredigheid moeten worden verminderd om de wijziging van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in een boedelfaciliteit budgettair neutraal te houden. Dit betekent tevens dat in situaties waarin het aantal opvolgers wel overeenstemt met het aantal erfgenamen, deze opvolgers erop achteruit gaan ten opzichte van het thans voorliggende wetsvoorstel.
Amendement stuk nr. 75 (voorheen 50)
Ik heb toegezegd te zullen onderzoeken of artikel 25, derde lid,
van de Invorderingswet 1990 een alternatief biedt voor het door de
heer Van Dijck ingediende amendement op stuk nr. 50 over
verkrijging blote eigendom van eigen woning en uitstel van
betaling.
Om tegemoet te komen aan het amendement over de verkrijging van de
blote eigendom van de eigen woning en uitstel van betaling van het
kamerlid Van Dijck zal ik het beleid in de Leidraad Invordering
2008 wijzigen.
Geregeld zal worden dat uitstel van betaling kan worden verleend
voor de erfbelastingschuld die samenhangt met de verkrijging van de
blote eigendom van een woning. Veelal zal het gaan om de
verkrijging van de blote eigendom door het kind wanneer een van de
ouders overlijdt en de andere ouder het vruchtgebruik van de woning
erft. De uitstelfaciliteit wordt alleen verleend indien de
belastingschuldige over onvoldoende middelen beschikt om de
belasting ineens, zonder uitstel van betaling, te kunnen voldoen.
Bij de beoordeling of de belastingschuldige de belasting ineens kan
voldoen, telt de waarde van de blote eigendom niet mee. Het uitstel
van betaling wordt beëindigd in geval van vervreemding van de blote
eigendom, in geval de woning niet langer kwalificeert als eigen
woning van de vruchtgebruiker of in geval de belastingschuldige in
staat van faillissement is verklaard of de schuldsanering
natuurlijke personen ten aanzien van hem van toepassing is.
Een aanpassing van de Leidraad Invordering 2008 is in dit geval
passend. Uitstel van betaling wordt dan verleend op grond van
artikel 25, eerste lid, van de Invorderingswet 1990. De bijzondere
uitstelfaciliteiten in artikel 25, derde lid en verder, van de
Invorderingswet 1990 zijn – grofweg – verbonden aan economische
activiteiten. Zo zijn er bijzondere uitstelfaciliteiten in artikel
25 van de Invorderingswet 1990 opgenomen voor de overdracht van een
aanmerkelijk belang, het einde van de terbeschikkingstelling van
een zaak, overdracht van een onderneming en staking van de
onderneming.
De wijziging van de Leidraad Invordering 2008 zal in werking treden
met ingang van 1 januari 2011 voor verkrijgingen die hebben
plaatsgevonden na 1 januari 2010. De automatisering bij de
Belastingdienst zal moeten worden aangepast aan deze nieuwe
betalingsfaciliteit. Eventuele verzoeken die door de ontvanger
worden ontvangen voor 1 januari 2011 zullen worden aangehouden.
Gedurende die periode vangt de invordering niet aan of wordt de
dwangvordering geschorst.
Amendement op stuk nr. 55
Amendement op stuk nr. 55
Op stuk nr. 55 is een amendement ingediend met het voorstel om
erfgenamen met een vermogensbezit met een lagere waarde dan twee
maal het heffingsvrije vermogen voor Box 3 inkomstenbelasting een
korting op de verschuldigde erfbelasting te verlenen van € 1000.
Als vermogen wordt in aanmerking genomen:
Het vermogen wordt vastgesteld naar de waarde voor de inkomstenbelasting aan het eind van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van overlijden van de erflater.
Ten aanzien van dit amendement bestaan uitvoeringsbezwaren. Ook zijn er nog onduidelijkheden.
De vaststelling van het vermogen, zoals bedoeld in het
amendement, is een omvangrijke exercitie.
De aangifte inkomstenbelasting voorafgaand aan het jaar van
overlijden hoeft overigens nog geenszins te zijn gedaan (laat staan
dat een aanslag is opgelegd), wat in het amendement wel wordt
verondersteld. De uitstelregeling biedt belastingplichtigen, zowel
particulieren als ondernemers, van geregistreerde
belastingadviseurs namelijk de mogelijkheid hun aangifte uit te
stellen tot maximaal 15 maanden. Er kan dus in een substantieel
aantal situaties niet worden gerefereerd aan de waarde voor de
inkomstenbelasting.
Daar waar de aanslag inkomstenbelasting wel al zou zijn opgelegd, is slechts van een beperkt aantal vermogensposten de waarde bekend. Deze waarden wordt overigens door de Belastingdienst niet in een apart bestand gespecificeerd geregistreerd. Wel bekend zijn de eigenwoningwaarde, verminderd met de eigenwoningschuld. Het is daarbij wel de vraag of bij de precieze bepaling van de eigenwoningschuld ook de actuele waarde van lijfrente- en spaarpolissen in het kader van de eigenwoning moeten worden betrokken. Ook het vermogen in box 3, voorzover dit hoger is dan de vrijstelling is bekend.
Specifiek inzake het vermogen in box 3 ontbreken in de systemen van de Belastingdienst gespecificeerde en gegevens over vrijgestelde vermogensbestanddelen zoals maatschappelijke beleggingen, kunst en dergelijke en vermogen beneden de vrijstelling voor box 3.
Andere complicerende factoren bij de vermogensbepaling zijn:
De aanvragers zullen de bij de Belastingdienst niet bekende waarde van de overige in het amendement aangeduide vermogensbestanddelen grotendeels moeten ontlenen aan externe gegevensleveranciers als banken, verzekeringsmaatschappijen, notarissen en taxateurs. Ook zullen zij soms gebruik moeten maken van de diensten van een belastingadviseur (“out of pocketkosten”), omdat de gevraagde gegevens niet aansluiten op de gebruikelijke belastingaangifte. De betrokkene zal soms ook zelf een schatting van een vermogensbestanddeel doen. Het moeilijkste is echter voor de aanvrager om aan te tonen dat hij een vermogensbestanddeel niet heeft. De Belastingdienst zal vervolgens moeten controleren of dit daadwerkelijk zo is.
Als gevolg van het amendement zal de huidige werkwijze bij het doen van aangifte voor de erfbelasting wijzigen. Dit heeft betrekking op de volgende punten:
Het aanvraagformulier moet handmatig worden verwerkt door de Belastingdienst. Gezien de aard van de gevraagde gevevens en de risico’s van (al dan niet onbedoeld) oneigenlijk gebruik bij het opgeven van de vermogenspositie kan niet worden gekozen voor massale verwerking. Daarbij spelen de volgende situaties:
De kosten verbonden aan een dergelijke controle van de juistheid en betrouwbaarheid van vermogensbestanddelen kunnen thans niet gedetailleerd worden bepaald, daarom wordt hier een indicatieve raming gegeven.
Structurele controlekosten Belastingdienst
Elke aanvraag zal individueel moeten worden
gecontroleerd. Indicatief kan het tijdsbeslag voor de
Belastingdienst worden geraamd op gemiddeld 2 werkdagen (16 uur)
per aanvraag. Dit brengt de structurele jaarlijkse controlekosten
voor de Belastingdienst (uitgaande van 64000 aanvragers op
jaarbasis) op 35,8 mln.
Bezwaar en beroep
Er mag voorts ervan worden uitgegaan dat gemiddeld 15%
van de gevallen per jaar leidt tot bezwaar en mogelijk beroep. Per
bezwaar zal ca. 4 uur werk door de Belastingdienst worden besteed.
Dat betekent dat de jaarlijkse structurele kosten voor bezwaar en
beroep indicatief kunnen worden geraamd op ca. 1,75 mln.
Kosten systeemaanpassing
Het erfbelastingsysteem zal voorts moeten worden
aangepast voor het berekenen van de gewijzigde aanslag. Indicatieve
raming van de eenmalige kosten van systeemaanpassing bedraagt €
0,21 mln in 2010. Doorlooptijd van de systeemaanpassing zal in
verband met de nodige test- en acceptatiewerkzaamheden ongeveer
negen maanden zijn. Dit betekent dat realisatie per 1 januari 2010
niet mogelijk is.
Uit het ter zake van het onderhavige amendement verstrekte advies van Actal blijkt dat het amendement forse administratieve lasten voor de burger, de Belastingdienst en betrokken organisaties tot gevolg heeft. Uit het advies valt af te leiden dat Actal de indicatieve ambtelijke kwantificering van circa 520 000 uren en € 12 mln out-of-pocket-kosten als minimaal beschouwt. Ter illustratie: de nu voorliggende Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 kent een administratieve lastenreductie voor burgers van ruim één miljoen uur, daarvan wordt via het amendement minimaal de helft weer teniet gedaan.
Gezien de substantiële administratieve lasten voor de burger en de extreem hoge uitvoeringskosten voor de Belastingdienst ontraad ik het amendement ten zeerste. De uitvoeringskosten voor de Belastingdienst zijn zeer hoog en disproportioneel in relatie tot het te behalen fiscale voordeel (€ 1000 bruto per geval) en de omvang van de doelgroep. Zulks nog onverlet de principiële bezwaren tegen het introduceren van een vorm van derde progressie zoals ik die al in eerdere stukken heb uiteengezet.
Amendement op stuk nr.
68
De heer Cramer heeft op stuk nummer 68 een amendement
ingediend dat dient ter vervanging van het eerder ingediende
amendement op stuk nummer 54. Het amendement strekt tot aanpassing
van artikel 10 van de Successiewet 1956. Van de Koninklijke
Notariële Beroepsorganisatie heb ik begrepen dat zij zich volledig
kunnen vinden in dit amendement. Ook ik ben van mening dat met dit
amendement tegemoet wordt gekomen aan mijn bezwaren tegen het thans
vervangen amendement en dat recht wordt gedaan aan doel en
strekking van artikel 10 Successiewet 1956. Ik sta derhalve
positief tegenover het amendement.
Amendement op stuk nr.
79
Vandaag is amendement op stuk nr. 79 ingediend ter
vervanging van het amendement op stuk nr. 53. In mijn brief van 29
oktober jl. heb ik laatstgenoemd amendement ontraden. Datzelfde
geldt voor het amendement op stuk nr. 79. Voor het geval dit
amendement desondanks wordt aangenomen, heb ik de behoefte een
opmerking te plaatsen over de toelichting op dat amendement. Er is
een fout geslopen in de tweede alinea daarvan. Het aldaar als
vrijstelling genoemde bedrag ad € 750 000 moet worden vervangen
door € 500 000. Het gaat immers om twee verkrijgers die samen de
100%-vrijstelling ad € 1 000 000 genieten, bijgevolg € 500 000
elk.
De fractie van GroenLinks heeft er voor gepleit bloedverwanten in de eerste graad als partner aan te merken in gevallen waarin een inwonend kind mantelzorg verleent aan een ouder. Ik ben hier om verscheidene redenen geen voorstander van. De Belastingdienst kan onmogelijk nagaan of mantelzorg is verleend. Een regeling die zou inhouden dat moet worden gecontroleerd of een kind daadwerkelijk deze zorg heeft verleend, is onuitvoerbaar. Het zou echter niet gerechtvaardigd zijn een zeer grote faciliteit als de partnervrijstelling te verlenen op basis van een oncontroleerbaar criterium, waarbij de deur naar oneigenlijk gebruik en fraude wijd wordt opengezet. Om deze reden acht ik het ook niet wenselijk om bijvoorbeeld aan te sluiten bij het zogenoemde mantelzorgcompliment (een uitkering voor mantelzorg als bedoeld in artikel 19a van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Ook bij deze regeling wordt niet gecontroleerd of daadwerkelijk zorg is verleend. Lang niet iedere mantelzorger vraagt overigens een dergelijke uitkering aan. Ik ben verder geen voorstander van een dergelijke regeling omdat hierbij een niet gerechtvaardigd verschil wordt gemaakt tussen inwonende kinderen die mantelzorg verlenen en niet-inwonende mantelzorgers. Deze laatsten hebben het vaak even zwaar of zwaarder dan inwonende mantelzorgers omdat zij bijvoorbeeld ook nog de zorg voor een eigen gezin hebben. Mijn conclusie is dat ik moet ontraden om in het partnerbegrip mantelzorg als criterium op te nemen.
Hoogachtend,
de Staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager
Brief |
02-11-2009
|
PDF bestand, 76 Kb