U bevindt zich op: Home
› Actueel
› Kamerstukken
Zeescheepvaart, brief KNVR
Kamerbrief |
11-01-2010 |
Wonen, werk en inkomen
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Betreft Zeescheepvaart; brief KVNR d.d. 16
november 2009
Ons kenmerk AFP/2009/0788
Uw brief (kenmerk) 2009Z21755/2009D60668
Geachte voorzitter,
In uw brief d.d. 3 december 2009 heeft u aangegeven dat u een
reactie wenst te ontvangen op de door u ontvangen brief van de
Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders (KVNR) d.d. 16
november 2009.
Hieronder zal ik, mede namens de staatssecretaris van Verkeer en
Waterstaat nader ingaan op de inhoud van deze brief.
Het Nederlandse scheepsregister
De KVNR stelt dat het Nederlandse scheepsregister achter blijft. In
hun presentatie groeiden veel Europese registers over periode
tussen 2004 – 2008 met ruim 20% (Duitsland vertoonde zelfs een
groei van meer van 100%), waar Nederland een groei vertoonde van
7%. Ook Singapore liet een aanzienlijke groei van het
scheepsregister zien.
Hoewel de cijfers als zodanig niet worden bestreden wordt naar onze
mening op basis van de cijfers van de KVNR geen evenwichtig beeld
van de situatie gegeven. In bijlage 4 van de evaluatie van de
fiscale regelingen in de zeescheepvaart[1] is een meerjarig beeld
geschetst van de ontwikkeling van de vloot vanaf 1997. Hieruit
blijkt dat in de periode 1999-2004 de Duitse vlagvloot was
gehalveerd. Uit de actualiteit is gebleken dat Duitsland in de
jaren na deze daling een loonkostensubsidie is gaan verstrekken aan
scheepseigenaren met schepen varend onder Duitse vlag. Hierdoor is
de Duitse vlagvloot hersteld tot min of meer het oorspronkelijke
niveau.
Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de Nederlandse
handelsvloot kan opgemerkt worden dat over 2008 het gross tonnage
van de Nederlandse vlag schepen met 16 % is toegenomen en dat
op basis van voorlopige cijfers over 2009 ook een toename van de
vloot wordt verwacht. Daarnaast kan een register schepen bevatten
die op verschillende deelmarkten opereren en derhalve onderling
niet concurreren. Zo bestaat het Nederlandse register voor een
groot deel uit zogenaamde general cargo ships. Als we de door de
KVNR in Bijlage 1 genoemde grootste groei-registers bezien kan
worden opgemerkt dat het Duitse register voornamelijk
containerschepen bevat, het Italiaanse tankers en bulk carriers,
het Deense containerschepen en het VK register tankers. Naast het
concurrentieaspect hebben deze deelmarkten in genoemde periode
allen een eigen economische ontwikkeling gekend. Tenslotte wordt
groei van een register in tonnen ook worden veroorzaakt door de
ontwikkeling in scheepsontwerp die niet alle deelmarkten in gelijke
mate raakt. Evident is dit natuurlijk in de containermarkt;
vervanging van containerschepen laat daarom op zichzelf al een
substantiële groei zien in tonnen.
Tenslotte kan krimp van een register ook worden veroorzaakt door
oorzaken die economisch niet negatief behoeven te zijn. Zo zijn in
aangegeven periode ook in Nederland geregistreerde schepen verkocht
vanwege de goede tweede hands markt.
Concluderend kan derhalve worden gesteld dat de statistieken als
deze zeer voorzichtig moeten worden gehanteerd en hier op zichzelf
geen bruikbare conclusies aan kunnen worden verbonden ter zake van
het level playing field.
Ter zake van de toename van het aantal schepen dat onder de vlag
van Singapore vaart kan worden opgemerkt dat het algemeen bekend is
dat Singapore een aantrekkelijk vestigingsklimaat heeft voor
rederijen. De groei van het Singaporese register raakt daarom vele
Europese registers. Daarnaast is Singapore gunstig gelegen in
Azië en heeft het toegang tot goedkope arbeidskrachten (ook voor de
scheepsbouw aldaar). Dit alles heeft zijn effect op het aantal
onder Singaporese vlag varende schepen. Aangezien Nederland is
gebonden aan budgettaire en Europeesrechtelijke beperkingen in het
kader van staatssteun, is het momenteel niet mogelijk dit regime
over te nemen.
Tot slot kan worden opgemerkt dat er in het algemeen meerdere
redenen bestaan voor scheepseigenaren om hun schepen onder een
bepaalde vlag te laten varen. Fiscale redenen maken onderdeel uit
van een bredere afweging van onder andere financieel-economische
redenen.
Gelijk speelveld en het Europese steunkader voor de
zeevaart
De KVNR merkt op dat op basis van het Belastingplan 2010 er geen
gelijk speelveld worden gecreëerd met het Verenigd Koninkrijk en
Denemarken.
De Europese Commissie staat Denemarken toe kabelleggers onder het
tonnageregime te brengen zonder dat er een splitsing aan wordt
gebracht tussen de vervoersactiviteiten en overige activiteiten.
Met ingang van het jaar 2010 (Belastingplan 2010) is het
tonnageregime uitgebreid met de vervoersactiviteiten van
kabelleggers, pijpenleggers, kraanschepen en onderzoeksschepen. De
in het Belastingplan 2010 opgenomen uitbreiding van het
tonnageregime is dus ruimer dan de Deense uitbreiding, in die zin
dat er meer typen schepen onder het tonnageregime worden gebracht.
Het betreft inderdaad enkel de vervoersactiviteiten van deze
schepen. Aan deze keuze liggen budgettaire redenen ten grondslag.
Overigens zal de Europese Commissie de uitbreiding van het
Nederlandse tonnageregime nog wel moeten goedkeuren.
De Belastingdienst in het Verenigd Koninkrijk heeft naar aanleiding
van de positieve beschikking van de Europese Commissie aan
Denemarken inzake het onder het tonnageregime brengen van de
kabelleggers zonder het toepassen van een winstsplitsing, de
winstsplitsing zoals het Verenigd Koninkrijk die hanteerde voor al
hun voor het tonnageregime kwalificerende schepen, opgeheven.
Voor zover ons bekend, heeft het Verenigd Koninkrijk dit voornemen
niet bekend gemaakt bij de Europese Commissie. Aangezien de
juridische basis van deze wijziging van het Verenigd Koninkrijk
ontbreekt, kunnen wij hier ook geen beleidsmatige conclusies aan
verbinden.
Zoals eerder aangegeven houdt het kabinet de Europese ontwikkeling
in de sector nauwlettend in de gaten. De zeevaartsector wordt in
Nederland fiscaal reeds sterk tegemoet gekomen. Mocht blijken dat
verdere mogelijkheden bestaan tot uitbreiding van het bestaande
regime, dan zal dit nader onderzocht worden. Wel
zal bij de afweging van de efficiënte inzet van de al dan niet
aanwezige, budgettaire ruimte worden meegenomen of die ruimte
generiek wordt ingezet dan wel wordt gekozen voor het inzetten van
die ruimte voor bepaalde sectoren.
Hoogachtend,
de Staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. J.C. de Jager
[1] TK 31200 XII, nr 4
Meer informatie