U bevindt zich op: Home › Actueel › Kamerstukken
Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Ons kenmerk: DGB/2009/6548 U
Betreft beleid toekennen tipgelden
Geachte voorzitter,
Tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 26 november 2009
over onder andere de door de Belastingdienst met een tipgever
gesloten overeenkomst heb ik toegezegd de Kamer een brief te sturen
over mijn beleid inzake het toekennen en uitbetalen van tipgelden.
Door middel van deze brief voldoe ik aan die toezegging.
Alvorens in te gaan op dit beleid maak ik graag van de gelegenheid
gebruik u ook te informeren over de resultaten van de
inkeerregeling met betrekking tot fiscaal niet bekende buitenlandse
tegoeden over het jaar 2009.
Inkeerregeling
Op 31 december 2009 verstreek de termijn waarbinnen
het nog mogelijk was om boetevrij in te keren (vanaf 1 januari 2010
geldt bij een vrijwillige inkeer een boete van 15 %).
Totaal aantal inkeerders in 2009 t/m 31 december: 8293
Totale omvang van het buitenlands vermogen waarmee is ingekeerd:
€ 2.150.223.000,-, gemiddeld per inkeerder dus +/- €260.000,-.
Veruit de meeste rekeningen werden aangehouden in Zwitserland,
België en Luxemburg (resp. 2294, 2423 en 1563).
Van 500 inkeergevallen zijn nog geen nadere gegevens/bedragen
bekend. Voor de berekening van het vermogen waarmee is ingekeerd is
voor die gevallen uitgegaan van het gemiddelde bedrag per
inkeerder.
Het hoogste bedrag waarmee in een individueel geval is ingekeerd
was € 81 mio. Daarnaast waren er drie gevallen van ruim € 20 mio en
ruim 300 gevallen van boven de € 1 mio.
Tussen Kerst en oud en nieuw was de stroom inkeerders gezwollen tot
500 per dag. De Belastingdienst is er met vereende krachten in
geslaagd om voor alle inkeerders in alle gevallen waarin op 31
december 2009 navorderbare jaren dreigden te verlopen nog diezelfde
dag en avond aanslagen vast te stellen en die aanslagen bij alle
inkeerders thuis te bezorgen.
Inmiddels hebben zich in januari 2010 tot dusver 34 nieuwe
inkeerders gemeld. De inkeertelefoon wordt nog gemiddeld tien keer
per dag gebeld.
Tipgeldbeleid
In mijn brief van 30 oktober 2009 over de overeenkomst
met de tipgever heb ik onder meer gesteld dat ik zal bezien of het
wenselijk is om te komen tot een beleidsbesluit over het toekennen
en uitbetalen van tipgelden, dan wel om ervoor te kiezen om per
geval een afweging te maken.
Naar aanleiding van het overleg met uw Kamer wil ik de contouren
schetsen van de wijze waarop sinds 1985 is omgegaan met situaties
waarin burgers tegen betaling informatie aan de Belastingdienst
beschikbaar willen stellen en vervolgens bezien of deze contouren,
mede in het licht van de recente overeenkomst met de tipgever, nog
bijstelling of aanvulling behoeven.
Alvorens die contouren te schetsen is het goed om vast te
stellen dat in een beschaafde samenleving als de onze de norm is
dat burgers de overheid informeren bij vermoedens van ernstige
vormen van criminaliteit, zonder daarvoor een tegenprestatie te
vragen. Deze norm behoort tot het geheel van algemeen aanvaarde
normen van moraal en fatsoen en het zonder tegenprestatie melden
behoort daarmee dan ook tot de normale vervulling van de
burgerplicht in ons land.
Niettemin kwam en komt de overheid regelmatig in aanraking met
situaties waarin informatie die belangrijk is voor het (kunnen)
achterhalen van ernstige vormen van criminaliteit, slechts tegen
betaling kan worden verkregen. In die gevallen wordt de overheid
gedwongen om een keuze maken tussen wel of niet betalen en de
daaraan verbonden consequenties.
Het is om die reden dat de mogelijkheid om voor informatie te
betalen al langere tijd onderdeel uitmaakt van het instrumentarium
van de overheid bij de aanpak van criminaliteit.
Zo bestaat de tip- en toongeldregeling van Justitie sinds 1974 en
bestaat de mogelijkheid om fiscale tips te belonen sinds 1985[1].
Een beslissing om voor informatie te betalen behoort door de
betrokken overheidsorganisatie zorgvuldig te worden gewogen en
behoort tot uitzonderingsgevallen te worden beperkt. Een
terughoudend beleid is hier op zijn plaats. Dat mag ook worden
verwacht van een overheid die integer is, zorgvuldig en
betrouwbaar.
Die terughoudendheid kwam ook al letterlijk tot uitdrukking bij de
introductie van de fiscale tipgeldregeling van 1985: “Overigens
wordt opgemerkt dat met betrekking tot het uitloven van tipgelden
een zeer terughoudend beleid wordt gevoerd”.
Het handelen van de Belastingdienst en de FIOD zal worden bepaald
en beperkt door het hierna genoemd kader, welke voortvloeit uit de
reeds bestaande tipgeldregeling van 1985:
Het moet gaan om een aanzienlijk fiscaal belang;
de Belastingdienst moet zich ervan vergewissen dat het gaat om
betrouwbare informatie;
in alle gevallen moet een inschatting worden gemaakt van mogelijke
aan de tip verbonden risico’s voor de tipgever en de betrokken
ambtenaren;
tipgeld wordt pas uitbetaald als en naar gelang de extra opbrengst
in de schatkist is gevloeid;
concessies in de heffing-, invordering- en boetesfeer worden niet
gedaan;
in geen enkel geval wordt strafrechtelijke immuniteit verleend;
met betrekking tot het uitloven van tipgelden wordt een zeer
terughoudend beleid gevoerd.
Een terughoudende opstelling acht ik ook nu nog belangrijk en
passend binnen hetgeen van een integere en zorgvuldig handelende
overheid mag worden verwacht.
De in de tipgeldregeling van 1985 geschetste hoofdlijnen geven
criteria die het hele palet aan af te wegen belangen en
invalshoeken afdekken en die daarmee de begrenzing vormen van en de
voorwaarden stellen aan het handelen van de Belastingdienst in
gevallen waarin informatie over fiscale fraude tegen betaling wordt
aangeboden.
Bij de beoordeling van de recente tipgeverzaak is gebleken dat deze
criteria nog steeds bruikbaar en effectief zijn. Er bestaat op
basis van deze ervaringen dus geen aanleiding om deze criteria bij
te stellen of aan te vullen. Een verdere detaillering van de
regeling zou voorts het risico in zich bergen dat van een aldus
vormgegeven tipgeldregeling een stimulans zou kunnen uitgaan
voor de zogenoemde fiscale premiejager, zoals die zich in de
Verenigde Staten heeft ontwikkeld. Ook wil ik niet dat crimineel
gedrag wordt uitgelokt. Ik ben het op dit punt dan ook eens met
hetgeen prof. Happé stelt in zijn commentaar in het WFR[2],
namelijk dat het plegen van misdrijven teneinde tipgelden van de
overheid te incasseren niet aantrekkelijk behoort te worden gemaakt
met een wettelijke regeling die hoge beloningen in het vooruitzicht
stelt. Een dergelijke regeling zou bovendien een risico kunnen
betekenen voor de mogelijkheid om de aldus verkregen informatie
fiscaal te kunnen gebruiken. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld
dat onrechtmatig verkregen bewijs door de belastinginspecteur voor
de belastingheffing mag worden gebruikt tenzij hij, vrij vertaald,
de onrechtmatigheid heeft geïnitieerd of gefaciliteerd.
Een verdere detaillering van de regeling zou voeding kunnen geven
aan de stelling dat de Belastingdienst de onrechtmatigheid daarmee
initieert of faciliteert. Daar wil ik mij in elk geval verre van
houden.
Samenvattend zie ik dan ook geen aanleiding om te komen met een
meer gedetailleerde regeling dan waarvoor in 1985 al is gekozen. De
in deze regeling geschetste hoofdlijnen bieden naar mijn oordeel
nog steeds een toereikend kader om in alle gevallen een zorgvuldige
en evenwichtige individuele afweging te kunnen maken.
Desgewenst ben ik uiteraard bereid uw Kamer vertrouwelijk te
informeren over de afwegingen die in individuele gevallen zijn
gemaakt.
Hoogachtend,
de staatssecretaris van Financiën
mr. drs. J.C. de Jager
[1] Resolutie van de staatssecretaris van Financiën, 24 oktober
1985, nr. 585-24843, VN 1985, p. 2168
[2] WFR 6836, 19 november 2009
02-02-2010
|
PDF bestand, 43 Kb