U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Kamerstukken
Stand van zaken onderzoek belastingplicht overheidsbedrijven
Kamerbrief |
12-01-2010 |
Vennootschapsbelasting, Bedrijven en ondernemers
De voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Betreft nadere notitie belastingplicht
overheidsbedrijven
Ons kenmerk
DB/2009/573 U
Uw brief (kenmerk)
31213-5/2009D42754
Geachte voorzitter,
Tijdens een algemeen overleg inzake de notitie over belastingplicht
overheidsbedrijven [1] heb ik toegezegd een nader onderzoek te doen
naar de voor- en nadelen van de zogenaamde ondernemingsvariant. De
vaste commissie voor Financiën heeft bij brief van 9 september 2009
verzocht dit onderzoek nog dat jaar aan uw Kamer te sturen. Het
inventariseren en duiden van de feiten blijkt buitengewoon complex
te zijn. Het onderzoek is dan ook nog niet afgerond. Over de
voortgang van het onderzoek kan ik al wel het volgende mededelen.
In de aan de Kamer verzonden notitie over belastingplicht
overheidsbedrijven zijn vier varianten voor het vormgeven van de
belastingplicht voor overheidsbedrijven besproken:
1. de indirecte-ondernemingsvariant die de
opheffing van de vrijstelling voor indirecte overheidsbedrijven
behelst;
2. de ondernemingsvariant die uitgaat van een
belastingplicht indien en voor zover sprake is van een onderneming;
3. de verdringingsvariant die uitgaat van
belastingplicht voor zover sprake is van verdringing van
belastingplichtige ondernemingen; en
4. de specifieke opsommingsvariant waarin de
lijst met belaste activiteiten wordt uitgebreid.
Tijdens genoemd algemeen overleg inzake de notitie belastingplicht
overheidsbedrijven heb ik geconstateerd dat een meerderheid van de
Kamer een voorkeur lijkt te hebben voor de ondernemingsvariant
(variant 2). Naar aanleiding hiervan heb ik toegezegd om een nader
onderzoek te doen naar de voor- en nadelen van genoemde variant.
Hierbij zouden de gevolgen in kaart gebracht worden voor de
verschillende indirecte en directe overheidsbedrijven van de tot
dan toe theoretisch uitgewerkte ondernemingsvariant. Om ongewenste
effecten te voorkomen, is toegezegd in het kader van dit onderzoek
eveneens de bestaande vrijstellingen opnieuw tegen het licht te
houden. Tevens zou nader onderzoek gedaan worden naar het
BTW-plichtig maken van overheidsbedrijven. De mogelijkheden en
onmogelijkheden van het betalen van BTW en overdrachtsbelasting
door overheidsinstellingen zouden hierin worden betrokken.
Kort gezegd houdt de ondernemingsvariant in dat indirecte
overheidsbedrijven [2] voor zover het NV’s en BV’s betreft waarvan
100% van de aandelen onmiddellijk of middellijk in handen is van
een Nederlands publiekrechtelijk lichaam, integraal
belastingplichtig worden; stichtingen of verenigingen waarvan
bestuurders uitsluitend door een Nederlands publiekrechtelijk
rechtspersoon kunnen worden benoemd en ontslagen, worden dat alleen
voor zover zij in fiscale zin een onderneming drijven. Directe
overheidsbedrijven [3] zullen in beginsel op dezelfde wijze
belastingplichtig worden als stichtingen en verenigingen.
Met deze variant wordt er in beginsel een volledig gelijk speelveld
gecreëerd. Daar tegenover staat dat hij wel een toename van de
administratieve lasten tot gevolg heeft. Deze toename van
administratieve lasten vloeit voort uit de aangifteplicht voor de
vennootschapsbelasting die voor zowel directe als indirecte
belastingplichtige overheidsbedrijven ontstaat. Voor directe
overheidsbedrijven die belastingplichtig worden, komt daarbij dat
zij een aparte boekhouding bij moeten gaan houden.
Om een beeld te krijgen van de indirecte overheidsbedrijven van het
Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen bieden de
beschikbare overzichten van de participaties van deze
overheidsinstellingen een handvat. Bij participaties van 100% van
de aandelen in BV’s en NV’s is dit relatief eenvoudig. In de
gevallen dat een gemeente bijvoorbeeld 30% van de aandelen in een
NV of BV bezit, ligt dit echter al minder eenvoudig. Immers, in die
gevallen dient nagegaan te worden wie de andere aandeelhouders zijn
alvorens tot de conclusie te kunnen komen of sprake is van een
overheidsbedrijf [4]. Bij stichtingen en verenigingen is het
lastig. Daar dient onder andere nagegaan te worden of bestuurders
uitsluitend door een Nederlands publiekrechtelijk rechtspersoon
kunnen worden benoemd en ontslagen, alvorens tot de conclusie te
kunnen komen dat sprake is van een indirect overheidsbedrijf.
Het in kaart brengen van de directe overheidsbedrijven is nog
lastiger. Binnen de verschillende ministeries, provincies en
gemeenten dient namelijk gezocht te worden naar onderdelen die
kwalificeren als een direct overheidsbedrijf.
Voor dit onderzoek is allereerst inzicht nodig in de verschillende
sectoren waarbinnen overheidsbedrijven kunnen voorkomen, zoals de
zorg, het onderwijs, het vervoer en de afvalverwerking. Vervolgens
dient zo nauwkeurig mogelijk in beeld gebracht te worden welke
activiteiten er door de verschillende overheidslichamen in deze
sectoren worden uitgeoefend, en welke daarvan een bedrijfsmatig
karakter hebben. In dit kader is overleg gevoerd met andere
departementen en de lagere overheden (via de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg). Tevens is
deze organisaties om informatie verzocht. Ook zijn gegevens uit
openbare bronnen, zoals jaarverslagen, verzameld. Daarbij blijken
de bedrijfsmatige activiteiten van overheidsorganisaties zeer
moeilijk af te bakenen te zijn van de niet-bedrijfsmatige
activiteiten. Immers, overheidsorganisaties houden meestal geen
aparte administratie bij van hun bedrijfsmatige activiteiten. Om
die reden alleen al kost het achterhalen van de relevante gegevens
zeer veel tijd.
Ten slotte moet worden beoordeeld of deze bedrijfsmatige
activiteiten voldoen aan de criteria voor het drijven van een
onderneming in fiscale zin. Een onderneming is aanwezig indien
sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, die
gericht is op deelname aan het economische verkeer met het oogmerk
daarbij winst te behalen of, bij afwezigheid van een winstoogmerk,
in concurrentie treedt. Indien een overheidsorganisatie in
concurrentie kan treden met belastingplichtigen is (theoretisch
gezien) al sprake van een onderneming.
Zowel bij directe als indirecte overheidsbedrijven (gedreven in de
stichting / vereniging vorm) zullen de feiten steeds moeten worden
geduid ter beoordeling of aan de criteria is voldaan. Met name de
feiten die relevant zijn voor de criteria deelname aan het
economische verkeer en het behalen van winst dan wel in
concurrentie treden, zijn in concrete situaties niet altijd
eenvoudig te duiden. Met betrekking tot het criterium van het
behalen van winst vormt de beperkte beschikbaarheid van
cijfermatige informatie een struikelblok. Wat de criteria deelname
aan het economische verkeer en in concurrentie treden betreft, is
de moeilijkheid gelegen in de vraag hoe ruim deze in specifieke
situaties moeten worden opgevat.
In sommige gevallen lijkt het evident dat sprake is van een
onderneming. Een voorbeeld binnen het onderwijs vormt het aanbieden
van opfriscursussen tegen marktprijzen. Immers, behalve dat er
mogelijk sprake is van een winstoogmerk, treedt een
onderwijsinstelling in een dergelijk geval direct in concurrentie
met andere aanbieders op deze markt. In andere gevallen ligt dat
veel minder duidelijk. Als voorbeeld binnen het gevangeniswezen kan
worden genoemd het in de markt afzetten van door gevangenen
vervaardigde producten. Vraag is of daar sprake is van een
winstoogmerk. Is dat niet het geval dan is de vervolgvraag of er
wel in concurrentie getreden wordt. Een bevestigend antwoord leidt
vervolgens tot de vraag of deze activiteiten die er mede op zijn
gericht gevangenen voor te bereiden op de terugkeer in de
maatschappij, een algemeen maatschappelijk belang dienen dat valt
onder een bestaande vrijstelling, of waarvoor bijvoorbeeld mogelijk
een vrijstelling geformuleerd zal moeten worden. Alvorens hier een
verdere uitspraak over te kunnen doen, is nadere specifieke
informatie nodig. Ten slotte zijn er activiteiten van zeer geringe
omvang. Gedacht kan worden aan het heffen van bescheiden
entreegelden voor een rondleiding in een vuurtoren. In dergelijke
situaties is niet op voorhand duidelijk of sprake is van een
onderneming. De vraag die dan rijst, is of het wel wenselijk is om
activiteiten van zo’n kleine omvang in de belastingheffing te
betrekken.
Vanwege de hierboven genoemde redenen konden enerzijds de relevante
gegevens nog niet voldoende worden geïnventariseerd en anderzijds
de feiten ten behoeve van de beoordeling van de criteria nog niet
voldoende worden geduid. Ik verzoek uw Kamer dan ook om wat ruimte
te geven, zodat ik het onderzoek waarom de Kamer heeft verzocht in
goede orde kan afronden.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
[1] Kamerstukken II, 2007/08, 31213, nr. 1.
[2] Indirecte overheidsbedrijven zijn lichamen waarvan uitsluitend
Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen onmiddellijk of
middellijk aandeelhouders, deelnemers of leden zijn, alsmede
lichamen waarvan de bestuurders uitsluitend door Nederlandse
publiekrechtelijke onmiddellijk of middellijk worden benoemd en
ontslagen en welker vermogen bij liquidatie uitsluitend ter
beschikking van Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen komt.
[3] Directe overheidsbedrijven zijn bedrijven die een onderdeel
vormen van een overheidsinstelling (een publiekrechtelijke
rechtspersoon).
[4] 100% van de aandelen dienen immers in handen te zijn van
publiekrechtelijke lichamen
Meer informatie