Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Onderwerpen Erven en schenken

Schenk- en erfbelasting

Met ingang van 1 januari 2010 is de Successiewet ingrijpend gewijzigd. Hier vindt u een overzicht van de schenk -en erfbelasting per 1 januari 2010.

Tariefstructuur schenk- en erfbelasting
Tarieven schenk- en erfbelasting

 

 

Deel van de Tariefgroep 1 Tariefgroep 1A Tariefgroep 2
belaste verkrijging (partners en kinderen) (kleinkinderen) (overige verkrijgers)
€ 0 - € 118.000 10% 18% 30%
€ 118.000 - hoger 20% 36% 40%
Vrijstellingsbedragen erfbelasting

Partners

 

 

€ 600 000
Kinderen en kleinkinderen
€ 19 000

Zieke en gehandicapte kinderen

 

€ 57 000

Ouders

 

€ 45 000

Overige verkrijgers

 

 

€ 2 000
Vrijstellingsbedragen schenkbelasting

Kinderen

 

 

€ 5 000
Kinderen 18 – 35 jaar (eenmalig) of

€ 24 000

Kinderen 18 – 35 jaar (eenmalig) indien schenking
wordt aangewend voor aankoop huis of voor een studie

 

€ 50 000

Overige verkrijgers

 

 

€ 2 000

Partners
De vrijstelling van erfbelasting voor partners is € 600.000. Hat tarief bedraagt maximaal 20%. Tot € 118.000 geldt een tarief van 10%.

Kinderen
Vanaf 2010 bedraagt het tarief voor kinderen maximaal 20%. Voor een schenking of erfenis tot € 118.000 bedraagt het tarief 10%, voor het meerdere bedraagt het tarief 20%. De vrijstelling voor erfbelasting is € 19.000 en voor schenkbelasting bedraagt de vrijstelling jaarlijks € 5.000. De eenmalig verhoogde vrijstelling van schenkbelasting voor kinderen tussen 18 en 35 jaar is € 24.000. Deze kan nog verder verhoogd worden naar € 50.000 indien de schenking wordt gebruikt voor de aankoop van een eigen woning of wordt gebruikt voor een studie. Voor zieke en gehandicapte kinderen is er een vrijstelling voor de erfbelasting van € 57.000.

Kleinkinderen
De vrijstelling voor de erfbelasting is € 19.000. Het tarief bedraagt 18% tot € 118.000, daarboven is het tarief 36%.

Nichten, neven en derden
Het tarief bedraagt 30% over de eerste € 118.000. Over het meerdere is 40% verschuldigd. De vrijstelling voor de erf- en schenkbelasting bedraagt € 2.000.

Bedrijfsopvolgingsregeling
De vrijstelling voor ondernemingsvermogen is 100% voor verkrijgingen van een (deel van een) onderneming die niet meer waard is dan € 1.000.000. Indien de onderneming meer waard is, dan geldt een 100% vrijstelling voor het deel dat de verkrijger krijgt van die € 1.000.000 en voor het door hem meerdere verkregen ondernemingsvermogen, gaat de vrijstelling omhoog van 75% naar 83%. Voor de belasting die dan eventueel nog is verschuldigd (veelal tariefgroep I tegen een tarief van 10-20%) kan 10 jaar uitstel van betaling worden verkregen.

Vrijstelling voor Sociaal belang behartigende instellingen (SBBI’s)
De vrijstelling voor amateursportinstellingen en niet commerciële dorpshuizen is vervallen per 1 januari 2010. In plaats daarvan is een nieuwe vrijstelling voor SBBI’s geïntroduceerd. De vrijstelling voor SBBI’s is ruimer dan deze twee vrijstellingen en zal ook voor bijvoorbeeld locale scoutinggroepen, personeelsverenigingen, hobby-clubs en andere sociaal belang behartigende instellingen gelden.SBBI’s hoeven geen schenk- of erfbelasting te betalen over de schenkingen en nalatenschappen die ze ontvangen.

Regeling voor Algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s)
Instellingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogen komen in aanmerking voor de ANBI-regeling. Dienen van particuliere belangen is in principe niet oegestaan. De ANBI-regeling houdt in dat de giften aan ANBI’s aftrekbaar zijn in de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting. Daarnaast zijn de verkrijgingen door een ANBI of van een ANBI vrijgesteld in de Successiewet.
Er is een integriteitstoets van toepassing bij de ANBI-regeling. De inspecteur kan de ANBI-beschikking weigeren of intrekken. Dit kan indien de ANBI zelf, een bestuurder of een feitelijk leidinggevende van een ANBI, dan wel een voor de ANBI gezichtsbepalend persoon in de afgelopen vier jaar door een Nederlandse strafrechter onherroepelijk is veroordeeld wegens aanzetten tot haat, aanzetten tot geweld of gebruik van geweld. De fiscale voordelen die nu voor ANBI’s gelden blijven gelijk.

Regeling voor Afgezonderde particuliere vermogens (APV’s)
In de praktijk zijn veel trusts en (buitenlandse) stichtingen opgericht. Hierbij zijn vaak Nederlandse belastingplichtigen betrokken, als instellers en als begunstigden. Het vermogen in trusts en stichtingen wordt doorgaans niet aangegeven bij de Belastingdienst. De oprichter vindt dat het ingebrachte vermogen niet meer van hem is en de begunstigden geven niets aan omdat zij vinden dat zij nog niets hebben. Op deze manier zweeft het vermogen en wordt het nergens belast; ook niet bij de trust of de stichting zelf. Gevolg is dat er jaarlijks geen inkomstenbelasting wordt geheven over het vermogen en bij overlijden van een betrokkene wordt geen successierecht geheven.

Vanaf 1 januari 2010 is er een eenvoudig en helder systeem van fiscale transparantie. Dat wil zeggen dat door de trust of stichtingen heen wordt gekeken. Er komt ook één benaming: APV (afgezonderd particulier vermogen). In een APV is vermogen afgezonderd waarmee een particulier belang wordt gediend. Degene die vermogen in een APV inbrengt moet dit vermogen en de inkomsten er uit aangeven. Jaarlijks is inkomstenbelasting verschuldigd. Schenkt een APV dan is dit belast met schenkbelasting. Overlijdt een inbrenger of diens erfgenaam dan wordt erfbelasting geheven.

Brengt een inbrenger zijn spaargeld in een trust dan blijft hij dit spaargeld onverminderd aangeven in box 3. De inbreng is dan ook niet belast met schenkbelasting. Overlijdt de inbrenger dan erven zijn erfgenamen het vermogen in het APV: zij geven dan ieder hun deel van het vermogen in het APV aan in box 3.

Hoort een aanmerkelijk belang (5% of meer van de aandelen in een BV) tot het vermogen van het APV dan geeft de inbrenger dit aandelenpakket aan in box 2 en na zijn overlijden behoort het aandelenpakket tot het box 2 vermogen van zijn erfgenamen.

Er bestaan enkele uitzonderingen op de regeling. De belangrijkste is het geval dat het APV zelfstandig in de belastingheffing wordt betrokken naar een redelijk tarief van ten minste 10%. In die situatie wordt het vermogen niet toegerekend aan de inbrenger. Tot slot kan worden opgemerkt dat op 1 januari 2010 bestaande APV’s ook onder de nieuwe regeling vallen. Gemaakte afspraken tussen de inspecteur en de betrokkenen worden gerespecteerd.


Bekijk de volledige versie van Minfin