U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Kamerstukken
EC Remedy en herkapitalisatie ABN AMRO en Fortis Bank Nederland
Kamerbrief |
19-11-2009 |
Financieel toezicht, Kredietcrisis
Aan de voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Betreft BFI09-497 EC remedy en herkapitalisatie
ABN AMRO en Fortis Bank Nederland
Geachte voorzitter,
Op 26 juni 2009 heb ik u per brief op de hoogte gesteld van de
ontwikkelingen rond ABN AMRO en Fortis Bank Nederland
(FIN/2009/1021u). Daarbij ben ik onder meer ingegaan op de
kapitalisatie van beide banken en de EC remedy, dat wil zeggen de
afstoting van bedrijfsonderdelen die nodig is om integratie
mogelijk te maken. In algemene overleggen op 2 juli en 4 november
2009 heb ik u toegezegd mijn beleidsvoornemens rond deze twee
onderwerpen in samenhang aan de Kamer voor te leggen voordat finale
besluitvorming plaatsvindt. Met deze brief voldoe ik aan die
toezegging.
• Ten eerste licht ik toe waarom het kabinet in
november 2008 heeft gekozen voor een integratie van Fortis Bank
Nederland en delen van ABN AMRO. Daarbij wordt een overzicht
gegeven van de strategische mogelijkheden die zijn overwogen.
• Ten tweede ga ik in op de EC remedy en het
principeakkoord dat is gesloten tussen Deutsche Bank en de Staat.
Ik vraag uw instemming deze transactie af te ronden. In de komende
weken zal het akkoord worden uitgewerkt in een koop- en
verkoopovereenkomst tussen ABN AMRO en Deutsche Bank. Ik wil u niet
alleen informeren over de bijzonderheden van het akkoord, maar ook
over de alternatieven voor de remedy die de afgelopen maanden zijn
onderzocht.
• Ten derde leg ik u ter goedkeuring een
herkapitalisatieplan voor beide banken voor. De afsplitsing, de
integratie tot een nieuwe bank en de kapitaaleisen van de
toezichthouder maken een additionele en naar ik verwacht laatste
kapitaalversterking noodzakelijk. De Staat zal € 3,0 mrd contant
storten. Daarnaast zullen leningen ter waarde van € 1,4 mrd worden
omgezet in eigen vermogen.
• Ten slotte wordt de Eerste en Tweede Kamer,
conform art. 34 Comptabiliteitswet, gevraagd goedkeuring te
verlenen voor de oprichting van een naamloze vennootschap onder de
naam ABN AMRO Group N.V. De oprichting van een gezamenlijke
moedermaatschappij is de voor de hand liggende methode om Fortis
Bank Nederland en het aan de Staat toekomende deel van ABN AMRO
samen te voegen.
Besluitvorming op deze punten is nu essentieel. Met de keuze voor
integratie krijgen klanten en medewerkers uitzicht op een sterke,
stabiele bank met een focus op dienstverlening aan Nederlandse
bedrijven en particulieren. Deze keuze is in november 2008 gemaakt
en staat wat het kabinet betreft niet ter discussie.
De EC remedy is een onvermijdelijk gevolg van de integratie van de
banken. De eerdere overeenkomst, gesloten tussen het Fortis-concern
en Deutsche Bank, bracht disproportionele risico’s met zich mee. Om
die reden is besloten opnieuw te onderhandelen. Ondanks het feit
dat de marktomstandigheden, en daarmee de kansen op een goede
verkoopprijs, sinds de eerste overeenkomst verslechterden, zijn we
erin geslaagd het resultaat aanzienlijk te verbeteren: het verlies
is lager, de risicoverdeling beter en de benodigde kapitaalinjectie
kleiner. Daarmee is het thans voorliggende akkoord niet ideaal,
maar wel het best mogelijke – vooral ook omdat nu de mogelijkheid
ontstaat zonder vertraging de integratie ter hand te nemen.
Daarnaast betekent implementatie van de EC remedy dat voortgang kan
worden geboekt met het afsluiten van de lopende
staatssteundossiers.
Het kapitaalplan voorziet in de noodzakelijke middelen voor
splitsing en integratie en om te voldoen aan de kapitaaleisen van
De Nederlandsche Bank. De kapitalisatie moet worden gezien als een
investering om de nieuwe bank van start te laten gaan. Kapitaalplan
en remedy tezamen bieden zicht op het zo spoedig mogelijk
realiseren van de synergievoordelen, die worden geraamd op € 1,1
mrd per jaar. Onvoorziene omstandigheden van ernstige aard
daargelaten, zal deze kapitaalinjectie de laatste zijn die de Staat
verschaft. Hiermee wordt de bank geacht op eigen benen te kunnen
staan. Bijzondere kosten en investeringen dient de nieuwe bank in
de toekomst zelf te financieren en terug te verdienen, zoals elk
ander bedrijf.
Hiermee ontstaat een samenhangend plan waarmee Nederland een bank
krijgt die als solide en efficiënte mid-marketspeler bijdraagt aan
een sterke financiële sector. De instemming van de Tweede Kamer is
cruciaal in de totstandkoming daarvan. Medewerkers en klanten
moeten zekerheid krijgen en het transitieteam moet kunnen bouwen
aan de nieuwe bank.
1 Integratie van ABN AMRO II en Fortis Bank
Nederland
1.1 Strategische keuze in 2008
Op 21 november 2008 heeft het kabinet de strategische richting
geformuleerd voor de delen van het Fortis-concern die de Staat
eerder had verworven: Fortis Bank Nederland, Fortis Verzekeringen
Nederland en Fortis Corporate Insurance, en indirect een gedeelte
van ABN AMRO. Aan deze richting ging intensief overleg vooraf met
bestuurders, ondernemingsraden, De Nederlandsche Bank en
marktpartijen. De Kamer is hierover destijds mondeling en
schriftelijk geïnformeerd.
Bij de vaststelling van de strategische richting heeft het kabinet
een aantal factoren zwaar laten wegen. In het bijzonder waren van
belang:
• een snelle stabilisering van de instellingen en
de financiële sector als geheel;
• een structureel herstel van het vertrouwen van
klanten en medewerkers;
• de noodzaak van gezonde en op termijn
winstgevende instellingen;
• het behoud van een sterke financiële sector in
Nederland en de expertise die daarvoor nodig is;
• het waarborgen en versterken van concurrentie
in deze markt;
• reëel uitzicht op een financieel gunstige
verkoop zodra de markt is gestabiliseerd en de bedrijfssituatie dat
toelaat.
Op basis hiervan werd allereerst besloten bank- en
verzekeringsactiviteiten niet te integreren. De voordelen daarvan
wogen niet op tegen de nadelen; er was nauwelijks operationele
verwevenheid, de synergievoordelen en mogelijkheden tot
risicospreiding waren beperkt en een combinatie van beide
activiteiten zou leiden tot een onnodig gecompliceerd
managementmodel.
Integratie van Fortis Bank Nederland en het aan de Staat toekomende
deel van ABN AMRO bleek, op grond van dezelfde criteria, een
vanzelfsprekende en financieel zeer overtuigende optie. Beide
banken moeten hoge kosten maken voor de separatie uit hun oude
omgeving en met integratie kunnen veel van deze kosten worden
voorkomen of beperkt. Kostenreductie, stroomlijning van
activiteiten en bundeling van krachten leveren na enkele jaren een
synergievoordeel op dat het transitieteam heeft becijferd op € 1,1
mrd per jaar voor belastingen.
Integratie brengt een bank tot stand met een duidelijke
positionering: op het zakelijke ‘mid-market segment’, aan de
bovenkant van de particuliere markt en in enkele wereldwijde
niches. Precies daar ligt de kracht van merknamen, producten en
werknemers van de twee banken. Integratie maakt het mogelijk een
sterke speler en daarmee een competitief Nederlands financieel
landschap te creëren, en biedt meer perspectief voor een
onafhankelijke toekomst dan de afzonderlijke banken zouden hebben.
Over enkele jaren kan deze nieuwe bank weer aan private
investeerders worden overgedragen. Het is nog te vroeg om vast te
stellen hoe dat vorm zal krijgen, maar een beursgang, fusie en
overname behoren tot de mogelijkheden.
1.2 Strategische alternatieven
Aan de keuze voor integratie ligt een uitgebreide afweging ten
grondslag. Niet alleen in oktober en november 2008, maar ook in de
afgelopen maanden zijn verschillende strategische opties
bestudeerd. Steeds ging het om variaties op twee hoofdscenario’s:
het eerste ging uit van het zelfstandig voortbestaan van beide
banken, het tweede richtte zich op het geheel of in delen verkopen
van een van de banken aan andere partijen. Onder meer zijn de
volgende varianten onderzocht en uiteindelijk verworpen.
• Beide banken zelfstandig laten voortbestaan
Een stand-alonescenario zou weinig waarde creëren. Fortis Bank
Nederland heeft jaren achtereen goede winstcijfers geboekt, maar
wordt te klein geacht om op langere termijn te kunnen groeien en
daarmee concurrerend te kunnen blijven. ABN AMRO II heeft een
voldoende groot aandeel in de retailmarkt, maar mist na afsplitsing
veel van zijn grootzakelijke klanten. Zonder schaalvoordelen is
waardecreatie nauwelijks mogelijk, waardoor het voor de Staat bijna
onmogelijk wordt zijn investering terug te verdienen.
Zowel Fortis Bank Nederland als ABN AMRO II komt voort uit een veel
groter concern. Dat heeft belangrijke operationele gevolgen. Fortis
Bank Nederland is nog steeds afhankelijk van Fortis Bank België
voor enkele cruciale diensten, onder andere op IT-gebied. De
service level agreements daartoe zijn tijdelijk en bieden slechts
beperkte ruimte voor verlenging. Fortis Bank Nederland zou extra
kosten moeten maken om nu als zelfstandige bank verder te gaan. ABN
AMRO II zal eveneens ondersteunende activiteiten in eigen beheer
moeten ontwikkelen na afsplitsing. Integratie van beide banken
betekent dat deze diensten ofwel van elkaar kunnen worden
betrokken, ofwel dat de ontwikkelingskosten kunnen worden gedeeld.
• Combinatie van Fortis Bank Nederland met een
andere Nederlandse bank; zelfstandig N-share
Overwogen is Fortis Bank Nederland te laten samengaan met een
Nederlandse bank die een sterke positie heeft in de retailmarkt.
Deze combinatie zou weliswaar synergievoordelen kunnen opleveren,
maar niet van dezelfde orde als van de beoogde combinatie met ABN
AMRO II.
De Staat zou met een dergelijke combinatie zijn rol in de
financiële sector vrijwel zeker vergroten. Daarnaast zou een
combinatie met een Nederlandse bank ook kunnen leiden tot een
remedy.
• Verkoop van Fortis Bank Nederland aan een grote
internationale financiële instelling; zelfstandig N-share
Dit alternatief werd vooral op technische haalbaarheid positief
beoordeeld. De betrokken bank zou vanwege vergelijkbare transacties
goed in staat moeten zijn de operationele aansluiting te maken.
Financieel zou dit scenario zeer onaantrekkelijk zijn voor de
Staat; gezien de marktomstandigheden is een aanvaardbare opbrengst
op dit moment bijna ondenkbaar. Verder waren er twijfels of de
Europese Commissie een dergelijke transactie zou toestaan, omdat
die raakt aan andere staatssteundossiers binnen de Europese Unie.
• Integratie van een deel van de activiteiten van
Fortis Bank Nederland met het N-share, verkoop van de overige
activiteiten.
Er is gestudeerd op verscheidene scenario’s waarin een deel van de
activiteiten van Fortis Bank Nederland met het N-share wordt
geïntegreerd (corporate, merchant en private banking) en een ander
deel (retail en commercial banking) wordt verkocht aan nationale en
internationale marktpartijen. Dergelijke scenario’s zou leiden tot
een aantal gespecialiseerde banken. Het splitsen van Fortis Bank
Nederland zou echter operationeel complex en risicovol zijn, alleen
al omdat er verscheidene ontvlechtingen tegelijkertijd zouden
moeten worden uitgevoerd. De daarmee gemoeide kosten maken het niet
vanzelfsprekend dat de verkoopopbrengsten of synergievoordelen
voldoende zouden gaan opleveren.
• Combinatie N-share met een andere Nederlandse
bank
Naast de alternatieven voor Fortis Bank Nederland waarbij het
N-share als een zelfstandige bank verder zou kunnen gaan, is
overwogen het N-share te combineren met een andere Nederlandse
bank. Hoewel dit meer synergievoordelen zou kunnen opleveren, werd
het gezien als te ingrijpend in de huidige economische situatie.
Door een sterke ‘overlap’ van activiteiten zouden veel meer
filialen moeten worden gesloten en zouden er veel meer ontslagen
vallen dan wordt verwacht bij integratie van Fortis Bank Nederland
en ABN AMRO II. Beslissend was de overweging dat deze fusie zou
resulteren in onevenredig grote marktaandelen over de hele linie
van bankdiensten, waardoor zeer ingrijpende maatregelen vanuit
Brussel onvermijdelijk zouden zijn.
De alternatieven voor integratie zijn derhalve niet aantrekkelijk;
ze schieten tekort in waardecreatie, zijn strategisch onwenselijk
of zijn technisch te complex. Ook vanuit het oogpunt van de eisen
van de toezichthouders zijn ze niet gelijkwaardig. Voor alle
genoemde alternatieven geldt dat de Europese Commissie alsnog
maatregelen zou kunnen afkondigen vanwege mogelijke staatssteun en
marktconcentratie. En niet te vergeten: na een jaar van onzekerheid
zou een koersverandering op dit moment niet alleen tot verwarring
en onduidelijkheid in de markt leiden, maar ook grote onzekerheid
veroorzaken bij medewerkers en klanten. Juist bij deze groepen is
stabiliteit en zekerheid dringend geboden.
Ik stel vast dat alleen door integratie van Fortis Bank Nederland
en ABN AMRO II een sterke bank met een duidelijke strategie wordt
neergezet. Er is geen alternatief vastgesteld waarin dezelfde
synergie kan worden bereikt tegen vergelijkbare risico's en
kosten en dat hetzelfde voordeel biedt voor het Nederlandse
financiële landschap. Technisch is het huidige voorstel goed
uitvoerbaar. Bovendien ligt het integratieplan klaar, waardoor een
tijdwinst ten opzichte van alle andere scenario’s kan worden
geboekt.
2 EC remedy
2.1 Noodzaak van de EC remedy
Aan de integratie is de voorwaarde van een ‘remedy’ verbonden. De
Europese Commissie constateerde in 2007 dat de overname van het
N-share door het Fortis-concern een onaanvaardbare belemmering zou
vormen voor de mededinging op de Nederlandse deelmarkten voor
commercial banking en factoring. De remedy bevat de eis dat een
deel van deze activiteiten wordt verkocht, en wel aan een
internationaal opererende marktpartij die een rol als ‘challenger’
in de desbetreffende deelmarkten kan vervullen.
Op grond hiervan heeft het Fortis-concern in juli 2008 een
verkoopovereenkomst gesloten met Deutsche Bank, een partij die deze
rol volgens de Commissie kan waarmaken. De transactie met Deutsche
Bank had eind 2008 moeten zijn afgerond, maar vond uiteindelijk
geen doorgang omdat aan een aantal opschortende voorwaarden niet
was voldaan. In het bijzonder ontbrak instemming van De
Nederlandsche Bank en (positief) advies van de centrale
ondernemingsraad van ABN AMRO.
Op 3 oktober 2008 werd Fortis Bank Nederland verkocht aan de Staat.
Met de Commissie is daarna opnieuw overlegd welke consequentie een
integratie van beide banken zou hebben.
De rol van de Commissie verdient enige toelichting. De Commissie,
en daarbinnen het directoraat-generaal Mededinging, heeft als taak
de concurrentie op de markt te waarborgen. Zij opereert daarvoor
binnen verschillende kaders. Bij de remedy worden die bepaald door
de regelgeving voor concentratiecontrole, voor de herkapitalisatie
van ABN AMRO en Fortis Bank Nederland door de staatssteunregels.
Dat maakt de positie van de Commissie op deze gebieden ook
verschillend. Staatssteunregels laten bijvoorbeeld de mogelijkheid
al wel steun te geven, maar de bijbehorende herstructurering uit te
stellen tot een gunstiger tijdstip, zelfs tot vijf jaar. Bij fusies
kan de Commissie bepalen dat de remedy moet worden uitgevoerd
voordat de fusie tot stand wordt gebracht en in dit geval heeft de
Commissie van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De voorliggende
remedy valt onder de regels van marktconcentratie. Dit betekent
niet alleen dat uitstel onmogelijk is, maar ook dat de Commissie
hier op basis van een duidelijk juridisch gezag opereert en er geen
sprake is van een onderhandelingstraject.
Na overleg hebben Staat en Commissie vastgesteld dat de situatie
niet dusdanig was veranderd dat een remedy achterwege kon blijven.
Weliswaar zijn Fortis Bank Nederland en het N-share van ABN AMRO
veel kleiner dan de oorspronkelijke fusiepartijen, maar dat deed
niet af aan het mededingingsprobleem op de deelmarkten voor
commercial banking en factoring in Nederland. Op grond hiervan was
duidelijk dat aan de eisen van de Commissie moest worden voldaan.
2.2 Voorgenomen overeenkomst met Deutsche Bank
Op 19 december 2008 heeft de Staat uitstel van de bestaande
verplichtingen gevraagd, opdat alternatieven voor de voorliggende
remedy konden worden onderzocht. Deze worden in paragraaf 2.3
toegelicht. Na onderzoek van deze alternatieven werd besloten de
gesprekken met Deutsche Bank te hervatten maar de andere
mogelijkheden zoveel mogelijk open te houden. Conform de
fusieregels van de Commissie heeft de Staat in april 2009 Credit
Suisse benoemd als onderhandelaar of ‘divestiture trustee’.
Deutsche Bank heeft in april een aangepast voorstel gestuurd,
waarna onder leiding van Credit Suisse langdurige en moeilijke
onderhandelingen hebben plaatsgevonden. De Commissie heeft tijdens
dit proces opnieuw enkele malen uitstel verleend. Het resultaat is
het voorliggende principeakkoord.
De voorgestelde transactie met Deutsche Bank bestaat uit de verkoop
van Nederlandse activiteiten van ABN AMRO op het gebied van
factoring en commercial banking:
• Om tegemoet te komen aan de
mededingingsbezwaren op het gebied van factoring wordt IFN Finance
(de Nederlandse activiteiten van IFN Group) verkocht.
• Om tegemoet te komen aan de
mededingingsbezwaren op het gebied van commercial banking wordt
‘New HBU’ verkocht, dat wil zeggen:
delen van Hollandsche Bank Unie (Rotterdam);
twee van de vijf ‘corporate client units’
(Amsterdam en Eindhoven);
13 van de 78 advieskantoren.
Het betreft hier vooral frontofficeactiviteiten: personeel, klanten
en kredietportefeuille. De backofficeactiviteiten, zoals
administratieve verwerking, blijven achter bij ABN AMRO en zullen
door Deutsche Bank opnieuw moeten worden opgezet. Deze transitie
wordt door de banken tezamen voorbereid en uitgevoerd.
Koopsom
De koopsom voor de aandelen New HBU en IFN Finance, inclusief de
credit umbrella, bedraagt € 700 mln. De koopsom kan op het moment
van de overdracht van de aandelen, naar verwachting voorjaar 2010,
naar beneden worden aangepast vanwege mutaties in het eigen
vermogen, veroorzaakt door winst of verlies van de ondernemingen,
voorzieningen voor kredietverliezen en vooruitontvangen fees.
De koopsom is het resultaat van de onderhandelingen en reflecteert
ook de overige afspraken, zoals risicodeling en looptijd, en omvang
van afgegeven garanties. In de onderhandelingen heeft een afweging
tussen prijs en overige elementen plaatsgevonden om tot een
optimale uitkomst voor de Staat en ABN AMRO te komen.
Credit umbrella
Onderdeel van het principeakkoord is de zogenaamde credit umbrella,
een garantie voor toekomstige kredietverliezen op de bestaande
kredietportefeuille. Waar vorig jaar nog sprake was van een
100%-garantie, is nu overeengekomen dat ABN AMRO II 75% van de
nettoverliezen vergoedt en New HBU de overige 25% van de
nettoverliezen voor haar rekening neemt. Onder nettoverliezen
worden verstaan de verliezen die resulteren nadat alle zekerheden
en onderpanden zo goed mogelijk zijn uitgewonnen. De credit
umbrella loopt zolang de leningen waarop zij betrekking heeft
doorlopen. De laatste leningen in de portefeuille lopen af na 30
tot 35 jaar, maar voor 60 tot 75% van de portefeuille geldt dat de
looptijd minder dan vijf jaar is; 40% loopt zelfs binnen een jaar
af. Het uit te betalen bedrag onder de credit umbrella is
gemaximeerd op € 1,6 mrd. ABN AMRO II kan na drie jaar voor eigen
rekening de garantie tegen marktwaarde overdragen aan een andere
kwalificerende partij. Volledigheidshalve: de credit umbrella wordt
door ABN AMRO II afgegeven, niet door de Staat.
New HBU is verantwoordelijk voor de afwikkeling van de leningen in
de portefeuille bij wanbetaling. Voor de afwikkeling van grote
leningen heeft ABN AMRO II echter het recht actief betrokken te
zijn bij de besluitvorming.
Wederzijdse aansprakelijkheden
New HBU is tot stand gekomen door een aantal juridische
afsplitsingen. Tengevolge van de wet (artikel 2:334t Burgerlijk
Wetboek) blijven bij een juridische splitsing de afsplitsende
partij en afgesplitste partij aansprakelijk voor elkaars schulden:
als een van de twee niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen,
kunnen crediteuren hun vorderingen verhalen op de ander. Deze
wettelijke aansprakelijkheid is van kracht voor de looptijd van de
verbintenissen die bestaan op het tijdstip van splitsing. Nieuwe en
verlengde contracten vallen niet onder de dekking van de
wederzijdse aansprakelijkheid.
De hoogte van de wederzijdse aansprakelijkheden is gemaximeerd tot
het eigen vermogen dat de afgesplitste partij heeft meegekregen (in
dit geval € 950 mln) en het eigen vermogen dat de afsplitsende
partij behoudt (in dit geval, vanwege de aanwezige crediteuren,
teruggebracht tot € 1,6 mrd). Meer concreet: als New HBU niet kan
voldoen aan haar verplichtingen, kunnen de crediteuren van New HBU
hun vorderingen voor een bedrag dat inmiddels is gedaald tot
maximaal € 1,6 mrd verhalen op ABN AMRO II. Deze aansprakelijkheid
loopt naar verwachting in drie tot vijf jaar af naar € 0. Andersom
kunnen crediteuren van ABN AMRO – dat wil zeggen het deel van ABN
AMRO dat achterblijft na uitplaatsing van ABN AMRO II – vorderingen
tot maximaal € 950 mln verhalen op New HBU. Door de lange duur van
de contracten die niet zijn afgesplitst blijft deze
aansprakelijkheid in beginsel voor onbeperkte tijd uitstaan.
Voor de wederzijdse aansprakelijkheden moet kapitaal worden
aangehouden. In het principeakkoord is, samengevat, overeengekomen
dat New HBU aan ABN AMRO II een vrijwaring verstrekt voor deze
wederzijdse aansprakelijkheden tot een bedrag van maximaal ca. €
1,6 mrd en ABN AMRO II aan New HBU een vrijwaring verstrekt tot een
bedrag van ca. € 950 mln. Verder is overeengekomen dat voor beide
vrijwaringen zekerheden moeten worden gesteld tot een bedrag van de
wederzijdse aansprakelijkheid. Beide vrijwaringen eindigen na vijf
jaar. De partijen dragen in principe hun eigen kosten hiervoor.
De Staat zal een vrijwaring verstrekken van maximaal vijf jaar aan
ABN AMRO II voor zover het ABN AMRO II niet lukt om de te stellen
zekerheden van een externe marktpartij te betrekken. Hiervoor zal
ABN AMRO II een marktconforme vergoeding moeten betalen. De totale
kosten bedragen circa € 135 mln. Deze oplossing is uitgewerkt en
aan DNB voorgelegd, en zal indien nodig aan de Commissie worden
voorgelegd. De Tweede Kamer zal worden geïnformeerd ingeval een
vrijwaring wordt gegeven.
Exclusiviteit en break-up fee
Zoals in het principeakkoord is vermeld, heeft ABN AMRO met een
separate brief bevestigd dat het tot 31 december 2009 geen
gesprekken met mogelijke andere kopers van New HBU of IFN Finance
zal aangaan. De Staat heeft zich niet gecommitteerd aan een
dergelijke exclusiviteit.
De betrokken partijen hebben tot op heden veel tijd en geld
geïnvesteerd in dit traject. Op uitdrukkelijk verzoek van het
ministerie van Financiën is een aantal opschortende voorwaarden in
het principeakkoord opgenomen. Dat geeft voor Deutsche Bank
onzekerheden over de afronding van de transactie die buiten haar
macht liggen. Indien deze transactie niet voor 31 december 2009 ter
goedkeuring wordt aanbevolen aan de Kamer of vóór closing wordt
besloten dat de voorgenomen integratie van beide banken geen
doorgang vindt, zal de transactie geen doorgang vinden en heeft
Deutsche Bank recht op een break-up fee van € 35 mln, dat is 5% van
de koopsom, ter compensatie van de door haar gemaakte kosten.
Aangepast transactieresultaat ten opzichte van integratievoordelen
De EC remedy heeft als doel de integratie mogelijk te maken. De
Staat heeft het negatieve aangepaste transactieresultaat van € 1,12
mrd afgewogen tegen de nettovoordelen van integratie. Tegenover dit
eenmalige nadeel staat een jaarlijks terugkerend kostenvoordeel van
de integratie van € 1,1 mrd, voor belastingen.
Het nettovoordeel van de integratie (bepaald op basis van de netto
contante waarde van het jaarlijks terugkerende kostenvoordeel na
aftrek van belastingen en benodigde integratiekosten) van ABN AMRO
II met Fortis Bank Nederland kan worden berekend op € 4,0 mrd.
Onderstaande tabel geeft het geschatte nettovoordeel van integratie
weer, voor en na het aangepast transactieresultaat van de EC remedy
onder het huidige principeakkoord. Het aangepast
transactieresultaat van de EC remedy is verderop in deze brief
toegelicht. Ter vergelijking is indicatief de impact op basis van
de oorspronkelijke overeenkomst, die het Fortis-concern in oktober
2008 sloot met Deutsche Bank, weergegeven .
Nettovoordeel integratie na remedy (€ mrd)
Principe-akkoord
Oorspronkelijke overeenkomst
Nettovoordeel integratie 4,00
4,00
Aangepast transactieresultaat remedy
-1,12
-1,30
Nettovoordeel integratie na remedy
2,88
2,70
Als een % van totaal nettovoordeel integratie
72%
68%
Nu het voordeel van de integratie aanzienlijk groter is dan de
kosten van de remedy, kan worden geconcludeerd dat de verkoop van
de EC remedy, alhoewel die op zichzelf een negatieve opbrengst
heeft, economisch rationeel is.
Kapitalisatie door de Staat
De onderstaande tabel geeft de implicaties weer van de verkoop van
de EC remedy op de door DNB gereguleerde
tier-1-kapitaal-positie van ABN AMRO op verschillende
momenten, om inzicht te geven in de afname van de kapitaalbehoefte
van ABN AMRO.
De totale negatieve kapitaalimpact van de remedy op
overdrachtsdatum is naar verwachting € 0,47 mrd. Het effect neemt
over de looptijd van credit umbrella af tot € 0,18 mrd negatief na
een jaar en tot € 0,04 mrd negatief aan het einde van de looptijd
van de credit umbrella.
Impact van EC remedy op de kapitaalbehoefte volgens huidig
principeakkoord (€ mrd)
Kapitaalimpact bij overdracht Kapitaalimpact na 1
jaar Kapitaalimpact na 5 jaar
Kapitaal-impact einde looptijd CU
Prijs 0,70 0,70
0,70 0,70
Boekwaarde HBU en IFN -0,88
-0,88 -0,88 -0,88
Overige kosten inclusief verliezen credit umbrella
-0,74
-0,74
-0,77
-0,79
Kapitaalvrijval (reductie RWA’s)
0,45 0,74
0,81 0,93
Totaal onder huidig principeakkoord
-0,47 -0,18
-0,14 -0,04
Totaal onder oorspronkelijke overeenkomst
-0,82 -0,41
-0,34 -0,17
Ter vergelijking is indicatief de totale kapitaalimpact op basis
van de oorspronkelijke overeenkomst weergegeven. De negatieve
impact zou op overdrachtsdatum € 0,35 mrd hoger zijn geweest dan
onder het huidige principeakkoord.
De negatieve kapitaalimpact onder het huidige principeakkoord neemt
af over de tijd omdat ABN AMRO minder kapitaal hoeft aan te houden.
Doordat Deutsche Bank op transactiedatum 25% van de risico’s op de
kredietportefeuille voor haar rekening neemt, worden de
kapitaaleisen voor ABN AMRO navenant verlaagd. Voor de resterende
75% van de portefeuille loopt ABN AMRO nog kredietrisico en dient
de bank kapitaal aan te houden. ABN AMRO schat in dat er op
overdrachtsdatum € 0,45 mrd tier-1-kapitaal vrijvalt, berekend op
basis van het huidige toezicht dat op de bank van toepassing is. De
vrijval neemt verder toe naarmate de door de credit umbrella
afgedekte kredietportefeuille afloopt. In het bijzonder vindt een
hoge vrijval plaats op een jaar na de overdrachtsdatum, omdat in
het principeakkoord is overeengekomen dat alle doorlopende
kredieten zonder afloopdatum dan niet meer door de credit umbrella
worden gedekt.
De Staat is bereid, als de Kamer daarmee instemt, € 0,30 mrd
kapitaal te verschaffen ter gedeeltelijke dekking van de negatieve
kapitaalimpact op overdrachtsdatum. De slechts tijdelijk hogere
kapitaalbehoefte zal ABN AMRO moeten opvangen binnen de prudentiële
marge van het totale kapitaalplan.
Vergelijking met oorspronkelijke overeenkomst
De onderstaande tabel geeft het aangepast transactieresultaat
weer van het principeakkoord met Deutsche Bank. Het aangepast
transactieresultaat is bepaald op basis van het verwachte
boekhoudkundig verlies onder IFRS dat ABN AMRO zal realiseren,
verhoogd met overige kosten, o.a. voor het aanhouden van kapitaal
ten behoeve van de credit umbrella en overige kosten die in de loop
van de tijd worden verantwoord. Ter vergelijking zijn indicatief de
gevolgen weergegeven van de overeenkomst die Fortis in oktober 2008
sloot met Deutsche Bank. De financiële gevolgen zijn beste
schattingen op grond van het principeakkoord. Uitgegaan is van
overdracht op 31 maart 2010; deze datum kan nog worden aangepast.
Aangepast transactieresultaat volgens huidig principeakkoord
vergeleken met de oorspronkelijke overeenkomst (€ mrd)
Principe-akkoord
Oorspronkelijke overeenkomst
Prijs 0,70
0,70
Boekwaarde New HBU en IFN Finance
-0,88 -0,88
Overige kosten inclusief verliezen credit umbrella
-0,94 -1,12
Totaal -1,12
-1,30
Het aangepaste transactieresultaat is € 1,12 mrd negatief en is het
verschil tussen enerzijds de prijs, anderzijds de boekwaarde en de
kosten van overige afspraken. New HBU en IFN Finance zijn in de
boeken van ABN AMRO opgenomen voor tezamen € 0,88 mrd. De overige
kosten hebben een effect van in totaal € 0,94 mrd negatief en
betreffen onder andere de wederzijdse aansprakelijkheden, migratie,
kapitaal en de verwachte verliezen op de credit umbrella.
ABN AMRO dient de credit umbrella vanaf overdrachtsdatum onder IFRS
te verantwoorden als een garantie, door de netto contante waarde
van de verwachte kredietverliezen onder de credit umbrella direct
af te boeken. Deze verliezen zijn ingeschat door experts van ABN
AMRO. Bij de inschatting is conservatief verondersteld dat de
economie zich niet zal herstellen gedurende de looptijd van de
credit umbrella. Op basis van economisch herstel na 2010 zouden de
verwachte kredietverliezen 15 tot 20% lager zijn.
Zowel de oorspronkelijke overeenkomst tussen het Fortis-concern en
Deutsche Bank als het huidige principeakkoord is gebaseerd op een
initiële verkoopprijs van € 0,70 mrd. Het aangepast
transactieresultaat is ongeveer € 0,18 mrd beter ten opzichte van
de oorspronkelijke deal. De belangrijkste verbeteringen zijn:
• Deutsche Bank draagt nu 25% van alle
kredietverliezen op de kredietportefeuille, waarmee Deutsche Bank
en New HBU een sterke motivatie hebben om de portefeuille goed te
beheren en zo nodig uit te winnen. Vooral daardoor is de transactie
financieel verbeterd ten opzichte van voorgaand jaar, en dit in een
moeilijke markt.
• De maximale uitbetaling onder de credit
umbrella bedraagt nu € 1,6 mrd.
• Derivaten en verlengingen en vernieuwingen
binnen de kredietportefeuille worden niet meer afgedekt onder de
credit umbrella.
• De oorspronkelijke overeenkomst voorzag in
mogelijkheden tot forse prijsaanpassingen op overdrachtsdatum en
een jaar na overdrachtsdatum. Onder het nu getekende
principeakkoord is het prijsaanpassingmechanisme eenvoudiger en
zijn aanpassingen op overdrachtsdatum beperkt. Na overdrachtsdatum
zijn aanpassingen niet meer mogelijk.
Het akkoord dat nu is bereikt heeft nog steeds negatieve waarde,
maar brengt minder risico’s mee. Naar mijn mening is dit de best
mogelijke weg om snel de integratie in te zetten en de
synergievoordelen te verzilveren.
Bedrijfseconomische impact op ABN AMRO
In totaal vertegenwoordigt New HBU ongeveer 20% van de Nederlandse
activiteiten van ABN AMRO op het gebied van zakelijk bankieren. Het
effect van dit verlies wordt na integratie gedeeltelijk
gecompenseerd door de activiteiten van Fortis Commercial Banking en
Fortis Commercial Factoring in Nederland, waardoor de nieuwe bank
een positie van betekenis behoudt in deze deelmarkten. De Commissie
schat in dat ABN AMRO II en Fortis Bank Nederland na integratie een
marktaandeel van 25 tot 35% zullen hebben op het gebied van
zakelijk bankieren en van 30 tot 40% op het gebied van factoring.
Het huidige balanstotaal van New HBU is € 11 mrd en van IFN Finance
€ 0,6 mrd. Dat is ongeveer 6% van het balanstotaal van ABN AMRO II.
In totaal werken er ongeveer 1400 medewerkers (1200 fte’s) bij New
HBU en IFN Finance, en worden in Nederland ongeveer 30 000 klanten
bediend.
Zoals hiervoor beschreven bestaat de verkoop voornamelijk uit
frontofficeactiviteiten. Aangezien het de verwachting is dat
Deutsche Bank niet direct kan voorzien in de benodigde
backofficeactiviteiten, is het de bedoeling dat ABN AMRO deze
diensten maximaal drie jaar lang tegen een vergoeding zal blijven
leveren. Hierover worden momenteel verdere afspraken gemaakt.
2.3 Alternatieve remedies
In de afgelopen twaalf maanden zijn drie concrete alternatieven
voor de huidige remedy onderzocht. Verschillende partijen hebben
zich vanaf maart 2009 gemeld met belangstelling voor onderdelen van
ABN AMRO of Fortis Bank Nederland.
• Verkoop van HBU aan een andere partij dan
Deutsche Bank
Een van de alternatieven was de verkoop van HBU aan een Nederlandse
bank. Gesprekken hierover hebben reeds plaatsgevonden voordat de
Staat Fortis Bank Nederland acquireerde. Nederlandse banken bleken
de facto niet te voldoen aan de voorwaarden van de remedy.
Toetreding van internationaal opererende partijen werd noodzakelijk
geacht om de concurrentieverhoudingen aan te scherpen. Dit
standpunt is afgelopen september door de Commissie herhaald.
• Verkoop van Fortis Commercial Banking aan een
internationale partij
Een tweede alternatief was de verkoop van Fortis Commercial Banking
en Fortis Commercial Finance (factoring), onderdeel van Fortis Bank
Nederland, aan een internationale partij. Gedurende 2009 zijn
hierover, met tussenpozen, gesprekken gevoerd. Dit is
gedocumenteerd in een bijlage die ter vertrouwelijke inzage bij de
griffie ligt. De betreffende instelling is in het laatste stadium
van de onderhandelingen met Deutsche Bank nog gevraagd met een bod
te komen. Uiteindelijk heeft ze laten weten daartoe niet in staat
te zijn vanwege een andere transactie. Uit recent contact blijkt
dat het niet mogelijk is op korte termijn alsnog een bieding uit te
brengen. Bij gebrek aan een bod kunnen er geen uitspraken gedaan
worden over de financiële en operationele implicaties van dit
alternatief. Er was overigens geen enkele zekerheid of de Commissie
dit alternatief zou hebben aanvaard als invulling van de
remedyverplichtingen, en of de lopende staatssteundossiers rond ABN
AMRO en Fortis Bank Nederland voorspoedig zouden kunnen worden
afgerond.
• Overname door de Staat of apart zetten van New
HBU
Het laatste alternatief was een transactie in het publieke domein:
overname door de Staat of het apart zetten van New HBU. Hierdoor
zou New HBU een staatsdeelneming worden of voor rekening en risico
van de Staat bij een derde worden ondergebracht.
Ook deze optie is na bestudering terzijde geschoven; New HBU is
niet ingericht om zelfstandig te functioneren en zou op deze wijze
niet levensvatbaar zijn. Evenmin zou hiermee een internationale
partij tot de Nederlandse markt toetreden, zoals de Commissie
wenst. Bij een dergelijke transactie zou bovendien een oplossing
gezocht moeten worden voor de wederzijdse aansprakelijkheid en de
kredietrisico’s. Deze variant zou tot onduidelijkheid over de
toekomst van New HBU en grote onzekerheid bij klanten en werknemers
kunnen leiden.
In het algemeen moet worden opgemerkt dat ook deze alternatieven
kosten met zich zouden meebrengen. Zonder concrete biedingen staat
niet vast wat de kapitaalimpact is, maar er bestaat geen twijfel
over dat in de huidige marktomstandigheden een alternatieve verkoop
zeer waarschijnlijk tot een significant boekverlies en mogelijk tot
aanvullende herstructurering zou hebben geleid.
2.4 Overwegingen om het principeakkoord door te
zetten
Zoals in paragraaf 2.1 is toegelicht stelt de Commissie als
voorwaarde voor integratie dat de machtsconcentratie van de nieuwe
bank op de zakelijke markt wordt verminderd. De voorgenomen
integratie van Fortis Bank Nederland en ABN AMRO II pas kan
plaatsvinden als aan die voorwaarde is voldaan. De Commissie heeft
er geen twijfel over laten bestaan dat zij deze voorwaarde zal
handhaven.
In concreto betekent dit dat de overnemende partij dient te zijn
geaccordeerd door de Commissie. Een verkoop aan Deutsche Bank is
reeds in 2008 goedgekeurd door de Commissie. Als de integratie van
Fortis Bank Nederland en ABN AMRO II zou plaatsvinden vóór de
verkoop van New HBU en IFN Finance, zal de Commissie eisen dat de
integratie ongedaan wordt gemaakt en een boete of een last onder
dwangsom opleggen. Los van de vraag of een dergelijke confrontatie
met de Commissie wenselijk is, zal het juridisch aanvechten van de
remedy geen opschortende werking hebben.
De Commissie ziet in dat dit een moeilijke en zeer onvoordelige
transactie is voor ABN AMRO. Hoewel zij zich nog niet formeel over
dit principeakkoord heeft uitgelaten, is wel duidelijk geworden dat
de Commissie ingenomen is met het bereikte resultaat. Dit neemt
niet weg dat het wel mogelijk is dat de Commissie ABN AMRO en
Fortis Bank Nederland een aantal gedragsmaatregelen oplegt,
bijvoorbeeld dat het staatsaandeelhouderschap niet mag worden
gebruikt in promotionele zin of dat er aanpassingen in het
beloningsbeleid moeten plaatsvinden. In ieder geval kan voortgang
worden geboekt met het afsluiten van de lopende staatssteundossiers
rond ABN AMRO en Fortis Bank Nederland. In het geval van een
alternatieve remedy is geenszins zeker of de Commissie zou
instemmen en onder welke voorwaarden zij de staatssteundossiers zou
willen afronden. Aanvullende herstructurering is daarbij het
grootste risico.
De positie van klanten en medewerkers van New HBU en IFN Finance
mag in dit proces niet worden onderschat. De besprekingen over de
remedy brengen grote onzekerheid met zich en het is in ieders
belang dat er snel duidelijkheid komt. Het opnieuw verkennen van
alternatieven zou averechts op de motivatie van medewerkers werken
en zou door klanten niet worden begrepen. Als het fusieperspectief
achter de horizon dreigt te verdwijnen, bestaat het reële risico
dat medewerkers en klanten de banken zullen verlaten. Iedere dag
uitstel betekent, ten slotte, een dag uitstel van de integratie van
beide banken. Niet alleen worden hierdoor synergievoordelen van
uiteindelijk bijna € 95 mln per maand uitgesteld, maar ook ontstaan
operationele problemen.
De afgelopen week hebben het transitieteam, de ondernemingsraad van
New HBU en de directie van New HBU per brief aangegeven ingenomen
te zijn met de ondertekening van het principeakkoord. Het
transitieteam gaat er daarbij van uit dat er voldoende compensatie
komt voor de financiële impact en duidelijk wordt dat er geen
aanvullende herstructurering zal worden opgelegd door de Europese
Commissie. De voorzitter van het transitieteam, de heer Zalm, heeft
alle betrokkenen gevraagd medewerking te verlenen aan de
transactie, zodat dit hoofdstuk snel kan worden afgesloten. De
hiervoor genoemde brieven zijn als bijlage bij deze brief gevoegd.
De centrale ondernemingsraad van ABN AMRO heeft in een brief
aangegeven het principeakkoord te zien als een stap in de richting
van een definitieve afwikkeling van de remedy. De COR is niet
bekend met de details van het akkoord en kan derhalve geen
uitspraak doen in termen van positief of negatief. Wel heeft hij
zijn zorgen uitgesproken over het personeel van New HBU, de
consequenties voor de kapitaalpositie en het beslag op middelen. De
brief is als bijlage bij deze brief gevoegd.
De Nederlandsche Bank heeft kenbaar gemaakt dat zij het akkoord als
een wenselijke stap ziet naar een snelle afronding van de EC
remedy. Dit is niet zonder belang, omdat DNB voor de transactie een
verklaring van geen bezwaar moet afgeven. Daarbij zal zij onder
meer de kapitaalimplicaties in ogenschouw nemen. De brief van DNB
ligt ter vertrouwelijke inzage bij de griffie.
Het akkoord met Deutsche Bank kan snel worden uitgevoerd, waarna de
integratie van ABN AMRO en Fortis Bank Nederland meteen ter hand
kan worden genomen. Klanten en medewerkers krijgen uitzicht op een
sterke, stabiele bank met een focus op dienstverlening aan
Nederlandse bedrijven en particulieren. De Staat krijgt een bank
die als slanke en efficiënte speler, onder meer in het
mid-marketsegment, bijdraagt aan een sterke financiële sector.
Samengevat:
• Integratie van Fortis Bank Nederland en ABN
AMRO II is strategisch gezien het meest logische en financieel
meest gunstige scenario.
• Een remedy is daarbij onvermijdelijk. De
gepresenteerde remedy, een verkoop van New HBU en IFN Finance aan
Deutsche Bank, is goed uitvoerbaar, heeft de goedkeuring van de
Europese Commissie en heeft, afgezet tegen de te verwachten
opbrengsten van integratie, een positief nettovoordeel van
integratie na de remedy van circa € 2,88 mrd.
• Aanvaardbare alternatieven voor de remedy zijn
er niet.
• Het afwijzen van de strategische keuze of de
gekozen remedy brengt grote onzekerheid mee voor medewerkers en
klanten en leidt vrijwel zeker tot hoge kosten. Daarnaast worden
synergievoordelen van uiteindelijk € 1,1 mrd uit- of zelfs
afgesteld.
• Deze overeenkomst maakt het mogelijk de EC
remedy af te ronden, vooruit te kijken, de opbouw van een nieuwe
bank te starten en een tijd van grote onzekerheid af te sluiten.
3 Kapitaalbehoefte
3.1 Benodigd kapitaal en vormgeving
In juli j.l. heeft de Kamer, vooruitlopend op een definitief
kapitaalplan, ingestemd met een kapitalisatie van € 2,5 mrd. Op dat
moment was, zoals indertijd gemeld, de omvang van de totale
kapitaalbehoefte niet volledig in beeld. Inmiddels zijn de
besprekingen met ABN AMRO, Fortis Bank Nederland en andere
betrokkenen voldoende gevorderd om u een definitief voorstel voor
te leggen:
• De Nederlandsche Bank heeft kapitaaleisen en
nadere voorwaarden geformuleerd voor het N-share van ABN AMRO en
voor Fortis Bank Nederland. Aan de hand hiervan kunnen concrete
bedragen worden ingevuld om te voldoen aan die eisen. Verwacht
wordt dat deze bedragen ook toereikend zullen zijn voor de
kapitaaleisen na samenvoeging van ABN AMRO II en Fortis Bank
Nederland.
• De kosten van separatie staan voldoende vast.
Het gaat om de ontvlechting van het N-share uit het huidige ABN
AMRO-concern, het afwikkelen van de verplichtingen die voortvloeien
uit het ‘consortium shareholders' agreement’ tussen Banco
Santander, RBS en de Staat, en een kleinere post voor de separatie
van Fortis Bank Nederland uit het voormalige Fortis-concern.
• Voor de integratie van beide banken tot een
nieuwe ABN AMRO Group zijn kostenprognoses gemaakt die redelijk en
toereikend lijken om het beoogde doel te bereiken.
Een en ander leidt tot een nieuwe, en naar het zich laat aanzien
finale kapitaalbehoefte, waarbij € 1,4 mrd aan bestaande leningen
wordt omgezet in eigen vermogen en € 3,0 mrd contant zal worden
gestort. Deze kapitalisatie is nodig, wenselijk en verstandig. Voor
zover deze kapitalisatie voorziet in het financieren van separatie
en integratie heeft zij het karakter van een investering die
zichzelf in de vorm van een nieuwe, winstgevende bank zal
terugverdienen. Voor zover de kapitalisatie de kapitaalbasis van de
bank versterkt neemt de waarde van de bank navenant toe.
Uitgangspunten voor dit kapitaalplan waren dat de kapitalisatie:
• qua aard en hoogte beperkt blijft tot
noodzakelijke en onvermijdelijke kosten om een levensvatbare bank
neer te zetten, zodat concurrentieverstoring wordt vermeden;
• zich richt op incidentele en incrementele
posten, voortvloeiend uit de separatie en integratie van beide
banken, en in geen geval op structurele verliezen of 'new
business';
• eenmalig maar afdoende is, en dat eventuele
tegenvallers door de banken moeten worden opgevangen;
• bij alles voldoet aan de eisen van DNB en de
Europese Commissie.
Het totale beeld is als volgt:
Totaal kapitaalplan (€ mrd)
Kapitaalherijking Fortis Bank Nederland vanwege
tier-1-kapitaaleisen
Kapitaalversterking ABN AMRO vanwege Z-share 1,26
2,22
Separatiekosten en contractuele verplichtingen RFS
1,90
Integratiekosten 1,20
EC remedy 0,30
Totaal 6,88
Toegezegd in juli 2009 2,50
Resterende kapitaalbehoefte 4,38
Te realiseren door omzetting van leningen 1,35
Kapitaalbehoefte in contanten 3,03
Als toelichting kan over deze posten het volgende worden opgemerkt.
Kapitaalversterking
De Nederlandsche Bank stelt eisen aan de kapitaaldekking van de
Nederlandse banken. Afhankelijk van de portefeuille worden per bank
eisen gesteld aan de kapitaalratio's. Deze ratio’s worden mede
gebaseerd op doorrekeningen van stressscenario’s, waarbij DNB ervan
uitgaat dat de banken ook in bepaalde extreme scenario's moeten
voldoen aan minimumratio’s. Van de uitkomsten en aannames van de
macro-economische stresstests bent u op 28 september 2009 op de
hoogte gebracht (FM/2009/2076M). De kapitaaleisen per bank zijn
concurrentiegevoelig en op grond van de Wet op het financieel
toezicht bedrijfsvertrouwelijk.
DNB is van oordeel dat het totaal vermogen van Fortis Bank
Nederland op dit moment adequaat is, maar dat het tier-1-vermogen
moet worden versterkt om ook de zwaarste stressscenario's goed
te kunnen doorstaan. Daarvoor is een herijking van het kapitaal ten
gunste van het tier-1-kapitaal nodig van € 1,26 mrd.
ABN AMRO als geheel is op dit moment naar het oordeel van DNB
adequaat gekapitaliseerd. De splitsing zal echter belangrijke
verschuivingen van kapitaal teweegbrengen. Het huidige N-share zal
bij separatie middelen moeten achterlaten voor de afwikkeling van
het zgn. Z-share, waarin activiteiten zijn ondergebracht die niet
zijn toegewezen aan een van drie consortiumpartners. Over deze
verplichtingen bent u in juli j.l. uitvoerig geïnformeerd; in lijn
hiermee wordt ervan uitgegaan dat hiervoor een kapitaalaanvulling
vereist is van € 2,22 mrd.
Separatiekosten en contractuele verplichtingen
Voor de overige separatiekosten en contractuele verplichtingen zal
€ 1,90 mrd nodig zijn. De opbouw hiervan is als volgt:
• Binnen het consortium dient een definitieve
afrekening plaats te vinden van de bedrijfsonderdelen die eerder
zijn verdeeld onder de partners. Er is voor de afrekening een
bedrag van maximaal € 0,74 mrd voorzien, voortkomend uit onder meer
de definitieve afrekening van activa en passiva en van bij aankoop
onjuist gealloceerde activiteiten, op basis van afspraken tussen de
consortiumpartners die dateren van de tijd voor de Staat
aandeelhouder was.
• Met voldoende zekerheid kan inmiddels worden
vastgesteld dat de kosten van wederzijdse aansprakelijkheden,
'risk allocation letters', informatietechnologie,
projectmanagement en enkele andere posten zal leiden tot eenmalige
kosten aan de zijde van het N-share van € 0,48 mrd. Daarnaast wordt
rekening gehouden met het effect van een nieuwe money market desk,
omdat de nieuwe bank deze activiteit zelf zal moeten gaan opzetten.
De risicoblootstelling die dat meebrengt, vergt additioneel
kapitaal van € 0,09 mrd.
• De door de toezichthouder bepaalde
kapitaaleisen dienen te allen tijde nageleefd te worden. Daarom is
het gebruikelijk een prudentiële marge aan te houden. De algemene
onzekerheden en de inherente onzekerheden van het separatieproces
in overweging nemend maken het gewenst een prudentiële marge van €
0,50 mrd aan te leggen. Het N-share beschikt niet over de middelen
daartoe en de Staat zal daarvoor een tijdelijke oplossing moeten
bieden.
• De separatiekosten die Fortis Bank Nederland
nog moet maken, zijn aanzienlijk lager dan die van het N-share.
Voor de ontwikkeling van onder andere treasurysystemen, Bazel
II-modellen en licenties is € 90 mln nodig.
Integratiekosten
Voor de integratie van ABN AMRO II en Fortis Bank Nederland wordt
uitgegaan van een totale post van € 1,2 mrd na belastingen,
grotendeels te realiseren in 2010 en 2011. De opstelling en
uitsplitsing van dit bedrag wordt verder uitgewerkt, maar de omvang
wordt door de Staat als redelijk beschouwd. De integratiekosten
vormen een investering: ze zullen zichzelf terugverdienen.
Vormgeving van de kapitalisatie
De kapitaalversterking à € 1,26 mrd en de separatiekosten à € 90
mln voor Fortis Bank Nederland, totaal € 1,35 mrd, zullen
plaatsvinden door een storting op de (agioreserve van de) gewone
aandelen. Hiervoor zijn geen kasmiddelen nodig: de bank beschikt
over ruim voldoende tier-2-vermogen, onder andere vanwege de
langlopende leningen die de Staat vorig jaar heeft overgenomen van
het Fortis-concern. Van deze leningen zal € 1,35 mrd worden omgezet
in aandelenkapitaal, waardoor dit deel van de kapitalisatie met
gesloten beurzen kan plaatsvinden.
Van de resterende € 3,03 mrd wordt € 0,74 mrd beschikbaar gehouden
voor de afrekening tussen de consortiumpartijen. Dit bedrag wordt
in beginsel rechtstreeks tussen de partners verrekend. Valt de
afrekening lager uit, dan vloeit de meevaller rechtstreeks terug in
de staatskas.
De vormgeving van het resterende bedrag hangt mede af van de
ontwikkelingen binnen ABN AMRO in de komende maanden. Voor zover er
nog voor separatie middelen bij het N-share terecht dienen te
komen, zal worden aangesloten op de converteerbare obligatielening
(mandatory convertible notes of MCN) die afgelopen zomer in het
leven is geroepen: zo lang het N-share deel uitmaakt van het
huidige concern betreft het een lening, daarna wordt het van
rechtswege omgezet in gewone aandelen ABN AMRO II. Hiermee wordt
zeker gesteld dat de middelen alleen ten goede komen aan het
N-share. Middelen die na separatie worden gestort, kunnen als
kapitaal in ABN AMRO II worden ingebracht.
Tijdelijkheid
Bij de vormgeving van de kapitalisatie is het volgende nog van
belang. Van de totale kapitalisatie, dat wil zeggen inclusief de
kapitaalinjectie van afgelopen zomer, is een gedeelte slechts
tijdelijk van aard. Het betreft hier het ‘credit relief instrument’
of CRI, een garantie die de Staat afgelopen zomer heeft gegeven op
de hypotheekportefeuille van ABN AMRO II, waardoor zonder contante
storting € 1,7 mrd werd vrijgespeeld. Het CRI is voor ABN AMRO II
relatief duur (€ 169 mln per jaar) en is voornamelijk effectief zo
lang de kapitaaleisen mede worden geformuleerd op grond van Bazel
I. Dit maakt dat ABN AMRO II het instrument relatief snel zal
willen beëindigen, waarschijnlijk in 2010 of 2011.
Ik wil benadrukken dat de tijdelijkheid van de CRI niet zal leiden
tot problemen in de kapitaalpositie van de nieuwe bank. De
integratie van beide banken vergt een investering van € 1,2 mrd,
maar die zal snel zijn vruchten afwerpen. Daarnaast is het de
bedoeling dat de bank de prudentiële marge van € 0,5 mrd
uiteindelijk kan bekostigen uit de normale operationele
opbrengsten; de financiering hiervan is slechts tijdelijk. Aldus
staat in de volledige kapitalisatie tegenover een tijdelijke
financiering van € 1,7 mrd een tijdelijke kapitaalbehoefte van €
1,7 mrd. Het is aan de bank zelf om het moment van beëindiging van
de CRI te bepalen, maar de hierboven genoemde prijsstelling zorgt
ervoor dat de bank het instrument niet langer gebruikt dan nodig.
3.2 Budgettaire gevolgen voor EMU-saldo en
EMU-schuld
EMU-schuld
De herkapitalisatie van juli 2009 en het voorliggende kapitaalplan,
totaal € 6,88 mrd, leiden voor € 3,03 mrd (0,5% bbp) tot een
verhoging van de EMU-schuld. Dit bedrag is de som van de contante
betalingen die uit hoofde van de herkapitalisatie zijn aangekondigd
in deze brief, zijnde de verrekening met RFS (€ 0,74 mrd) en
additionele MCN óf aandelenkapitaal (€ 2,29 mrd).
Een bedrag van € 3,85 mrd komt niet (additioneel) ten laste van de
EMU-schuld. Voor € 1,7 mrd betreft dit het capital relief
instrument (CRI), voor € 0,8 mrd de MCN die in juli reeds is
toegezegd en voor € 1,35 mrd de kapitaalversterking van Fortis Bank
Nederland via een omzetting van vreemd vermogen in eigen vermogen.
Het CRI is een garantie-instrument zonder directe kasuitgaven en
dus zonder directe gevolgen op de EMU-schuld. De in juli toegezegde
MCN van € 0,8 mrd is ten tijde van de Miljoenennota al in de
EMU-schuld verwerkt. De kapitaalverstrekking aan Fortis Bank
Nederland zal via gesloten beurzen geschieden en dus zonder
additionele gevolgen voor de EMU-schuld: Fortis Bank Nederland lost
een langlopende lening aan de Staat af, die vervolgens als
aandelenvermogen wordt ingebracht.
EMU-saldo
Het effect op het EMU-saldo wordt bepaald door het CBS en Eurostat.
Als de herkapitalisatie door de statistische bureaus als een
‘financiële transactie’ wordt beschouwd, dan heeft deze geen effect
op het EMU-saldo. Van belang hierbij zijn de Eurostat-ruling over
transacties samenhangende met de financiële crisis en de
Eurostatregels over kapitaalinjecties in overheidsbedrijven. Deze
regels eisen (a) dat er voldoende rendement over de
herkapitalisatie behaald gaat worden en (b) dat de totale
investeringen in een financiële instelling (initiële aankoop en
kapitaalinjecties) de marktprijs niet te boven gaat. Hoewel op
voorhand lastig te voorspellen is hoeveel rendement er behaald zal
gaan worden, mag er op langere termijn van worden uitgegaan dat de
nieuwe bank, mede door omvangrijke synergievoordelen, aan deze
voorwaarden zal voldoen. Het is echter denkbaar dat het CBS en
Eurostat zullen oordelen dat de financiële resultaten vooraf
onvoldoende hard te maken zijn. In dat geval zal éénmalig een
bedrag van € 5,18 mrd (0,9% bbp) ten laste van het EMU-saldo worden
gebracht.
Het CRI van € 1,70 mrd heeft geen effect op het EMU-saldo, zolang
de garantie niet wordt ingeroepen. Voorwaardelijke verplichtingen
als garanties tellen conform de Europese regels niet mee in de
berekening van het EMU-saldo.
Effect op het uitgavenkader
Alle uitgaven en ontvangsten samenhangende met de herkapitalisatie
tellen conform de gewijzigde begrotingsregels 2007-2011 niet mee
voor het uitgavenkader.
Budgettaire verwerking in de begroting van het ministerie van
Financiën
De herkapitalisatie vergt aanpassingen in de begroting van het
ministerie van Financiën. Wanneer het exacte moment waarop de
herkapitalisatie plaatsvindt bekend is, zullen deze aanpassingen
ter autorisatie worden opgenomen in de eerstvolgende (suppletoire)
begrotingswet. Verantwoording zal plaatsvinden op begrotingsartikel
3 (Financieringsactiviteiten publiek-private sector) van begroting
IXB onder operationele doelstelling 4 en op begrotingsartikel 1
(Financiering Staatsschuld) van begroting IXA.
3.3 Aanvullende voorwaarden beloningen
Op 26 juni 2009 werd u reeds gemeld dat aan de herkapitalisatie van
ABN AMRO voorwaarden waren verbonden ten aanzien van de beloningen
van het bestuur en het senior management en aan het beloningsbeleid
van ABN AMRO II. Deze waren in lijn met, en gingen op sommige
punten verder dan, de afspraken die zijn gemaakt bij de
kapitaalinjecties bij AEGON, ING en SNS REAAL. De voorwaarden die
ik bij de herkapitalisatie van ABN AMRO heb gesteld gaan nu ook
gelden voor Fortis Bank Nederland.
Eerder is afgesproken dat de gecombineerde bank een nieuw en
duurzaam beloningsbeleid zal ontwikkelen voor de raad van bestuur
en het senior management. Deze afspraak blijft onverminderd van
kracht. Dit nieuwe beloningsbeleid zal vanzelfsprekend voldoen aan
de Code Banken en andere nieuwe internationale standaarden, zoals
de afspraken die zijn gemaakt op de G20 in Pittsburgh. Het
beloningsbeleid voor de nieuwe raad van bestuur wordt de
aandeelhouder zoals gebruikelijk ter vaststelling voorgelegd. Met
de beoogde raad van bestuur en raad van commissarissen van de
gecombineerde bank is afgesproken dat de Staat in deze bijzondere
omstandigheden ook het nieuwe beloningsbeleid voor het senior
management wil kunnen beoordelen.
Aanvullend, en deels in lijn met het ‘herenakkoord’ en de brief van
26 juni 2009 over de herkapitalisatie van ABN AMRO, zijn in het
kader van de herkapitalisatie van Fortis Bank Nederland de volgende
afspraken gemaakt ten aanzien van de beloningen bij de bank:
• De leden van de raad van bestuur van Fortis
Bank Nederland, alsmede de beoogde leden van de raad van bestuur
van de gecombineerde bank, zien af van elke vorm van variabele
beloning over 2009 en zolang nog geen sprake is van bovengenoemd
nieuw, duurzaam beloningsbeleid.
• De vertrekregelingen van de beoogde leden van
de raad van bestuur van de gecombineerde bank worden gemaximeerd op
één vast jaarsalaris.
• In 2009 en zolang nog geen sprake is van een
nieuw, duurzaam beloningsbeleid wordt de grootst mogelijke
terughoudendheid betracht met variabele beloningen voor het senior
management van Fortis Bank Nederland. Feitelijk betekent dit dat
daar waar variabele beloning voor het senior management
onvermijdelijk is, deze op het laagst mogelijke niveau wordt
vastgesteld en in ieder geval lager zal zijn dan in 2008 (zowel in
totale omvang als gemiddeld per medewerker).
• Met senior managers van de gecombineerde bank
worden voortvarend nieuwe arbeidsovereenkomsten afgesloten, waarbij
vertrekregelingen worden gemaximeerd op één vast jaarsalaris. De
rechten van senior managers die op grond van hun arbeidsverleden en
op basis van de nieuwe kantonrechtersformule aanspraak kunnen maken
op meer dan één vast jaarsalaris worden bevroren.
4 Oprichting moedermaatschappij
4.1 Achtergrond en juridische vormgeving
Volgens de huidige planning zal in het voorjaar van 2010 het
N-share van ABN AMRO worden afgesplitst door de desbetreffende
activiteiten onder één vennootschap te concentreren en die
vennootschap vervolgens buiten het huidige concern te plaatsen.
Deze entiteit, de hiervoor genoemde ABN AMRO II, zal vervolgens met
Fortis Bank Nederland worden gecombineerd en geïntegreerd tot één
nieuwe bank, die grotendeels zal opereren onder de handelsnaam ABN
AMRO. Deze stappen zijn uiteraard onderhevig aan de goedkeuring van
De Nederlandsche Bank.
De Staten-Generaal is op grond van artikel 34, eerste en vijfde
lid, Cw betrokken bij deze transacties. Zou ABN AMRO II zonder
nadere maatregelen uit het huidige concern worden geplaatst, dan
komt een nieuwe staatsdeelneming tot stand waarvoor uw
(stilzwijgende) goedkeuring is vereist. Een directe deelneming in
ABN AMRO II is echter niet wenselijk: bestaande financiële
instrumenten vereisen de garantie van een moedermaatschappij, en
het is onwenselijk dat de Staat die op zich neemt. In juni j.l. heb
ik de Kamer geschreven dat het de voorkeur heeft beide banken zo
snel mogelijk onder een gezamenlijke moedermaatschappij te brengen,
en het ligt voor de hand dat met ABN AMRO II direct bij
uitplaatsing te doen.
Vanuit bestuurlijk oogpunt maakt het weinig uit of die
moedermaatschappij een bestaande nv van een van beide banken is of
dat een nieuwe kapitaalvennootschap wordt opgericht. Om praktische
redenen – huiselijk gezegd: starten met een schone lei – wordt
ervoor gekozen een nieuwe nv op te richten. Op de oprichting
daarvan is dezelfde goedkeuringsprocedure van toepassing. De
oprichting wordt hierbij ter goedkeuring aan de Staten-Generaal
voorgelegd.
In lijn met het voornemen de handelsnaam ABN AMRO te handhaven, zal
de moedermaatschappij de naam ABN AMRO Group N.V. krijgen. Vanaf
het moment dat beide banken zijn ondergebracht onder de nieuwe
holding en De Nederlandsche Bank daarmee instemt, kan de raad van
bestuur de daadwerkelijke integratie ter hand nemen. In de praktijk
kan die een groot aantal transacties tussen de dochterondernemingen
met zich brengen: uitwisseling van activa en passiva, fusie,
overdracht van personeel, et cetera. De aandeelhoudersvergadering
is daarbij, in lijn met de beginselen van het ondernemingsrecht,
slechts op hoofdlijnen betrokken.
Conform artikel 34, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 is
met de Algemene Rekenkamer overleg gevoerd over de voorgenomen
oprichting van de nieuwe moedermaatschappij. De Algemene Rekenkamer
gaat in haar reactie vooral in op een aantal principiële punten die
betrekking hebben op haar bevoegdheden bij toezichthouders in de
financiële sector en bij (middellijke) deelnemingen. De Rekenkamer
heeft mij verzocht haar taken en bevoegdheden bij ABN AMRO Group
N.V. bij overeenkomst te regelen, in afwachting van herziening van
de Comptabiliteitswet 2001. De brief van de Rekenkamer treft u als
bijlage bij deze brief; de inhoud zal, als gevraagd, worden
betrokken bij de aangekondigde herziening van de
Comptabiliteitswet. In overleg met Algemene Rekenkamer en de op te
richten ABN AMRO Group zullen afspraken worden gemaakt over
uitoefening van taken en bevoegdheden door de Algemene Rekenkamer.
4.2 Positie andere kapitaalverschaffers
Het aandelenkapitaal van Fortis Bank Nederland kent naast gewone
aandelen preferente aandelen A en B. De Staat houdt 100% van de
gewone aandelen en van de preferente aandelen B en heeft daarmee
effectief volledige zeggenschap in de aandeelhoudersvergadering.
De preferente aandelen A zijn via FBN(H) Preferred Investments B.V.
in handen van de Staat en twee institutionele beleggers. Het
staatsbelang in Fortis Bank Nederland is met inbegrip van deze
preferente aandelen 97,8%. Het gaat hier om een structuur die
enkele jaren geleden voor de investeerders is opgezet als (vrijwel)
vastrentende waarde voor de investeerders, en tegelijkertijd voor
Fortis Bank Nederland tier-1-kapitaal creëerde. Dergelijk ‘hybride
kapitaal’ is niet ongebruikelijk in de financiële wereld, maar kan
nu de integratie van beide banken bemoeilijken. Volledige
integratie, met inbegrip van een zogenaamde fiscale eenheid, is
alleen mogelijk als het volledige belang in Fortis Bank Nederland
kan worden ondergebracht in de nieuwe ABN AMRO Group.
De Staat is hierover in overleg met de medeaandeelhouders. Dit zal
naar verwachting pas na de oprichting van de ABN AMRO Group
uitmonden in een concreet resultaat. Denkbaar is dat deze partijen
een vergelijkbare positie als de huidige krijgen in het kapitaal
van ABN AMRO Group. Voor de governanceverhoudingen zal dit de
komende jaren geen verschil maken; de Staat zal de zeggenschap in
de aandeelhoudersvergadering behouden.
4.3 Raad van bestuur en raad van commissarissen
Het kabinet heeft in november 2008 oud-minister Zalm gevraagd te
zijner tijd de leiding te nemen over de nieuw te vormen bank. Het
afgelopen jaar is in overleg met de Staat een transitieteam
gevormd. Het ligt in de bedoeling de leden van dit transitieteam te
benoemen tot bestuurders van ABN AMRO Group.
De afgelopen maanden is tevens gewerkt aan de samenstelling van een
raad van commissarissen. Hiertoe is de heer Lindenbergh, in
november 2008 aangezocht als president-commissaris, uitgenodigd een
voorstel te doen. De heer Lindenbergh heeft zich gebaseerd op de
functieprofielen zoals die al voorhanden waren bij ABN AMRO.
Daarnaast hebben de ondernemingsraden van ABN AMRO en Fortis Bank
Nederland gebruik gemaakt van hun aanbevelingsrecht. Gestreefd is
naar ruime kennis van het bankwezen, het bedrijfsleven in het
algemeen en, in aanvulling op het functieprofiel, het snijvlak van
publiek en privaat. Ik neem het voorstel van de heer Lindenbergh,
inclusief de aanbevelingen van de ondernemingsraden, graag over en
zal bij oprichting, onder voorbehoud van de toetsing door De
Nederlandsche Bank, de volgende personen als commissaris benoemen:
– Hessel Lindenbergh, voorzitter, voormalig lid
van de raad van bestuur van ING Groep;
– Hans de Haan, voormalig partner van Ernst &
Young;
– Steven ten Have, hoogleraar strategie en
verandering aan de Vrije Universiteit en partner van Ten Have
Change Management;
– Bert Meerstadt, president-directeur Nederlandse
Spoorwegen;
– Erik van de Merwe, voormalig CEO Fortis Bank
Nederland en CFO Fortis Bank Group;
– Marjan Oudeman, executive director Corus Strip
Products Division;
– Annemieke Roobeek, hoogleraar strategie en
transformatiemanagement aan Universiteit Nyenrode en
directeur-eigenaar van MeetingMoreMinds;
– Peter Wakkie, lid van de raad van bestuur
Koninklijke Ahold.
4.4 Corporate governance
De nieuwe holding wordt aangemerkt als grote onderneming, waarop de
structuurregeling (art. 2:158 e.v. Burgerlijk Wetboek) van
toepassing is. De wet biedt de mogelijkheid de toepassing daarvan
enkele jaren uit te stellen. Vanuit het oogpunt van een
volwaardige, goed functionerende raad van commissarissen is evenwel
besloten direct vanaf de oprichting het verlichte structuurregime
in te voeren. Als gevolg hiervan kan de Staat rechtstreeks
bestuurders benoemen en ontslaan. Deze bevoegdheid zal zodanig
worden ingevuld dat steeds nauwgezet overleg met de raad van
commissarissen zal worden gepleegd.
Hoewel de aandelen van ABN AMRO Group vooralsnog niet aan de beurs
worden genoteerd, zal de Corporate Governance Code
(code-Tabaksblat) waar mogelijk worden gevolgd. Dit is ook in lijn
met het deelnemingenbeleid van de Rijksoverheid. Daarnaast zal de
vennootschap de nieuwe Code Banken toepassen.
Wat betreft de inrichting van het aandeelhouderschap aan de zijde
van de Rijksoverheid heeft de Kamer de regering in een motie
verzocht in overleg met het parlement een kleine en effectieve
organisatie in te stellen, belast met de uitoefening van
aandeelhouders-, aansturings- en beheerstaken, om de belangen van
de Staat der Nederlanden optimaal te dienen (motie-Weekers c.s.,
Kamerstukken II 2008/09, 31 965, nr. 7). In mijn brief van 24
september jl. heb ik u voor dit najaar een schets van een
dergelijke organisatie in het vooruitzicht gesteld (Kamerstukken II
2009/10, 28 165, nr. 100). Deze schets verwacht ik u eind deze
maand te sturen.
5 Vervolg
5.1 Vervolgstappen
De komende weken zullen de details van de koop- en
verkoopovereenkomst voor de remedytransactie met Deutsche Bank
worden besproken. Alvorens de koopovereenkomst kan worden getekend,
dient aan een aantal opschortende voorwaarden te worden voldaan,
waaronder het akkoord van de raad van bestuur van ABN AMRO, de
raden van commissarissen van ABN AMRO en Deutsche Bank en de
centrale ondernemingsraad van ABN AMRO. Tevens is een akkoord nodig
van de consortiumpartners, RBS en Santander. Het streven is om voor
het einde van het jaar een koop- en verkoopovereenkomst te
ondertekenen.
Ná ondertekening van de definitieve koopovereenkomst moet nog aan
een aantal voorwaarden zijn voldaan om tot afronding van de
transactie te komen. Deze voorwaarden zijn, voor zover daar eerder
al niet aan is voldaan, dat:
het voornemen beide banken te integreren nog
steeds bestaat;
DNB, Europese Commissie, consortiumpartners en
Tweede Kamer hun goedkeuring geven;
voldaan is aan de vereisten krachtens de Wet op
de ondernemingsraden;
de Commissie akkoord is met de voorliggende
remedy en bevestigt dat deze voldoende herstructurering vormt ter
compensatie van de diverse steunmaatregelen voor Fortis Bank
Nederland en ABN AMRO en de integratie van beide banken;
zich geen belangrijke negatieve ontwikkelingen
('material adverse changes') voordoen binnen New HBU of IFN
Finance.
Nadat aan deze opschortende voorwaarden is voldaan, kan de
overdracht van aandelen plaatsvinden. Op dit moment wordt verwacht
dat dit in het voorjaar van 2010 zal plaatsvinden. Na closing en
akkoord van De Nederlandsche Bank kunnen beide banken direct
starten met de integratie.
Benadrukt moet worden dat De Nederlandsche Bank bij al het
voorgaande een bepalende rol zal hebben. De toezichthouder zal het
integratieplan moeten beoordelen, een bankvergunning aan ABN AMRO
II moeten verlenen en andere cruciale beslissingen moeten nemen om
afsplitsing (segregatie) en overdracht aan de nieuwe groep
(separatie) mogelijk te maken. Hoewel de functie van de
onafhankelijke toezichthouder voor zich spreekt en hierboven niet
telkens is genoemd, zij voor de volledigheid vermeld dat alle
voornemens tot integratie ook afhangen van zijn goedkeuring.
5.2 Gevolgen van besluitvorming in de Tweede
Kamer
De afgelopen week hebben het transitieteam, de ondernemingsraad van
New HBU en de directie van New HBU per brief aangegeven ingenomen
te zijn met de ondertekening van het principeakkoord. De overheid,
dat wil zeggen regering en parlement, moeten nu hun
verantwoordelijkheid nemen om de toekomst van de gecombineerde bank
veilig te stellen. Daarbij zijn de EC remedy, de herkapitalisatie
en de oprichting van een nieuwe moedermaatschappij van cruciaal
belang.
Ik stel de Kamer voor akkoord te gaan met de nu voorliggende
voorstellen. Afwijzing zou een reeks negatieve gevolgen hebben:
• Het terugdraaien van de reeds gemaakte
strategische keuzes zou grote onzekerheid creëren bij klanten en
medewerkers. Er is geen enkel zicht op een strategisch alternatief
met een financieel gunstiger uitkomst. Stand-alonescenario’s
brengen hoge kosten met zich mee. Synergievoordelen van
uiteindelijk € 1,1 mrd blijven daardoor uit of worden ernstig
vertraagd.
• Het opnieuw verkennen van alternatieven voor de
EC remedy, zonder enige kans op een beter resultaat of instemming
van de Europese Commissie, heeft geen zin. Een aanvaardbaar
alternatief is er niet. Het zou ook niet worden begrepen in de
markt en de geplande integratie sterk vertragen, met alle gevolgen
van dien.
• Het geheel of gedeeltelijk weigeren van de
herkapitalisatie zou ertoe kunnen leiden dat de Staat niet tegemoet
kan komen aan contractuele verplichtingen, dat de betrokken
bankvergunningen in gevaar komen of dat integratie praktisch
onmogelijk wordt.
Met het bovenstaande hoop ik de Tweede Kamer een volledig beeld te
hebben gegeven van de nu voorliggende beslissingen rond EC remedy,
kapitalisatie en oprichting van een nieuwe vennootschap.
De minister van Financiën,
Wouter Bos
Meer informatie