U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Ons kenmerk: DB/2009/641 U
Betreft: Toezeggingen beleggingsinstellingen
Geachte voorzitter,
Tijdens de plenaire behandelingen van de wetsvoorstellen inzake wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enkele andere belastingwetten in verband met de introductie van een regeling voor vrijgestelde beleggingsinstellingen en een aanpassing van de eisen voor beleggingsinstellingen met uitdelingsverplichting (30 533) en inzake wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 teneinde beleggingsinstellingen de mogelijkheid te bieden om vastgoed te ontwikkelen ten behoeve van de eigen portefeuille (30 689) zijn drie toezeggingen gedaan[1]. Met deze brief los ik deze beloften in.
De heer De Nerée tot Babberich heeft verzocht om een
geactualiseerde vergelijking van de fondsenregimes in de
voornaamste andere landen waar deze fondsen gevestigd zijn.
Ten opzichte van het destijds gegeven schematische overzicht[2]
zijn geen grote wijzigingen opgetreden. De belangrijkste
wijzigingen betreffen het Nederlandse regime voor fiscale
beleggingsinstellingen met een uitdelingsverplichting. De in het
schema opgenomen teruggaafregeling van Nederlandse
dividendbelasting en de tegemoetkoming voor buitenlandse
bronbelasting zijn met ingang van 1 januari 2008 komen te
vervallen[3]. Daarvoor in de plaats is in artikel 11a van de Wet op
de dividendbelasting 1965 een afdrachtvermindering
dividendbelasting opgenomen. Deze afdrachtvermindering houdt in dat
de beleggingsinstelling op de door haar af te dragen
dividendbelasting een vermindering mag toepassen ter grootte van de
dividendbelasting die ten laste van haar is ingehouden. Er wordt
geen onderscheid gemaakt met ten laste van de fiscale
beleggingsinstelling ingehouden en drukkende buitenlandse
bronbelasting; deze kan ook in aanmerking worden genomen bij de
berekening van de afdrachtvermindering.
Mevrouw Dezentjé Hamming heeft verzocht om een evaluatie aan de
hand waarvan kan worden nagegaan of de toegestane
beleggingsactiviteiten van de vrijgestelde beleggingsinstelling
voldoende op de praktijk aansluiten.
In de praktijk is gebleken dat de toegestane beleggingsinstrumenten
in het algemeen voldoen. In één casus bestond echter
onduidelijkheid of een vrijgestelde beleggingsinstelling gedurende
langere tijd vrijwel uitsluitend mag beleggen in banktegoeden. Om
buiten kijf te stellen dat dit inderdaad mogelijk is, is artikel
6a, derde lid, van de Wet Vpb 1969 met ingang van 1 januari 2009 in
die zin aangepast[4].
De heer De Nerée tot Babberich heeft gevraagd om een
geactualiseerde vergelijking van de regimes voor
vastgoedbeleggingsinstellingen.
De European Public Real Estate Association (EPRA) heeft in
september 2009 een nieuw rapport gepubliceerd. Het belangrijkste
nieuws is dat Spanje en Finland sinds 2009 eveneens een REIT-regime
kennen. Hieronder volgt een schematische vergelijking van deze
nieuwe regimes met het Nederlandse FBI-regime.
| Spanje | Finland | Nederland | |
|---|---|---|---|
| Regime | SOCIMI | REIT | FBI |
| Minimum kapitaal | € 15.000.000 | € 5.000.000 | € 18.000 (BV) |
| Verplichte beursnotering | Ja | Ja | Nee |
| Beleggingseisen | Min. 80% in vastgoed(fondsen) en ten minste drie onroerende zaken | Min. 80% in vastgoed(fondsen) | Geen |
| Projectontwikkeling toegestaan | Ja, mits houdtermijn van 7 jaar | Ja, mits t.b.v. eigen portefeuille | Ja, via dochtermaatschappij mits t.b.v. eigen portefeuille |
| Financieringslimiet (in % van bezittingen) | 70% | 80% | 60% |
| Uitdelingsverplichting | 90% van netto-inkomen plus 50% van vermogenswinsten (restant herinvesteren) | 90% van netto-inkomen incl. vermogenswinsten (evt. 40% reserveren voor herinvestering) | 100% van netto-inkomen (vermogenswinsten uitgezonderd) |
| Winstbelasting | 18% | Vrijgesteld | 0% |
Hierbij is ook nog van belang dat in elk geval het Finse regime niet open staat voor buitenlandse REITs en dat op de Finse dividenden een bronheffing wordt ingehouden van 28%. Voorts kent dit regime geen tegemoetkoming voor buitenlandse bronheffingen die drukken op inkomsten van de Finse REIT.
Sinds 1 januari 2009 is het Nederlandse FBI-regime op een aantal punten versoepeld[5]. Onder beleggen door een FBI wordt mede begrepen het verstrekken van garanties ten behoeve van met de beleggingsinstelling verbonden vastgoedlichamen. Ook het uitlenen van bij derden (bijvoorbeeld een bank) aangetrokken gelden aan met de beleggingsinstelling verbonden vastgoedlichamen is toegestaan. Voorts is geregeld dat voor de toepassing van de financieringslimiet zowel de van derden ingeleende gelden (voor zover die worden doorgeleend), als de vordering die bij het doorlenen ontstaat op de verbonden lichamen, buiten beschouwing worden gelaten.
In de praktijk is nog de vraag opgekomen of een garantieverstrekking door de FBI van verplichtingen jegens derden van de projectontwikkelingsdochter kwalificeert als beleggen. Naar mijn mening kan deze vraag bevestigend worden beantwoord. Op grond van artikel 28, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb 1969, wordt het houden en besturen van de projectontwikkelingsdochter als beleggen aangemerkt. Het afgeven van een garantie door een moeder ten behoeve van een (projectontwikkelings)dochter ligt in het verlengde daarvan. Overigens wordt het verstrekken van garanties ten behoeve van met de FBI verbonden vastgoedlichamen op grond van artikel 28, derde lid, onderdeel c, van de Wet Vpb 1969, reeds expliciet als beleggingsactiviteit aangemerkt.
Hoogachtend,
de staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager
[1] Handelingen II , 2006/07, 30 533, blz. 2472 en Handelingen
II, 2006/07, 30 689, blz. 3325.
[2] TK 2006/07, 30533, nr. 7, blz. 3.
[3] Wet Overige fiscale maatregelen 2008.
[4] Fiscale Onderhoudswet 2009.
[5] Overige Fiscale Maatregelen 2009.
Kamerbrief |
09-11-2009
|
PDF bestand, 34 Kb