U bevindt zich op: Home › Organisatie › In het land › Toespraken
Toespraak gehouden door minister Bos op 10 juni 2009 in de Tweede Kamer ter gelegenheid van het afscheid van Herman Wijffels en de opening van de seminar Global Governance.
Koninklijke Hoogheid, dames en heren, beste Herman,
Als ik aan Herman Wijffels denk, dan denk ik natuurlijk aan de Wereldbank en de wereldpolitiek, aan wereldproblemen en wereldoplossingen. Maar eerlijk gezegd denk ik ook aan Beetsterzwaag en Bomans. Want Herman was niet de eerste, niet de enige, die dit Friese dorp op de kaart wist te zetten. Godfried Bomans was hem al lang geleden voor met zijn onnavolgbare verslag van de Vondelherdenking in Beetsterzwaag. Dat vond plaats op een 9de september “juist 372 jaar min 2 maanden en 8 dagen geleden dat Vondel te Keulen geboren werd, terwijl er tegelijkertijd op de kop af 280 jaar, 8 maanden en 4 dagen verlopen waren sinds het tijdstip waarop hij in Amsterdam de laatste adem uitblies. En alleen in Beetsterzwaag hadden ze deze bijzondere samenloop der omstandigheden in de gaten gehad. Een bijzonder dorp! Dat hadden Bomans en Wijffels goed opgemerkt. Een dorp dat uitnodigde tot bijzondere gedachten, bijzondere gebeurtenissen en bijzondere ontmoetingen. Nu hadden wij het toen, twee jaar geleden, niet bepaald over literatuur, waren er nauwelijks dramatische, laat staan poëtische momenten, maar misschien dat ze het in Beetsterzwaag de moeite waard vinden om te herdenken. Over 251 jaar, 3 weken en 7 dagen, of zo.
Maar vandaag herdenken we iets anders: het werk van Herman Wijffels als Nederlands bewindvoerder bij de Wereldbank.Een herdenking, een afscheid, in goed gezelschap. Niet met een goed glas wijn – al zal dat straks vast nog volgen – maar, zoals dat tegenwoordig gaat, met een goed onderwerp. Dus geen feestspeech, maar een poging tot een serieuze bijdrage.Over een onderwerp dat Herman zo na aan het hart ligt dat hij het uitgevonden had kunnen hebben: global governance. Een onderwerp dat ook nog nooit zó actueel en zó urgent is geweest als nu.Zoals Herman zelf een jaar geleden in een interview in Trouw zei: “Het bewijs dat de planeet als geheel boven het draagvermogen van de aarde leeft, is de opeenstapeling van crises die je ziet. We hebben een financiële crisis, maar ook een voedsel-, water-, energie- en klimaatcrisis. We staan voor een nieuwe cultuurfase in onze geschiedenis. We moeten een nieuwe manier van leven vinden, die past binnen wat de aarde hebben kan."
Herman koppelt – terecht – de financiële crisis aan de voedsel-, water-, energie- en klimaatcrisis. De financiële crisis trekt momenteel zonder enige twijfel de meeste aandacht. Deze crisis heeft duidelijk gemaakt hoe sterk geld en goederen, alles en iedereen, mondiaal met elkaar verbonden zijn. Ontkoppeling tussen geïndustrialiseerde landen en opkomende economieën bleek een mythe. En we hadden het even gehoopt, maar ook ontwikkelingslanden bleken niet immuun. Dat laat eens te meer zien dat in een financieel geïntegreerde wereld financiële stabiliteit essentieel is en – dus, ook – een wereldwijd publiek goed.
Die onderlinge afhankelijkheid, die behoefte aan wereldwijd evenwicht is ook een realiteit als het gaat om ons klimaat, om de voedselvoorziening, om vrede en veiligheid. De crises, de toenemende risico’s op die gebieden zijn veroorzaakt door een gebrek aan rekenschap bij individuen, bedrijven en landen. Rekenschap van de kosten en risico’s die zij kunnen opleggen aan anderen, ook buiten de eigen grenzen. Daarom vragen ook deze crises, deze risico’s om een brede, grensoverschrijdende aanpak, om global governance: mondiale instituties voor mondiale problemen. Dat zal niet zomaar, vanzelf gebeuren. Herman heeft het niet voor niets regelmatig over een ‘cultuurcrisis’. Of, in de woorden van Abraham Lincoln: “The dogmas of the quiet past are inadequate to the stormy present. We must think anew and act anew."
Een belangrijke uitdaging voor dit nieuwe denken, deze nieuwe aanpak, is de klimaatcrisis. Een crisis die mogelijk nóg serieuzer is dan de financiële crisis: de klimaatcrisis
1. komt niet vanzelf goed
2. is erg kostbaar
3. en wordt gekenmerkt door een slow response
Beperking van klimaatverandering vraagt om een werkelijk groene
revolutie, niet alleen vandaag en morgen, maar de komende 40 of 50
jaar.
Het is essentieel dat zo veel mogelijk landen meedoen aan deze
groene revolutie. Wanneer alleen de ‘traditionele’ vervuilers hard
aan de slag gaan om minder uit te stoten, zullen de China’s van
deze wereld hun inzet al snel volledig teniet doen. En we willen
ook niet dat ondernemingen zich op plekken kunnen vestigen waar ze
het met milieuregels niet zo nauw nemen. Dat is niet alleen weinig
effectief om uitstoot tegen te gaan, maar ook slecht voor onze
concurrentiepositie.
Voor een goede, duurzame oplossing van deze crisis is er niet
alleen een wereldwijde aanpak nodig maar ook heel veel geld. Wat we
daarom nodig hebben is een mechanisme dat op geloofwaardige wijze
de juiste prikkels biedt voor een effectief en efficiënt
klimaatbeleid. Een goed werkende mondiale markt voor
CO2-emissierechten is hierin cruciaal. Ik stel voor om daarvoor een
andere Wereldbank op te richten, een wereldkoolstofbank (global
carbon bank of ‘GCB’) op te richten. Een internationale instelling
die als marktmeester zorgt voor een goede werking van de mondiale
markt voor emissierechten. Hoe? Door het aantal emissierechten te
veilen dat de verdragspartijen overeengekomen zijn om
klimaatverandering te beperken. En door het aantal rechten elk jaar
te verminderen. De koolstofbank verdeelt de veilingopbrengsten
vervolgens over de aangesloten landen volgens een vooraf
overeengekomen, eerlijke verdeelsleutel. Deze wereldbank zal dus
geen ontwikkelingsbank zijn zoals we die nu kennen, maar een soort
centrale bank voor emissierechten, de ‘hoeder’ van één wereldwijde
markt en één wereldwijde prijs voor CO2-uitstoot. Op die manier
kunnen we ook de uitstoot verminderen in die landen en economische
sectoren waar de kosten het laagst zijn, én het mondiale gelijke
speelveld waarborgen. Bovendien zal dit systeem zorgen voor een
substantiële stroom van hulpbronnen van rijke naar armere landen.
Die landen worden op deze manier gecompenseerd voor de kosten voor
de aanpak van klimaatverandering, en gestimuleerd om mee te doen.
Op dit moment zie ik geen bestaande mondiale instelling die deze
taak kan oppakken en invullen. Ook het UNFCCC-secretariaat niet.
Als we een koolstofbank willen zullen we hem moeten oprichten. Mij
lijkt dat een uitstekend plan! Misschien is dat wel de bank
waarvoor Herman terug wil komen in ‘actieve dienst’. We zouden hem
bijvoorbeeld in Nieuw-Zeeland kunnen vestigen…
Deze wereldkoolstofbank is één voorbeeld. Maar er is meer nodig om
te voldoen aan het adagium: mondiale instituties voor mondiale
problemen. Want dat betekent ook dat we de bestaande internationale
organisaties moeten omvormen tot echte ‘global institutions’. Daar
bedoel ik mee dat het IMF, de Wereldbank en de Financial Stability
Board de capaciteit en de legitimiteit moeten krijgen om op
wereldschaal mondiale publieke goederen te beschermen. Publieke
goederen zoals financiële en economische stabiliteit en
sociaal-economische vooruitgang. Globalisering kan grote voordelen
met zich meebrengen, zeker voor Nederland, maar het moet wel
houdbare, duurzame en solidaire globalisering zijn!
Herman zet zich al jaren in voor een beter, effectiever ‘global
governance’. Hij was bij de Wereldbank nauw betrokken bij het
vertrek van Wolfowitz en bij de cultuurverandering die daarop
volgde. Ook was hij voorzitter van de ad hoc Working Group on
Internal Governance. Deze werkgroep had de opdracht om het ethics
committee te hervormen, maar Herman is een paar stappen verder
gegaan en vergaande verbeteringen in de interne governance
doorgevoerd. Herman heeft zich er ook altijd hard voor gemaakt dat
Board-leden niet de ‘enge’ belangen van individuele aandeelhouders
nastreven, maar het grotere belang van de organisatie. Hoewel ik me
daar in principe iets bij voor kan stellen, blijft het zo dat de
betaler aan IDA of kapitaalverhogingen ook invloed wil houden op de
besteding van dat geld. Na de zomer komt de commissie Zedillo, waar
Herman deel van uitmaakt, met verdere voorstellen. Ik ben benieuwd!
Misschien dat hij straks al een stukje van de sluier kan oplichten…
Op het gebied van de effectiviteit valt er nog een hoop winst te
behalen bij onze internationale instellingen. Het bestuursmodel van
het IMF en de Wereldbank zou bijvoorbeeld een stuk effectiever
kunnen worden als het management volledige operationele
verantwoordelijkheid krijgt en de board zich beperkt tot toezicht
en strategie. Nu lijkt het weleens andersom. Herman noemt dat het
upside down model. Om de effectiviteit verder te verbeteren moet
bij de Wereldbank het proces van decentralisatie en delegatie
worden voortgezet. Daar is vooruitgang in geboekt, maar dat kan nog
beter. Bij het IMF zou de impact van adviezen beter moeten en
kunnen: het is cruciaal dat die adviezen ook door de grootste
landen worden opgevolgd.
Een ander belangrijk punt om de internationale instellingen te
versterken is de versterking van hun legitimiteit. De instellingen
zijn wereldomvattend, maar dat betekent helaas niet dat ieders stem
naar tevredenheid wordt gehoord. Herschikking van het stemgewicht
is niet genoeg om de legitimiteit te versterken, al moet dat zeker
gebeuren. Het gaat ook om decentralisatie en om een evenwichtige
vertegenwoordiging van nationaliteiten binnen de instellingen zelf,
tot op het niveau waar de beslissingen genomen worden. Dat geldt
ook voor de presidenten van de Wereldbank en het IMF. Daar zijn
vast ook heel goede niet-Amerikaanse kandidaten voor te vinden…
Mensen die te groot zijn voor hun eigen land. Zoals Herman Wijffels
en zoals Pa Pinkelman. Want ook daar dringt de band met Bomans zich
op. Toen Pa Pinkelman na vele andere avonturen besloot om in de
politiek te gaan, viel hij al snel op door de grootheid van zijn
concepties; zijn ideeën waren te machtig voor de Tweede Kamer. Dus
werd hij door de Nederlandse regering naar Washington gestuurd…
Herman, je weet dat er over jou wordt gezegd dat je de beste
premier bent die Nederland nooit heeft gehad – sorry Ruud – maar we
kunnen ons allemaal troosten met de onvergetelijke woorden die Pa
Pinkelman tegen de Amerikaanse president sprak: “President ben je
maar voor vier jaar, maar Pinkelman blijf je altijd!” Inderdaad:
wat je ook gedaan hebt, wat je ook nog gaat doen, Wijffels blijf je
altijd!