Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Organisatie In het land Toespraken

Financiele Poort

Op woensdag 14 oktober 2009 hield minister Bos een speech bij de Financiele Poort waarin hij inging op de val van DSB en de lessen die te trekken zijn van de val van Lehman Brothers.

De uitgesproken tekst wijkt op sommige punten af van de hier weergegeven voorbereide tekst.

 

Dames en heren,

Toen ik vorige week deze speech voorbereidde was ik nog van plan om kort met u terug te kijken op dertien maanden ná de val van Lehman Brothers; dertien turbulente maanden die financiële instellingen en overheden, bankiers en burgers veel ellende hebben gebracht, en om dan te kijken wat we nu van deze gebeurtenissen hebben geleerd en nog kunnen leren. Vandaag, krap twee dagen na de val van de DSB-bank lijkt het me ook goed om even met u terug te kijken op die twee turbulente dagen. Want laten we eerlijk zijn, dit is een actualiteit die de onze wereld en onze zekerheden weer opnieuw op zijn kop heeft weten te zetten. Ondanks het feit dat deze ‘val’ eigenlijk los staat van de kredietcrisis, hebben we weer gezien dat het succes van een financiële instelling – letterlijk – staat of valt door vertrouwen of het gebrek daaraan. DNB kon uiteindelijk, door de situatie die bij DSB was ontstaan, niet anders dan  het ingrijpende instrument van de noodregeling inzetten. Het afgelopen weekend hebben met enkele van de aanwezigen hier samen goed gekeken naar een oplossing die DSB voor omvallen zou hebben kunnen behoeden, maar dat bleek helaas niet mogelijk. Er is echt door alle partijen hard aan getrokken maar de risico’s waren toch te groot .

De vraag die ons natuurlijk allemaal bezighoudt is: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Hoe kan het dat een bank die pas vier jaar bestaat nu opeens omvalt?

Ik wil dan ook precies weten wat er bij DSB is gebeurd. Daarom laat ik twee onderzoeken doen. Een onderzoek naar de gang van zaken bij de bank, de regelgeving en de rol van het toezicht. En een onderzoek naar de verantwoordelijkheden van de bestuurders van DSB. Als de uitkomsten daarvan duidelijk zijn, dan kunnen we wellicht een oordeel vellen over wie er wanneer wat had moeten doen, of het misschien anders had gekund en of er sprake is van ‘verantwoordelijken’ of ‘schuldigen’.

Ik zei het net en de afgelopen dagen al: de problemen van DSB niet zijn veroorzaakt door de kredietcrisis. Het gaat om een individuele, relatief kleine bank die zelf in problemen is gekomen door eigen beleid, weglopende klanten, onduidelijke communicatie en de onzekerheid die daardoor is ontstaan. Door die opeenstapeling van acties en reacties heeft DNB uiteindelijk de noodregeling aangevraagd voor DSB.

De vraag die ons nu ook allemaal, maar zeker mij bezighoudt, is: hoe kunnen we de schade voor alle betrokkenen beperken? Voor de klanten van DSB, want omdat DSB een echte consumentenbank is/was zijn het vooral relatief kleine spaarders die nu getroffen worden. Voor een groot deel van die spaarders is er het DGS, maar de bewindvoerders zullen natuurlijk ook voor de mensen met een spaartegoed van boven de 100.000 en voor de mensen met een achtergestelde spaarrekening hun best doen om de schade te beperken.

Over het DGS gesproken… de val van DSB gaat de banken veel geld kosten. Daarom is het goed dat we werken aan een ander DGS: een andere inrichting en een andere financiering.

De huidige ex post financiering betekent dat de kosten, als ze komen, in één keer komen, dat er geen prikkels zijn om echt te voorkómen dat het fout gaat en dat de vervuiler niet meebetaalt. Daarom komt er een ex ante financiering met een risicogewogen bijdrage. Banken betalen periodiek een risicogeoriënteerde premie en bouwen zo samen een fonds op. Dat fonds keert uit wanneer er een beroep wordt gedaan op het depositogarantiestelsel. Er zit nog steeds een stukje ex post financiering in want als de pot op het moment dat het nodig is niet groot genoeg is moeten de banken geld bijleggen.  

Dat is wat ik nu kort over de afgelopen dagen wil zeggen. Als u wilt kunnen we er in de vragenronde straks over doorpraten, maar nu wil ik toch ook nog even terug naar de kredietcrisis. Want wat er straks ook voor lessen te trekken vallen uit de gebeurtenissen bij de DSB, we kunnen zeker nu al lessen trekken uit de crisis!

We hebben bijvoorbeeld geleerd dat onze financiële sector op een aantal punten tekort schiet, nationaal én internationaal. Dit is hét moment om die tekortkomingen aan te pakken. Neem bijvoorbeeld het eerste “winstpunt” van deze crisis: we zijn ons allemaal veel sterker bewust geworden van het belang van internationale samenwerking en coördinatie. In verschillende internationale fora vindt overleg plaats: het IMF, het Bazels Comité, de FSB, de IASB enz. De G20 speelt daarbij een belangrijke leidende en coördinerende rol en benut het  politieke momentum om noodzakelijke veranderingen in gang te zetten. Winstpunt daarbij is dat we nu voortgang boeken op terreinen die voorheen niet bespreekbaar waren: we praten over zaken die nooit besproken werden, we stellen regels vast waar nooit regels waren en we houden toezicht waar markten het altijd beter wisten.

Een goed voorbeeld zijn afspraken die we twee weken geleden hebben gemaakt in Pittsburgh. Afspraken over beloningsbeleid, met duidelijke afspraken over het uitsmeren van bonussen over langere termijn.

En in Europa staan we op het punt om concrete afspraken te maken over een Europees stelsel van toezicht. Ook de afspraken om hedge funds en kredietbeoordelingsbureaus te reguleren waren voor de crisis ondenkbaar geweest. Iedereen riep namelijk dat de financiële markt vrij moest kunnen functioneren. Het VK voorop, terwijl nu juist de FSA voorop loopt in de roep om sterker toezicht.

Allemaal winstpunten wat mij betreft.

Ondanks deze resultaten die we in de afgelopen dertien maanden hebben geboekt, staan er ook punten op de agenda die door gebrek aan urgentie of door gebrek aan aandacht maar steeds niet geregeld worden, terwijl dat volgens mij wel zou moeten. Want dit is het moment om door te pakken en door te zetten!

Want het lijkt wel alsof dat momentum weer snel vervaagt, alsof we weer een beetje vergeten wat er ook al weer mis ging en nog sneller vergeten waarom we dingen moeten veranderen.

Dat was ook de waarschuwende conclusie van Paul Krugman een tijdje geleden in zijn column in The New York Times. Hij schreef:”Het is moeilijk het gevoel te onderdrukken dat we een cruciale kans laten lopen en dat we op een keerpunt staan, maar niet in staat zijn de draai te maken.”

Krugman constateert met verbazing dat zombie-ideeën zoals Reaganomics de kop blijven opsteken, dat de pogingen om de regulering van banken aan te scherpen aan kracht verliezen en dat er zelfs weer mensen zijn die zeggen dat strengere regels leiden tot minder financiële innovatie.

Als we dat laten gebeuren hebben we een belangrijke kans laten lopen om wat fout is te veranderen en wat minder goed is te verbeteren.

Over welke veranderingen en verbeteringen heb ik het dan?

Om maar gelijk de hand in eigen boezem te steken: het eerste punt dat om aandacht vraagt is iets waar wij als overheid wat steekjes hebben laten vallen, waar wij als overheid te risicovol of onzorgvuldig zijn geweest. Want het is duidelijk dat er op het gebied van crisismanagement nog een aantal zaken beter geregeld moeten worden.

Als een particulier bedrijf een ander bedrijf wil kopen, dan gaan daar weken, soms wel maanden overheen. De overheid heeft echter in een paar dagen een grote bank-verzekeraar gekocht, én een groot belang in een andere bank. En daarna hebben we ook nog eens miljarden uitgegeven aan kapitaalinjecties en 200 miljard aan overheidsgaranties.

Heel veel geld dat in heel korte tijd beschikbaar werd gesteld. Eigenlijk te weinig tijd om dit soort grote beslissingen te nemen en om zo’n ingewikkeld proces ordentelijk te laten verlopen. Normaal gesproken moet er eerst een strategische analyse en een uitgebreide due diligence onderzoek plaatsvinden. Maar daar hadden we geen tijd voor. We moesten snel ingrijpen; alternatieven waren er niet.

Maar dat het vorig jaar zo gegaan is wil natuurlijk niet zeggen dat dat in de toekomst niet anders, niet beter moet. Juist omdat bij dit soort hele grote financiële beslissingen de risico’s tamelijk onafwendbaar bij de belastingbetaler worden neergelegd.

Wat we hebben geleerd is dat de overheid niet genoeg instrumenten heeft om in te grijpen in crisissituaties die veroorzaakt worden door marktfalen (!) en vooral dat we geen middelen hebben om (een deel) van de rekening daar neer te leggen waar die hoort: bij verschaffers van aandelenkapitaal en vreemd vermogen. Dus moeten we op zoek naar manieren om daar een beter evenwicht in te vinden. Bijvoorbeeld door verplicht converteerbare obligaties.

Het crisismanagement moet ook op andere terreinen worden versterkt. Dat zal ik duidelijk maken met een voorbeeld, of beter: een gedachte-experiment.

U weet het vast nog wel: op 3 oktober 2008 kocht de Nederlandse overheid de Nederlandse delen van Fortis, inclusief haar deel in ABN AMRO voor 16,8 miljard. Deze transactie kon plaatsvinden zonder toestemming van de aandeelhouders van Fortis omdat het ging om aparte onderdelen onder Fortis Holding die losgeknipt konden worden.

Stelt u zich nu echter eens voor dat de delen van Fortis en ABN AMRO beursgenoteerd waren geweest of in de handen van particuliere aandeelhouders. Wat was er dan gebeurd? Dan had het proces in ieder geval een stuk langer geduurd én dan had de overheid in een heel lastige situatie terecht kunnen komen.

Bijvoorbeeld als de aandeelhouders niet akkoord waren gegaan met  de verkoop. Misschien omdat ze vonden dat de prijs te laag was, maar misschien ook omdat ze zich realiseerden dat ‘hun’ bank too big to fail was.

Wat hadden we dan kunnen doen?

Het is mogelijk dat de bank als geheel niet meer levensvatbaar zou zijn, maar zonder overeenstemming met de aandeelhouders, kan een bank niet gered worden. Hadden we dan het bod moeten verhogen en de aandeelhouders een bail-out moeten geven? Een zeer ongemakkelijke situatie, waarbij het begrip “privatising gains, socialising losses” wel heel harde werkelijkheid te worden.

Dat dit niet alleen een gedachte-experiment is, bewijst de Duitse situatie. De noodlijdende hypotheekbank Hypo Real Estate (HRE) was in problemen geraakt, maar de aandeelhouders frustreerden mogelijke oplossingen.

Om een oplossing te creëren voor dit dilemma, heeft de Duitse overheid tijdelijk een wet ingevoerd die het mogelijk maakt om uiteindelijk en indien nodig de rechten van aandeelhouders opzij te zetten en de bank te verkopen. Een vergaande maatregel. Er is uiteindelijk geen gebruik van gemaakt, maar de mogelijkheid heeft vermoedelijk wel geholpen om uit de impasse te komen.

Tegen die achtergrond kan ook het advies in rapport van de Commissie Maas worden gelezen:

“In dreigende crisissituaties dienen de toezichthouders op banken over verregaande bevoegdheden te beschikken. De bevoegdheden van de organen van de bank (Raad van bestuur, Raad van Commissarissen, Algemene Vergadering van Aandeelhouders) zouden in dat verband opgeschort moeten kunnen worden opdat een nieuw onderkomen kan worden gezocht voor het betrokken/besmette deel van een bank.”

Dit voorstel is niet bedoeld om de rechten van aandeelhouders te ondermijnen, maar om de overheid in staat te stellen om tot oplossingen te komen die goed zijn voor de financiële stabiliteit.

Een ander belangrijk agendapunt als om het crisismanagement te verbeteren, is betere bescherming van publieke belangen. We hebben gekeken of het mogelijk is om spaar- en durfbanken te scheiden, maar het is duidelijk dat zo’n systeem beperkingen heeft. Maar het blijft belangrijk om publieke belangen en overige activiteiten te (onder)scheiden.

Eén van de manieren om dit op te lossen is om financiële instellingen te vragen om periodiek een soort testament op te stellen, een ‘living will’. Zo wordt een instelling gedwongen om vooraf na te denken over de manier waarop een instelling als die in de problemen mocht komen, kan worden gered. Daarin moet dan ook worden aangegeven welke activiteiten van belang zijn voor het functioneren van het gehele financiële stelsel en de economie (de publieke belangen) en welke delen zonder grote problemen afgestoten kunnen worden richting de particuliere sector. Zo’n document kan ook zorgen voor meer inzicht in de vervlechtingen binnen een financiële instelling en tussen financiële instellingen, zodat in een crisissituatie geen kostbare tijd verloren gaat.

Maar dat is niet alles wat nog op mijn agenda staat van verbeteringen die we nu, nu we de kans en het momentum hebben, nog moeten doorvoeren. Ook voor de financiële sector is er nog genoeg ruimte voor verbetering.

Natuurlijk, de financiële instellingen hebben belangrijke stappen gezet met het rapport van de Commissie Maas en het opstellen van de Code Banken, maar daarmee zijn we er nog niet.

Wat we vooral moeten voorkomen is dat we gemakzuchtig worden en terugkeren naar business as usual. Dat is gevaarlijk. Niet alleen omdat het de nu toch relatief kwetsbare positie van bankiers nog verder aantast, maar ook omdat we als overheid en toezichthouders alleen de volgende crisis niet kunnen voorkomen. Dat moet ook vanuit de financiële sector zélf komen. Zij zijn, u bent, vaak beter geïnformeerd en dagelijks bezig met het beheren van risico’s.

Ik zou de financiële sector dan ook willen oproepen om het bewustzijn vast te houden en ervoor te zorgen dat de veranderingen ook daadwerkelijk beklijven. Alleen dan zal de Code Banken zijn waarde kunnen bewijzen.

De afgelopen tijd is er veel discussie geweest over beloningsbeleid en bonussen. Wees gerust. Voor deze ene keer zal ik er niet – weer – uitgebreid op ingaan. Maar ik wil wel een signaal afgeven: het draagvlak in de samenleving voor bankiers staat nog steeds onder druk.

John Maynard Keynes zei ooit: “A sound banker, alas! is not one who foresees danger and avoids it, but one who, when he is ruined, is ruined in a conventional and orthodox way along with his fellows, so that no one can really blame him. “

Maar ik kan u verzekeren: het publiek legt de schuld wel degelijk bij de bankiers, bij de financiële instellingen, en niet alleen in IJsland…

De verontwaardiging, de woede bij het publiek is groot. Dit is niet alleen vervelend voor de bankiers, maar uiteindelijk ook voor de Nederlandse economie. Een goed functionerend financieel systeem is essentieel voor het herstel dat we zo hard nodig hebben. Daar hoort geen wantrouwen of rancune bij.

Hier ligt dan ook een belangrijke rol voor de financiële sector. De sector zal het publiek moeten laten zien dat u zich bewust bent van de schade die u de economie en de belastingbetaler heeft aangericht én dat u in de toekomst ook uw rol fundamentaal anders gaat invullen, namelijk dienstbaar en solide.

Dus ben ik benieuwd hoe u de Code Banken in de praktijk zult gaan implementeren. Hoe u ervoor gaat zorgen dat risicobewustzijn en klantgerichtheid tot in de haarvaten van een bank verspreid en nageleefd worden.

Daarbij is het natuurlijk goed om te beseffen dat het Rapport Maas en de Code Banken over veel meer zaken gingen dan alleen beloningsbeleid. Het ging ook over cultuurverandering, over verbetering van het risicobeheersingsproces bij het ontwikkelen en goedkeuren van producten, over aandacht voor deskundigheid en permanente educatie, over maatschappelijk bewustzijn en governance.

Allemaal belangrijke uitdagingen die de sector zelf moet oppakken. De financiële sector zal zelf moeten laten zien dat zij werkt aan een betere toekomst, midden in de samenleving!

Ik heb daar vertrouwen in, maar u zult het moeten waarmaken!

Verwante dossiers

Bekijk de volledige versie van Minfin