Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Onderwerpen Begroting

Begrippenlijst Begroting

A - D

A

Anticyclisch begrotingsbeleid

Uitgangspunt van het anticyclische begrotingsbeleid is, dat de overheid probeert van jaar tot jaar de economische kringloop te stabiliseren door te reageren op wat er gebeurt. Op het moment dat de inwoners van een land weinig uitgeven, moet de overheid bijvoorbeeld juist wel geld uitgeven.

Algemene Politieke en Financiële Beschouwingen

De dag na Prinsjesdag begint de parlementaire behandeling van de rijksbegroting en de Miljoenennota. Er wordt dan tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen over de grote lijnen gesproken. Tijdens deze debatten voert de minister-president namens de regering het woord.

B

BBP

Het BBP (Bruto Binnenlands Product) is het totaal van wat in Nederland wordt geproduceerd aan goederen en diensten.

Begrotingsbeleid

Het begrotingsbeleid is simpel gezegd de manier waarop de overheid omgaat met het uitgeven en ontvangen van geld. Aan het begin van een kabinetsperiode maakt een kabinet afspraken over de overheidsfinanciën en het begrotingsbeleid.

Begrotingsproces

Met begrotingsproces bedoelen we het gehele traject dat de rijksbegroting en de Miljoenennota volgen van voorbereiding, via presentatie op de derde dinsdag van september, behandeling, uitvoering en controle tot verantwoording op de derde woensdag in mei.

Begrotingsregels

Begrotingsregels zijn de spelregels bij de uitvoering van het begrotingsbeleid. Er zijn regels ter voorkoming van overschrijdingen van de vastgestelde uitgaven, regels om overschrijdingen te signaleren en dus tijdig te melden aan de minister van Financiën en de Ministerraad. En er zijn regels ter compensatie van overschrijdingen. Iedere tegenvaller moet in principe gecompenseerd worden binnen het ministerie of de sector waar de tegenvaller zich voordoet.

Brede heroverwegingen

De financiële en economische crisis hebben de overheidsfinanciën uit het lood geslagen (oplopend tekort en schuld). Het zal jarenlange inspanningen vergen om de schade die in korte tijd door de crisis is aangericht te herstellen. Om te voorkomen dat het begrotingstekort structureel hoog blijft, staat veel overheidsbeleid de komende jaren ter discussie. Daarom heeft het kabinet besloten tot brede heroverwegingen, die tot doel hebben om politieke besluitvorming zo goed mogelijk voor te bereiden en onderbouwde keuzes mogelijk te maken over de omvang en het niveau van de collectieve voorzieningen. Hiervoor heeft het kabinet 19 werkgroepen ingesteld die diverse beleidsthema’s analyseren en besparingsmogelijkheden inventariseren. De operatie start in oktober 2009 en wordt in het tweede kwartaal van 2010 afgerond.

Budgettaire brieven

Budgettaire brieven zijn interne stukken van de minister van Financiën aan zijn collega-ministers. Hierin staan veelal voorstellen en gegevens ten behoeve van voorbereiding en besluitvorming over ontwerpbegrotingen door de regering (in de ministerraad). Dergelijke brieven zijn niet openbaar.

Budgettaire nota's

Budgettaire nota's zijn externe stukken die de minister van Financiën namens zijn collega's ter informatie aan de Tweede en Eerste Kamer verstuurt. De stukken zijn openbaar en geven informatie over het financieel-economische beleid van het kabinet. De bekendste nota is de Miljoenennota.

C

Collectieve sector

Met de collectieve sector bedoelen we het Rijk, de Sociale Zekerheid en Zorg samen. De rijksuitgaven worden grotendeels betaald uit belastingen. De uitgaven voor sociale zekerheid en zorg worden voor het grootste deel gefinancierd uit de opbrengst van premies. (Bijvoorbeeld WAO-premies, AOW-premies, WW-premies, premies AWBZ, premies ziekenfonds, etc.)

Convergentiecriteria

Convergentiecriteria zijn de voorwaarden waaraan EU-lidstaten moeten voldoen om toe te mogen treden tot de EMU (Economische en Monetaire Unie) en de euro in te mogen voeren. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in het Verdrag van Maastricht en gaan over rente, inflatie en de overheidsfinanciën. De inflatie en de rente moeten laag zijn en de overheidsfinanciën moeten gezond zijn, dat wil zeggen: een begrotingstekort dat lager is dan drie procent van het BBP, een overheidsschuld die lager is dan zestig procent van het BBP. Bovendien moet een land een stabiele wisselkoers hebben.

D

Departementale begroting

Een departementale begroting geeft antwoord op vragen als: Wat willen we bereiken, wat gaan we daarvoor doen en wat gaat dat kosten?

Naar boven

E - H

E

EMU

Op 1 januari 1999 is de Economische en Monetaire Unie (EMU) van start gegaan. Sinds die datum is de euro de officiële munt in elf Europese landen: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje. En is er sprake van een gemeenschappelijk monetair beleid. Bij één munt hoort één centrale bank, de Europese Centrale Bank (ECB) die verantwoordelijk is voor het gemeenschappelijk monetair beleid. Het hoofddoel van het gemeenschappelijk monetaire beleid is een lage inflatie oftewel prijsstabiliteit binnen het eurogebied. In 2000 is Griekenland toegetreden tot de EMU en in 2000 zijn de euromunten en -biljetten in de twaalf EMU-landen in omloop gebracht en zijn de nationale valuta van de EMU-landen verdwenen.

EMU-saldo en EMU-schuld

Sinds de start van de EMU worden voor de overheidsschuld en het begrotingssaldo (tekort/overschot) definities gebruikt die binnen de gehele EMU dezelfde zijn. We spreken sindsdien alleen nog over EMU-schuld en EMU-saldo.

EMU-schuld

De EMU-schuld van een land is het totaal van alle uitstaande leningen die de overheid (het Rijk, de Sociale Zekerheid, de Zorg en de lagere overheden) van dat land heeft op een bepaald moment. De EMU-schuld wordt aangeduid in een percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP): de zogenaamde EMU-schuldquote. Zo kan een goede vergelijking worden gemaakt tussen landen onderling. Een schuld van ruim 200 miljard euro is een grotere last voor een land waar 400 miljard euro in een jaar geproduceerd wordt dan voor een land waarvan het BBP 800 miljard bedraagt.

EMU-saldo

Het EMU-saldo is het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven van de overheid (het Rijk, de Sociale Zekerheid, de Zorg, de lagere overheden en ZBO's) van een bepaald land in een bepaald jaar. De berekening van het EMU-saldo sluit aan op de economische werkelijkheid. Met andere woorden: het EMU-saldo is een transactiebegrip en niet alleen gebaseerd op wat er in de kas gebeurt. Ook belasten financiële transacties zoals leningen en aankoop van staatsbezit in beginsel het EMU-saldo niet.

F

Feitelijke tekortnorm

In de periode 1983-1993 hanteert de overheid de zogenoemde feitelijke tekortnorm. Dat wil zeggen dat de hoofddoelstelling van het begrotingsbeleid wordt: het terugdringen van het in de voorgaande jaren sterk opgelopen begrotingstekort. Vanaf 1983 wordt een strikte norm voor het financieringstekort geïntroduceerd: men wil het begrotingstekort terugbrengen via een taakstellend tijdpad. Hoe de conjuncturele ontwikkeling ook is: er moet een vooraf vastgestelde jaarlijks berekende norm gehaald worden.

Financieel Jaarverslag van het Rijk

Zoals de Miljoenennota vooruitblikt op het te voeren begrotingsbeleid, zo blikt het FJR terug op het gevoerde begrotingsbeleid, op de ontwikkelingen en uiteindelijke realisaties op het gebied van de uitgavenkaders, het begrotingssaldo (het tekort of overschot op de overheidsbegroting) en de schuld. Het verslag bevat verder de staat van ontvangsten en uitgaven van het Rijk.

G

Groei- en Stabiliteitspact

Zie Stabiliteits- en Groeipact

H

Herstelbeleid

In de periode 1945-1952 hanteert de overheid een herstelbeleid op het het gebied van de overheidsfinanciën. De eerste jaren na WO II staan in het teken van de wederopbouw van Nederland. En dat betekent dat de overheid geld moet uitgeven. Veel geld. Om deze noodzakelijke uitgaven te kunnen doen, moet de overheid wel geld lenen. En dan gaat het niet alleen om leningen die nodig zijn voor het financieren van bijvoorbeeld het herstel van wegen en bruggen, het weer bruikbaar maken van havens en het weer op gang brengen van de spoorwegen (kapitaaluitgaven), maar ook voor hulp aan geëvacueerden, aan noodvoorzieningen voor huisvesting en aan vergoedingen voor verloren gegane huisraad. In de eerste twee jaren na de oorlog ontstaat door het oplopen van de rijksuitgaven een fors begrotingstekort. Vanaf 1948 verbetert de economische situatie sterk - onder andere door het Marshallplan - en is steeds sprake van een begrotingsoverschot.

Naar boven

I - O

I

Inkomsten

Belastingen zijn verreweg de belangrijkste inkomsten van het Rijk. Andere inkomstenbronnen, de zogeheten niet-belastingontvangsten, zijn vooral aardgasbaten en daarnaast ook nog opbrengsten/winsten uit staatsdeelnemingen in bedrijven, opbrengsten uit de sterreclames en boetes.

J

Jaarverslag

Na afloop van een begrotingsjaar maakt ieder ministerie een zogeheten jaarverslag op. Het jaarverslag is het spiegelbeeld van de begroting. Hierin wordt per begrotingsartikel ingegaan op de vraag in hoeverre men werkelijk het gestelde beleidsdoel heeft bereikt, welke prestaties er geleverd zijn, welke activiteiten ondernomen en wat dat gekost heeft.

K

Kaderbrief

Ieder voorjaar geeft de minister van Financiën op basis van informatie van alle ministeries over mee- en tegenvallers en claims voor gewenst nieuw beleid in de kaderbrief een overzicht hiervan. Met dit totaalbeeld en aan de hand van recente economische inzichten geeft de minister tevens inzicht in de mogelijkheden en problematiek voor de komende begroting. Op hoofdlijnen wordt in deze budgettaire brief bekeken of er bezuinigd moet worden in één of meerdere van de drie sectoren (Rijk, Sociale Zekerheid en Zorg) of dat er ruimte is voor extra uitgaven, voor lastenverlichting of voor het verbeteren van de overheidsfinanciën (het verlagen van het financieringstekort, het realiseren van een overschot, het aflossen van de schuld).

L

Het lastenkader

Binnen het trendmatig begrotingsbeleid is onder het kabinet Balkenende III ook aan de inkomstenkant is een vast kader vastgesteld, dat wil zeggen dat de totale lasten (belastingen en premies) voor burgers en bedrijven jaarlijks vastliggen. Tijdelijke afwijkingen van dit kader zijn mogelijk. Compensatie vindt dan in latere jaren binnen de kabinetsperiode plaats.

M

Miljoenennota

De Miljoenennota is een algemene toelichting op de rijksbegroting en biedt een samenvatting van de belangrijkste plannen uit de departementale begrotingen en de financiële gevolgen daarvan. De Miljoenennota gaat ook in op de nationale en internationale economische situatie en geeft een toelichting op het beleid voor de gehele collectieve sector (Rijk, Sociale Zekerheid en Zorg). De eerste Miljoenennota verscheen in 1906. Tot die tijd werd de toelichting mondeling gegeven door de minister van Financiën. In die jaarlijkse speeches kwamen zoveel cijfers en getallen naar voren, dat het niet meer te volgen was voor de kamerleden. Daarom besloot men tot een schriftelijke toelichting in de vorm van een 'Nota betreffende de toestand van 's Rijks financiën'. Dit is nog steeds de officiële naam van de Miljoenennota.

N

---

O

Overheidsfinanciën

Met overheidsfinanciën bedoelen we eenvoudig gezegd het huishoudboekje van Nederland. De inkomsten en uitgaven van het Rijk, de Sociale Zekerheid en Zorg. Iedereen betaalt er aan mee in de vorm van belastingen en iedereen maakt gebruik van de voorzieningen die ermee betaald worden zoals, onderwijs, politie, wegen etc.

Naar boven

P - S

P

Prinsjesdag

Elke derde dinsdag van september is het Prinsjesdag. Dan komt de Koningin in de gouden koets naar het Binnenhof in Den Haag om de Troonrede voor te lezen. Met het uitspreken van de Troonrede opent zij het nieuwe werkjaar van de Staten-Generaal (de Eerste en Tweede Kamer). Alle ministers, staatssecretarissen, leden van de Eerste en Tweede Kamer en andere genodigden zijn in de Ridderzaal aanwezig als de Koningin de Troonrede voorleest. In de Troonrede geeft de Koningin een overzicht van de belangrijkste plannen van de regering voor het komende jaar. Later op die dag gaat de minister van Financiën met het koffertje naar de Tweede Kamer. Namens de regering biedt hij daar tijdens de eerste vergadering in het nieuwe werkjaar de rijksbegroting en de Miljoenennota aan. De minister opent het koffertje op de regeringstafel en geeft de inhoud van het koffertje aan de Kamerbewaarder. Deze overhandigt de rijksbegroting en de Miljoenennota aan de voorzitter van de Tweede Kamer.

Q

---

R

Rijksbegroting

Ieder jaar op Prinsjesdag biedt de minister van Financiën namens het kabinet de rijksbegroting en de Miljoenennota aan de Tweede Kamer aan. De rijksbegroting is het overzicht van de inkomsten en uitgaven voor het komende jaar van alle ministeries. De rijksbegroting bestaat namelijk uit deelbegrotingen van de afzonderlijke ministeries. Elke begroting wordt in de vorm van een wetsvoorstel aan de Tweede en Eerste Kamer voorgelegd. Net als ieder ander wetsvoorstel is de begroting, het begrotingsvoorstel, opgebouwd uit artikelen. Elk artikel staat voor een beleidsdoel dat de regering wil bereiken. Het geeft een samenhangend antwoord op de vragen: "Wat willen we bereiken, wat gaan we daarvoor doen en wat mag dat kosten?". Het geheel van wetsvoorstellen moet die door de Tweede en Eerste Kamer behandeld en goedgekeurd moeten worden. Daarna kan vanaf 1 januari het geld uitgegeven worden en kan de Belastingdienst het geld innen.

S

Schuld of staatsschuld

Als we het over de schuld van de overheid hebben, wordt nogal eens gesproken over de staatsschuld. De staatsschuld is de schuld van het Rijk, terwijl de overheidsschuld meer omvat dan alleen de schuld van het Rijk. Sinds de start van de EMU wordt voor de overheidsschuld een definitie gebruikt die binnen de gehele EMU hetzelfde is. We spreken sindsdien alleen nog over EMU-schuld. De EMU-schuld van een land is simpel gezegd de optelsom van de schulden van het Rijk, voor de Sociale Zekerheid, voor de Zorg en van de lagere overheden. De EMU-schuld wordt aangeduid in een percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP): de zogenaamde EMU-schuldquote. Zo kan een goede vergelijking worden gemaakt tussen landen onderling. Een schuld van ruim 200 miljard euro is een grotere last voor een land waar 400 miljard euro in een jaar geproduceerd wordt dan voor een land waarvan het BBP 800 miljard bedraagt.

Stabiliteits- en Groeipact

In 1991 is in Maastricht o.a. vastgelegd dat EU-landen geen hoger tekort mogen hebben dan 3% BBP en dat de overheidsschuld kleiner moet zijn dan 60% BBP of in een bevredigend tempo daarnaar toe dalen. In 1997 zijn deze afspraken over tekort en schuld verder uitgewerkt in het Stabiliteits- en Groeipact. In het voorjaar van 2005 hebben de EU-landen de afspraken uit het Pact opnieuw geïnterpreteerd op basis van de ervaringen in de eerste vijf jaar van de EMU. De belangrijkste nieuwe afspraak van het Stabiliteits- en Groeipact is, dat landen op middellange termijn (ongeveer 4 jaar) ernaar streven een middellange termijn doelstelling te realiseren. De doelstelling is afhankelijk van de hoogte van de schuld van een land. De EMU-landen met een lage schuld mogen voor de middellange termijn als streefwaarde een tekort van 1% BBP hebben. De landen met een hoge schuld moeten echter streven naar een begrotingsevenwicht of -overschot. Deze middellange termijn doelstelling kan voorkomen dat in economische tijden het begrotingstekort groter wordt dan de toegestane 3% BBP. Alleen als er sprake is van negatieve economische groei, is een tekort van meer dan 3 procent toegestaan.

Sociale zekerheid

We hebben in Nederland een uitgebreid stelsel van sociale voorzieningen en uitkeringen. Het stelsel zorgt ervoor dat er ongeveer 4 miljoen mensen verzekerd zijn van een inkomen, wanneer zij bijvoorbeeld, door ziekte, ouderdom, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid zelf geen inkomen kunnen verwerven.

Structureel begrotingsbeleid

In de periode 1959-1982 voert de overheid een structureel begrotingsbeleid. De overheid probeert daarbij niet meer van jaar tot jaar de economische kringloop te stabiliseren, maar doet dat alleen op middellange termijn. De overtuiging was dat de economische groei af en toe wel even iets wijzigde, maar dan ging het altijd om kleine conjunctuurschommel ingen. Het structurele begrotingsbeleid maakt het mogelijk budgetten voor een begrotingsjaar vast te stellen, waar tussentijds niets meer aan veranderde. De ministers moeten nu binnen een vastgesteld budget kiezen welke uitgaven ze willen doen en welke inkomsten (belastingen) daartegenover moeten staan.

Suppletore begrotingen

Suppletore begrotingen zijn wijzigingen op de vastgestelde begrotingen en volgen als wetsvoorstel het gebruikelijke wetgevingstraject: van besluitvorming in de Ministerraad via advies van de Raad van State tot behandeling en stemming in de Tweede en Eerste Kamer. De suppletore begrotingen van de ministeries worden tegelijkertijd met de Voorjaarsnota of met de Najaarsnota bij de Kamer ingediend.

Naar boven

T - Z

T

Tekort

Er is sprake van een tekort op de begroting als de inkomsten lager zijn dan de uitgaven. Het tekort op de begroting wordt meestal uitgedrukt in een percentage van het BBP, omdat zo internationale vergelijking van gegevens over overheidsfinanciën beter mogelijk is. Er is een verschil tussen het feitelijke tekort op de begroting en het structurele tekort. Het feitelijke tekort is het verschil tussen de uitgaven en inkomsten van de overheid (rijk, sociale zekerheid en zorg) in een jaar. Met een structureel tekort wordt eenvoudig gezegd bedoeld het tekort dat een land zou hebben als de economie zich in een evenwichtige situatie zou bevinden. Dus het tekort gecorrigeerd voor tijdelijke economische schommelingen. Sinds Nederland deel uitmaakt van de Economische en Monetaire Unie (EMU) hanteren we voor het tekort of overschot op de begroting (het saldo) alleen nog het begrip EMU-saldo. Dit is een definitie van het begrotingssaldo (tekort/ overschot) die binnen de gehele EMU hetzelfde is. Het EMU-saldo is het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven van de overheid (het Rijk, de Sociale Zekerheid, de Zorg, de lagere overheden en ZBO's) van een bepaald land in een bepaald jaar. De berekening van het EMU-saldo sluit aan op de economische werkelijkheid. Met andere woorden: het EMU-saldo is een transactiebegrip en niet alleen gebaseerd op wat er in de kas gebeurt. Ook belasten financiële transacties zoals leningen en aankoop van staatsbezit in beginsel het EMU-saldo niet.

Trendmatig begrotingsbeleid

Vanaf 1994 kiest de overheid voor een trendmatig begrotingsbeleid (1994 - heden). De systematiek van het trendmatige begrotingsbeleid houdt in, dat het begrotingssaldo (tekort of overschot op de begroting) van een bepaald jaar binnen bepaalde grenzen mag bewegen. De grenzen worden bepaald door het tekort dat op middellange termijn (trendmatig) toegestaan is. Het is dus niet langer zo - zoals in de jaren van de feitelijke tekortnorm - dat elk jaar het begrotingstekort aan een van tevoren voor dat jaar vastgestelde norm moet voldoen. Een belangrijk doel van deze werkwijze was het brengen van meer rust in het begrotingsbeleid. Door de jaren heen hebben de verschillende kabinetten in de praktijk aanpassingen doorgevoerd, maar de basisbegrippen van het trendmatig begrotingsbeleid worden nog steeds gevolgd.

U

Uitgavenkader

Met het uitgavenkader bedoelen we de budgetten (uitgavenplafonds) waar ministers zich aan te houden hebben. De reële uitgaven van het Rijk (de ministeries), voor de Sociale Zekerheid en voor de Zorg worden aan het begin van een kabinetsperiode voor een periode van vier jaar vastgelegd. Ieder jaar wordt een nieuwe begroting opgesteld, waarbij prioriteiten kunnen worden verlegd, de besteding van meevallers in de uitgaven wordt bezien en - als het noodzakelijk is - wordt vastgesteld hoe tegenvallers gecompenseerd kunnen worden. De meerjarenafspraken voor uitgavenontwikkeling worden binnen de vier jaar van de kabinetsperiode alleen aangepast aan de ontwikkeling van de inflatie.

V

Voorjaarsnota

De eerste budgettaire nota over de begrotingsuitvoering is de Voorjaarsnota. Deze verschijnt halverwege het lopende begrotingsjaar, uiterlijk op 1 juni. De Voorjaarsnota geeft weer hoe het staat met de lopende begroting: per begroting worden voorstellen tot noodzakelijke wijzigingen in de uitgaven en/of inkomsten gedaan. De begroting waarover bij de Voorjaarsnota wordt gerapporteerd is gebaseerd op aannames/gegevens van het jaar daarvoor. De tijd staat niet stil: waarschijnlijk hebben veel zaken zich in werkelijkheid anders ontwikkeld dan een jaar eerder nog werd aangenomen. De Voorjaarsnota bevat daardoor vaak omvangrijke beleidswijzigingen en is in de praktijk de belangrijkste uitvoeri ngsnota over de begroting van het kabinet. Bovendien hebben de uitkomsten van de Voorjaarsnota effect op de besluitvorming door de regering over de begroting van het komende jaar.

W

---

X

---

Y

---

Z

Zorg

We hebben in Nederland een uitgebreid zorgstelsel, waar jaarlijks veel geld in omgaat. Met de zorguitgaven worden de behandeling, de verpleging en de verzorging van mensen die dat nodig hebben betaald. Net als bij de sociale zekerheid zijn de premieopbrengsten de grootste bron van inkomsten voor de zorgsector. Het gaat om premies ZFW (ziekenfondswet) en premies AWBZ (Algemene Bijzondere Ziektekosten). Uit de premieopbrengsten ZFW betaalt het ziekenfonds de rekeningen voor bijvoorbeeld een bezoek aan de huisarts, een ziekenhuisopname of medicijnen. Voor sommige ziektekosten moeten mensen zelf een deel van de kosten betalen.


Naar boven

Bekijk de volledige versie van Minfin