U bevindt zich op: Home › Actueel
In deze fiscale nieuwsflits geeft de staatssecretaris een toelichting waarom hij afziet van cassatie tegen de hofuitspraak over omzetbelasting inschrijfgeld bij woningstichting kon als bijkomende dienst worden gezien.
De staatssecretaris ziet af van cassatie tegen de
hofuitspraak om de inschrijving bij een woningstichting, als
bijkomende dienst het lot van de hoofddienst (verhuur) te laten
delen, zodat de vrijstelling daarop van toepassing is.
Belanghebbende, een woningstichting, ontving inschrijfgeld van
woningzoekenden. Volgens de inspecteur vormen inschrijving en
daarop volgende selectie door de woningstichting een afzonderlijke
dienst waarover omzetbelasting verschuldigd is. De rechtbank
overwoog dat de betalingen zijn verricht met het uiteindelijke doel
een woning te huren. De inschrijving moet worden beschouwd als een
nevenprestatie die het fiscale regime van de hoofdprestatie volgt.
Het inschrijfgeld moet daarom worden aangemerkt als een onderdeel
van de huur en is uit dien hoofde vrijgesteld.
Het hof volgt dit oordeel en wijst op Hoge Raad 20 februari 2009,
nr. 43 037. In het hoger beroep voerde de inspecteur nog aan dat de
inschrijfdiensten niet tot doel hebben een vrijgestelde prestatie
extra aantrekkelijk te maken, zodat de inschrijfdienst en de
verhuur niet als één prestatie kunnen worden aangemerkt. Volgens
het hof volgt uit rechtspraak van het HvJ dat ook gesproken kan
worden van één enkele prestatie wanneer twee of meer elementen of
handelingen die de belastingplichtige levert of verricht zo nauw
met elkaar zijn verbonden dat zij objectief gezien één enkele
ondeelbare economische prestatie vormen en waarvan splitsing
kunstmatig zou zijn. Dat op verschillende tijdstippen afzonderlijke
vergoedingen worden betaald, acht het hof niet van belang. Het
gegeven dat op grond van vaste rechtspraak van het HvJ de
verhuurvrijstelling strikt moet worden uitgelegd, leidt evenmin tot
een ander oordeel.
De staatssecretaris laat weten dat hij afziet van het instellen van
cassatieberoep. Hij is overigens van mening dat uit de hofuitspraak
niet zonder meer kan worden afgeleid of de toepassing van de
vrijstelling van omzetbelasting ter zake van de inschrijving nu is
terug te voeren op de gedachte van bijkomende dienst ten opzichte
van de hoofdprestatie of op de benadering van één prestatie. Voor
het uiteindelijke resultaat is dit echter niet relevant. De
staatssecretaris acht een beslissing om de inschrijving als
bijkomende dienst aan te merken, die het lot van de hoofddienst
deelt, niet onbegrijpelijk. Dit mede gelet op de geringe omvang van
de inschrijfvergoeding en het eenmalige karakter ervan, in
combinatie met de overige feiten.
Toelichting staatssecretaris van 15 januari 2010 nr. DGB 2009-6549,
n.a.v. uitspraak Hof Leeuwarden van 26 november 2009, 2008/00199,
01-01-2000 t/m 31-12-2004, Ob 1968 15
15-01-2010
|
PDF bestand, 10 Kb